← België

Arrest 169712 - Arbeids- en beroepskaarten - 03/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.712 Rolnummer: A. 168821/IX-5177 Zaak: Arrest 169712 - Arbeids- en beroepskaarten - 03/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 19:20 Fiche Arrest nr 169.712 van 3 april 2007 Economische zaken - Arbeids- en beroepskaarten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.712 van 3 april 2007 in de zaak A. 168.821/IX-

  1. In zake : Kurt MORTIER, wonende te LENDELEDE, Winkelsestraat 39 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Middenstand, die woonplaats kiest bij advocaat J. FRANSEN, kantoor houdende te OVERPELT, Burgemeester van Lindtstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kurt MORTIER op 22 december 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 26 oktober 2005 van de aangestelde van de minister van Middenstand waarbij hem de machtiging tot het uitoefenen van een ambulante activiteit wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 157.109 van 30 maart 2006 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 25 april 2006 door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de beschikking van 18 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-5177-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. LEFERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. VAN TASSEL die, loco advocaat J. FRANSEN verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Krachtens artikel 3, eerste lid, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van de openbare markten (hierna : “de wet van 25 juni 1993”) is de uitoefening van een ambulante activiteit onderworpen aan een voorafgaande machtiging van de minister tot wiens bevoegdheid de middenstand behoort of van de door hem gemachtigde ambtenaar. Deze machtiging is tijdelijk, persoonlijk en niet overdraagbaar. Zij wordt krachtens artikel 3, tweede lid, van die wet onder meer vereist van natuurlijke personen die voor eigen rekening een ambulante activiteit uitoefenen alsook van hun echtgenoot of echtgenote en bloed- of aanverwanten in de eerste of tweede graad, die hen in de uitoefening van hun activiteit bijstaan of vervangen, zonder met hen te zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst. Als ambulante activiteit wordt beschouwd elke verkoop, te koop aanbieding of uitstalling met het oog op de verkoop van producten aan de consument, door een handelaar buiten de vestigingen vermeld in zijn inschrijving in het handelsregister of door een persoon die niet over dergelijke vestiging beschikt (art. 2, eerste lid, van de wet van 25 juni 1993). IX-5177-2/11 De Koning bepaalt krachtens artikel 6, eerste lid, 2/, van de wet van 25 juni 1993 de voorwaarden waaraan de houders van een machtiging moeten voldoen. Die voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op het “zedelijk gedrag” van de aanvrager. De wet van 25 juni 1993 is uitgevoerd door het koninklijk besluit van 3 april
  5. De voorwaarden voor de uitoefening van een ambulante activiteit zijn opgenomen in hoofdstuk V (de artt. 13 tot 19) van dat besluit. Zo kan luidens artikel 14 de machtiging na raadpleging van het openbaar ministerie geweigerd worden aan degene die een strafrechtelijke veroordeling, die meer is dan een politiestraf, heeft opgelopen. 1.
  6. Verzoeker baatte vroeger een bedrijf uit onder de benaming “Mortimara” met als hoofdactiviteit timmer- en schrijnwerk en met als bijkomende activiteit een leurhandel in snoepgoed. Volgens het verzoekschrift kreeg verzoeker betalingsmoeilijkheden doordat de hoofdactiviteit minder goed draaide en werd hij bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op 30 september 1997 failliet verklaard. Verzoeker is volgens het verzoekschrift thans zelfstandig helper bij de ambulante handel van zijn echtgenote Caroline ADAMS, genaamd ‘t Snoeperke. Het gaat om de verkoop op de openbare markten en op de openbare weg van speelgoed, dranken met alcoholgehalte onder de 22/, suikerwaren en banketbakkersproducten. Niet betwist wordt dat verzoeker de vereiste machtiging tot het uitoefenen van de genoemde ambulante activiteiten en de daarmee corresponderende leurkaart gekregen heeft voor een periode van 9 jaar, ingaand op 1 juni 1999 en eindigend op 1 juni
  7. 1.3.
