← België

Arrest 169637 - Penitentiair recht - 31/03/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 maart 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.637 Rolnummer: A. 182126/IX-5618 Zaak: Arrest 169637 - Penitentiair recht - 31/03/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-05 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:15 Fiche Arrest nr 169.637 van 31 maart 2007 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Verwerping dwangsom Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.637 van 31 maart 2007 in de zaak A. 182.126/IX-5618 In zake : Ashraf Sekkaki die woonplaats kiest bij advocaat K. Krikilion kantoor houdende te Schendelbeke Moenebroekstraat 33 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ashraf SEKKAKI op 30 maart 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van “de beslissing tot toepassing van een bijzonder veiligheidsmaatregel van de Gevangenis Brugge van 28.03.2007” en waarin hij vraagt dat een dwangsom van 250 euro per dag zou worden toegekend “wanneer de tenuitvoerlegging van het schorsingsarrest op zich zou laten wachten”; Gelet op de beschikking van 31 maart 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid betreft; Gezien het administratief dossier; Gelet op de beschikking van 30 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2007, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Krikilion, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché K. Van Driessche, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-5618-1/5 Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. Van Mingeroet; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : Aanleiding tot het geschil

  1. Verzoeker is geïnterneerd in de strafinrichting te Brugge. Hij wordt op 28 maart 2007 gehoord over zijn mogelijke betrokkenheid in de ontvluchtingspoging daags ervoor van een gevangene. Tevens worden voorwerpen uit zijn cel meegenomen voor onderzoek. Eveneens op 28 maart 2007 wordt aan verzoeker de thans bestreden “beslissing tot toepassing van een bijzondere veiligheidsmaatregel” meegedeeld. Die maatregel refereert aan de artikelen 110, 112 en 113 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden en merkt volgende elementen aan die “ernstige aanwijzingen vormen van een gevaar voor de orde [en] de veiligheid”: “Gezien het hangende onderzoek naar de betrokkenheid van bovenstaande in de zeer concrete ontvluchtingspoging, dd. 27 maart 2007, met wapens en hulp van buitenaf, Gezien de bijzondere omstandigheden waarin de feiten zich afspeelden, Gezien het grote gevaar voor mensenlevens tijdens de ontvluchtingspoging, Gezien de psychische en fysieke integriteit van de omstaanders en het aanwezige personeel tijdens de ontsnappingspoging in het gedrang werd gebracht”. De bijzondere maatregel behelst de uitsluiting van deelname aan bepaalde gemeenschappelijke activiteiten, open briefwisseling, telefoonverbod uitgezonderd advocaat en ombudsman en bezoek achter glas. De maatregel is van toepassing voor een duur van zeven dagen die een aanvang neemt op 28 maart 2007 en eindigt op 3 april
  2. Rechtsmacht van de Raad van State
  3. Verwerende partij werpt op dat de Raad van State onbevoegd is om zich over de voorliggende ordemaatregel uit te spreken. IX-5618-2/5 Verzoeker antwoordt dat het bericht waarmee de maatregel ter kennis is gebracht uitdrukkelijk de nietigverklaring en de vordering tot schorsing bij de Raad van State als rechtsmiddelen vermeldt en dat de overheid alzo de burger misleidt.
  4. De Raad van State is niet bevoegd om kennis te nemen van vorderingen tegen beslissingen genomen door de directeur van een strafinrichting, die als zodanig onder de uitvoerende macht ressorteert, indien deze daarbij rechtstreeks meewerkt aan de uitvoering van de vonnissen en arresten van de strafrechter. Evenmin komen voor vernietiging door de Raad van State in aanmerking, de maatregelen die weliswaar zekere ongemakken of onaangenaamheden kunnen meebrengen doch die de directeur neemt met het oog op de goede werking van en de goede orde in de strafinrichting, in zoverre die maatregelen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen, tenzij wanneer de maatregel er uitsluitend of hoofdzakelijk toe strekt een gedetineerde te bestraffen wegens disciplinaire tekortkomingen. Ten slotte mag de Raad van State geen kennis nemen van middelen waarin een verzoeker doet gelden dat de bestreden beslissing een schending van zijn subjectieve rechten uitmaakt.
  5. Zoals ook de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State in zijn arrest nr. 116.899, De Smedt, van 11 maart 2003 reeds overwoog dient er bijgevolg, met betrekking tot de rechtsmacht van de Raad van State, een onderscheid gemaakt te worden tussen een ordemaatregel die louter de goede werking van het gevangeniswezen beoogt en in essentie ingegeven is door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen en een tuchtmaatregel die tot doel heeft de gedetineerde te bestraffen voor een tekortkoming. In casu dient de bestreden beslissing zich aan als een “bijzondere veiligheidsmaatregel” als bedoeld in artikel 110, § 1, van de voornoemde basiswet van 12 januari 2005, dat luidt: “§
  6. Onverminderd de door de Koning te bepalen algemene veiligheidsvoor- schriften, kan de directeur, wanneer er ernstige aanwijzingen bestaan van een gevaar voor de orde of de veiligheid, ten aanzien van een gedetineerde bijzondere veiligheidsmaatregelen bevelen. De bijzondere veiligheidsmaatregel moet evenredig zijn aan de bedreiging en van die aard zijn dat hij ze verhelpt”. IX-5618-3/5 Uit de hiervoor overgeschreven motivering van de bestreden maatregel blijkt ook dat zij is gebaseerd op het gedrag van verzoeker, maar uitsluitend genomen werd met het oog op de orde en veiligheid binnen de gevangenis van Brugge. Verzoeker beweert overigens in geen enkel van de vier door hem aangevoerde middelen dat verwerende partij met de bestreden “bijzondere veiligheidsmaatregel” in feite een verdoken tuchtmaatregel zou hebben genomen.
  7. Het besluit moet dan ook zijn dat, gelet op wat voorafgaat, de genomen maatregel ten aanzien van verzoeker, een maatregel van orde uitmaakt die is ingegeven door veiligheids- en voorzichtigheidsoverwegingen. De exceptie is gegrond. De ingestelde vordering tot schorsing met de vraag tot het opleggen van een dwangsom is bijgevolg onontvankelijk, gelet op de onbevoegdheid van de Raad van State om ervan kennis te nemen.
  8. Een verkeerde inlichting van het bestuur bij de kennisgeving van de genomen maatregel over de ter beschikking staande beroepsmogelijkheden, kan er niet toe leiden dat de Raad van State plots wel bevoegd zou worden om de zaak te beoordelen. Door te dezen op zeer affirmatieve wijze de beroepsmogelijkheid bij de Raad van State te vermelden, heeft verwerende partij verzoeker evenwel misleid, wat verantwoordt dat de procedurekosten niet door verzoeker moeten worden gedragen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. IX-5618-4/5 Artikel
  11. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij; Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 maart 2007, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. G. VAN HAEGENDOREN. IX-5618-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.