← België

Arrest 169640 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 02/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.640 Rolnummer: A. 178845/IX-5476 Zaak: Arrest 169640 - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen - 02/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-11 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 19:16 Fiche Arrest nr 169.640 van 2 april 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt (behalve bijzondere statuten) - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.640 van 2 april 2007 in de zaak A. 178.845/IX-

  1. In zake : Guillaume DEHAEN, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guillaume DEHAEN op 24 november 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van “het koninklijk besluit van 15 september 2006 houdende de integratie in het niveau A van de titularissen van een bijzondere graad van het niveau 1 bij de Federale Overheidsdienst Financiën en de Pensioendienst voor de Overheidssector, B.S., 27.09.2006, in de mate dat in de artikelen 5, § 1, en 5, § 2 onderscheid wordt gemaakt - daarenboven met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2004 conform artikel 22 - in de weddeschalen én in de toekenning van titels aan de in artikel 4, § 1, van dat besluit bedoelde eerstaanwezend inspecteurs bij een fiscaal bestuur, in zoverre daarbij aan verzoekende partij met ingang van 1 december 2004 de in artikel 5, § 2, bedoelde weddeschaal A23 wordt ontzegd en in zoverre daarbij verzoekende partij wordt uitgesloten van de in artikel 5, § 2, bedoelde titel van ‘eerstaanwezend inspecteur-dienstchef’ bij een fiscaal bestuur”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; IX-5476-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat G. DE GROOTE, die loco advocaat W. MERTENS verschijnt voor verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat :
  3. Verzoeker wordt op 1 september 1995 benoemd tot hoofdcontro- leur der directe belastingen. Per 1 juli 1997 wordt hij benoemd tot eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur. Op 1 december 1997 wordt hij tenslotte benoemd door verhoging in weddeschaal in de schaal 10S
  4. 1.
  5. Bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 15 september 2006 houdende de integratie in het niveau A van de titularissen van een bijzondere graad van het niveau 1 bij de Federale Overheidsdienst Financiën en de Pensioendienst voor de Overheidssector, wordt onder meer de door verzoeker beklede graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur geschrapt. IX-5476-2/6 Krachtens artikel 4, § 1, van voornoemd koninklijk besluit kunnen de ambtenaren benoemd in klasse A2 van niveau A (voorheen niveau 1) met ingang van 1 december 2004 de titel van “eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur/eerstaanwezend inspecteur dienstchef bij een fiscaal bestuur (...)” dragen. Artikel 5 van het voornoemd koninklijk besluit luidt, in de voor de onderhavige zaak van belang zijnde onderdelen, als volgt : “Art.
  6. §
  7. De ambtenaren die op 1 december 2004 titularis zijn van één van de geschrapte of afgeschafte graden die hierna in kolom 1 zijn opgenomen, bekleed met de weddeschaal die in kolom 2 is opgenomen, worden ambtshalve benoemd in de klasse die in kolom 3 is opgenomen, bezoldigd in de wedde- schaal die in kolom 4 is opgenomen en dragen de titel hiertegenover vermeld in kolom
  8. 1 2 3 4 5 (...) Eerstaanwezend inspecteur bij 10S2 A2 A22 Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaalbestuur/ een fiscaal bestuur/Inspecteur Inspecteur principal principal d*administration d*administration fiscale fiscale (...) Eerstaanwezend inspecteur bij 10S3 A2 A22 Eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur/Inspecteur een fiscaal bestuur/Inspecteur principal d*administration principal d*administration fiscale fiscale (...) (...) De ambtenaren die na 1 december 2004 titularis werden van één van de geschrapte graden vermeld in kolom 1 of bevorderd in een weddeschaal vermeld in kolom 2 worden, op de datum van die benoeming of bevordering, ambtshalve benoemd in de klasse die in kolom 3 is opgenomen, bezoldigd in de weddeschaal die in kolom 4 is opgenomen en dragen de titel hiertegenover vermeld in kolom
  9. §
  10. In afwijking van § 1, worden de ambtenaren die op 1 december 2004 als titularis van de geschrapte graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur gerechtigd waren op de weddeschaal 10S3 en een gelokaliseerde betrekking bezetten waaraan de functie van dienstchef was verbonden, ambtshalve benoemd in de klasse A2, bezoldigd in de weddeschaal A23 en dragen de titel van eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur. De ambtenaren die na 1 december 2004 titularis werden van een gelokali- seerde betrekking van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur waaraan de functie van dienstchef was verbonden, worden op de datum van de IX-5476-3/6 toekenning van deze gelokaliseerde betrekking, ambtshalve benoemd in de klasse A2, bezoldigd in de weddeschaal A23 en dragen de titel van eerstaanwe- zend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur”.
