← België

Arrest 169993 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.993 Rolnummer: A. 136691/XIV-15119 Zaak: Arrest 169993 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 13/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:35 Fiche Arrest nr 169.993 van 13 april 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 169.993 van 13 april 2007 in de zaak A. 136.691/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. HINNEKENS, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Louis Pasteurlaan 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Armeense nationaliteit, op 14 mei 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 24 april 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 21 mei 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 5 december 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-15.119-1/14 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat K. HINNEKENS verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché K. GOOSSENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 17 juli 2000 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 26 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 24 april 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U, een Armeens staatsburger van Armeense origine kende problemen in uw land omwille van hiernavolgende redenen. Uw echtgenoot XXX baatte sinds 1996 een benzinestation uit, tezamen met A. O., een kennis van hem. Op 8 augustus 1999 kwam A. O. bij u thuis langs, tezamen met T. & S. M.. Uw echtgenoot had een meningverschil met deze drie mannen. Ondanks uw aandringen, wilde hij u niet op de hoogte brengen van de inhoud van dit geschil. Een week later, op 15 augustus 1999 vertrok uw echtgenoot, zonder te vertellen waarheen hij ging. Sindsdien heeft u niets meer van hem gehoord. Op 17 augustus 1999 werd u opgezocht door A. O., die wilde weten waar uw echtgenoot zich bevond. U was hierover evenwel niet op de hoogte. Op 20 augustus 1999 werd u opgeroepen door A. O., van de politie van de wijk B2(Jerevan). Diezelfde dag nog ging u op het politiekantoor langs. U werd er ondervraagd door T. & S. M.. U had voordien géén idee dat die drie mannen politieagenten waren. Men wilde weten waar uw man zich bevond. U werd bovendien bedreigd. Ook nadien kreeg u nog dreigtelefoontjes. U had bovendien de indruk dat u achtervolgd werd. Op 8 september 1999 deed u aangifte van de verdwijning van uw echtgenoot, bij de lokale politie van Jerevan. Ten gevolge van deze aangifte verscheen er een opsporingsbericht in de krant. Op 11 september 1999 werd u opnieuw naar het lokale politiekantoor van B2 opgeroepen. A. O., S. M. & T. waren alle drie aanwezig. U werd opnieuw ondervraagd door Samwell & Tigran. U werd door hen bedreigd, geslagen en verkracht. Ze eisten dat u hen info over uw echtgenoot zou geven. U werd diezelfde dag vrijgelaten. Een week later, op 20 september trok u met uw kinderen naar uw vader in Vedi. U bleef er ongeveer twee weken. Dan keerde u terug naar uw moeder in Jerevan. Op 20 december 1999 keerde u opnieuw naar uw vader in Vedi terug. Uw moeder overleed op 27 februari
  3. Daarom keerde u terug naar Jerevan. Tijdens de rouwperiode van 40 dagen kon niemand u lastigvallen omdat u door familieleden vergezeld werd. U kreeg wel dreigtelefoontjes. Nadien trachtte A. O. uw dochter te ontvoeren, maar hij slaagde hier niet in omdat uw dochter niet in zijn wagen wijde instappen. Op 2 mei 2000 kwam A. bij u thuis langs. U werd door hem geslagen en bedreigd. U kreeg een slag op uw hoofd. Op 14 juni 2000 kreeg u een laatste keer bezoek van A. O., S. M. & T.. Ze wilden een huiszoeking doorvoeren. Uw dochter begon te schreeuwen toen één van hen aanstalten maakte om haar te mishandelen. Uw zoon werd bewusteloos geslagen toen hij tussenbeide trachtte te komen. Uit schrik voor de buren, en omdat er zoveel lawaai werd gemaakt, vertrokken de drie belagers. Ze beloofden evenwel te zullen terugkomen. De volgende ochtend bent u uit Armenië vertrokken. U bleef ongeveer een 25 tot 30 dagen in Dnepropetrovsk (Oekraïne). U bereikte België op 16 juli
  4. U bent in het bezit van een huwelijksakte, een geboorteakte van uw zoon, uw geboorteakte en een identiteitsbewijs, en een opsporingsbericht uit een Armeense krant B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u in Armenië problemen kende ten gevolge van een persoonlijk conflict tussen uw echtgenoot en drie van zijn kennissen, die allen deel uitmaken van de lokale politie van Jerevan (wijkkantoor B2). Nadat uw echtgenoot verdween, werd u door deze kennissen van uw echtgenoot geviseerd, bedreigd en zwaar mishandeld. Ook uw kinderen werden hierbij bedreigd en geviseerd. XIV-15.119-2/14 Evenwel, uit voorgaande kan worden geconcludeerd dat de vervolging waarvan u slachtoffer werd in Armenië het gevolg is van een privé- of gemeenrechtelijk conflict, zonder dat er enige aantoonbare band is met de motieven aangehaald in artikel 1A

