id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.760 Rolnummer: A. 155699/XIV-20629 Zaak: Arrest 169760 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 19:27 Fiche Arrest nr 169.760 van 4 april 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.760 van 4 april 2007 in de zaak A. 155.699/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. RAVYTS, kantoor houdende te 9280 LEBBEKE, Koning Albert I-straat 12/1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 25 april 1975 en van Senegalese nationaliteit, op 15 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 augustus 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, en van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 16 augustus 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door M. STERCK, d.d. 26 september 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-20.629-1/6 Gelet op de beschikking van 16 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 21 maart 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. RAVYTS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat L. BRACKE, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij dient op 2 april 2004 een aanvraag in om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 4 augustus 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de eerste bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 02/04/2004 bij do burgemeester van Gerit door XXX geboren te dakar op 25/04/1975, onderdaan van Senegal, verblijvende 9050 Gentbrugge, in toepassing van art 9 § 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het samenleven met een Belgische onderdaan en de eventuele schending van art 8 van het EVRM , vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Uit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden. Art 8 van het EVRM werd niet geschonden daar het artikel bepaald dat een Ingrijpen in het familieleven wel is toegestaan wanneer dit bij wet (in casu de vreemdelingenwet) voorzien is en in een democratische samenleving vereist is en in het, belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten is (illegaal verblijf is een strafbaar feit) Een tijdelijke scheiding van de partner verhindert betrokkene niet om de aanvraag In te dienen in het land van herkomst. Tevens is betrokkene het land binnengekomen met een visum hetgeen bewijst dat hij zich wel degelijk kan wenden tot een diplomatieke post. Bijgevolg dient de vreemdeling: gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden betekend. (...).”. XIV-20.629-2/6 1.
- Op 16 augustus 2004 wordt aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing: “(...) Artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: geen geldig paspoort voorzien van een geldig visum (...).”. 1.
- Uit informatie verstrekt door de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat de verzoekende partij op 28 januari 2005 is gehuwd met een Belgische onderdane. Op basis van dit huwelijk heeft de verzoekende partij een tijdelijk verblijfsrecht verkregen (bijlage 35). Er is een onderzoek lopende naar een schijnhuwelijk. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “2.
- Feitelijke uiteenzetting De feiten in deze zaak zijn gekend. Verzoeker heeft een relatie aangeknoopt met een dame die de Belgische nationaliteit heeft. Het betreft mevr. (...). Hij heeft deze dame leren kennen op het ogenblik dat hij geldig verbleef in België. Sedert nieuwjaar 2003 wonen ze effectief samen als partners, vormen ze gezamenlijk een huishouding. Dit is reeds verschillende keren gecontroleerd door de politie. Op basis van deze feitelijke samenwoonst werd een machtiging tot verblijf gevraagd voor verzoeker. Dit werd geweigerd, om redenen hierboven vermeld. 2.
- In eerste instantie meent verzoeker dat er hier sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel. Er is hier discriminatie en dit enkel en alleen op basis van nationaliteit en afkomst. Zo verzoeker de Belgische nationaliteit had, en in België verbleef, was er geen enkel probleem. Hij veranderde gewoon zijn adres, en ging bij zijn partner inwonen, leefde vanaf dan als man en vrouw tezamen. Nu hij die Belgische nationaliteit niet heeft, worden hem bijkomende voorwaarden opgelegd. De bijkomende voorwaarde is hier vrij ernstig, in die zin dat verzoeker verplicht wordt naar zijn geboorteland terug te keren en daar een visum aan te vragen. Zo deze visumaanvraag een eenvoudige operatie was, was er misschien geen enkele probleem. De praktijk is echter, en de verwerende partij weet dit zeer goed, dat het verkrijgen van een visum op basis van samenwoonst een quasi onbegonnen zaak is. Niet alleen duurt het verschrikkelijk lang, een wachtperiode van 6 maanden à 1 jaar is geen uitzondering, maar daarenboven zijn de vereisten zodanig hoog dat bijna niemand daaraan kan voldoen. Door thans een machtiging tot verblijf te weigeren aan verzoeker, wordt hem de facto gezegd dat hij niet kan samenwonen met zijn partner, dit enkel en alleen omdat hij niet de Belgische nationaliteit heeft. 2.
