id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.628 Rolnummer: A. 58201/X-9208 Zaak: Arrest 169628 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-12 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 19:13 Fiche Arrest nr 169.628 van 30 maart 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.628 van 30 maart 2007 in de zaak A. 58.201/X-
- In zake : Franciscus BEENS, die woonplaats kiest bij advocaat R. Hens, kantoor houdende te Brasschaat, Bredabaan 161, bus 1 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat S. Stevens, kantoor houdende te Mechelen, Schuttersstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Franciscus Beens op 27 mei 1994 heeft ingediend om te vragen 1/ dat het besluit van 19 januari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegen-heden waarbij hem de vergunning geweigerd wordt voor het regulariseren van een paardenstal op een perceel te Kalmthout, Steertse Duinen, kadastraal gekend sectie A, nrs. 557 x 5 en z 5, wordt nietigverklaard, en 2/ dat de geweigerde vergunning “als verleend” wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. Barra; Gelet op de beschikking van 20 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; X-9208-1/6 Gelet op de beschikking van 12 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2006, datum waarop de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 28 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Vermeiren, die loco advocaat R. Hens verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat S. Stevens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feitelijke gegevens
- Op 22 januari 1991 dient verzoeker een bouwaanvraag in tot regularisatie van een reeds gebouwde paardenstal gelegen te Kalmthout, Steertse Duinen op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 557 x 5 en z
- Het college van burgemeester en schepenen weigert de vergunning bij beslissing van 26 juni
- Verzoekers beroep tegen de weigering wordt op 11 maart 1993 verworpen door de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Ook het beroep van verzoeker tegen die beslissing wordt verworpen, met een besluit van 10 januari 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden. In hoofdzaak wordt gemotiveerd : “Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Turnhout, vastgesteld bij koninklijk besluit van 30 september 1977, gelegen is in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat in dit gebied, overeenkomstig de noodzakelijke samenlezing der artikelen 11 en 15 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, bestemd voor de landbouw in de ruime zin, bepaalde beperkingen gelden met het doel het landschap te beschermen of aan landschapsontwikkeling te doen; dat de daar voorgestelde handelingen en werken de schoonheidswaarde van het landschap niet mogen in gevaar brengen; Overwegende dat zich op het perceel een grote villa, een zomerhuisje en een paardestal - deze laatste als voorwerp van het beroep - bevinden; dat het perceel X-9208-2/6 niet wordt gebruikt voor een landbouwbedrijf en het evenmin deel uitmaakt van een groter terrein in functie van een landbouwexploitatie; dat de ter regularisatie voorgestelde stal 15 m bij 12 m meet en zou gebruikt worden in functie van een paardenfokkerij; dat het hier echter een, op de villa en zomerhuisje te na, ongeschonden landschappelijk waardevol agrarisch gebied betreft dat structureel nog niet is aangetast en bijgevolg niet in aanmerking komt voor het vestigen van niet-agrarische bedrijven of accommodaties ten behoeve van een recreatieve bezigheid; dat bovendien kwestieuse stal zich deels situeert op minder dan 10 m van de grens met Nederland en bijgevolg in strijd is met artikel 43 van het Verdrag van Maastricht d.d 8 augustus 1843, volgens hetwelk geen gebouwen, woonhuizen of welke constructie dan ook mag opgericht worden op een afstand van minder dan 10 m van de landsgrens; dat bijgevolg de stal wegens zijn planologische onverenigbaarheid en strijdigheid met voornoemd grensverdrag een goede ruimtelijke ordening in het gedrang brengt en dus het beroep van de particulier dient verworpen”. De bevoegdheid van de Raad van State
- Ambtshalve moet worden vastgesteld dat het de bevoegdheid van de Raad van State te buiten gaat om, in geval van vernietiging door de Raad van State van de bestreden beslissing, de vergunning die verzoeker nastreeft “als verleend” te verklaren. De beslissing om de vergunning al dan niet te verstrekken komt de verwerende partij toe. In voorkomend geval zal een vernietiging van het ministerieel besluit van 19 januari 1994 haar er wel toe verplichten zich opnieuw uit te spreken over het beroep dat verzoeker destijds bij haar heeft ingesteld tegen de beslissing van 11 maart 1993 van de bestendige deputatie. Het belang van verzoeker
- Ter terechtzitting van 14 november 2006 rijst de vraag naar verzoekers wettig belang bij het ingestelde beroep. De vraag behoeft geen antwoord aangezien, zoals hierna blijkt, de vordering ongegrond is en dus hoe dan ook verworpen moet worden. De grond van de vordering tot nietigverklaring
- De bestreden beslissing steunt op twee motieven, die in principe elk afzonderlijk de bestreden weigering kunnen verantwoorden: planologische onverenigbaarheid én strijdigheid met artikel 43 (lees: 34) van het verdrag van Maastricht van 8 augustus
- In een eerste middel betwist verzoeker het eerste motief; in een tweede middel, het tweede motief. Terecht wijst de auditeur erop -en X-9208-3/6 betwist verzoeker niet- dat de middelen alleen tot vernietiging kunnen leiden wanneer ze beide gegrond zijn.
