← België

Arrest 169765 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.765 Rolnummer: A. 170968/XIV-24978 Zaak: Arrest 169765 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-17 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:27 Fiche Arrest nr 169.765 van 4 april 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 169.765 van 4 april 2007 in de zaak A. 170.968/XIV-24.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat R. QUANTEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Stadsomvaart 86 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 15 juni 1976 en van Bhutanese nationaliteit, op 9 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 januari 2006 tot weigering van regularisatie en van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2006 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 18 januari 2007 op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 21 maart 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. QUANTEN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat L. BRACKE, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; XIV-24.978-1/7 Gehoord het eensluidend advies van Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij dient op 28 januari 2000 een regularisatie- aanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 2/. 1.
  4. Op 12 mei 2005 wordt de verzoekende partij gehoord door de Commissie voor regularisatie. Op deze zitting vraagt de verzoekende partij de uitbreiding naar de artikelen 2, 1/ en 2, 4/ van de Regularisatiewet. 1.
  5. Op 8 september 2005 verleent de Commissie voor regularisatie een ongunstig advies betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies is als volgt gemotiveerd: “(...)
  6. Ten gronde A. Artikel 2.2/ De verzoeker diende een verzoek tot regularisatie van zijn verblijf in en baseerde zich hierbij op de bepalingen van artikel 2.2/ van de Wet; Voor de toepassing van artikel 2,2/ van de Wet van 22 december 1999 is vereist dat betrokkene, om redenen onafhankelijk van zijn wil, niet kan terugkeren naar het land of de landen waar hij, vóór aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land van, herkomst, noch naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft; De wettelijke vereisten Artikel 9 bepaalt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier moet omvatten: ... 7/ Een schriftelijk verklaring die de redenen aangeeft waarom zij, onafhankelijk van hun wil, niet kunnen terugkeren naar het land of de landen waar ze, vóór hun aankomst in België gewoonlijk verbleven hebben, noch naar het land van, herkomst, noch naar het land waarvan zij de nationaliteit hebben, noch naar hun land van herkomst; ... Uit de parlementaire voorbereidingen (50/0234/001) blijkt dat slechts overgegaan wordt tot onderzoek van de aanvraag indien alle stukken, zoals voorzien in artikel 9 zijn voorgebracht. Dergelijke verklaring werd niet teruggevonden, zodat verzoeker zelf het aan de Commissie onmogelijk maakt om zich een idee te vormen van deze - toch wel strikt persoonlijke - redenen en waardoor een beantwoording onmogelijk wordt gemaakt; in feite Aan de hand van de verklaringen ter zitting stelt de Commissie vast dat dezelfde feiten en motieven voor de regularisatieaanvraag werden aangevoerd als die welke eerder werden aangewend om de asielaanvraag ingewilligd te zien. Luidens artikel 49 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is uitsluitend de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Statelozen bevoegd om een vreemdeling als vluchteling te erkennen. Artikel 57/11 van deze Wet bepaalt dat de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen bij uitsluiting van elke andere instantie bevoegd is om de beroepen tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal te behandelen; XIV-24.978-2/7 De Commissaris-generaal en de vaste Beroepscommissie beoordelen de status van vluchteling overeenkomstig het verdrag van Genève van 28 juli 1951; De Commissie voor Regularisatie is derhalve geen bijkomende asielinstantie. Voor de toepassing van artikel 2.2/ van de Regularisatiewet moeten bijaldien andere motieven kunnen worden aangevoerd dan deze welke in het toepassingsveld liggen van voormeld verdrag. Het weze in de rand opgemerkt dat voor de Vaste Beroepscommissie aangevoerde motieven gemotiveerd werden verworpen. Volledigheidshalve Betrokkene verklaart van Nepalese afkomst te zijn en het Hindu geloof te belijden in het overwegend Bhoedistische Bhutan. Hij verklaart te zijn opgesloten en slechts vrijgelaten te zijn na beloofd te hebben niet meer terug te zullen keren. Zijn documenten werden hem afgenomen evenals de documenten die hij gebruikte om naar Europa te komen. Betrokkene stelt niet in de mogelijkheid te zijn om zich identiteitsdocumenten te verwerven. Betrokkene laat na om aan te tonen dat hij zelfs maar gepoogd heeft om identiteitsdocumenten te bekomen uit het land van oorsprong, hoewel het aan de Commissie uit eerdere dossiers bekend is (2140 20000129 05459) dat er weliswaar enkel in Zwitserland een ambassade van Bhutan is, maar dat er in België een ereconsulaat bestaat dat gemachtigd is om te bemiddelen in de verschaffing van documenten aan Bhutanese onderdanen. B. Artikel 2.1/ Ter zitting breidt betrokkene zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf uit tot de bepalingen van artikel 2.1/ van de Wet; Voor de toepassing van artikel 2.1/ van de Wet van 22 december 1999 is vereist dat betrokkene de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling heeft gevraagd zonder een uitvoerbare beslissing te hebben ontvangen binnen een termijn van 4 jaar, termijn die wordt teruggebracht tot 3 jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die in België verbleven op 01 oktober 1999 en die de leeftijd hadden om naar school te gaan. Betrokkene voert thans aan dat hij zijn aanvraag tot erkenning als vluchteling indiende op 27 juni 1997 en dat hij slechts een definitieve afwijzing bekwam op 12 juli 2001, hetzij na verloop van 4 jaar en 15 dagen, waardoor hij in de toepassingsvoorwaarden van het bepaalde in artikel 2.1/ van de Wet van 20 december 1999 zou verkeren. Het blijft echter omwille van de gelijkheid vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op een zelfde wijze dienen behandeld te worden, hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij. In het andere geval bestaat de mogelijkheid dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die, zoals het geval is voor verzoeker, slechts veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.802/X-3072 L. De Smet/Belgische Staat). Op het ogenblik van de periode waarbinnen de regularisatieaanvragen moesten worden binnengeleverd verkeerde betrokkene met zekerheid niet in de toepassingsvoorwaarden van het artikel 2.1/, zodat met de aangevoerde argumentatie geen rekening kan worden gehouden. (...)”. 1.