(2)van de Conventie van Genève. Nergens uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal blijkt dat u of uw echtgenoot vervolgd werden omwille van politieke, etnische, sociale, nationale of religieuze redenen. Aangezien andere en persoonlijke motieven aan de basis van de door u ervaren problemen liggen, kan er in uw hoofde dan ook géén vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bepaald in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève weerhouden worden. U heeft bovendien nagelaten om op adequate wijze bescherming trachten in te roepen van de Armeense overheid. Uit uw verklaringen blijkt duidelijk dat u problemen kende met agenten van een lokaal wijkkantoor uit Jerevan. Er zijn géén redenen om aan te nemen dat u, omwille van de motieven opgesomd in artikel 1A
(2)van de Conventie van Genève, niet op bescherming van de hogere Armeense autoriteiten had kunnen rekenen. Evenmin heeft u uw problemen aanhangig trachten te maken bij de Armeense media of mensenrechtenorganisaties. De door u ingediende documenten vermogen géén afbreuk te doen aan bovenvermelde conclusie, aangezien ze betrekking hebben op niet betwiste (persoons)gegevens die het manifest vreemde karakter van uw asielaanvraag niet aantasten. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel 6 van het E.V.R.M. en van “het algemeen rechtsbeginsel” opwerpt; dat zij in een lange uiteenzetting, waarin de motivering van de bestreden beslissing integraal wordt geciteerd, in essentie aanvoert dat de bestreden beslissing inhoudelijk en formeel moet gemotiveerd zijn en dat de motieven uit de beslissing moeten blijken, dat dit evenwel niet het geval is, dat het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) een soepele interpretatie en een evenwichtige verdeling van de bewijslast vergt, dat de verwerende partij moet aangeven waarom zij het verhaal van de verzoekende partij precies als hoogs onwaarschijnlijk of bedrieglijk beschouwt, dat de verzoekende partij in het land van herkomst wordt vervolgd omdat zij het principe van de rechtsstaat belijdt, dat zij het zoeken van rechtsbescherming terecht heeft ingeroepen, dat de overheid alle elementen in aanmerking moet nemen alvorens een beslissing te nemen, dat had moeten worden opgegeven waarom de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf verhinderd zou zijn geweest, dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de minister van Binnenlandse Zaken en niet op de commissaris-generaal voor de XIV-15.119-3/14 vluchtelingen en de staatlozen, dat de bestreden niet beslissing niet enerzijds kan stellen dat de verzoekende partij geen beroep op de media heeft gedaan en anderzijds een krantenartikel over de zaak kan voorleggen en dat de verzoekende partij niet langer op rechtsbescherming kon wachten daar waar hogere rechtsbescherming niet mogelijk was; 2.1.
  2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In haar eerste middel stelt verzoekster dat de bestreden beslissing zowel inhoudelijk als formeel niet deugdelijk gemotiveerd is. Verweerder wenst aan te stippen dat de algemene motiveringsverplichting vervat in de Wet van 29 juli 1991 en de specifieke motiveringsplicht overeenkomstig artikel 62 van de Vreemdelingenwet tot doel heeft, ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent en bovendien in haar middelen aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Hierdoor is het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu bereikt. Verweerder stipt aan dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek van de asielaanvraag. Verweerder wijst er volledigheidshalve op dat de onafhankelijkheid van de Commissaris-gener-aal wettelijk vastligt. Voor wat betreft het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De Commissaris-generaal besloot, overeenkomstig artikel 52 van de Vreemdelingenwet, tot het kennelijk vreemd karakter van de asielaanvraag. Verzoeksters aanvraag steunt immers op motieven die geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel één, paragraaf A, lid twee van het Internationaal Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen (artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet). In casu oordeelde en verduidelijkte de Commissaris-generaal omstandig dat verzoekster in Armenië problemen kende ten gevolge van een persoonlijk conflict tussen haar echtgenoot en drie van zijn kennissen, die allen deel uitmaken van de lokale politie van Jerevan (wijkkantoor B2). De vervolging waarvan verzoekster slachtoffer werd, is echter het gevolg van een privé- of gemeenrechtelijk conflict, zonder dat er enige aantoonbare band is met de motieven aangehaald in artikel 1, A
