id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.060 Rolnummer: A. 99055/IX-2661 Zaak: Arrest 170060 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 16/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 19:38 Fiche Arrest nr 170.060 van 16 april 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.060 van 16 april 2007 in de zaak A. 99.055/IX-
- In zake : Steve DELPORTE, wonende te GENT, Zavelput 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, die woonplaats kiest bij de Federale Politie Algemeen Commando DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Steve DELPORTE op 4 januari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : - de beslissing van de examencommissie van het eerste jaar van de Koninklijke Rijkswachtschool waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard, en van - de beslissing van de commandant van de Rijkswacht waarbij hem per 4 december 2000 de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier wordt ontnomen, waarbij hij de hoedanigheid van leerling van de school van de rijkswacht verliest en gemuteerd wordt naar de ARG/1 Esk Inf alls lid R5; Gelet op het arrest nr. 96.117 van 5 juni 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 3 juli 2001 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-2661-1/15 Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Steve DELPORTE is op 29 juni 1998 in dienst getreden bij de rijkswacht. Op 29 juni 1999 is hij benoemd in de graad van wachtmeester. 1.
- Op 27 september 1999 start verzoeker de opleiding van kandidaat-keuronderofficier in de Koninklijke Rijkswachtschool. 1.
- Op het einde van het eerste jaar van de opleiding behaalt verzoeker in de eerste sessie (april - mei) voor drie vakken een onvoldoende. Het betreft de vakken "Gerechtelijke documentatie", "Tactische interventieprincipes" en "Administratie en Logistiek". In een nota van 4 september 2000 aan de directeur-generaal van het personeel schetst de commandant van de kaderschool van de rijkswacht, tevens voorzitter van de deliberatiecommissie, de situatie na afloop van de tweede sessie IX-2661-2/15 (augustus) van hetzelfde jaar : verzoeker heeft deelgenomen aan het examen voor de drie vakken maar hij heeft opnieuw voor de drie vakken niet de helft van de punten behaald; de deliberatiecommissie heeft zich op 29 augustus 2000 over de zaak beraden en heeft, wat verzoeker betreft, besloten dat hij definitief mislukt is voor "Gerechtelijke documentatie", "Tactische interventieprincipes (theorie)" en "Administratie en Logistiek". Als motivering voor de mislukking wordt verwezen naar volgende gegevens : verzoeker heeft enkel voor het vak "Tactische interventieprincipes" in de tweede sessie een beter examenresultaat behaald, hij is voor de twee andere vakken tijdens het afgelopen schooljaar niet ingegaan op het aanbod van de lesgever om bijkomende uitleg te krijgen, hij heeft duidelijk problemen met het verwerken van een bepaalde hoeveelheid theoretische leerstof en hij is zeker gemotiveerd bij operaties maar hij overschat zichzelf op het vlak van de theoretische kennis. Vertrekkend van "de voorstellen van de deliberatiecommissie", formuleert de commandant van de school, als besluit, het voorstel om verzoeker "als definitief mislukt te beschouwen voor zijn opleiding van Kand KOOffr". De commandant van de rijkswacht verklaart zich op 18 september 2000 akkoord met het voorstel wat betreft de resultaten van de examens gedurende de tweede sessie. 1.
- De commandant van de rijkswacht verzoekt -in dezelfde nota van 18 september 2000- de commandant van de kaderschool de nodige voorstellen te redigeren om de niet geslaagden -dus ook verzoeker- "de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier (te ontnemen)". De directeur-middenkader van de kaderschool redigeert het gevraagde voorstel op 25 september
- Er wordt verwezen naar de resultaten die verzoeker in de eerste en de tweede sessie heeft behaald op de drie eerder genoemde vakken, naar artikel 38 van het ministerieel besluit van 9 april 1979 betreffende de organisatie van de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht -naar luid waarvan de kandidaat om te slagen op elk vak de helft van de punten moet behalen- en naar de bevestiging van de behaalde onvoldoendes door de directeur-generaal van het personeel van de rijkswacht. 1.