  11. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  12. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat er een nadeel is van morele aard dat rechtstreeks voortvloeit uit de in beide ernstige middelen aangeklaagde onwettigheden; dat hij van oordeel is dat de schending van het gelijkheidsbeginsel op zich reeds het vereiste nadeel teweegbrengt en dat “het aanmerken van verzoekende partij, en dat door verwerende partij, als hebbende de hoedanigheid van ‘dienstchef’ in zijn betrekking, zonder dat zulks weerspiegeld wordt in zijn titel ingevoerd hij het bestreden besluit, (neer)komt op een feitelijke degradatie”; dat het ook moreel vernederend is dat hij, zoals hij in zijn tweede middel aanvoert, een maatregel moet ondergaan die neerkomt op een tuchtstraf; dat gelet op zijn leeftijd - verzoeker zegt 57 jaar oud te zijn -, het “niet hypothetisch of aleatoir (is) te stellen dat in onderhavige zaak verzoekende partij zijn kansen op een ‘redelijk tijdig’ arrest niet realistisch, minstens niet groot zijn”; 2.
  13. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat een gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de aangevochten bepaling, noch een eventueel latere vernietiging ervan, zal meebrengen dat verzoeker benoemd wordt tot eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur met de weddeschaal A23; dat aangezien de middelen niet ernstig zijn, het aangevoerde nadeel niet aangenomen wordt; dat in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, hij titularis is van de graad van eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur in een betrekking waaraan geen functie van dienstchef verbonden is; dat verzoeker geen benoemingsbesluit of andere akte voorlegt waaruit blijkt dat een bevoegde overheid hem in een andere betrekking waaraan de functie van dienstchef verbonden is zou benoemd hebben; dat het door verzoeker ingeroepen financieel nadeel, namelijk het IX-5476-4/6 verschil tussen de weddeschalen A23 en A22 beperkt is en bij een gebeurlijke annulatie volledig hersteld kan worden, zelfs wanneer verzoeker ondertussen niet meer in actieve dienst zou zijn; dat zijn leeftijd derhalve geen beletsel is voor een herstel van de mogelijke schade; 2.
  14. Overwegende dat zoals verzoeker zijn moreel nadeel aanvoert hij in feite stelt dat het morele nadeel rechtstreeks voortvloeit uit de ernst van de beide aangevoerde middelen ; dat de in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarde van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel een aparte voorwaarde uitmaakt om tot de schorsing van de tenuitvoerlegging te besluiten; dat het bestaan van dat risico niet louter afgeleid kan worden uit het feit dat aan de andere voorwaarde -een ernstig middel- voldaan is; dat de gebeurlijke onwettigheden die tegen het bestreden besluit worden aangevoerd op zich geen reden kunnen zijn om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te aanvaarden; dat ten slotte wat de argumentatie van verzoeker betreft dat gelet op zijn leeftijd zijn kansen op een “redelijk tijdelijk* arrest ten gronde niet groot zijn, een zelfs na zijn op ruststelling - al dan niet op eigen verzoek - uitgesproken arrest, een volledig herstel van zijn verwachtingen zal kunnen teweegbrengen indien het voor verzoeker gunstig zou zijn; dat die verwachting er immers in bestaat een hogere weddeschaal te genieten; dat hij aldus veeleer zijn leeftijd ter sprake brengt om een financieel nadeel te bewijzen; dat hij in dat verband ook niet aantoont dat hij of zijn gezin door het bestreden besluit in een dermate behartenswaardige toestand zijn terechtgekomen dat alleen een schorsing van de tenuitvoerlegging soelaas zou kunnen bieden;
  15. Overwegende dat de vaststelling zich opdringt dat niet voldaan is aan een van de grondvoorwaarden op grond waarvan de Raad van State de schorsing van het bestreden besluit zou kunnen bevelen; dat deze vaststelling volstaat voor de verwerping van de vordering, BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing wordt verworpen. IX-5476-5/6 Artikel
  17. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 2 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5476-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.640 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.823 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.