(2)van de Conventie van Genève. Aldus kan er in haar hoofde dan ook geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève weerhouden worden. Bovendien heeft verzoekster nagelaten om op adequate wijze bescherming in te roepen van de Armeense overheid. Verzoekster maakt nergens aannemelijk dat zij geen bescherming zou krijgen omwille van de vermeende band tussen de vervolgende actoren, agenten van een lokaal wijkkantoor in Jerevan, en de hogere autoriteiten. Verweerder benadrukt nog dat enkel een beroep kan gedaan worden op de bescherming die door de Geneefse Conventie wordt geboden, wanneer de bescherming van de nationale autoriteiten niet (meer) kan orden ingeroepen. Evenmin heeft verzoekster haar problemen aanhangig trachten te maken bij de Armeense media of mensenrechtenorganisaties. Het opsporingsbericht uit een Armeense krant dat door verzoekster werd voorgelegd, toont weliswaar aan dat verzoekster naar de media stapte om aangifte te doen van de vermistheid van haar man, doch in de bestreden beslissing wordt terecht vastgesteld dat verzoekster haar problemen niet aanhangig trachtte te maken bij de Armeense media of bij mensenrechtenorganisaties. Aangezien het precies dit is wat in de bestreden beslissing wordt geargumenteerd, heeft de Commissaris-generaal dan ook terecht besloten tot de onontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag. Verweerder wijst er verder op dat de procedure voor de Commissaris-generaal een zuiver administratief karakter heeft en niet van jurisdictionele aard is. Bijgevolg is artikel 6 E.V.R.M., dat betrekking heeft op burgerlijke rechten en strafprocedures, niet toepasselijk. (E.C.H.R., 4 juli 1991, Hopic & Hopic Destanova tg. Nederland). Artikel 149 G.W. daarentegen voorziet in de grondwettelijke motiveringsplicht van vonnissen en arresten van de hoven en rechtbanken. Aangezien de Commissaris-generaal een onafhankelijke administratie en geen rechtscollege is, is dit artikel op hem niet van toepassing. Verzoekster werpt eveneens op dat de motiveringsvereiste werd geschonden doordat de beslissing is ondertekend door de adjunct-commissaris-generaal, terwijl niet gemotiveerd wordt waarom de Commissaris-generaal verhinderd zou zijn. Verweerder antwoordt dat de XIV-15.119-4/14 adjunct-commissaris-generaal zijn bevoegdheid rechtstreeks put uit artikel 57/9 van de Vreemdelingenwet en dat deze wet geenszins enige motiveringsplicht oplegt voor het geval de Commissaris-generaal verhinderd zou zijn. Bovendien toont verzoekster geenszins aan welk belang zij hierbij zou hebben. Verweerder merkt op dat bij het nemen van de bestreden beslissing werd voldaan aan de formele motiveringsverplichting, aangezien uit de bestreden beslissing blijkt dat deze zowel de juridische als de feitelijke elementen vermeldt die aan de grondslag ervan liggen. Wat betreft de materiële motivering merkt verweerder op dat de bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven. De bestreden beslissing is aldus op correcte wijze gemotiveerd. Verwerende partij benadrukt in deze dat elke asielaanvraag door de Commissaris-generaal afzonderlijk wordt onderzocht aan de hand van alle elementen beschikbaar in het administratief dossier. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij onder meer de schending opwerpt van de artikelen 149 G.W. en 6 E.V.R.M.; dat deze bepalingen in casu niet van toepassing zijn; dat artikel 149 G.W. bepaalt dat vonnissen moeten worden gemotiveerd; dat de bestreden beslissing echter geen vonnis is, zodat niet valt in te zien op welke wijze dit artikel zou zijn geschonden door de bestreden beslissing; dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen; dat het eerste middel in die mate niet- ontvankelijk is; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de rechtsmiddelen te gebruiken waarover hij beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en er duidelijk in zijn ontwikkeld; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze motieven kent en zelfs herhaaldelijk citeert, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat het eerste middel ongegrond is in de mate dat het betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; Overwegende dat de verwerende partij de weigering van verblijf, waartoe de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken had besloten, met de bestreden beslissing bevestigt omdat de asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie of met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het kader van het dringend beroep over dezelfde beslissingsbevoegdheid beschikt als de minister van Binnenlandse Zaken voor wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag; dat hij deze dan ook niet-ontvankelijk kan verklaren om dezelfde redenen XIV-15.119-5/14 als die door artikel 52 van de Vreemdelingenwet worden voorzien; dat de verwerende partij dientengevolge niet artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft geschonden, noch de motiveringsplicht door de verwijzing naar dat artikel; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat deze is genomen door D. VAN DEN BULCK, toenmalig adjunct-commissaris; dat artikel 57/2 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bestaat uit de commissaris-generaal “en diens twee adjuncten”; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat beslissingen als de voorliggende kunnen worden genomen door de commissaris-generaal “of een van zijn adjuncten”; dat de adjunct-commissaris zijn bevoegdheid rechtstreeks uit die wettelijke bepaling put, zodat