id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.047 Rolnummer: A. 174221/IX-5354 Zaak: Arrest 170047 - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) - 16/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 19:38 Fiche Arrest nr 170.047 van 16 april 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Varia (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.047 van 16 april 2007 in de zaak A. 174.221/IX-
- In zake : Hubert BROENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. CRISPYN, kantoor houdende te MARIAKERKE, Mazestraat 16 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Volksgezondheid,
- de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Hubert BROENS op 22 juni 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de beroeps- kamer van 31 maart 2006 van de gerechtelijk geneeskundige dienst waarbij zijn ziekte niet erkend wordt als beroepsziekte; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. COLIN , op grond van artikel 94 van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; Gelet op de beschikking van 17 januari 2007, houdende bevel tot neerlegging van het verslag en waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 februari 2007; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5354-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. CRISPYN, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. CRUTELLE die, loco advocaat M. RYELANDT verschijnt voor de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat voor het onderzoek van de onderhavige zaak rekening gehouden moet worden met volgende bepalingen van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : het RPPol): Overeenkomstig artikel X.III.7 RPPol wijst de overheid de dienst aan waarbij elke ziekte, die als een beroepsziekte kan worden beschouwd, moet worden aangegeven. Volgens artikel X.15 van het ministerieel besluit van 28 december 2001 tot uitvoering van sommige bepalingen van het RPPol is deze dienst “de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie”. Naar luid van artikel X.III.8 RPPol gebeurt de aangifte van een beroepsziekte door middel van een formulier “aangifte van beroepsziekte” en moet zij vergezeld zijn van een doktersattest waarop de geneesheer de aard van de beroepsziekte vermeldt en een gemotiveerde uiteenzetting geeft van zijn diagnose, van de klinische kentekenen waarop hij steunt en van de vermoedelijke aanvangs- datum van de arbeidsongeschiktheid. Overeenkomstig artikel X.III.9 RPPol bepaalt de in artikel X.III.7 vermelde dienst “binnen de dertig dagen na de ontvangst van de aangifte (...) of het gaat om (...) een beroepsziekte in de zin van de wet van 3 juli 1967 en deelt zijn beslissing mee aan getroffene of zijn rechtverkrijgenden”. Wanneer hij oordeelt dat het om een beroepsziekte gaat, zendt de dienst “een exemplaar van het formulier en IX-5354-2/8 het doktersattest bedoeld in artikel X.III.8, tweede tot en met vierde lid, aan de gerechtelijk geneeskundige dienst”. Artikel X.III.10, § 1, RPPol bepaalt de rol van de gerechtelijk geneeskundige dienst in het kader van een arbeidsongeval; paragraaf 2 bepaalt deze rol in het kader van een beroepsziekte : “§
- In geval van beroepsziekte bepaalt de gerechtelijk geneeskundige dienst de volgende medische aspecten : 1/ de aard van de ziekte; 2/ het percentage van de blijvende invaliditeit als gevolg van de beroepsziekte; 3/ de datum waarop de invaliditeit ten gevolge van de beroepsziekte een blijvend karakter vertoont.” Krachtens artikel X.III.14 RPPol maakt de gerechtelijk genees- kundige dienst, na onderzoek, aan de getroffene “zijn gemotiveerde beslissing bekend omtrent de in artikel X.III.10, (...) § 2, bedoelde medische aspecten”. Laatstgenoemde kan tegen de beslissing van de gerechtelijk geneeskundige dienst beroep instellen, in welk geval de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst de zaak opnieuw onderzoekt en op haar beurt de betrokkene op de hoogte brengt van haar gemotiveerde beslissing over de medische aspecten waarvan sprake in artikel X.III.10, § 2 RPPol (artikel X.III.15 tot X.III.17 RPPol). 1.
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt samengevat kunnen worden : 1.2.
- Verzoeker, hoofdinspecteur van politie bij de federale politie, bezorgt met een aangetekende zending van 12 mei 2005 een formulier BZ1 (“aangifte van beroepsziekte”) en een op 9 mei 2005 opgemaakt formulier BZ2 (“medisch attest”) aan de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie; in zijn aangifte van beroepsziekte vermeldt verzoeker onder een luik “omschrijving van de beroepsomstandigheden die aanleiding gaven tot de beroepsziekte” dat “het uitgeoefend beroep als cavalier rechtstreeks de aanleiding heeft gegeven tot de huidige klachten. Het is de chronische continue werksituatie met veelvuldig vallen van het paard en niet een valpartij (werkongeval) die verantwoordelijk is voor de huidige medische toestand”. IX-5354-3/8 1.2.