- Verzoeker neemt kennis van dat voorstel op 27 september
- Ingaande op de in het voorstel vermelde mogelijkheid, vraagt hij de toelating om in IX-2661-3/15 één enkele maal de twee zittijden van de examens over te doen. In geval de beslissing over die vraag negatief zou zijn, dan vraagt hij om toegelaten te worden tot de categorie van de lagere onderofficieren van het beroepspersoneel. Daarbij aansluitend, dient verzoeker op 29 september 2000 een verweerschrift in tegen het voorstel om hem de hoedanigheid van kandidaat- keuronderofficier te ontnemen. Hij brengt daarin kritiek uit op de lage puntenscore die hem is toegekend. 1.
- Vervolgens geeft de eenheidscommandant van verzoeker, directeur-middenkader van de kaderschool, in een document "advies en beschouwingen van E.Comd met betrekking tot de aanvraag van betrokkene" een uiteenzetting over de studieprestaties van verzoeker (punt 2, waarbij de wezenlijke gegevens van de motivering van de beslissing van de deliberatiecommissie worden aangeduid) en brengt hij een ongunstig advies uit over de vraag van verzoeker om nogmaals examen te mogen afleggen (punt 3). Dat advies is als volgt gemotiveerd : "(...) Betrokkene zakte immers zowel in de eerste sessie als in de tweede voor drie examens. Het betroffen telkens geen onbelangrijke tekorten en bovendien waren twee examens van de tweede sessie nog slechter dan tijdens de eerste sessie. Betrokkene is evenmin ingegaan op het aanbod van OWM TAVERNE (zie aanhangsel 2) voor wat betreft het vak Gerechtelijke Documentatie." In hetzelfde document (punt 4) weerlegt de eenheidscommandant ook de kritiek die verzoeker in zijn verweerschrift van 29 september 2000 had geuit. Dat lokt nieuwe kritiek van verzoeker uit -hij stelt opnieuw de vraag om nogmaals de examens te mogen afleggen- en nieuwe verduidelijkingen van de eenheidscommandant, die uiteindelijk bij zijn advies blijft dat er geen reden is om verzoeker opnieuw examen te laten afleggen. De commandant van de kaderschool sluit zich op 13 november 2000 bij het advies van de eenheidscommandant aan. 1.
- Uiteindelijk neemt de commandant van de rijkswacht op 30 november 2000 de tweede bestreden beslissing. Aan verzoeker wordt op datum van 4 december 2000, met toepassing van artikel 39, § 2, 1/, van het koninklijk besluit van 9 april 1979, de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier ontnomen, hij verliest, met toepassing van artikel 40, 3/, van hetzelfde besluit, de hoedanigheid van leerling van een school van de rijkswacht en hij wordt gemuteerd naar de Algemene Reserve. IX-2661-4/15 De beslissing luidt : "
- WM DELPORTE heeft tijdens de eerste examensessie op het einde van zijn eerste jaar Kand KOOffr een mislukking opgelopen voor de volgende vakken : - Gerechtelijke documentatie: 263/600 - Tactische interventieprincipes: 88/200 - Administratie en logistiek: 35/80
- Na de tweede examensessie liep WM DELPORTE opnieuw een mislukking op voor dezelfde vakken : - Gerechtelijke documentatie: 249/600 - Tactische interventieprincipes: 92/200 - Administratie en logistiek: 32/80
- Aangezien het hier gaat om een mislukking tijdens de twee sessies bij de examens op het einde van het eerste jaar, bevestigd door DGP, heeft de Dir Middenkader voorgesteld belanghebbende de hoedanigheid van Kand KOOffr te ontnemen. Tevens kon betrokkene een aanvraag richten aan de CGd om toegelaten te worden één enkele maal beide zittingen van deze examens over te doen of te worden toegelaten tot de categorie van de lager OOffr van het beroepspersoneel.