dienaangaande geen nadere motivering is vereist; dat het eerste middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de motieven inhoudelijk aanvecht en aldus de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt, dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij zich in haar kritiek tegen de motivering van de bestreden beslissing beperkt tot enkele algemene beschouwingen en het op algemene wijze herhalen van haar eigen standpunt, zonder daarmee de weigeringsmotieven te weerleggen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op kennelijk onredelijke wijze of op grond van onjuiste feitelijke gegevens heeft genomen; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is; 2.2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel opwerpt dat als volgt luidt: “1/ DAT DE BESTREDEN BESLISSING ART. 63/3 VAN DE VREEMDELINGENWET SCHENDT Dat de asielaanvraag reeds werd ingediend op 17 juli
  4. Dat het dringend beroep luidens de bestreden beslissing ingediend werd op 8 maart 2003 en de beslissing zou dateren 24 april 2003, hetgeen betekent dat de bestreden beslissing niet genomen is binnen de 30 dagen na het indienen van het dringend beroep hetgeen nochtans vereist wordt door art. 63/3 van de Vreemdelingenwet. Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert van orde. Dat voorts wordt verwezen naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei
  5. Dat voormeld artikel een dwingende termijn ingevoerd heeft en geen termijn invoert. XIV-15.119-6/14 Dat voorzover artikel 63/2, 2/ van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 een dwingende termijn ingevoerd heeft dit ook moet gelden voor de termijn van artikel 63/3 van de vreemdelingenwet. Dat de termijnen voor alle partijen in de vreemdelingenwet op een gelijkaardige wijze dienen geïnterpreteerd te worden. Dat de termijnen aldus hetzij beide vervaltermijnen hetzij als termijnen van orde dienen gezien te worden. Daar anders er een ongelijkheid bestaat in de aard van de termijn voorzien in de vreemdelingenwet. Dat een dergelijk onderscheid een ongeoorloofde discriminatie uitmaakt. Dat het Arbitragehof reeds dergelijke discriminaties heeft strijdig bevonden met het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof nr. 65/96 dd. 13 november 19996, B.S., 25 januari 1997, over de rechtsregel waarbij de minister de Vaste Beroepscommissie kon adiëren bij het ontbreken van een uitspraak binnen een bepaalde termijn, daar waar de asielzoeker dit niet kon). Dat verzoekende partij aldus vraagt dat aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag wordt gesteld of artikel 63/3/ het gelijkheidsbeginsel schendt inzoverre het voor de asielzoeker een dwingende termijn van 3 dagen invoert daar waar voor de Commissaris-Generaal ging dwingende termijn van 30 dagen zou opgelegd worden overeenkomstig artikel 63/3 van diezelfde wet. Dat er twee categoriën gecrëeerd worden betreffende de aard van termijn. Dat artikel 10 van de Grondwet poneert : ‘De Belgen zijn gelijk voor de wet.’, terwijl artikel 11 postuleert : ‘Het genot van de rechten en vrijheden aan de Belgen toegekend moet zonder discriminatie verzekerd worden’. Dat het Arbitragehof het gelijkheidsbeginsel als volgt heeft omschreven : 'De grondwettelijke regels van gelijkheid voor de wet en van de niet discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen zouden worden ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de aangewende middelen niet redelijkerwijze evenredig zijn met het beoogde doel' ( o.a. Arbitragehof, nr. 23/89, 13 oktober 1989, B.S., 8 november 1989, B.1.3; Arbitragehof, nr. 18/90, 2 mei 1990, B.S., 27 juli 1990 en Arbitragehof, nr. 26/90, 14 juli 1990, B.S., 4 augustus 1990, 6.B.6 . ; cfr. E.H.R.M., 23 juli 1968, R.W., 1968-69, 29 ; cfr. Cass. 5 oktober 1990, R.W., met conclusie van D'HOORE, G., 328-331; Cfr. RvSt, nr. 24.067, 12 maart 1984, Chambre syndicale des pharmaciens d'expression française; RvSt., nr. 33.858, 22 januari 1990, Desmet, T.B.P., 1990, 746 (schorsing); RvSt., nr.
  6. 046, 5 juni 1990, T.B.P., 1990, 746 (annulatie), Desmet; BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1268, nr. 2 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State een prejudiciële vraag dient te stellen aan het Arbitragehof aangezien het Hof van Cassatie geoordeeld heeft ‘overwegende dat, krachtens artikel 26 § 1, 3/ en § 2, eerste lid , van de bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989, indien een vraag ten aanzien van een schending door een wet van de artikelen 6, 6 bis ( lees 10, 11) en 17 van de Grondwet voor een rechtscollege opgeworpen, dit college in de regel het Arbitragehof moet verzoeken over die vraag uitspraak te doen’ (Cass, 22 juni 1992, R.W., 1992-93, 471; cfr. ook BERXCK, C., ‘De herkeuringsraad en de advokaat’, R.W., 1993-94, 1267, nr. 1 en verwijzingen aldaar). Dat de Raad van State in het Arrest WEYTS/ STAAT, nr. 74.160 ( 61.070 - IX-696) van 8 juni 1998 het principe poneert wat betreft het stellen van prejudiciële vragen aan het Arbitragehof : ‘2.4.