  7. Op 13 januari 2006 neemt de minister van Binnenlandse zaken een beslissing tot weigering van regularisatie door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Deze beslissing, die de eerste bestreden beslissing uitmaakt, luidt als volgt: “(...) De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester van BRUGGE, op 28/01/2000 en dat het nummer XXX draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...)”. XIV-24.978-3/7 1.
  8. Op 21 februari 2006 wordt aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied te verlaten ter kennis gebracht. Deze beslissing, die de tweede bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Reden van de beslissing: - Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: - De regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22/12/1999 werd definitief verworpen door een beslissing van de Minister op 13.01.2006 (...)”.
  9. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “B. over het tweede middel: schending der afdoende materiële motiveringsplicht van administratieve beslissingen en schending van de formele motiveringsplicht van art. 2 en 3 van de wet van 29.07.
  11. Aangezien de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de adminitratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om het beroep in te stellen en waarover hij beschikt; Dat zowel voor de Commissie voor advies als voor de Minister de regularisatie op grond van art. 2,4/ werd ingeroepen; Dat de beslissing van de Minister en dewelke de motivering van het advies van de Commissie tot de zijne neemt, nalaat ook maar iets te motiveren omtrent het opgeworpen argument van de regularisatie op grond van art. 2,4/ en de evenmin motiveert omtrent de overige door de raadsman van verzoeker opgeworpen argumenten in zijn schrijven dd. 26.10.05; Dat omtrent de opgeworpen argumenten de Minister zijn beslissing in het geheel dan ook niet motiveert en deze zelfs volledig verzwijgt en onbeantwoord laat; Dat dit alleszins een schending uitmaakt van de formele motiveringsplicht; Aangezien de motivering van de beslissing van de Minister zeker niet afdoende is, nu de minister een zeer belangrijk argument van verzoeker, nl. de aangevoerde regularisatie op grond van art. 2,4/ niet vermeldt in zijn beslissing en hier ook niet op antwoordt; Dat nochtans en zoals uit de stukken neergelegd in het dossier en uit de aangevoerde argumenten in het schrijven dd. 26.10.05 blijkt dat vertoger overeenkomstig art. 2,4/ voldoet aan de voorwaarden, nu hij bewijs bijbracht van het met succes hebben gevolgd van een taalcursus ‘Nederlands voor Anderstaligen’, en bovendien reeds geruime tijd voor het indienen van zijn verzoek tot regularisatie voltijds tewerkgesteld was bij de NV OMNICASING; Dat de beslissing van de Minister dan ook de materiële motiveringsverplichting schendt;” 2.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt reageert: “Betreffende de vermeende schending van de materiële motiveringsplicht en de artt. 2 en 3 van de Wet dd. 29.07.1991) Desbetreffend laat de verwerende partij gelden dat: - het tegelijk aanvoeren van een schending van de formele én de materiële motiveringsplicht niet mogelijk is, nu het eventuele gebrek aan deugdelijke formele motivering het de betrokkene onmogelijk maakt uit te maken of de materiële motiveringsplicht geschonden is (R. v. St. nr. 93.123 dd. 20.12.200l), - wanneer verzoekster in staat zou zijn een schending van de materiële motiveringsverplichting aan te voeren, dit betekent dat deze van een eventuele schending van de formele motiveringsplicht geen gevolgen heeft ondervonden. XIV-24.978-4/7 Ten overvloede merkt de verwerende partij op dat de bestreden beslissing afdoende met redenen werd omkleed, opdat zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht waaraan ze is onderworpen. De voormelde beschouwingen, dewelke steun vinden in de gegevens van de zaak, volstaan opdat in casu zou zijn voldaan aan de formele motiveringsplicht, vervat in de artt. 2 en 3 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