- Op 27-09-2000 vroeg hij om één maal beide zittingen van deze examens te mogen overdoen, en ingeval van weigering, toegelaten te worden tot de categorie van OOffr. De Dir Middenkader gaf een ongunstig advies wat betreft de toelating om beide sessies van de examens te mogen overdoen. Tengevolge dit ongunstig advies diende betrokkene een verweerschrift in. Na lezing van dit verweerschrift behield de Dir Middenkader zijn ongunstig advies. De Comd Kaderschool verklaarde zich akkoord met het advies van de Dir Middenkader
- Rekening houdend met de verschillende elementen van het dossier en overwegende dat belanghebbende een mislukking heeft opgelopen tijdens de twee sessies bij de examens op het einde van het eerste jaar Kand KOOffr, sluit ik mij aan bij het advies van de Comd Kaderschool en ontneem ik WM DELPORTE, met toepassing van artikel 39, § 2-1/ van het KB in Ref, de hoedanigheid van Kand KOOffr op datum van 04-12-
- Op dezelfde datum zal : a. belanghebbende de hoedanigheid van leerling van een school van de rijkswacht verliezen (Art 40 - 3/ van het KB in Ref); b. belanghebbende mutatie maken naar de ARG/1 Esk Inf als Lid R
- (...)" Verzoeker ontvangt die nota op 11 december
- Op 10 januari 2001 ziet hij zijn schooldossier in en ontvangt hij een kopij van het voorstel van 25 september 2000 en van de beslissing om hem zijn hoedanigheid te ontnemen. 2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel de schending aanvoert van de formele en materiële motiveringsverplichting; dat hij dienaangaande uiteenzet wat volgt : hij verkeerde in de situatie van een student die door de examencommissie gedelibereerd kon worden maar er is in zijn geval alleen "op IX-2661-5/15 cijfermatige basis" een beslissing genomen zonder dat de examencommissie de individuele beoordelingen nog besproken heeft en zonder dat er voor zijn niet-slagen bijzondere motieven voorhanden waren; de motieven met betrekking tot "zijn vraag tot het afleggen van een herexamen" zijn gebrekkig, voor het ontnemen van zijn hoedanigheid van keuronderofficier is zelfs geen enkele motivering opgegeven en zijn verweerschriften zijn niet eenduidig beantwoord; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, met betrekking tot de examenuitslag van verzoeker, uiteenzet wat volgt: de beslissing om iemand niet geslaagd te verklaren valt onder toepassing van de formele motiveringswet maar in de regel volstaat het daarvoor de punten te vermelden; het ministerieel besluit van 9 april 1979 betreffende de organisatie van de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht (artikel 38) geeft duidelijk en ondubbelzinnig aan wanneer een leerling geslaagd is, met name wanneer hij de helft van de punten behaalt voor de persoonlijke kwaliteiten en de helft van de punten voor elk vak of elke groep van vakken; verzoeker voldoet niet aan de tweede voorwaarde want hij heeft op drie vakken minder dan de helft van de punten behaald; de toegekende cijfers worden, tenzij een begin van bewijs in de andere zin wordt voorgelegd, geacht correct te zijn en in dit geval betwist verzoeker wel de punten maar laat hij na elementen aan te brengen die doen twijfelen aan de juistheid van de hem toegekende punten; Overwegende dat de verwerende partij, met betrekking tot het ontnemen aan verzoeker van de hoedanigheid van keuronderofficier en de weigering om hem toe te laten zijn examens nog eens over te doen, uiteenzet wat volgt : in zijn nota van 30 november 2000, waarin die beslissingen vervat liggen, sluit de commandant van de rijkswacht zich aan bij het ongunstig advies van de directeur-middenkader van de kaderschool en hij voegt daaraan toe dat verzoeker "een mislukking heeft opgelopen tijdens de twee sessies"; de eenheidscommandant heeft zijn negatief advies gemotiveerd met een verwijzing naar het niet-slagen van verzoeker voor drie examens in de eerste en in de tweede sessie met dien verstande dat het om belangrijke tekorten gaat en dat voor twee vakken zijn uitslag in de tweede sessie nog slechter was dan in de eerste sessie; al die motieven zijn aan verzoeker ter kennis gebracht en op die manier heeft hij een duidelijk inzicht kunnen verwerven in de redenen waarom hij geen herexamen mag afleggen en waarom hij de hoedanigheid van keuronderofficier verliest; IX-2661-6/15 Overwegende dat de verwerende partij tenslotte betoogt dat geen schending van het motiveringsbeginsel ontwaard kan worden in de wijze waarop geantwoord is op zijn verweerschriften; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert, enerzijds dat hij in verscheidene verweerschriften de juistheid van zijn tekorten betwist heeft, dat er wel degelijk elementen aanwezig waren die kunnen doen twijfelen aan de juistheid van de toegekende punten en dat daarom die punten als zodanig zijn uitslag niet kunnen verantwoorden en anderzijds dat de adviezen van de directeur-middenkader en van de commandant van de kaderschool geen geldige motivering vormen, aangezien die stukken hem niet met de beslissing ter kennis gebracht werden, terwijl ook het advies van de examencommissie, dat zou dagtekenen van 29 augustus 2000 en dat de commandant van de rijkswacht in aanmerking genomen zou hebben, hem niet bekend is; 2.4.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 96.117 van 5 juli 2001 het middel om de volgende redenen niet ernstig bevonden heeft : “4.