  7. Overwegende dat artikel 26, §§ 1 en 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof, bepaalt dat een rechtscollege waarvoor een vraag over de schending door een wet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wordt opgeworpen, het Arbitragehof moet verzoeken om over deze vraag uitspraak te doen; dat de Raad van State daartoe alleen niet is gehouden wanneer de vordering niet ontvankelijk is om procedureredenen die ontleend zijn aan normen die zelf niet het voorwerp zijn van het verzoek tot het stellen van de prejudiciële vraag; dat deze uitzondering te dezen niet van toepassing is; 2.4.
  8. Overwegende dat aan het Arbitragehof dan ook de in het dispositie van dit arrest opgenomen prejudiciële vraag moet worden gesteld’. Dat het evident is dat ook vreemdelingen zich kunnen beroepen op het gelijkheidsbeginsel (Arbitragehof, 5 juli 1990, B.S., 6 oktober 1990 en Arbitragehof, nr. 36/90, van 22 november 1990, B.S., 28 december 1990., over een aantal beroepen tot vernietiging van de wet van 30 augustus 1989 houdende wijziging van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen). Dat er terzake bovendien een discriminatie aangevoerd wordt tussen asielzoekers, die per definitie allen van een vreemde nationaliteit zijn, zodat art. 191 van de Belgische Grondwet niet kan ingeroepen worden (Cfr. Arbitragehof , 14 juli 1995, J.L.M.B. 1995, 1396 ev.; VANDE LANOTTE, J. , Overzicht van publiekrecht, deel II, Brugge, Die Keure 1994, p. 159; RENDERS D., 'La Cour d'Arbitrage et l'article 191 de la Constitution’, noot onder Arbitraghof, 14 juli 1994 , J.L.M.B., 1995, 1413). Dat voorts wordt verwezen naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei 1998.”; XIV-15.119-7/14 2.2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “]n haar tweede middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet. Verzoekster werpt op dat tussen het indienen van het dringend beroep op 8 maart 2003 en de bevestigende beslissing van 16 april 2003 meer dan dertig dagen verstreken zijn, hetgeen nochtans vereist wordt in artikel 6313 van de Vreemdelingenwet. Verweerder antwoordt dat de termijnen, voorzien in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet, termijnen van orde zijn. Een niet-naleving van de termijn door het Commissariaat-generaal leidt niet tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Tussen het indienen van het dringend beroep en de bevestigende beslissing zijn negenendertig dagen verstreken. Dit is geen onredelijk lange termijn. Bovendien toont verzoekster niet aan welk belang zij had om de bevestigende beslissing eerder te ontvangen (R.v.St., nr. 80.307 van 19 mei 1999). Met betrekking tot de door verzoekster opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel merkt verweerder vooreerst op dat een eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel niet rechtstreeks kan leiden tot de vernietiging van de bestreden beslissing. Voorts verwijst verweerder naar arrest nr. 102.114 van 20 december 2001 waarin de Raad reeds stelde: ‘dat er niet kan worden aangenomen dat artikel 26, §2, eerste en derde lid van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Arbitragehof, die enkel de rol van dat Hof nodeloos zou belasten en de gerechtelijke achterstand van de Raad zou doen toenemen.’ Verder stelde de Raad dat de versterkte verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen door de Raad aan het Arbitragehof moet worden bepaald in het licht van de ratio legis van dat artikel, Dat die ratio legis, enerzijds, het monopolie betreft van het Arbitragehof bij het grondwettigheidstoezicht, door te vermijden dat rechtscolleges waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor het aanwenden van enig rechtsmiddel, bij onduidelijkheid daarover, zelf de draagwijdte van de arresten van het Arbitragehof zouden bepalen en zich in de plaats stellen van dat Hof, en anderzijds, het Arbitragehof de mogelijkheid te bieden om zijn rechtspraak te wijzigen, aan te vullen of te nuanceren. Nu blijkt dat verzoeker de prejudiciële vraag niet duidelijk omschrijft, en op geen enkele manier duidt en deze vraag aldus enkel verklaard kan worden omwille van dilatoire redenen en nu de Raad van State eveneens reeds vroeger stelde dat niet kan worden aangenomen dat de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof aan de partijen de mogelijkheid heeft willen verlenen om met een louter dilatoir oogmerk en om de procedure nodeloos te rekken, prejudiciële vragen te doen stellen door de Raad van State aan het Arbitragehof, zodat het de Raad moet worden toegestaan de ernst van de prejudiciële vraag aan een marginale toetsing te onderwerpen, dient de vraag van verzoeker tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof verworpen te worden. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel; 2.2.