- Wat het tweede motief betreft voert verzoeker, in het tweede middel, in essentie aan dat het onwettig is om in 1994, “om formalistische redenen” en “pour les besoins de la cause”, nog een beroep te doen op het grensverdrag van 8 augustus 1843 tussen België en Nederland. Hij wijst er op dat artikel 34 van het verdrag wel bepaalt dat geen bouwwerk of woonplaats mag worden opgericht op minder dan tien meter van de rijksgrens, maar dat uit het verdrag toch ook af te leiden is “dat men een soepele houding aanneemt opzichtens eigenaars [zoals verzoeker] van percelen die zich over de staatsgrens uitstrekken”, dat men “het verdrag moet plaatsen in zijn tijdsgeest” en dat er sedert de inwerkingtreding ervan “enorm veel” veranderd is op het vlak van de internationale betrekkingen. Verzoeker besluit dat het verdrag thans alle belang verloren heeft en dat zijn toepassing indruist tegen de finaliteit ervan en van het recht in het algemeen. Verwerende partij antwoordt in de memorie van antwoord dat geen enkele van de uitzonderingen waarin het verdrag voorziet, op het eigendom van verzoeker van toepassing is en dat het verdrag noch impliciet, noch expliciet werd afgeschaft. In de memorie van wederantwoord herhaalt verzoeker “[d]at er geen twijfel over kan bestaan dat dit grensverdrag in onze huidige samenleving aan alle belang heeft ingeboet en thans voorbij gestreefde regelgeving bevat”. Hij doet gelden dat mag worden aangenomen dat niettegenstaande het verdrag nooit expliciet werd afgeschaft, het “dode letter is geworden en minstens impliciet niet langer van kracht is”.
- Naar luid van artikel 34, eerste lid, van de Overeenkomst tot vaststelling van de grenzen tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden, ondertekend te Maastricht op 8 augustus 1843, zal “[i]n het toekomende en in het belang der beyde Staeten, [...] geen gebouw of woonhuys, hoegenaemd, opgerigt mogen worden ten zy op den afstand van tien meters (ellen) van de grenslinie”. X-9208-4/6 Er is hoegenaamd geen reden om aan te nemen dat het verdrag ten tijde van de bestreden beslissing onwerkzaam was geworden. Integendeel is het in de loop der tijd herhaaldelijk aangepast, zoals bijvoorbeeld in 1976 en
- In het laatste geval is het verdrag, met inwerkingtreding op 7 juli 1982 en met terugwerkende kracht tot 1 januari 1982, aangevuld geworden met een artikel 34, laatste lid (B.S., 25 augustus 1982), luidend : “De bevoegde autoriteiten van beide Staten kunnen, in gemeen overleg, vergunningen verlenen die verdere afwijkingen toestaan van datgene wat wordt bepaald in de eerste alinea, op voorwaarde dat het toezicht aan de grens op voldoende wijze kan blijven worden uitgeoefend”.
- Die aanvulling brengt verzoeker er overigens toe in de laatste memorie het middel een geheel nieuwe wending te geven: “Uit niets blij[k]t dat, met gemeen overleg tussen de twee staten, deze afwijking van enkele luttele meters niet had kunnen worden toegekend en het is alleszins zeer duidelijk dat het toezicht op de grens op geen enkele wijze daardoor zou zijn aangetast”. Met andere woorden heet het nu niet meer dat het verdrag van 8 augustus 1843 verouderd is en niet in aanmerking mocht worden genomen, maar beroept verzoeker er zich juist op -op artikel 34, laatste lid-, door namelijk de verwerende partij tegen te werpen geen gebruik te hebben gemaakt van de mogelijkheid om in zijn geval, in overleg tussen de betrokken staten, van het verbod in het eerste lid af te wijken. Door zijn initiële middel aldus een totaal verschillende invulling te geven, voert verzoeker in wezen een nieuw middel aan. Dit nieuwe middel, aangezien het voor het eerst in de laatste memorie wordt geformuleerd, is evenwel slechts ontvankelijk in zoverre het van openbare orde is of nog niet eerder kon zijn aangebracht. Noch het een, noch het ander blijkt het geval.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het tweede middel, zoals het oorspronkelijk werd aangevoerd en toegelicht, ongegrond is en, zoals het in de laatste memorie wordt aangevuld, laattijdig is. De verwerping van het tweede middel brengt, zoals hiervoor gezien, mee dat evenmin het eerste middel tot de nietigverklaring kan leiden.
- In een derde middel doet verzoeker “misbruik van recht” gelden. Verzoeker licht toe dat de gemeente Kalmthout geen belang heeft bij het afbreken van een bescheiden paardenstal van dertig jaar oud, dat zij de bestaande toestand gedoogd heeft en zodoende haar recht heeft verwerkt om herstel in de X-9208-5/6 oorspronkelijke toestand te eisen, en dat de wet van 22 december 1970 de mogelijkheid biedt om andere, meer billijke herstelmaatregelen te nemen.
- In het auditoraatsverslag wordt er op gewezen dat te dezen niet de gemeente, maar het Vlaamse Gewest de verwerende partij is en dat het beroep niet tegen een herstelmaatregel gericht is, maar tegen de weigering van een bouwaanvraag. Verzoeker betwist dat in de laatste memorie met geen woord. Het middel wordt om de redenen vermeld in het auditoraatsverslag, verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig maart 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-9208-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.628 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div