  8. Met een op 28 juni 2005 gedateerd formulier dient verzoeker een aanvraag in tot het verkrijgen van een machtiging, als helper van zijn echtgenote, tot het uitoefenen van een ambulante activiteit. Het gaat eigenlijk om een aanvraag tot vernieuwing van zijn machtiging tot het uitoefenen van een ambulante handel als helper (echtgenoot) in de ambulante handel van zijn echtgenote Caroline ADAMS. 1.3.
  9. De bij zijn aanvraag gevoegde opgave van veroordelingen verwijst naar een veroordeling door het hof van beroep te Gent, bij arrest van 16 september 2003, tot een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden met gewoon uitstel van 3 jaar en een geldboete van 991,57 euro voor de volgende feiten : IX-5177-3/11 “A. als handelaar I. met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden verduisterd of verborgen te hebben van een gedeelte van de activa II. met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd te hebben binnen de bij art. 9 van de faillissementswet gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement C. uitgifte cheques zonder dekking E. als dader
  10. valsheid in geschriften
  11. gebruik ervan”; Het hof van beroep achtte bewezen dat verzoeker in 1997 rollend materieel deel uitmakend van het actief van zijn bedrijf verduisterd had, namelijk een personenwagen BMW 520 en een tweedehands aanhangwagen (marktwagen), dat de factuur die verzoeker en zijn partner Caroline ADAMS ter zake hadden opgesteld, vals was en dat zij was opgesteld en gebruikt met het enkel, bedrieglijk oogmerk om de personenwagen aan het actief van het faillissement te onttrekken. Het hof van beroep oordeelde ook dat een motorfiets Suzuki, aangekocht op 19 maart 1997 voor 250.000 BEF met een bestelbon op naam van Caroline ADAMS en einde september door deze laatste verkocht, in werkelijkheid werd aangekocht door verzoeker, op een moment dat het voor hem ongetwijfeld duidelijk was dat hij virtueel failliet was. Verder werd verzoeker schuldig bevonden aan en veroordeeld voor eenvoudige bankbreuk door (op 18 maart 1997) verzuimd te hebben binnen één maand aangifte te doen van het faillissement met het oogmerk om de faillietver- klaring uit te stellen, en wegens het op 29 november 1996 wetens en willens uitgeven van een bankcheque zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds. 1.
  12. Gelet op de veroordelingen van verzoeker vraagt de verwerende partij met een brief van 11 juli 2005, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent zijn gemotiveerd advies in verband met de opportuniteit om de betrokkene een leurkaart toe te kennen. In zijn advies van 7 oktober 2005 dat aansluit bij het advies dat de procureur des Konings te Kortrijk op 26 september 2005 gegeven heeft, deelt de procureur-generaal mee dat uit inlichtingen bekomen vanwege de politiezone Vlas blijkt dat verzoeker en zijn partner Caroline ADAMS sedert een aantal jaren in Lendelede wonen en dat er voor wat die periode betreft geen aanmerkingen zijn op zijn gedrag, maar dat gelet op de aard en de ernst van de feiten waarvoor hij door het hof van beroep werd veroordeeld, namelijk als handelaar met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden een gedeelte van de activa verduisterd of verborgen IX-5177-4/11 te hebben, verzuim van aangifte van faillissement binnen de bij artikel 9 van de faillissementswet gestelde termijn, uitgifte van cheques zonder dekking en het plegen van valsheid in geschriften en het gebruik van valse stukken, ongunstig advies gegeven wordt. 1.