- Schending van het art. 8 en het art. 10 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden. De gecombineerde lezing van deze artikels geeft aan dat verzoeker het recht heeft om met zijn huidige partner een feitelijk gezin te vormen, al dan niet gehuwd. De overheid heeft zich daar niet mee te moeien. Dit staat uitdrukkelijk in het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten Mensen. De facto doet de overheid dat wel, door het voor de verzoeker onmogelijk te maken samen te wonen met zijn vriendin. Terecht stelt de bestreden beslissing dat inmenging van het openbaar gezag wel mogelijk is, en dit onder een aantal zeer strikte voorwaarden. Verzoeker is van mening dat aan deze voorwaarden in casu niet zijn voldaan. Op geen enkel ogenblik is hij een gevaar voor 's lands veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn. Het feit als illegaal in België te verblijven, is op zich geen gevaar voor de openbare veiligheid of het economisch welzijn. Door hier, zelfs illegaal, te wonen met zijn vriendin, brengt hij niemand in gevaar, noch brengt hij de openbare veiligheid in het gevaar. De staatsinstellingen lopen geen enkel gevaar. Geen enkele persoon loopt gevaar. XIV-20.629-3/6 Het is juist dat illegaal verblijf strafbaar is, doch enige nuancering is noodzakelijk. Het illegaal verblijf als criminele feit brengt in casu niemand in gevaar. Meer zelfs, de onmiddellijke omgeving van verzoeker neemt geen aanstoot aan dit illegaal verblijf. De onmiddellijke omgeving van verzoeker wil zelfs dat hij hier blijft. Met de onmiddellijke omgeving wordt niet alleen de partner van verzoeker bedoeld, toch ook zijn ruime vrienden- en kennissenkring. Zijn illegaal verblijf is daarenboven niet problematisch, aangezien dat op vrij korte termijn kan geregulariseerd worden, en dit volledig volgens de termen van de wet en de internationale verdragen.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Voor verzoeker wordt één middel schending van artikelen en aangevoerd, geput uit de 12 van het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 mei 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei
- Verzoeker meent dat de overheid zich niet hoeft te moeien in zijn bestaan, dat hij geen gevaar betekent voor de samenleving en dat indien hij Belg zou zijn, hij de bestreden beslissing niet zou hebben gekregen. Naast de vaststelling dat die de uiteenzetting niet kan worden aanzien als een middel in de zin van de hieronder omschreven definitie, stelt de verwerende partij vast dat verzoeker de aangevoerde internationale wetgeving niet op nuttige wijze kan inroepen. ‘Een middel bestaat uit de voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden beginsel en van de wijze waarop, volgens de verzoekende partij deze rechtsregel of het beginsel wordt geschonden. Een middel waarbij de verwerende partij of de Raad van State slechts door het interpreteren van de bedoeling van verzoeker kan uitmaken welke schending van welke schending van welke rechtsregel is bedoeld en de verwerende partij of de raad van State zelf het middel interpreteren, is niet ontvankelijk.’ ‘In het schorsingscontentieux wordt van de verzoekende partij bovendien verwacht dat zij ernstige middelen aanvoert. Onder ernstige middelen moet worden verstaan, middelen die bij een eerste lezing en rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, ontvankelijk en gegrond lijken, zodat de vernietiging van de bestreden beslissing quasi-onafwendbaar is.’ ( Procedures voor de Raad van State, Stephan De Taeye, Kluwer, 3/ uitgave - 2003 n/ 114) Overeenkomstig artikel 75 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, begaat verzoeker een misdrijf door zich illegaal op te houden. Het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 1 mei 1950, goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955 heeft niet tot doelstelling te interfereren op de nationale wetgeving, betreffende verblijfsrecht. De inmenging in de zin van die wetgeving is immers verantwoord door de illegale verblijfstoestand van verzoeker. Dat gegeven wordt benadrukt in de bestreden beslissing evenals de mogelijkheid de aanvraag via de geëigende procedure te doen. Zoals het administratief dossier aangeeft, heeft verzoeker aangetoond de mogelijkheid te hebben heen en weer te reizen naar het land van herkomst door documenten af te halen bij zijn nationaal bestuur en die te laten legaliseren door de Belgische diplomatieke vertegenwoordi- ging. Er, wordt geen ernstig middel aangevoerd.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel, van de artikelen 8 en 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat de verzoekende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden acht omdat zij geen recht heeft op verblijf bij haar partner, want er worden aanvullende voorwaarden opgelegd omdat de verzoekende partij de Belgische nationaliteit niet heeft; dat de verzoekende partij meent dat zij ongestoord moet kunnen samenwonen met haar partner zonder inmenging van de overheid; dat zij meent dat er geen gevaar is voor de openbare orde; XIV-20.629-4/6 2.
- Overwegende dat het gelijkheidsbeginsel vereist dat allen die zich in eenzelfde feitelijke en rechtstoestand bevinden, op gelijke wijze worden behandeld; dat er slechts sprake kan zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel indien de verzoekende partij met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat gelijke gevallen ongelijk werden behandeld; dat het grondwettelijk vastgestelde gelijkheidsbeginsel een verschillende behandeling niet verhindert, mits dit verschil in behandeling berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is; dat de verzoekende partij de categorie “Belgen” vergelijkt met de categorie “vreemdelingen”; dat de nationaliteit van een persoon een objectief criterium van onderscheid is; dat de verblijfssituatie van vreemdelingen in België geregeld wordt door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel als zodanig te dezen niet relevant is; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden; Overwegende dat, wat de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. betreft, dit artikel inhoudt dat eenieder recht heeft op een gezinsleven voor zover er geen wettelijke regelingen zijn voorzien die hieraan beperkingen stellen; dat de verzoekende partij dit artikel betrekt op de omstandigheid dat zij in België niet ongestoord kan samenleven met haar Belgische partner; dat wordt vastgesteld dat de verzoekende partij ondertussen in het huwelijk is getreden met haar Belgische partner en een tijdelijk verblijfsrecht in België heeft verkregen; dat dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag mist; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet in welk opzicht artikel 10 van het E.V.R.M., dat handelt over de vrijheid van meningsuiting, geschonden is; dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-20.629-5/6 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-20.629-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.760 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.