id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.764 Rolnummer: A. 143200/XIV-17287 Zaak: Arrest 169764 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:27 Fiche Arrest nr 169.764 van 4 april 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.764 van 4 april 2007 in de zaak A. 143.200/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. TÖLLER, kantoor houdende te 4700 EUPEN, Kaperberg 50 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 21 juli 1962 en van Kirgizische nationaliteit, op 27 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 30 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op 2 oktober 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, d.d. 27 oktober 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-17.287-1/9 Gelet op de beschikking van 16 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 21 maart 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat O. WEINAND, die loco Advocaat B. TÖLLER verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché G. HABETS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 25 mei 2000 en verklaart zich vluchteling op 26 mei
- 1.
- Op 22 juni 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 30 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, een Kirgizisch staatsburger, verklaart dat uw echtgenoot F. Jurij (O.V. 4.901.192) actief was binnen de beweging Ar-Namys en zijn leider Felix Kulov steunde. Na een televi- sie-uitzending waarin uw echtgenoot de activiteiten van Kulov steunde, werd hij gecontacteerd door een persoon die hem zei te beschikken over compromitterende documenten over Kulov. Uw echtgenoot trachtte na te gaan of deze documenten echt waren. Ondertussen werd uw echtgenoot door onbekenden telefonisch bedreigd. Op 12 september 1999 werd hij het slachtoffer van een ernstige agressie en op 15 oktober 1999 werd het appartement van uw schoonmoeder in brand gestoken. Uw echtgenoot besloot een gedeelte van de documenten te bezorgen aan het parket van de republiek Kirgizstan. Op 4 november 1999 stapte u samen met uw zoon, F. Maxim in een wagen van een man waarvan u dacht dat het een medewerker van uw echtgenoot was. Hij zou u naar het werk van uw echtgenoot brengen. Hij nodigde u onderweg uit om thee te gaan drinken in zijn appartement. U ging met hem mee. In het appartement zaten vier mannen. Ze zeiden u dat ze u en uw zoon in het appartement zouden vasthouden totdat uw echtgenoot hen de documenten bezorgde. Ze namen u en uw zoon mee naar de kelder waar er een video werd gemaakt. ’s Nachts werden jullie meegenomen. U zag de auto van uw echtgenoot. Nadat hij de documenten had gegeven aan uw ontvoerders werden jullie vrijgelaten. U ging samen met uw echtgenoot en zoon naar een klooster om daar te verblijven. Uw echtgenoot verliet op 6 november 1999 Kirgizstan en kwam op 16 november 1999 aan in België, waar hij dezelfde dag asiel aanvroeg. U bleef met uw zoon in het klooster. Op XIV-17.287-2/9 22 maart 2000 werd Kulov aangehouden en beschuldigd, gedeeltelijk op basis van de compromitterende documenten die door uw echtgenoot aan het parket werden gegeven. U besloot om op 20 april 2000 terug te keren naar uw appartement. Op 25 april 2000 werd uw zoon Maxim op school opgezocht door mannen in burger die zich voorstelden als medewerkers van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Ze namen hem mee naar