  13. Met verwijzing naar het ongunstig advies van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent en met de overweging dat verzoeker gezien zijn gerechtelijk verleden niet blijkt te voldoen aan voldoende garanties om een ambulante activiteit uit te oefenen, weigert de gevolmachtigde ambtenaar, namens de minister, in een beslissing van 26 oktober 2005 de aanvraag. Deze beslissing die op 21 november 2005 ter kennis van verzoeker gebracht wordt en die het voorwerp vormt van het onderhavig beroep, is in volgende termen gesteld : “(...) gelet op de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten; inzonderheid op artikel 6, 2/; gelet op het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1993, inzonderheid op artikel 14; gelet op het ministerieel besluit betreffende het verlenen van delegatie aan bepaalde ambtenaren van de directie-generaal van het K.M.O.-beleid, inzonderheid artikel 1, 3/; gelet op het ongunstig advies van de heer Procureur generaal bij het Hof van Beroep te Gent dd. 07-10-2005; overwegende dat de aanvrager gezien zijn gerechtelijk verleden (als handelaar met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden een gedeelte van de activa verduisterd of verborgen te hebben, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen verzuimd te hebben binnen de bij art. 9 van de faillissementswet gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement; uitgifte cheques zonder dekking; als dader valsheid in geschriften en gebruik ervan) niet blijkt te voldoen aan voldoende garanties om een ambulante activiteit uit te oefenen; om deze redenen wordt de machtiging tot het uitoefenen van de ambulante activiteit geweigerd”; 2.
  14. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbeginsel, doordat hij volgens het bestreden besluit wegens de strafrechtelijke veroordeling die hij opgelopen heeft onvoldoende garanties biedt om een ambulante activiteit uit te oefenen, terwijl artikel 14 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 de verwerende partij niet verplicht in geval van strafrechtelijke veroordeling de vergunning te weigeren; dat hij van oordeel is dat de verwerende partij geen rekening gehouden heeft met zijn specifieke toestand en dat hij niet onderzocht heeft welke feiten IX-5177-5/11 aanleiding gegeven hebben tot de strafrechtelijke veroordeling; dat hij erop wijst dat zijn aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van zijn vergunning, dat hij in 1999 zonder moeite de vergunning gekregen heeft en gedurende zes jaar zijn vergunde activiteit zonder moeilijkheden uitgeoefend heeft, dat de feiten waarvoor hij, na in eerste aanleg vrijgesproken te zijn, uiteindelijk veroordeeld is, teruggaan tot 1997 en betrekking hadden op verrichtingen gebeurd in het kader van zijn faillissement; dat hij van oordeel is dat de bestreden weigering hem een bijkomende straf oplegt die voor hem abnormale en irrationele gevolgen heeft, aangezien hem nu de mogelijkheid ontnomen wordt om zijn activiteit uit te oefenen; dat hij besluit dat de verwerende partij geenszins aangetoond heeft “dat de strafrechtelijke veroordeling (zijn) handelsactiviteiten op een negatieve manier beïnvloed heeft of zou kunnen beïnvloeden”; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord vooreerst betoogt dat van de mogelijkheid die artikel 14 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 haar verleent om de vergunning te weigeren slechts gebruik gemaakt kan worden na advies van het openbaar ministerie, dat zij in dit geval die procedure gevolgd heeft en dat de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker “voldoende is om een machtiging te weigeren”; dat zij verduidelijkt dat elke aanvraag een afzonderlijke beoordeling vergt op basis van de op dat ogenblik ter beschikking zijnde gegevens zodat een vroegere vergunning geen garantie biedt op een verlenging ervan, dat verzoeker niet relevant verwijst naar het tijdstip waarop de feiten gepleegd zijn -1997- aangezien er enkel rekening gehouden kan worden met de datum van zijn veroordeling - in 2003 - en dat het “voor zich (spreekt) dat individuen met de staat van dienst van verzoekende partij ingevolge de bewezen