- Overwegende dat niet betwist wordt dat verzoeker niet geslaagd is verklaard omdat hij niet de helft van de punten behaalde op drie vakken die als kennisvakken kunnen worden aangemerkt; dat aangenomen wordt dat in beginsel, voor dergelijke vakken, de punten de motivering vormen voor de behaalde uitslag; dat verzoeker voor het vak ‘Gerechtelijke documentatie’ 249 op 600 punten heeft behaald, voor het vak ‘Taktische interventieprincipes (theorie)’ 92 op 200 punten en voor het vak ‘Administratie en Logistiek’ 32 op 80 punten; dat verzoeker in zijn verweerschriften bij zijn oversten wel kritiek heeft uitgebracht op de door hem behaalde punten, inzonderheid wat het vak ‘Gerechtelijke documentatie’ betreft, maar dat die kritiek niet van aard is om, naar redelijkheid, de Raad van State te doen twijfelen aan de ernst waarmee de punten zijn toegekend; dat krachtens artikel 38 van het ministerieel besluit van 9 april 1979 betreffende de organisatie van de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht, een kandidaat slechts in een opleidingsjaar kan slagen indien hij ‘op elk vak’ de helft van de punten behaalt; dat dienvolgens vastgesteld wordt dat het niet-slagen van verzoeker voor zijn examens over het eerste jaar, een afdoende grondslag vindt, zowel materieel als formeel, in de punten voor de drie vermelde vakken; dat, in weerwil van wat verzoeker stelt, uit de sub 1.
- vermelde nota van de commandant van de kaderschool blijkt dat de examencommissie wel degelijk over zijn geval beraadslaagd heeft en dat zij toen redenen heeft aangevoerd die de commandant van de school tot het inzicht konden brengen dat het definitief mislukken in drie vakken van het eerste jaar opleiding moest resulteren in het definitief mislukken van die opleiding; 4.
- Overwegende, wat betreft de beslissing om verzoeker de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier te ontnemen en de daarin besloten beslissing om verzoeker niet toe te laten de examens nog eens over te doen, dat het besluit van 30 november 2000 de sub 1.
- geciteerde motieven bevat; dat uit die uiteenzetting duidelijk blijkt dat verzoeker zijn opleiding niet kan voortzetten IX-2661-7/15 omdat hij gezakt is in de examens over drie vakken en omdat de adviezen die hem vanuit de kaderschool zijn bezorgd met betrekking tot het overdoen van de examens ongunstig zijn; dat die motivering nog duidelijker wordt wanneer het samengelezen wordt met het advies van de eenheidscommandant -waaruit sub 1.
- geciteerd is en dat de commandant van de kaderschool tot het zijne heeft gemaakt-, waarin de vraag van verzoeker om de examens in één keer te mogen overdoen ook benaderd is (punt 2.1.
- van het advies) vanuit de voorstellen die de deliberatiecommissie aan verzoekers prestaties in twee examensessies heeft verbonden; dat de commandant van de rijkswacht daarin een deugdelijke reden kon vinden voor het afbreken van verzoekers opleiding, hetgeen dan, overeenkomstig artikel 39, § 2, 1/ juncto artikel 32 van het koninklijk besluit van 9 april 1979, automatisch moest leiden tot het ontnemen van de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier; 4.
- Overwegende dat verzoeker van al die gegevens kennis heeft gekregen; dat zij hem in staat stelden zich terdege een beeld te vormen van de redenen waarom er een einde werd gesteld aan zijn opleiding in de kaderschool; dat dienvolgens het besluit van 30 november 2000 ook vanuit formeel oogpunt afdoende gemotiveerd is; 4.