de ROVD. Ze vroegen hem waar zijn vader was. Toen hij zei dat hij dat niet wist werd hij geslagen. Ze wilden ook weten of er een kluis was in jullie huis. Uw zoon verloor het bewustzijn. Tegen de avond vroeg hij om naar het toilet te mogen gaan. Van die gelegenheid maakte hij gebruik om te ontsnappen. Hij kwam thuis en vertelde u alles. Hij werd op 26 april 2000 opgenomen in het ziekenhuis, waar hij tot 18 mei 2000 verbleef. U ging naar de ROVD om klacht in te dienen, maar dat werd u geweigerd. Gedurende twee dagen verbleef u opnieuw in het klooster. U verliet samen met uw zoon Maxim Kirgizstan op 20 mei 2000 en kwam op 25 mei 2000 aan in België, waar u op 26 mei 2000 asiel aanvroeg. B. Motivering Uit uw verklaringen blijkt dat u zich baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door uw echtgenoot F. Jurij (O.V. 4.901.192) en dat uw problemen hun oorsprong vonden in de problemen van uw echtgenoot. Aangezien ten aanzien van de asielaanvraag van uw echtgenoot en bevestigende beslissing werd genomen van weigering van verblijf op grond van bedrieglijk- heid kan er in uw hoofde evenmin worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève. De redenen van deze beslissing werden uitgebreid opgesomd in de beslissing van uw echtgenoot. De documenten (werkboekje, geboorteakte zoon en studieattesten (België)) die u voorlegt ter staving van uw asielrelaas wijzigen voorgaande conclusie niet aangezien ze enkel uw persoonsgegevens of die van uw zoon en uw activiteiten in België betreffen. De medische attesten (uit Kirgizië en België) hebben betrekking op een voorval waarover u tegenstrijdige verklaringen aflegde (zie beslissing echtgenoot) en vermogen derhalve evenmin iets aan bovenvermelde beslissing te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat als volgt luidt: “
- Rechtsmittel : Verstoß gegen das Gesetz vom 29.07.1991 über die formelle Begründung von Verwaltungsakten (insbesondere Artikel 2+3): Die Begründung des GENERALKOMMISSARIATS FOR FLOCHTLINGE UND STAATENLOSE ist nicht adäquat und pertinent :
- Das GENERALKOMMISSARIAT bezeiht sich in seiner strittigen Verwaltungsent- scheidung lediglich auf die Probleme ihres Ehemannes, jedoch nicht auf ihre eigenen persönlichen Probleme und Erlebnisse, die Frau XXX hat machen müssen und die sie zu ihrer Flucht aus KIRGIZSTAN gezwungen haben. Insbesondere sei darauf hingewiesen, dass ihr Ehemann bereits KIRGIZSTAN verlassen hat am 06.11.1999, wogegen Frau XXX mit ihrem Sohn erst Ende Mai 2000 flüchten konnte. Die Verwaltungsentscheidung vom 30.09.2003 des GENERALKOMMISSARIATS geht nicht auf die konkrete Situation der Frau XXX ein und weist insgesamt aile Argumente mit der Begründung ab, dass der Asylantrag des Ehemannes auch abgewiesen würde. Dies ist jedoch keine pertinente und motivierte faktisch wie rechtliche Begründung. Die Verwaltungsentscheidung ist ebenfails nichtig zu erklären, da eine Beqründung erper Referenz ungüitig ist : In der Tat basiert sich die strittige Verwaltungsentscheidung des Ehemannes mit dem Verweis ,,class die genauen Argumente und Gründe dieses Beschlusses ausführlich in dem Beschluss des Ehemannes aufgeführt seien’. XIV-17.287-3/9 Eine Begründung per Referenz ist jedoch nur güitig, wenn auch die Verwaltungsent- scheidung des Ehemannes selbst an die Verwaltungsentscheidung der Ehefrau beigeheftet worden wäre, was nicht der Fall war.