feiten (...) de machtiging (...) kunnen geweigerd worden”; 2.2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij daar aan toevoegt dat in het arrest nr. 157.109 van 30 maart 2006 ten onrechte aangenomen is dat uit de veroordeling die verzoeker opgelopen heeft niet evident blijkt dat hij de vereiste morele waarborgen ontbeert die voor zijn ambulante activiteit vereist zijn; dat naar haar oordeel een handelaar die een misdrijf pleegt wanneer het zijn zaak minder goed vergaat, niet de vereiste waarborgen biedt die een leurhandelaar moet bezitten, aangezien hij opnieuw in dezelfde penibele omstandigheden kan verzeilen; dat zij daar nog aan toevoegt dat de feiten waarop zij acht geslagen heeft in ieder geval twijfel laten bestaan over de aanwezigheid van de vereiste morele waarborgen, zodat niet kan besloten worden dat zij met de bestreden weigering haar beoordelingsbe- IX-5177-6/11 voegdheid kennelijk te buiten gegaan zou zijn; dat zij ook nog verwijst naar de arresten nr. 125.360, van 17 november 2003 inzake BOEKAERT en nr. 138.035, van 6 december 2004 inzake HOUICHET waarin aangenomen werd dat een veroordeling voor valsheid in geschriften, oplichting, vernieling en diefstal, respectievelijk voor slagen en verwondingen, relevant kan betrokken worden bij de afweging van de vraag of iemand de vereiste morele kwaliteiten bezit om een ambulante activiteit uit te oefenen; 2.
  17. Overwegende dat verzoeker daarop repliceert dat het bestreden besluit steunt op zijn strafrechtelijke veroordeling, zonder rekening te houden met zijn actuele situatie en dat zij in die zin de motiveringsverplichting schendt; dat hij betoogt dat de vrees voor herhaling, waarnaar de verwerende partij verwijst, botst met alle objectieve elementen die het dossier bevat, met name dat hij reeds jarenlang zijn ambulante activiteit correct uitoefent en dat geenszins blijkt dat de veroordeling in zijn latere activiteiten een negatieve bevestiging gevonden heeft; dat naar zijn oordeel de weigering had moeten steunen, niet op “gissingen en vermoedens”, maar op “objectieve en reële gegevens die in het dossier terug te vinden zijn” en die er helemaal niet zijn; dat hij ook nog herhaalt dat de bestreden beslissing voor hem een bijkomende straf vormt die hem belet zijn beroep uit te oefenen en in die zin is de beslissing ook “abnormaal, irrationeel en totaal onredelijk”; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nogmaals benadrukt dat het louter verwijzen naar de opgelopen veroordeling geen deugdelijke motivering vormt voor de bestreden weigeringsbeslissing en dat de verwerende partij niet nagegaan is welke impact de veroordeling kan hebben op de handel die verzoeker wenst uit te oefenen, dat zijn veroordeling niet in verband gebracht kan worden met zijn leurhandel en dat zijn zaak dan ook verschilt van deze waarover de Raad van State eerder te oordelen had en waarin er sprake was van meerdere opgelopen strafrechtrechtelijke veroordelingen die overigens een rechtstreekse weerslag hadden op de handel waarvoor een leurkaart was aangevraagd; dat hij ook nog wijst op de “catastrofale gevolgen” die de bestreden beslissing heeft -het stopzetten van zijn handel-, zodat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de beslissing en de feiten waarop ze steunt; 2.4.
  18. Overwegende dat verzoeker met het middel vastgesteld wil zien dat de verwerende partij in de loutere verwijzing naar zijn gerechtelijk verleden -de strafrechtelijke veroordeling door het hof van beroep te Gent op 16 september 2003- IX-5177-7/11 geen voldoende grondslag kon vinden om de gevraagde machtiging te weigeren, aangezien er gegevens voorhanden zijn die het toekennen van de machtiging verantwoorden; dat hij te dien aanzien erop wijst dat de feiten waarvoor hij veroordeeld werd dagtekenen uit 1997, dat hij die veroordeling aanvaard heeft en de uitvoering ervan ondergaan heeft en dat hij verder geen andere veroordelingen meer opgelopen heeft, dat voorts uit het oog verloren wordt dat zijn aanvraag betrekking heeft op de vernieuwing van de in 1999 verleende machtiging en dat hij gedurende zes jaar zonder enig probleem zijn handel gevoerd heeft; 2.4.