- Overwegende dat de vaststelling dat de bestreden beslissingen op deugdelijke motieven berusten de vraag of de verwerende partij in de loop van de administratieve procedure altijd een deugdelijk antwoord heeft gegeven op de argumentatie uit de verweerschriften van verzoeker irrelevant maakt;” 2.4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn repliek geen concrete bijkomende gegevens onder de aandacht brengt die alsnog twijfel doen ontstaan over de juistheid van de punten die hij behaalde voor de drie vakken die zijn mislukking onderbouwen; dat zoals in het arrest nr. 96.117 vastgesteld is, de argumentatie die verzoeker in zijn verweerschriften bij het bestuur ontwikkeld heeft, niet volstaat om de juistheid van zijn punten in vraag te stellen; dat hij inderdaad niet verder komt dan uit de verwijzing naar een verkeerde opgave van zijn punten voor het vak gerechtelijke documentatie bij de eerste sessie -die overigens een materiële vergissing blijkt te zijn-, naar het feit dat zijn opleider niet aanwezig was bij de herkansing en dat die opleider hem medegedeeld had dat zijn “geschreven antwoorden voldoende waren maar niet volgens de modeloplossing” en dat hij “op bepaalde vragen het maximum van de punten behaalde”, afleiden dat “hij veel te laag gequoteerd (werd)”; dat aldus, om de redenen vermeld in dat arrest, de beslissing om verzoeker definitief mislukt te verklaren voldoet aan de vereisten van de materiële en de formele motiveringsverplichting; Overwegende, wat de weigering betreft om verzoeker toe te laten in één enkele keer de examens over te doen -beslissing die besloten ligt in de beslissing om hem de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier te ontnemen-, dat uit het besluit van 30 november 2000 duidelijk blijkt dat de commandant van de rijkswacht zich aansluit bij het voorstel van de directeur-middenkader van de IX-2661-8/15 kaderschool en eenheidscommandant van verzoeker, geformuleerd op 25 september 2000; dat verzoeker van dit voorstel kennis gekregen heeft evenals van de uitvoerige commentaar van zijn eenheidscommandant op zijn verweer, waarbij deze met verwijzing naar de examenuitslag van verzoeker en naar de beslissing van de deliberatiecommissie in de twee sessies bij zijn advies bleef dat verzoeker gedurende twee examensessies belangrijke tekorten had voor drie vakken, dat zijn resultaten in de tweede sessie niet verbeterd waren en dat verzoeker voor het vak Gerechtelijke documentatie ook niet was ingegaan op het voorstel van 11 april 2000 van opleider Taverne om hem te begeleiden; dat, aangezien de eenheidscommandant in zijn advies de essentiële gegevens waarop de deliberatiecommissie en de commandant van de rijkswacht zich hebben gesteund om verzoeker mislukt te verklaren, heeft overgenomen en verzoeker dat advies heeft kunnen inzien en betwisten, de vaststelling dat het voorstel van de deliberatiecommissie en de beslissing van de commandant van de rijkswacht hem als zodanig niet formeel ter kennis gebracht zijn, verzoeker geenszins belet heeft zich tegen de bestreden beslissingen te verweren; dat, met die gegevens voor ogen, verzoeker bij de kennisneming van het bestreden besluit van 30 november 2000 zeer precies kon uitmaken waarom het overdoen van de examens in één enkele sessie hem werd geweigerd; dat die beslissing vanuit formeel oogpunt terdege gemotiveerd is; dat verzoeker voorts geen enkel gegeven overlegt dat de Raad van State belet om de in het arrest nr. 96.117 gemaakte conclusie dat de weigeringsbeslissing een deugdelijke grondslag heeft, bij te vallen; 2.4.
- Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoeker in het tweede middel de schending aanvoert van zijn rechten van verdediging doordat hij, ondanks meerdere vragen in die zin, zijn persoonlijk dossier nooit heeft kunnen inzien en hij ook door de verwerende partij niet gehoord is geworden ten aanzien van de kwetsende maatregelen die hem zijn opgelegd; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in essentie uiteenzet dat verzoeker op 10 januari 2001 zijn ganse dossier ingezien heeft, dat er in dit geval geen verplichting bestond om verzoeker te horen en dat hij, naar blijkt uit de door hem ingediende verweerschriften, duidelijk de mogelijkheid heeft gehad om zijn verweer te laten gelden; IX-2661-9/15 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord erkent dat hij op 10 januari 2001 zijn persoonlijk dossier heeft kunnen inzien, maar dat daar geen rekening mee gehouden mag worden omdat de bestreden beslissing toen reeds genomen was en die inzage de schending van zijn rechten van verdediging tijdens de besluitvorming niet kan goedmaken; dat hij er opnieuw op wijst dat de nota van 4 september 2000 van de commandant van de kaderschool en de beslissing van 18 september 2000 van de commandant van de rijkswacht hem nooit ter kennis gebracht zijn; 3.4.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 96.117 het middel om volgende redenen niet ernstig bevonden heeft : “5.3.