  11. Overwegende dat artikel 63/3, § 1, derde lid, van de Vreemdelingenwet een termijn van 30 werkdagen bepaalt waarbinnen de beslissingen van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in dringend beroep moeten worden genomen; dat bij overschrijding van deze termijn geen sanctie is voorzien, zodat het een termijn van orde betreft; dat dergelijke beslissingen niettemin binnen een redelijke termijn moeten worden genomen, bij gebreke waaraan de overheid haar bevoegdheid verliest om uitspraak te doen; dat een overschrijding van de redelijke termijn aldus tot gevolg zou hebben dat de in eerste aanleg genomen beslissing definitief wordt; XIV-15.119-8/14 Overwegende dat de in eerste aanleg genomen beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 26 februari 2001 een weigering van verblijf inhoudt; dat, bij vernietiging van de thans bestreden beslissing wegens overschrijding van de redelijke termijn om in beroep uitspraak te doen, de in eerste aanleg genomen beslissing definitief zou worden; dat de verzoekende partij uit het tweede middel geen voordeel kan halen, zodat het niet-ontvankelijk is bij gebrek aan belang; Overwegende, ten overvloede, dat de verzoekende partij haar dringend beroep tijdig heeft ingesteld, zodat de vergelijking tussen de aard van die beroepstermijn en de beslissingstermijn niet dienstig kan worden aangevoerd; dat de verzoekende partij ter terechtzitting afstand van haar prejudiciële vraag heeft gedaan; 2.3.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel opwerpt dat als volgt luidt: “3/ Schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet Dat de bestreden beslissing voorhoudt : ‘Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is.’ Dat artikel 52 van de vreemdelingenwet bepaalt dat ‘de Minister of diens gemachtigde kan beslissen’ hetgeen betekent dat dit in dit artikel zelve niets rechtstreeks bepaald wordt nopens de Commissaris-Generaal of de Adjunct-Commissaris-Generaal; dat de Commissaris-Generaal der Vluchtelingen en Staatlozen niet de aangestelde is van de minister van Binnenlandse Zaken en dient te handelen in volledige onafhankelijkheid overeenkomstig artikel 57/2 van de wet van 15 december
  13. Dat een administratieve akte ontbloot is van juridisch basis en aldus ondeugdelijk gemotiveerd is wanneer de administratie steunt op een artikel dat niet op voormelde administratie van toepassing is ( SALMON, J., Le consiel d'Etat, Bruylant, 1994, 1, p. 474). Dat evenzeer het artikel 52 van de vreemdelingenwet alzo geschonden wordt, door de rechtstreekse toepassing van een artikel dat als dusdanig niet van toepassing is.”; 2.3.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het antwoord op het eerste middel; 2.3.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.3.
  16. Overwegende dat het derde middel slechts één punt uit het eerste middel herhaalt, namelijk dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich niet op artikel 52 van de Vreemdelingenwet zou kunnen steunen omdat die bepaling enkel geldt voor de minister van Binnenlandse Zaken; dat die kritiek echter is verworpen, zodat wat dat betreft naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het derde middel eveneens ongegrond is; 2.4.
  17. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel opwerpt dat als volgt luidt: XIV-15.119-9/14 “4/ SCHENDING VAN ART. 63/3 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 Dat de bestreden beslissing aangeeft ‘Voor de Commissaris-Generaal, verhinderd handtekening ) D. VAN DEN BULCK Adjunct-Commissaris’ Dat voormeld artikel 63 van de vreemdelingenwet niet voorziet in enige mogelijkheid tot delegatie : de wettekst gebruikt de bewoording ‘of’, hetgeen betekent dat het gaat om de Commissaris-Generaal zelf of één van de Adjuncten zelf, hetgeen de mogelijkheid tot delegatie uitsluit, zodat het niet strookt met de wet een beslissing te nemen voor een ander omdat deze zou verhinderd zijn.”; 2.4.
  18. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “In haar vierde middel beroept verzoekster zich opnieuw op een schending van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet Verweerder is van mening dat dit middel alle ernst ontbeert. De adjunct- commissaris-generaal ontleent zijn bevoegdheid rechtstreeks aan de Wet (artikel 63/3) zodat de vraag of de Commissaris-generaal de bevoegdheid aan hem kan delegeren zich niet stelt. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.4.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “(...) Dat de wet duidelijk de bevoegdheid heeft toegekend aan twee onderscheiden overheidsambtenaren, enerzijds de commissaris-generaal en anderzijds de adjunct commissaris- generaal, die elk apart een beslissingsbevoegdheid toegekend zijn zonder dat sprake is van een ondergeschikt verband; dat delegatie juist het uitoefenen van de bevoegdheid onder ondergeschikt verband uitdrukt. Dat wanneer men dergelijke manier van beslissen zou toelaten dit eigenlijk betekent dat in geval in een wettekst zou staan de koning of de minister die bevoegd is beslissen dit zou betekenen dat een minister zou kunnen beslissen onder het mom van de koning verhinderd de minister. Dat dit uiteraard niet kan. Dat het zo is dat feit van de delegatie juist volgt uit de beslissing zelve; dat het argument van de verwerende partij dat dit niet kan in gevolge de wettekst en eigenlijk niet zou kunnen uit de wettekst dan pertinent is teneinde tot vernietiging te leiden. Dat voormeld artikel 63 van de vreemdelingenwet niet voorziet in enige mogelijkheid tot delegatie : de wettekst gebruikt de bewoording ‘of’, hetgeen betekent dat het gaat om de commissaris-generaal zelf of één van de adjuncten zelf, hetgeen de mogelijkheid tot delegatie uitsluit, zodat het niet strookt meet de wet een beslissing te nemen voor een ander omdat deze zou verhinderd zijn.”; 2.4.