  19. Overwegende dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 luidt: “Machtiging tot het uitoefenen van een ambulante activiteit kan, in voorkomend geval, na raadpleging van het openbaar ministerie, worden geweigerd aan degenen die een strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen welke in kracht van gewijsde is gegaan, met uitsluiting van veroordelingen tot politiestraffen”; Overwegende dat het bestuur niet verplicht is, wanneer een aanvrager gestraft blijkt te zijn met een zwaardere straf dan een politiestraf, de machtiging voor een ambulante activiteit te weigeren; dat in de logica van het geciteerde artikel 14 met de strafrechtelijke veroordelingen wel het bewijs geleverd kan worden dat de betrokkene moreel ongeschikt is om een ambulante handel uit te baten en dat het bestuur zich daarover moet uitspreken; dat, in dit geval, het bestreden besluit in het strafrechtelijk beteugeld verleden van verzoeker het bewijs vindt dat hij de vereiste morele garanties ontbeert om een ambulante activiteit uit te oefenen; dat volgens de verwerende partij, die daarvoor aansluit bij het advies van de procureur-generaal, de door verzoeker gepleegde feiten dermate doorwegen in het besluitvormingsproces dat de positieve gegevens die het dossier omtrent verzoekers actuele levenswandel bevat, buiten beschouwing moeten blijven; 3.4.
  20. Overwegende dat verzoeker in 2003 veroordeeld is voor het nalaten om binnen de wettelijk voorgeschreven termijn aangifte te doen van zijn faillissement, voor het verduisteren van activa uit zijn failliete boedel en daarmee verbonden valsheid in geschriften doordat hij in februari 1997 met zijn partner een constructie opgezet heeft om een personenwagen en een marktwagen aan zijn failliete boedel te onttrekken; dat hij, binnen datzelfde kader van zijn faillissement, ook veroordeeld is voor de uitgifte van een ongedekte cheque; dat gewis de strafrechter, wegens de zware straf die hij aan verzoeker opgelegd heeft, van oordeel IX-5177-8/11 was dat hij een ernstig misdrijf begaan had, maar dat in het kader van het onderha- vig beroep toch de vraag rijst of de toen gepleegde feiten ook nu nog geacht kunnen worden zonder meer het bewijs te bevatten dat verzoeker de morele vereisten niet bezit om een leurhandel uit te oefenen; dat het bestuur in dat verband een groter belang mag hechten aan veroordelingen die gepleegd zijn in het kader van de uitoefening van de leurhandel of die gebeuren in omstandigheden waarmee leurhandelaars regelmatig geconfronteerd worden; 2.4.