- Overwegende dat verzoeker zich verzet tegen een beslissing waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard voor het eerste jaar van de opleiding van keuronderofficier en tegen een beslissing waarbij vastgesteld wordt dat hij (...) definitief mislukt wordt beschouwd voor zijn opleiding, hetgeen het verlies van de hoedanigheid van kandidaat-keuronderofficier en van de hoedanigheid van lid van de kaderschool van de rijkswacht met zich brengt; dat verzoeker niet aantoont welke reglementaire bepaling hem te dien aanzien een echt recht op tegenspraak garandeert; dat het recht van verdediging, als beginsel van behoorlijk bestuur, in administratieve aangelegenheden alleen in tuchtzaken toepassing vindt, wat hier niet het geval is; 5.3.
- Overwegende dat een bestuurde, met betrekking tot beslissingen die zijn toestand in ongunstige zin wijzigen en die gestoeld zijn op de gedraging van de betrokkene, wel gehoord moet worden, wat betekent dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn visie op de aangelegenheid ter kennis van het bestuur te brengen, hetgeen dan het bestuur moet toelaten met kennis van alle aspecten van de zaak tot een besluit te komen; dat een beslissing over een examen -te dezen het besluit van de commandant van 18 september 2000- niet tot die categorie behoort; dat, wat de andere bestreden beslissingen betreft die niet rechtstreeks voortvloeien uit de vaststelling van het studieresultaat van verzoeker, het dossier van de zaak aantoont dat verzoeker verschillende verweerschriften heeft ingediend waaruit blijkt dat hij zicht had op zijn situatie; dat op dat vlak het middel feitelijke grondslag mist;” 3.4.
- Overwegende dat de Raad van State die redengeving bijvalt; dat bijkomend, waar verzoeker nog stelt dat zijn verdediging in het gedrang is gebracht door de omstandigheid dat noch de nota van de commandant van de kaderschool van 4 september 2000 -waarin een uiteenzetting wordt gegeven van de beslissing van de deliberatiecommissie en van de motieven die daaraan ten grondslag liggen- noch de nota van 18 september 2000 van de commandant van de rijkswacht -waarbij deze zich akkoord verklaart met de beslissing van de deliberatiecommissie- hem te kennis gebracht zijn, herhaald kan worden dat de eenheidscommandant van verzoeker, toen hij de hogere overheid adviseerde ten aanzien van het bezwaar dat verzoeker tegen zijn examenuitslag had ingediend, duidelijk uiteengezet heeft waarom de IX-2661-10/15 deliberatiecommissie hem niet-geslaagd verklaard heeft terwijl hij reeds bij de betekening van het voorstel om hem de hoedanigheid te ontnemen medegedeeld was dat de commandant van de rijkswacht de beslissing van de deliberatiecommissie bijgevallen was; dat de eventuele gebreken ten aanzien van de formele kennisgeving van deze stukken niet hebben kunnen beletten dat verzoeker volledig geïnformeerd was over zijn situatie; 3.4.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 4.