- Met een 19 mei 2005 gedateerde brief, waarvan een kopie aan verzoeker wordt gestuurd, deelt de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie aan de gerechtelijk-geneeskundige dienst mee wat volgt : “Betreft : Beroepsziekte overkomen aan Mijnheer BROENS Hubert (44.02536.94) Introductie van het dossier ‘beroepsziekte’ van Mijnheer BROENS Hubert, wonende te 3650 DILSEN-STOKKEM, Rosmeerkamp
- REF 1 : Koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechts- positie van het personeel van de politiediensten. REF 2 : Wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeids- ongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector. De betrokkene valt onder de toepassing van de in referte vermelde wettelijke maatregelen. Dit dossier wordt aan de Gerechtelijke Geneeskundige Dienst overgezonden voor passend gevolg, met het verzoek de betrokkene te gepasten tijde aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen met het oog op de vaststelling van de datum van consolidatie ten gevolge van de beroepsziekte. Als bijlage, vindt U : - Een formulier BZ 1 - Aangifte van beroepsziekte - Een formulier BZ 2 - Medisch attest”. 1.2.
- Volgens de verklaring van de partijen verschijnt verzoeker op 24 oktober 2005 voor de gerechtelijk-geneeskundige dienst. Blijkens een door verzoeker voorgelegd document “besluiten van medische expertise (1ste aanleg)”, dat als verzendingsdatum 24 november 2005 draagt, en dat ondertekend is door “geneesheer-expert Dr. Castermans”, volgt uit de medische expertise van verzoeker dat hij “aangetast (is) door een beroepsziekte (datum van vaststelling: 09.05.2005), is de “Aard van de ziekte: neurologisch letsel door langdurige druk en herhaalde traumata”, en heeft hij een blijvende arbeids- ongeschiktheid van 15% vanaf 9 mei
- 1.2.
- In een 19 december 2005 gedateerd document “besluiten van medische expertise (1ste aanleg)”, dat als verzendingsdatum 12 januari 2006 draagt, dat gericht is aan het adres van verzoeker en dat namens de voorzitter van de gerechtelijk geneeskundige dienst- door de geneesheer-directeur ondertekend is, wordt gesteld : “[...] U is niet aangetast door een beroepsziekte. [...] Aard van de ziekte : In het geval van de aanvrager vindt de ziekte haar determinerende en rechtstreekse oorzaak niet in de beroepsuitoefening.” IX-5354-4/8 1.2.
- Volgens de verklaring van de partijen stelt verzoeker tegen die beslissing beroep in. 1.2.
- In een 31 maart 2006 gedateerd document “besluiten van medische expertise (beroep)”, dat als verzendingsdatum 26 april 2006 draagt, dat gericht is aan het adres van verzoeker en dat ondertekend is door de secretaris en de leden van de beroepskamer van de gerechtelijke geneeskundige dienst, wordt gesteld wat volgt : “[...] U is niet aangetast door een beroepsziekte. [...] Aard van de ziekte : irritable rectum syndroom, behandeld met stimulator In het geval van de aanvraagster vindt de ziekte haar determinerende en rechtstreekse oorzaak niet in de beroepsuitoefening.” Deze met een 31 maart 2006 gedateerde brief aan verzoeker meegedeelde beslissing van de beroepskamer van de gerechtelijke geneeskundige dienst dat hij niet is aangetast door een beroepsziekte, maakt het voorwerp uit van het onderhavig beroep tot nietigverklaring. 2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste onderdeel van het derde middel, dat ontleend is aan de schending van artikel X.III.9 RPPol en aan de onbevoegdheid van de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst, stelt dat de beslissing waarbij vastgesteld wordt dat een personeelslid aan een beroeps- ziekte lijdt, enkel kan genomen worden door de overheid die overeenkomstig artikel X.III.9 RPPol aangewezen is en dat de gerechtelijk geneeskundige dienst, waarvan de bevoegdheden expliciet vastgelegd zijn in artikel X.III.10 RPPol, die bevoegd- heid niet heeft, terwijl in zijn geval de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskun- dige dienst een beslissing genomen heeft over het al dan niet beschouwen van zijn ziekte als een beroepsziekte; 2.2.
