← België

Arrest 170053 - Energie - 16/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.053 Rolnummer: A. 170297/IX-5218 Zaak: Arrest 170053 - Energie - 16/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-20 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:36 Fiche Arrest nr 170.053 van 16 april 2007 Economische zaken - Energie Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.053 van 16 april 2007 in de zaak A. 170.297/IX-

  1. In zake : de intercommunale vereniging GASELWEST, (Intercommunale Maatschappij voor Gas- en Elektriciteit van het Westen), die woonplaats kiest bij advocaten X. REMY en S. BOULLART, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 65 bus 2 tegen : de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas (CREG), die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de Intercommunale Vereniging GASELWEST, (Intercommunale Maatschappij voor Gas- en Elektriciteit van het Westen) op 16 februari 2006 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing (B) 051215-CDC-143/25 van 15 december 2005 van de Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas over “de goedkeuring van de voorlopige tarieven” “gedurende de periode 1 januari 2006 - 31 maart 2006”; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van weder- antwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006, die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de verzoekende partij op 25 oktober 2006; IX-5218-1/4 Gezien het verzoek tot voortzetting en de “laatste memorie” van 27 november 2006 van de verzoekende partij; Gelet op de kennisgeving aan de verzoekende partij, op grond van artikel 14quater, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dat de kamer de afstand van geding zal uitspreken, tenzij de verzoekende partij binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord; Gelet op het schrijven van de verzoekende partij van 27 december 2006 waarbij zij vraagt om te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 20 februari 2007, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 26 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. BOULLART, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. WIRTGEN die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat in het auditoraatsverslag de verwerping van het beroep wordt voorgesteld op grond dat de Raad van State niet langer bevoegd is om kennis te nemen van het geschil; dat de hoofdgriffier bij de kennisgeving van het auditoraatsverslag aan de verzoekende partij melding heeft gemaakt van artikel 21, zesde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 14quater, § 1, van voornoemd besluit van de Regent; Overwegende dat de verzoekende partij binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid, die te dezen afliep op vrijdag 24 november 2006, geen verzoek tot voortzetting van de procedure heeft IX-5218-2/4 ingediend; dat zij slechts op 27 november 2006, dit is de drieëndertigste dag na kennisneming van het auditoraatsverslag waarin de onontvankelijkheid van het beroep wordt voorgesteld, een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend heeft; dat het verzoek tot voortzetting niet regelmatig is; Overwegende dat artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State bepaalt dat ten aanzien van de verzoekende partij die niet tijdig een verzoek tot voortzetting van de procedure indient, een vermoeden van afstand van geding geldt; Overwegende dat, zoals de Raad van State onder meer in de arresten nr. 38.199 van 26 november 1991 inzake BAUDET, en nr. 53.685 van 13 juni 1995 inzake LA HAYE heeft uiteengezet, uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 17 oktober 1990, waarbij het huidige artikel 21 van de gecoördineer- de wetten tot stand is gebracht, duidelijk blijkt dat de wetgever “stringente gevolgen” wenste te verbinden aan het niet respecteren van de termijnen en dat onder geen beding een excuus voor het niet of niet tijdig insturen van een verzoek tot voortzetting van de procedure aanvaard zou worden; dat zulks neerkomt op het instellen van een onweerlegbaar vermoeden, dat nog alleen door het bewijs van overmacht of onoverkomelijke dwaling terzijde geschoven kan worden; Overwegende dat de verzoekende partij niet aanvoert dat overmacht of onoverkomelijke dwaling haar belet heeft tijdig een verzoek tot voortzetting van de procedure in te dienen; Overwegende dat de verzoekende partij in haar verzoek om gehoord te worden in het kader van de toepassing van artikel 21, zesde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State aanstipt dat de Kamer van Volks- vertegenwoordigers en de Senaat op 11 mei 2006 respectievelijk 1 juni 2006 een wetsontwerp hebben aangenomen waarin de bevoegdheid van het hof van beroep voor betwistingen inzake de goedkeuring van tarieven voor de toegang tot en gebruik van het distributienet formeel wordt vastgesteld (Parl. St., Kamer, 2005- 2006, nr. 51 - 2320/1), dat de auditeur bij de redactie van zijn verslag van 6 oktober 2006 met dat wetsontwerp geen rekening gehouden heeft en dat, had hij zulks wel gedaan, hij had moeten besluiten dat de Raad van State wel degelijk bevoegd was; IX-5218-3/4 Overwegende dat de verzoekende partij daarmee inhoudelijke kritiek uitbrengt op het auditoraatsverslag; dat het horen van de betrokkene in het kader van de toepassing van artikel 21, zesde lid van de Raad van State-wet er uitsluitend toe strekt tegensprekelijk te kunnen vaststellen dat de termijn voor het indienen van een verzoek tot voortzetting niet nageleefd is, dat de verzoekende partij erkent dat zij laattijdig de voortzetting gevraagd heeft; Overwegende dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt, BESLUIT: Artikel
  3. De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
  4. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-5218-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.053 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.