- Overwegende dat verzoeker in het derde middel de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aanvoert; dat hij betoogt dat de verwerende partij blijk heeft gegeven van vooringenomenheid jegens hem; dat hij voor het bewijs van die vooringenomenheid verwijst naar volgende vijf elementen : er is bij de weergave van zijn punten in de eerste examensessie een fout geslopen; er is geen rekening gehouden met de inkorting van de opleiding ingevolge Euro 2000; hij heeft nooit zijn dossier mogen inkijken; de verantwoordelijke opleider voor het vak "Gerechtelijke documentatie" was niet aanwezig bij het examen en er zijn op zijn examenkopij geen verbeteringen aangebracht; het blijkt niet dat de examencommissie daadwerkelijk over zijn geval gedelibereerd heeft en hij is in de overtuiging dat een incident uit het verleden een invloed heeft gehad; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt wat volgt : de foute vermelding van de punten waarop verzoeker doelt is een materiële vergissing die werd rechtgezet en die in het bestreden besluit niet meer voorkomt; Euro 2000 heeft niet belet dat de reglementaire bepalingen betreffende het leerplan gerespecteerd zijn, want voor de vakken waarop verzoeker zakte zijn meer lesuren gegeven dan voorgeschreven; het probleem van de inzage van het dossier kan niet betrokken worden op de bestreden beslissingen en heeft een antwoord gekregen bij de bespreking van het tweede middel; de reglementering bepaalt niet dat de verantwoordelijke opleider bij de examens moet aanwezig zijn en de bij het examen aanwezige opleider was grondig voorgelicht door de verantwoordelijke; er is besloten dat verzoeker "definitief mislukt (is)" na "onderzoek van de resultaten en na stemming" en dat bewijst dat de examencommissie -die zelf de eindbeslissing niet neemt- beraadslaagd heeft; dat de commissie zich beperkt heeft tot een onderzoek van de punten is niet verkeerd; verzoeker bewijst niet dat de examencommissie rekening zou gehouden hebben met andere voor verzoeker nadelige gegevens; IX-2661-11/15 4.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord er nog op wijst dat hij geen kennis gekregen heeft van de beslissing van 18 september 2000 van de commandant van de rijkswacht en dat er op de examenkopijen geen verbeteringen werden aangebracht; dat hij dan ook nog herhaalt dat de verkeerde vermelding van zijn punten voor het vak gerechtelijke documentatie ten onrechte als een materiële vergissing wordt afgedaan, dat ten onrechte geen rekening gehouden wordt met de inkorting van de opleiding wegens Euro 2000, dat niet betwist wordt dat de opleider van het vak gerechtelijke documentatie niet aanwezig geweest is op het examen en er geen verbeteringen werden aangebracht op het examen; 4.4.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 96.117 het middel om volgende redenen niet ernstig bevonden heeft : “6.3.
- Overwegende dat verzoeker formeel aan de verwerende partij een partijdige opstelling verwijt; dat zijn argumentatie uiteenvalt in een aantal onwettigheden die eerst elk op zich op hun draagkracht moeten getoetst worden; 6.3.
- Overwegende dat de directeur van de kaderschool in zijn nota van 25 september 2000 inderdaad het door verzoeker behaalde puntenaantal voor het vak ‘Gerechtelijke documentatie’ verkeerd heeft vermeld; dat verzoeker evenwel niet aantoont dat die evident materiële vergissing op enig ogenblik op de besluitvorming zou hebben gewogen; dat de verwerende partij toegeeft dat het programma van de opleiding inderdaad aangepast is ingevolge Euro 2000 maar dat zij, zonder dat verzoeker het tegendeel aantoont, er ook op wijst dat die aanpassingen volledig binnen de grenzen van het ministerieel besluit van 9 april 1979 blijven en meer nog, dat voor de vakken waarop verzoeker gezakt is, de gegeven lesuren de norm overschrijden; dat wat betreft het argument geput uit de gebrekkige inzage van het dossier verwezen wordt naar de bespreking van het tweede middel; dat verzoeker geen reglementaire tekst aanwijst op grond waarvan de ‘verantwoordelijke opleider’ de herexamens zou moeten bijwonen en dat het ontbreken van verbeteringen op zijn kopij geenszins aantoont dat de gegeven punten niet overeenstemmen met de gemaakte beoordeling; dat tenslotte, wat de deliberatie van de examencommissie betreft, verwezen kan worden naar de nota van 4 september 2000 van de commandant van de kaderschool, ondertekend in zijn hoedanigheid van voorzitter van de deliberatiecommissie die, inzonderheid onder punt 5 en 6, alle gegevens bevat om als het proces-verbaal van de deliberatie te worden aangemerkt; dat daaruit blijkt dat de resultaten van verzoeker het voorwerp uitgemaakt hebben van een bespreking en een stemming en dat er redengeving aan verbonden is; dat, waar verzoeker insinueert dat de beoordeling van de deliberatiecommissie mede bepaald is door een incident bij het uitvoeren van een opdracht gedurende de carnavalstoet te Aalst, opgemerkt wordt dat het aan verzoeker toekomt om terzake gegevens voor te leggen die een vermoeden in die richting rechtvaardigen, maar dat hij op dat vlak in gebreke blijft; dat aldus geen van de door verzoeker aangevoerde gegevens de onwettigheid van het besluit aantoont; dat die gegevens, gezamenlijk genomen, op geen enkele wijze het vermoeden wettigen dat de IX-2661-12/15 organen van de verwerende partij van enige vooringenomenheid blijk hebben gegeven;” 4.4.