- Da die strittige Verwaltungsentscheidung sich auf die Entscheidung des Mannes basiert, werde die nachstehenden Argumente aufgeführt, die der Ehemann in seinern Rekurs geltend macht: Das GENERALKOMMISSARIAT basiert seine Begründung hauptsächlich darauf, dass die Äugerungen des Antragsteliers nicht glaubwürdig seien und widersprüchlich seien. Das GENERALKOMMISSARIAT irrt sich jedoch in seiner Begründung, sowohl faktisch als auch rechtlich : Zum Beispiel wird Herrn F. vorgewor-fen, dass er aniässlich seines ersten Interviews die Bezeichnung ‘Partei’ Ar Namys benutzt hätte für den Zeitraurn von MärZ/April 1999, obwohl aus den öffentlichen Dokumenten, die dem GENERALKOMMISSARIAT zur Verfügung stehen, hervorgehen würde, dass die Partei erst im Juli 1999 gegründet worden sei. Die Tatsache, dass Herr F. die Bezeichnung Partei benutzt hat, ist jedoch nicht widersprüch- lich mit der Realität : Auch wenn die Partei als solche erst offiziell gegründet worden ist im Juli 1999, bestand jedoch schon die politische Bewegung an sich mit dern Namen Ar Namys. Herrn F. wird vorgeworfen, er habe wenig Kenntnis über die Partei Ar Namys und insbesondere würde sich das Büro der Partei in der Strasse Taktogul in BISHKEK befinden würde und nicht in der Strasse Isanova, so wie dies Herr F. ausgesagt hätte. Dies ist kein Widerspruch, denn die Strasse des Parteibüros hieg ursprünglich lsanova und ist dann umgetauft worden, und zwar in den Namen Taktogul. Herr F. wird vorgeworfen, er habe angegeben, dass die parlamentarischen Wahlen im November 1999 stattfanden, obwohl diese erst im Februar 2000 stattfanden. Dies stimmt ebenfalls faktisch nicht : Herr F. hat anlässlich seines ersten Interviews angegeben, dass die Wahikampagne jm November 1999 stattfand und nicht die Wahlen selbst. Es wird Herrn F. vorgeworfen, dass es materiell unmögiich sei, dass ein Wahfprogramm der Partei Ar Namys bereits im Mai 1999 bestanden habe, da die Partei erst im Juli 1999 gegründet worden sei. Auch wenn die Partei erst im Juli 1999 offiziell gegründet wurde, bestand jedoch bereits schon Monate vorher eine politische Bewegung mit einem dementsprechenden Programm. Dies ist also kein Widerspruch. Herrn F. werden ebenfalls Widersprüche vorgeworfen, da er nicht die gleiche Aussage wir seine Ehefrau machen würde : Herr F. habe erkiärt, dass seine Ehefrau und sein Sohn nicht mehr gefesselt gewesen seien (er meinte damit die Hände waren gefesselt, jedoch war der Mund nicht geknebelt) und Frau XXX gibt an, sie sei noch gefesselt gewesen (ihre Hände waren noch befestigt). In Wirklichkeit besteht auch hier kein Widerspruch. Es geht insbesondere aus diesen Elementen hervor, dass das GENERALKOMMISSARIAT versucht, künstliche Widersprüche zu erwirken, obwohl in Wirklichkeit (sowohl faktisch als auch rechtlich) keine Widersprüche vorliegen. Auch ist durch das GENERALKOMMISSARIAT nicht auf den Aspekt eingegangen worden, der materiellen Beweisstücke, über die Die Antragstellerin verfügte : Er war insbesondere im Besitze einer Videokassette, die Videoaufnahmen seiner gefesselten Ehefrau und seinern Sohn aufzeichnen. Diese Videoaufnahmen sind von den damaligen Entführern seiner Familie gemacht worden und Herrn F. geschickt worden. Auch auf dieses sehr wichtige Beweismaterial geht das GENERALKOMMISSARIAT nicht ein. Es wird lediglich mit einem kurzen Satz erwähnt’ De video (met beelden van de ontvoering) en de e-mails en brieven van kennissen en vrienden zijn even van die aard da ze de geloofwaar- digheid van uw verklaringen kunnen herstellen’. Aus diesen Elementen geht eindeutig hervor, dass das GENERALKOMMISSARIAT auf den wohl wichtigsten Aspekt nicht eingegangen ist, so dass die . Begründungen in Verwaltungs- entscheidungen nicht pertinent sind. Die Antragstellerin befindet sich sehr wohl im Anwendungsbereich der Genfer Fiüchtlings konvention, so dass die Verwaltungsentscheidung des GENERALKOMMISSARIATS FÜR FLÜCHTLINGE UND STAATENLOSE vom 30.09.2003 annulliert werden muss. Das Mittel ist begründet.