  20. Overwegende dat kan worden verwezen naar de bespreking van het eerste middel betreffende de bevoegdheid van de adjunct-commissaris; dat het vierde middel om dezelfde reden ongegrond is; 2.5.
  21. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie en van de artikelen 48, 49, 50, 52, 57/6 en 63/2 van de Vreemdelingenwet opwerpt; dat zij de motivering van de bestreden beslissing andermaal citeert en verder enkel een deel van het eerste middel herhaal waarin zij in essentie aanvoert dat zij in het land van herkomst wordt vervolgd omdat zij het principe van de rechtsstaat belijdt, dat zij het zoeken van rechtsbescherming terecht heeft ingeroepen, dat de overheid alle elementen in aanmerking moet nemen alvorens een beslissing te nemen hetgeen binnen de Vluchtelingenconventie valt en dat de bestreden beslissing dus de regels met de criteria waaraan een vluchteling moet voldoen schendt; XIV-15.119-10/14 2.5.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het antwoord op het eerste middel; 2.5.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.5.
  24. Overwegende dat artikel 57/6 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is op een asielaanvraag die zich nog in het ontvankelijkheidsstadium bevindt, zoals in casu het geval is; Overwegende dat de artikelen 48, 49 en 50 van de Vreemdelingenwet algemene artikelen zijn die het recht op asiel voor bepaalde personen omschrijven, doch geen automatisme inhouden voor personen die zich op de Vluchtelingenconventie beroepen om asiel te verkrijgen; dat hiervoor een bepaalde procedure dient te worden gevolgd, die onder meer een ontvankelijkheidsfase inhoudt die wordt omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, met toepassing van dit artikel 52, de asielaanvraag van de verzoekende partij niet-ontvankelijk is verklaard omdat zij geen verband houdt met de criteria uit de Vluchtelingenconventie of met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat het middel met betrekking tot de ingeroepen schending van artikel 63/2 van de Vreemdelingenwet niet is uitgewerkt; dat de inhoudelijke opmerkingen van de verzoekende partij identiek zijn aan deze die werden gemaakt in het eerste middel, zodat wat dat betreft naar de bespreking van het eerste middel kan worden verwezen; dat het vijfde middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is; 2.6.
  25. Overwegende dat de verzoekende partij een zesde middel opwerpt dat als volgt luidt: “6 /'DAT DE BESTREDEN BESLISSING NIET GENOMEN IS BINNEN EEN REDELIJKE TERMIJN Dat het asiel aangevraagd werd op 17 juli
  26. Dat het dringend beroep luidens de bestreden beslissing ingediend werd op 8 maart 2003 en de beslissing zou dateren van 24 april 2003, hetgeen betekent dat de bestreden beslissing niet genomen is binnen een redelijke termijn. Dat bestuurlijke overheden ( RvSt., Lostermans, nr. 18.258, 4 mei 1977; RvSt. Brussel, nr. 20.492, 1 juli 1980; RvSt., 30.493, 24 juni 1988, R.D.E., 1988, nr. 50, p.150; ; RvSt., 30.624, 2 september 1988, A.P.M., 1988, 111; RvSt., nr. 31.777, 18 janauri 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., Graimson, nr. 31.675, 6 januari 1989, J.L.M.B., 1989, 621; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., 33.055, 22 september 1989, R.D.E., 1990, nr. 57, p. 25; RvSt., 33.453, 24 november 1989, R.D.E., 1990, nr. 59, p.188, R.A.C.E., 1989; RvSt., Muret, nr. 34.523, 23 maart 1990; RvSt., 35.553, R.D.E., 1990, nr.59, p.159; RvSt., 38.861, 22 februari 1992, M.T.D./Belgische Staat, T.V.V.R., 1992, 063/77; RvSt., nr. 39.977, 25 juni 1992, R.D.E. 1992, nr. 70, 303-304; RvSt., nr. 44.495, 18 november 1993; RvSt., nr. 44.496, 18 november 1993 ) de hun voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn diene te behandelen. Dat het uitvoerend comité van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de Verenigde Naties een algemene conclusie uitgevaardigd heeft waarin gestipulleerd wordt dat de vreemdelingenzaken dienen afgehandeld te worden binnen een redelijke termijn ( Conclusie, 44ste Sessie, Uitvoerend Comité, Geneve, H.C.R., 1993, k ). Dat de Raad van State in tuchtzaken zelfs geoordeeld heeft dat het vereiste van redelijke termijn onverkort geldt, zelfs wanneer nog een strafonderzoek loopt ( RvSt., Graimson, nr. 31.675, 6 januari 1989, J.L.M.B., 1989, 621 ). , XIV-15.119-11/14 Dat de Raad van State reeds herhaaldelijk in