  13. Immers, de voormelde formele motiveringsplicht heeft enkel tot doel de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor haar of hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat zij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan. De naleving van de genoemde plicht houdt daarentegen geen verband met de inhoudelijke juridische of feitelijke correctheid van de tot uitdrukking gebrachte motieven (cf. wat inhoudelijke juridische correctheid betreft, naar analogie, Cass., 10.1.1979, Arr. Cass. 1978-79, 522; alsook wat feitelijke correctheid betreft: R.v.St. nr. 44.948, 18.11.1993, Arr. R.v.St. 1993, z.p.; Antwerpen, 16.6.1998, F.J.F. 1998, 693). De overwegingen laten verzoeker toe te achterhalen om welke redenen de aanvraag tot regularisatie werd verworpen, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. Verzoekers kritiek kan aan het bovenstaande geen afbreuk doen. Het tweede onderdeel van het middel is onontvankelijk, minstens ongegrond.”; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt reageert: “B. over het tweede middel: schending der afdoende materiële motiveringsplicht van administratieve beslissingen en schending van de formele motiveringsplicht van art. 2 en 3 van de wet van 29.07.
  15. Door verzoeker werd om regularisatie verzocht op grond van art, 2,4/. De aangevochten beslissing vermeldt hieromtrent niets. De aangevochten beslissing is betreffende het ingeroepen art. 2,4/ geenszins met redenen omkleedt. Er wordt hieromtrent gewoonweg niets vermeld in de beslissing. Er is dan ook geenszins voldaan aan de vereiste van de formele motiveringsverplichting en zoals omschreven in art. 2-3 W. 29.07.
  16. Uit de ter zitting voor de Commissie neergelegde stukken blijkt ook overduidelijk dat verzoeker wel in de voorwaarden was om geregulariseerd te worden op grond van art. 2,4/. Evenwel motiveert verwerende partij hieromtrent niets. De door verweerder aangevoerde motivering in haar beslissing wordt dan ook niet gedragen door de stukken van het dossier. Ook de materiële motiveringsplicht werd geschonden.”; 2.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en stelt dat de formele motiveringsplicht is geschonden aangezien zij zowel voor de Commissie voor regularisatie als voor de minister van Binnenlandse zaken de regularisatie heeft gevraagd op grond van artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet, terwijl de minister, en dit in navolging van de Commissie, niet motiveert waarom met de opgeworpen argumentatie geen rekening wordt gehouden; 2.
  18. Overwegende dat de Regularisatiewet niet verbiedt dat de regularisatieaanvraag, uiterlijk ter zitting van de Commissie voor regularisatie, mondeling wordt gewijzigd of uitgebreid tot andere criteria van de Regularisatiewet; dat echter de aanvrager het bewijs moet kunnen leveren dat hij zulks heeft gedaan; dat uit het proces- verbaal van de zitting van de Commissie voor regularisatie blijkt dat de verzoekende partij XIV-24.978-5/7 om de uitbreiding naar de artikelen 2, 1/ en 2, 4/ van de Regularisatiewet heeft verzocht; dat het proces-verbaal van de zitting van de Commissie een authentieke akte uitmaakt die geldt als bewijs, tot inschrijving wegens valsheid; dat uit het advies van de Commissie voor regularisatie, en in navolging uit de beslissing van de minister van Binnenlandse zaken, blijkt dat de enkel de uitbreiding naar artikel 2, 1/ van de Regularisatiewet is besproken; dat nergens blijkt dat de aanvraag ook aan artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet werd getoetst; dat de bestreden beslissing als dusdanig de formele motiveringsplicht schendt; Overwegende dat het tweede middel leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat er bijgevolg niet wordt ingegaan op het eerste en het derde middel; Overwegende dat de tweede bestreden beslissing aan de verzoekende partij ter kennis werd gebracht in uitvoering van de eerste bestreden beslissing; dat de tweede bestreden beslissing immers vermeldt: “In uitvoering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken genomen op 13.01.2006 ”; dat bijgevolg ook de tweede bestreden beslissing, die haar rechtsgrond vindt in de eerste bestreden beslissing, dient te worden vernietigd, BESLUIT: Artikel
  19. De beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 januari 2006 tot weigering van regularisatie en de beslissing van de minister van Binnenlandse zaken van 21 februari 2006 houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, worden vernietigd. Artikel
  20. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-24.978-6/7 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier april tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-24.978-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.765 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.