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Wat betreft de beslissing van verzoekster, wordt er het volgende opgeworpen: Enig middel: schending van de art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. XIV-17.287-4/9 Verzoekster stelt dat zij onterecht een volgbeslissing krijgt, zij stelt eigen problemen gehad te hebben en ze wijst erop dat zij met hun kind pas gevlucht nadat haar echtgenoot, verzoeker, gevlucht is. Er wordt niet ingegaan op haar concrete situatie. Vervolgens is het zo dat in de bestreden beslissing verwezen wordt naar de (eveneens bestreden) beslissing van haar echtgenoot. Een volgbeslissing is nochtans pas geldig als de bewuste beslissing waarop de volgbeslissing gebaseerd is wordt bijgevoegd. Dit was in casu niet het geval. Ten slotte stelt ze zich voor het overige op de middelen te beroepen die worden ingeroepen tegen de bestreden beslissing van haar echtgenoot, verzoeker die hieronder zullen behandeld worden. Verweerder merkt op dat verzoekster niet stelt met welke persoonlijke problemen van verzoekster de Commissaris-generaal geen rekening zou gehouden hebben. Voorts is het zo dat er een tegenstrijdigheid bestaat tussen de verklaringen van verzoekster over de gebeurtenissen na het vertrek van verzoeker naar België. In haar schriftelijke verklaringen stelt zij immers dat na vertrek van verzoeker, hun zoon werd opgepakt door de politie, geslagen en ondervraagd over de verblijfplaats van verzoeker. Zij rept hier echter met geen woord over tijdens haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken. In voorliggende vordering tot schorsing stelt verzoekster dat zij eigen motieven zou hebben om haar asielaanvraag te steunen, met name het feit dat zij pas nadat haar echtgenoot het land had verlaten, kon vluchten samen met hun zoon. Verweerder merkt op dat dit asielmotief eveneens door haar echtgenoot werd aangehaald en dat de Commissaris-generaal bijgevolg niet onzorgvuldig tewerk is gegaan door het nemen van een "volgbeslissing". Verweerder kan bovendien niet verweten worden de asielmotieven van verzoekster niet getoetst te hebben aan de Vluchtelingenconventie, aangezien verzoeksters motieven dezelfde zijn als diegene die werden aangebracht door haar echtgenoot en die op basis van een dergelijke toetsing en overeenkomstig artikel 52 §1 van de Vreemdelingenwet kennelijk ongegrond werden verklaard door de Commissaris-generaal. Verweerder antwoordt eveneens dat voor de geldigheid van een volgbeslissing de oorspronkelijke beslissing niet toegevoegd hoeft te zijn. In casu blijkt ten eerste uit de verschillende verzoekschriften dat de echtgenoten op de hoogte zijn van de inhoud van elkaars beslissing en dit is te verklaren door het feit dat zij op hetzelfde adres wonen, waarnaar de beslissingen gestuurd werden. Er kan redelijkerwijs worden afgeleid dat ze kennis namen van mekaars beslissingen. Het enige middel wat betreft de bestreden beslissing van verzoekster is ongegrond. Wat betreft de beslissing van verzoeker worden de volgende middelen ingeroepen: Enig middel: schending van art. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Verzoeker verzet zich tegen de vastgestelde tegenstrijdigheden. Een eerste tegenstrijdigheid betreft het woord partij. Zelfs al zou de partij Ar Namys pas in juli 1999 opgericht zijn zoals het Commissariaat-generaal stelt, dan nog bestond voordien al minstens de politieke beweging met deze naam. Het betreft geen tegenstrijdigheid. Een tweede tegenstrijdigheid betreft het adres van partij. Verzoeker zegt de Isanovastraat, doch volgens het Commissariaat-generaal stelt dat de partij zich in de Taktogulstraat bevindt. Verzoeker repliceert hier echter op dat de naam van de straat gewijzigd is van Isanova naar Taktogul. Ook hier betreft het geen tegenstrijdigheid. Wat betreft