- Overwegende dat de Raad van State thans, voor wat de grond van de zaak betreft, die redenering overneemt; dat ook de twee bijkomende gegevens waarnaar verzoeker nog verwijst -het niet formeel ter kennis brengen van het besluit van de commandant van de rijkswacht om hem mislukt te verklaren en het feit dat zijn examenkopij geen verbetering bevatte-, zelfs gelezen in samenhang met alle andere ingeroepene, het vermoeden niet doen ontstaan dat er enige vooringenomenheid tegen verzoeker bestond; 4.4.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is; 5.
- Overwegende dat verzoeker in het vierde middel de schending aanvoert van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel, doordat de verwerende partij zich geen volledig beeld van de situatie van verzoeker heeft gevormd en doordat bij de eindbeoordeling -inzonderheid door hem reglementair voorziene herexamens te weigeren- geen rekening gehouden is met zijn zeer positieve evaluatieverslagen en met de positieve resultaten die verzoeker reeds voor het tweede jaar van de opleiding heeft behaald; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat verzoeker hier zijn kritiek uit het eerste en het derde middel herneemt; dat zij ook stelt dat verzoeker de vereiste persoonlijke kwaliteiten bezat om te slagen, maar uit de nota van 4 september 2000 blijkt dat de deliberatiecommissie de prestaties van verzoeker op de examens onderzocht heeft en dat zij daarna gestemd heeft zonder in haar beraadslaging nog de persoonlijke kwaliteiten van verzoeker te betrekken; dat zij betoogt dat de gunstige evaluaties waarop verzoeker doelt niets afdoen aan zijn ondermaatse prestatie op drie theoretische vakken en dat de goede resultaten in het tweede jaar niet terzake zijn omdat verzoeker eerst moet slagen in het eerste jaar van de opleiding; dat zij besluit dat het toelaten tot een herexamen een mogelijkheid is en geen verplichting, terwijl verzoeker reeds een herexamen had afgelegd zonder dat zijn resultaten verbeterd waren; 5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat de deliberatiecommissie zich beperkt heeft tot een onderzoek van zijn punten op de examens die hij afgelegd heeft maar dat er niet echt over zijn resultaten IX-2661-13/15 gedelibereerd is, in die zin dat nagegaan is of hij, ondanks zijn tekorten, toch niet geslaagd verklaard kon worden en dat hij zeer positieve evaluatieverslagen kan overleggen; 5.4.
- Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 96.117 het middel om volgende redenen niet ernstig bevonden heeft : “7.
- Overwegende dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de deliberatiecommissie bij het formuleren van haar -op deugdelijke gronden berustend- besluit dat verzoeker definitief mislukt moet beschouwd worden voor drie vakken van de theoretische opleiding een onredelijk standpunt zou ingenomen hebben; dat de deliberatiecommissie ook een correcte motivering heeft opgegeven voor haar voorstel aan de commandant van de kaderschool om verzoeker als definitief mislukt te beschouwen in zijn opleiding en dat daarin de reden ligt waarom verzoeker niet tot een herexamen -inderdaad een mogelijkheid voor het bestuur- kon toegelaten worden; dat met die motieven voor ogen de bestreden beslissing om verzoeker de hoedanigheid van keuronderofficier en van leerling van de kaderschool te ontnemen evenmin als onredelijk kunnen bestempeld worden;” 5.4.
- Overwegende dat de Raad van State die redengeving bijvalt; dat het niet kennelijk onredelijk is een kandidaat, waarvan de deliberatiecommissie vaststelt dat hij in de tweede sessie voor geen enkel vak zijn score heeft kunnen verbeteren omdat hij problemen heeft met het verwerken van een bepaalde hoeveelheid theoretische kennis, definitief mislukt te verklaren en hem de mogelijkheid te ontzeggen om nog te herkansen; dat de deliberatiecommissie de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid ook niet te buiten gegaan is door de tekortkomingen van verzoeker ten aanzien van zijn prestaties in de examens te laten primeren op zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn motivatie; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. IX-2661-14/15 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-2661-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.060 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.96.117 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.