  21. Overwegende dat, in het algemeen, het niet zonder meer duidelijk is welk verband er bestaat tussen een veroordeling voor een aantal misdrijven die specifiek betrekking hebben op de faillietverklaring van de betrokkene en het uitoefenen van een ambulante handel op openbare markten; dat gewis verzoeker ook veroordeeld is voor het misdrijf van de uitgifte van een ongedekte cheque -een misdrijf dat op zich wel relevant betrokken kan worden bij de vraag naar de morele hoedanigheid van de aanvrager van een leurvergunning- maar dat in dit geval dat misdrijf -ook door de gerechtelijke overheden- benaderd is in het raam van de wijze waarop verzoeker indertijd zijn belabberde financiële situatie beheerde en dus in de unieke situatie van zijn faling; dat de verwerende partij het voldoende acht dat ook de ambulante activiteit van verzoeker een handelsactiviteit is en dat het succes van deze onderneming ook kan tanen zodat verzoeker in een gelijkaardige situatie verzeilt zodat nieuwe misdrijven gepleegd kunnen worden; dat dit standpunt niet bijgevallen wordt; dat er immers geen reden is om te veronderstellen dat de ambulante handel die verzoekster nu reeds sinds 1999 uitoefent op een deficit afstevent; dat de verwerende partij haar stelling bouwt op zuivere hypothesen; dat zulks geen deugdelijke grondslag kan vormen om de machtiging te weigeren; Overwegende dat de verwerende partij verwijst naar antecedenten in de rechtspraak van de Raad van State; dat evenwel te dien aanzien vastgesteld wordt dat de veroordelingen, die in deze dossiers de grondslag hebben gevormd voor een weigeringsbeslissing, onmiskenbaar verband houden met situaties die betrokkene in de uitoefening van zijn ambulante activiteit zal ontmoeten en dat die veroordelingen dan ook direct relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de betrokkene de nodige morele waarborgen biedt om een leurhandel uit te baten; dat in dit geval, als gezegd, het verband tussen de door verzoeker gepleegde feiten en haar ambulante activiteit veel indirecter en zelfs hypothetisch is; IX-5177-9/11 2.4.
  22. Overwegende dat uit de in 1997 gepleegde misdrijven niet automatisch besloten mag worden dat verzoeker de nodige morele kwaliteiten mist om een ambulante activiteit uit te oefenen; dat artikel 14 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 vereist dat de strafrechtelijke veroordeling een verband vertoont met de uitoefening van een ambulante handel, in die zin dat de veroordeling het bewijs bevat dat de aanvrager de vereiste morele hoedanigheden om een ambulante handel uit te oefenen niet bezit; Overwegende dat, blijkens de stukken van het dossier, de procureur des Konings te Kortrijk in zijn advies van 10 oktober 2005 de enkele veroordeling van verzoeker voldoende achtte om een ongunstig advies uit te brengen; dat de procureur het niet nodig heeft geacht die veroordeling in verband te brengen met de inlichtingen -waarnaar hij zelfs uitdrukkelijk verwijst- die de consulente Jeugd en Gezin van de politiezone Vlas hem had medegedeeld en waaruit bleek dat noch wat het aspect “persoonlijkheid”, noch wat het aspect “familie”, noch wat het aspect “buurt” betreft, de politiedienst aanmerkingen te maken had; dat de verwerende partij in dat advies dan ook geen deugdelijk motief kon vinden om de gevraagde machtiging te weigeren; dat de verwerende partij in de loop van het verdere besluitvormingsproces het advies van de procureur des Konings dan zonder meer overgenomen heeft, zonder op haar beurt de beoordeling van het actueel gedrag van verzoeker -zoals dat uit het verslag van de plaatselijke politiezone bleek- bij de zaak te betrekken en zonder ook zelf aandacht te besteden aan het concrete verband tussen de feitelijke omstandigheden waarin de veroorde- ling gebeurd is en de uitoefening van een leurhandel, teneinde het gedrag van verzoeker te toetsen aan de moraliteitsvereisten die zij voor de gevraagde machtiging vooropstelt; 2.4.
  23. Overwegende dat de verwerende partij niet onderzocht heeft of de gegevens die zij met betrekking tot verzoeker verzameld had, niet van aard waren om het wantrouwen teniet te doen dat bij haar gerezen was wegens de veroordeling van verzoeker voor de feiten uit 1997; dat, door dat onderzoek niet te voeren, het bestreden besluit geen deugdelijke grondslag heeft; dat het aangevoerde middel in die zin gegrond is, IX-5177-10/11 BESLUIT: Artikel
  24. Vernietigd wordt de beslissing van 26 oktober 2005 van de aangestelde van de minister van Middenstand waarbij Kurt MORTIER de machtiging tot het uitoefenen van een ambulante activiteit wordt geweigerd. Artikel
  25. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 3 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5177-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.712 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.