een derde contradictie, stelt verzoeker dat hij niet gezegd heeft dat de verkiezingen reeds plaatsvonden in november 1999 maar dat het om de politieke campagne ging. Een vierde tegenstrijdigheid betreft het politieke programma van de partij dat volgens de Commissaris- generaal niet bestond in mei 1999, omdat de partij toen nog niet bestond. Verzoeker stelt hierover dat er al maande voordat de partij officieel werd opgericht een partijprogramma bestond. Een vijfde tegenstrijdigheid gaat over het feit dat verzoeker stelde dat zijn vrouw en zoon na de ontvoering niet meer geboeid waren. Hij stelt dat hij bedoelde dat ze nog geboeid waren maar dat ze niet gekneveld waren. Verzoekster stelde dat ze nog geboeid waren. Er bestaat derhalve geen tegenstrijdigheid tussen hun verklaringen. Verweerder antwoordt hier ten eerste op dat verzoeker een heel aantal tegenstrijdigheden onbehandeld laat en de overige slechts gedeeltelijk behandelt door ze uit de context te halen waarin hij ze zelf verteld heeft. Wat betreft de tegenstrijdigheden over de verschillende data merkt verweerder op dat uit het geheel van het relaas van verzoeker blijkt dat hij de oprichting van de partij, de campagne voor de verkiezingen en de verkiezingen zelf verkeerd dateert. Hij stelt immers dat toen hij de partij leerde kennen, het al een partij was en dit is volgens zijn verklaringen in maart-april 1999, voorts dat ze deelnamen aan de parlementaire verkiezingen in november 1999 en dat er reeds in mei 1999 een partijprogramma was en dat toen ook de campagne begonnen was voor de verkiezingen. Uit deinformatie van het Commissariaat- generaal blijkt echter dat de partij pas in juli 1999 opgericht werd, toen in de Toktagulstraat lag en na augustus 1999 naar de Isanovastraat verhuisd is. Ten slotte vonden de parlementaire verkiezingen pas plaats in februari en maart
- Verweerder antwoordt verder dat als verzoeker dan nu stelt dat hij met november 1999 de politieke campagne bedoelde en niet de verkiezingen zelf, antwoordt verweerder dat blijkt uit het gehoorverslag op het Commissariaat-generaal blijkt dat hij letterlijk stelt op p.12 van dit verslag toen ik in november 1999 problemen had, vonden de parlementaire verkiezingen plaats. Verzoeker weerlegt de vastgestelde tegenstrijdigheid niet. Wat betreft de straatnaam van de XIV-17.287-5/9 zetel van de partij, stelt verzoeker dat de straatnaam zou gewijzigd zijn, doch hij toont dit niet aan met enig begin van bewijs. In ieder geval is het zo dat op de datum dat hij beweert er een eerste maal geweest te zijn, de zetel zich nog in de Taktogulstraat bevond en niet in de Isanovastraat. De tegenstrijdigheid werd terecht vastgesteld. Wat betreft het feit dat de beweging en het partijprogramma al eerder bestonden dan de officiële datum van oprichting van de partij an sich, merkt verweerder op dat dit de vastgestelde onjuistheden over de gegevens van de partij in verzoekers verklaringen niet kunnen weerleggen. Wat betreft de tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van verzoekers, probeert verzoeker te stellen dat hij bedoelt door te zeggen dat 'ze niet meer geboeid waren', ze wél geboeid waren maar niet gekneveld. Deze uitleg is vergezocht en allerminst overtuigend. De tegenstrijdigheid werd terecht vastgesteld. Verzoeker slaagt er niet in de vastgestelde tegenstrijdigheden te weerleggen. De beslissing werd dan ook afdoende gemotiveerd. Verzoeker stelt dat de Commissaris-generaal niet is ingegaan of minstens niet pertinent heeft gemotiveerd rond de videoband die verzoekers hebben neergelegd en waar de ontvoering opstaat. Verweerder antwoordt hierop dat verzoeker wel stelt het niet eens te zijn met de appreciatie van de Commissaris-generaal, doch hij toont allerminst aan waarom. De motivering van de Commissaris-generaal lijkt allerminst onredelijk: het asielrelaas van verzoeker vertoont een heel aantal tegenstrijdigheden, velen