vreemdelingenzaken het overtreden van de rechtsregel der redelijke termijn gesanctioneerd heeft ( RvSt., 30.493, 24 juni 1988, R.D.E., 1988, nr. 50, p.150; ; RvSt., 30.624, 2 september 1988, A.P.M., 1988, 111; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., nr. 31.777, 18 januari 1988, R.A.C.E., 1989; RvSt., 33.055, 22 september 1989, R.D.E., 1990, nr. 57, p. 25; RvSt., 33.453, 24 november 1989, R.D.E., 1990, nr. 59, p.188, R.A.C.E., 1989; RvSt., 35.553, R.D.E., 1990, nr.59, p.159; RvSt., nr. 39.977, 25 juni 1992, R.D.E. 1992, nr. 70, 303304; RvSt., nr. 44.495, 18 november 1993, RvSt., nr. 44.496, 18 november 1993 ). Dat na het verloop van de redelijke termijn de kandidaat-politieke vluchteling er op moet kunnen vertrouwen dat de overheid geen negatieve beslissing meer neemt. Dat na het verloop van de redelijke termijn een administratieve overheid overheid geen negatieve beslissing meer vermag te nemen, daar anders art. 8 van het E.V.R.M.( Europees verdrag voor de rechten van de mens), welke het privéleven beschermt, geschonden wordt, gelet op het proportionaliteitsvereiste. Dat voorts verwezen wordt naar het arrest ALLEWAERT, nr. 73.717 dd. 18 mei 1998.”; 2.6.
  27. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord verwijst naar het antwoord op het tweede middel; 2.6.
  28. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks toevoegt; 2.6.4 Overwegende dat het zesde middel om de bij de bespreking van het tweede middel uiteengezette redenen niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij wel verwijst naar doch niet uiteenzet hoe artikel 8 van het E.V.R.M. door de voorgehouden schending van de redelijke termijn in concreto zou zijn geschonden; dat het niet aan de Raad van State mag worden overgelaten om zelf aan te geven op welke wijze een bepaling of een beginsel zou zijn geschonden; dat het zesde middel ook in die mate niet-ontvankelijk is; 2.7.1 Overwegende dat de verzoekende partij een zevende middel opwerpt dat als volgt luidt: “7/ SCHENDING VAN ART. 51/4 VAN DE VREEMDELINGENWET SCHENDING VAN ART. 39 § 1, 17 § 1, 57 EN 58 VAN DE TAALWET Dat in de bestreden beslissing het adres van de verzoekende partij als volgt wordt opgeven 1210 St Josse, hetgeen in de Franse taal is, daar waar dit in het Nederlands behoort te zijn : 1210 Sint-Joost-ten-noode. Dat voormelde artikelen allen opleggen dat in vreemdelingenzaken en in administratieve zaken het adres in de Nederlandse taal dient te gebeuren die de taal van de procedure is.”; 2.7.
  29. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Verweerder antwoordt dat het middel juridische grondslag mist. In gevolge artikel 1 van de Taalwet bestuurszaken is de toepassing van deze wet uitgesloten wanneer er een bijzondere wettelijke regeling is. Het bestaan van artikel 51/4 sluit bijgevolg de toepasselijkheid van de Taalwet uit. Verzoekster toont bovendien op geen enkele manier aan op welke manier het adres XIV-15.119-12/14 in de bestreden beslissing in de Nederlandse taal in concreto een invloed zou kunnen hebben gehad bij de behandeling of de beoordeling van haar aanvraag, zodat niet kan worden ingezien welk belang zij zou hebben bij de opgeworpen schending. Het zevende middel is niet gegrond.”; 2.7.
  30. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.7.
  31. Overwegende dat de door de verzoekende partij aangehaalde bepalingen uit de op 18 juli 1996 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken niet van toepassing zijn op de bestreden beslissing; dat het zevende middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de bestreden beslissing in het Nederlands is genomen en op het juiste adres ter kennis van de verzoekende partij is gebracht; dat de verzoekende partij niet uiteenzet laat staan aannemelijk maakt in welke mate de enkel vermelding van haar adres in het Frans de bestreden beslissing kan hebben aangetast; dat het zevende middel eveneens niet-ontvankelijk is in de mate dat het op artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft;
  32. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  33. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  34. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien april tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-15.119-13/14 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.119-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.