- Overwegende dat de eerste vertegenwoordiger van de verwerende partij daarop antwoordt dat de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst zich integendeel gehouden heeft aan de reglementen: zij heeft bij de vaststelling van de “aard van de ziekte”, en dus binnen de haar toegemeten bevoegdheid, gesteld dat de ziekte haar determinerende oorzaak niet vond in de beroepsuitoefening; dat hij erop wijst dat verzoeker verwarring poogt te zaaien door een ontwerp van beslissing van een geneesheer-expert, dat per toeval in zijn handen IX-5354-5/8 gekomen is, in het debat te brengen terwijl zowel in eerste aanleg als in beroep eenduidig besloten is dat het syndroom waaraan verzoeker lijdt zijn determinerende en rechtstreekse oorzaak niet vindt in de beroepsuitoefening; dat hij ook nog stelt dat artikel X.III.10, § 1, 2/, RPPol de gerechtelijke dienst toelaat inzake arbeidsongevallen een beslissing te nemen over het medisch oorzakelijk verband tussen het letsel en de opgegeven feiten en dat “daaruit afgeleid” kan worden dat dit ook voor beroepsziekten het geval is; 2.2.
- Overwegende dat de tweede vertegenwoordiger van de verwerende partij antwoordt wat volgt: In het RPPol is inderdaad bepaald dat de aangewezen dienst -“in casu de cel arbeidsongevallen van de dienst DPM/C”- oordeelt of het aangevoerde letsel een arbeidsongeval of een beroepsziekte is; inzake arbeidsongevallen moet nagegaan worden of voldaan is aan de “wettelijke juridische kwalificatie” -wat evident aan juristen wordt voorbehouden-, maar beroepsziekten zijn niet in dergelijke juridische kwalificatie te vatten en daar gaat het dan ook om een “louter medische overweging”, die alleen door geneesheren kan genomen worden; vanuit dat oogpunt heeft de DPM/C, die enkel juridisch geschoolden omvat, zich in de zaak van verzoeker niet kunnen uitspreken over het al dan niet bestaan van een beroepsziekte; enkel de medisch geschoolde leden van de gerechtelijk geneeskundige dienst kunnen daarover met kennis van zaken een beslissing nemen; dat is in het geval van verzoeker ook gebeurd; de “vergetelheid van de wetgever” zal zo vlug mogelijk rechtgezet worden, maar inmiddels is toch reeds door een nota van 28 januari 2005 aan alle politiezones en alle eenheden van de federale politie een nieuwe werkwijze medegedeeld; 2.2.3.
- Overwegende dat de vertegenwoordigers van de verwerende partij niet betwisten dat de beroepskamer van de gerechtelijk geneeskundige dienst zich in het bestreden besluit uitgesproken heeft over het bestaan van een beroepsziekte in hoofde van verzoeker door met name het causaal verband tussen het letsel en de dienstuitoefening te ontkennen; 2.2.3.
- Overwegende dat artikel X.III.9 RPPol uitdrukkelijk bepaalt dat de aangewezen dienst -krachtens het ministerieel besluit van 28 december 2001: de directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer van de federale politie- “bepaalt (...) of het gaat om (...) een beroepsziekte”; dat de gerechtelijk geneeskundige dienst terzake dan ook geen bevoegdheid heeft; IX-5354-6/8 Overwegende dat de interne nota van 28 januari 2005 van de Algemene Directie Personeel van de federale politie -waarin gesteld wordt dat de aanvraag voor een beroepsziekte, voor wat het personeel van de federale politie betreft, moet ingediend worden bij “DPMC/Cel Arbeidsongevallen”, die dan “de aanvraag en het doktersattest (onder gesloten omslag) verstuurt naar de gerechtelijk geneeskundige dienst”- geen wijziging heeft kunnen brengen aan de reglementaire bepalingen vervat in het RPPol; dat voorts, gelet op de duidelijke tekst van artikel X.III.9 RPPol, er geen enkele reden is om artikel X.III.10, § 2, RPPol aldus te lezen dat de gerechtelijk geneeskundige dienst zich naar aanleiding van zijn onderzoek omtrent “de aard van de ziekte” zou mogen uitspreken over het verband tussen de ziekte en het werk en om aan te nemen dat er voor beroepsziekten een parallelle toepassing gemaakt kan worden van de regeling inzake de arbeidsongevallen, waar de dienst uispraak moet doen over “medisch oorzakelijk verband” tussen het letsel en de feiten; 2.2.3.
- Overwegende dat in dit geval de bestreden beslissing een uitspraak bevat over de aanvaarding van het letsel van verzoeker als beroepsziekte; dat het middel kennelijk gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de beroepskamer van 31 maart 2006 van de gerechtelijk geneeskundige dienst waarbij de ziekte van Hubert BROENS niet erkend wordt als beroepsziekte. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-5354-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 april 2007, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5354-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.