die hij in huidig verzoekschrift niet eens poogt te weerleggen, over essentiële onderdelen van zijn asielrelaas. Een videoband waarop een beweerdelijk ontvoering staat, kan de vastgestelde bedrieglijkheid van verzoekers verklaringen redelijkerwijs niet weerleggen. Verzoeker brengt ook geen enkel argument aan waarom de Commissaris- generaal wél tot die conclusie zou zijn moeten komen. De beslissing werd afdoende gemotiveerd. Het enige middel wat betreft de bestreden beslissing van verzoeker is ongegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de administratieve overheden, bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor XIV-17.287-6/9 wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - uit de verklaringen van de verzoekende partij blijkt dat zij zich baseert op dezelfde feiten als die aangehaald door haar echtgenoot Jurij F., en dat haar problemen hun oorsprong vonden in de problemen van haar echtgenoot; dat, aangezien met betrekking tot de asielaanvraag van de echtgenoot van de verzoekende partij een bevestigende beslissing werd genomen van weigering van verblijf op grond van het bedrieglijke karakter van diens asielrelaas, kan er in hoofde van de verzoekende partij evenmin worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat de redenen van deze beslissing uitgebreid werden opgesomd in de beslissing betreffende de echtgenoot van de verzoekende partij; Overwegende dat de verzoekende partij geen enkel concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij haar asielrelaas steunt op de motieven aangehaald door haar echtgenoot; dat de verzoekende partij dit niet betwist, doch louter stelt de beslissing niet afdoende werd gemotiveerd; dat de verzoekende partij geen eigen vluchtmotief aannemelijk maakt; dat het feit dat zij pas enige tijd later het land is uit gevlucht ook door haar echtgenoot werd aangehaald, in het kader van zijn asielrelaas; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de Commissiris-generaal kennelijk onredelijk heeft gehandeld of zich op een onjuist feitelijk gegeven heeft gesteund door te overwegen dat de asielaanvraag van de verzoekende partij steunt op de asielaanvraag van haar echtgenoot; dat de beslissing die ten haren opzichte werd genomen derhalve afdoende is gemotiveerd door de verwijzing naar de bevestigende beslissing van weigering van verblijf van haar echtgenoot; Overwegende de verzoekende partij en haar echtgenoot op hetzelfde adres verblijven; dat zowel de bestreden beslissing als de bevestigende beslissing van weigering van verblijf, genomen ten aanzien van de echtgenoot van de verzoekende partij, aangetekend werd toegezonden aan hun woonplaats; dat derhalve moet worden aangenomen dat de verzoekende partij ook kennis kon nemen van de bevestigende beslissing die werd genomen ten aanzien van haar echtgenoot; dat bovendien uit de uiteenzetting van de XIV-17.287-7/9 verzoekende partij in het enig middel blijkt dat zij de motieven van de bevestigende beslissing die ten aanzien van haar echtgenoot werd genomen kent, aangezien zij in het middel de motieven van die beslissing aan een inhoudelijke bespreking onderwerpt; dat het niet kennelijk onredelijk is dat de bestreden beslissing verwijst naar de bevestigende beslissing die ten aanzien van de echtgenoot van de verzoekende partij werd genomen; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat het asielrelaas van de verzoekende partij grondig werd onderzocht en dat rekening werd gehouden met alle relevante elementen van dit relaas en van het administratief dossier; dat de bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, deugdelijke, afdoende en pertinente motieven; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. XIV-17.287-8/9 De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-17.287-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.764 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.