id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.061 Rolnummer: Zaak: Arrest 170061 - Dierenwelzijn - 16/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-26 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-29 21:27 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 170.061 van 16 april 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : heropening debatten Samenvoeging Verwerping overige Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.061 van 16 april 2007 in de zaak A. I. 119.310/IX-4870 II. 119.604/IX-3366. In zake : I. de VZW DE NATIONALE RAAD VAN DIERENKWEKERS EN LIEFHEBBERS, die woonplaats kiest bij advocaat R. PORTOCARERO, kantoor houdende te ANTWERPEN, Lange Van Ruusbroecstraat 71 II. de VZW ANDIBEL, die woonplaats kiest bij advocaat P. CALUS, kantoor houdende te OOSTKAMP, Sint-Elooisstraat 46 tegen : I. en II. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te BRUSSEL, Tasson-Snelstraat 38. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW NATIONALE RAAD VAN DIERENKWEKERS EN LIEFHEBBERS op 8 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 7 december 2001 tot vaststelling van de lijst van dieren die gehouden mogen worden (zaak A.119.310/IX-4870); Gezien het verzoekschrift dat de VZW ANDIBEL op 12 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van hetzelfde koninklijk besluit (zaak A.119.604/IX-3366); Gelet op het arrest nr. 110.246 van 16 september 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in de zaak A.119.604/IX-3366 wordt verworpen; IX-4870-1/27 Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 18 oktober 2002 door de VZW ANDIBEL; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de verslagen opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 28 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 119.310/IX-4870; Gelet op de beschikking van 3 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast in de zaak A. 119.604/IX-3366; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 28 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. PORTOCARERO, die verschijnt voor de VZW De NATIONALE RAAD VAN DIERENKWEKERS EN LIEFHEBBERS, van advocaat P. CALUS, die verschijnt voor de VZW ANDIBEL, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : IX-4870-2/27 1.1. Artikel 3bis van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren (hierna: de dierenwelzijnswet), ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 4 mei 1995, luidt als volgt : "§ 1. Het is verboden dieren te houden die niet behoren tot de soorten of categorieën vermeld op een door de Koning vastgestelde lijst. Deze lijst doet geen afbreuk aan de wetgeving betreffende de bescherming van bedreigde diersoorten. § 2. In afwijking van § 1 mogen dieren van andere soorten of categorieën dan die aangewezen door de Koning worden gehouden : 1/ in dierentuinen; 2/ door laboratoria; 3/
- a)door particulieren, op voorwaarde dat zij bewijzen kunnen voorleggen dat de dieren werden gehouden voor de inwerkingtreding van het in dit artikel bedoelde besluit. Dit bewijs moet niet worden voorgelegd voor de nakomelingen van deze dieren, op voorwaarde dat ze zich bij de eerste eigenaar bevinden;
- b)door particulieren erkend door de minister tot wiens bevoegdheid de landbouw behoort, op advies van het in artikel 5, § 2, tweede lid, bedoelde comité van deskundigen. De Koning bepaalt de procedure voor de toepassing van het bepaalde in
- a)en b). Hij kan bovendien bijzondere voorwaarden vaststellen voor het houden en het identificeren van de bedoelde dieren; 4/ door dierenartsen, voor zover het dieren van derden betreft die tijdelijk gehouden worden voor diergeneeskundige verzorging; 5/ door dierenasielen, voor zover het een tijdelijk verblijf betreft van dieren die in beslag zijn genomen, waarvan afstand werd gedaan of die aangetroffen werden zonder dat vastgesteld kon worden wie de houder ervan is; 6/ door handelszaken voor dieren, voor zover zij de dieren gedurende korte tijd houden en voor zover vooraf een schriftelijke overeenkomst met natuurlijke personen of rechtspersonen bedoeld in de punten 1/, 2/, 3/
- b)en 7/, werd gesloten; 7/ in circussen of in rondreizende tentoonstellingen. § 3. Onverminderd de afwijkingen voorzien in § 2, kan de Koning het houden van door hem aangewezen dieren van andere soorten of categorieën verbieden aan sommige van de in § 2 opgesomde natuurlijke personen of rechtspersonen". 1.2. Met het bestreden koninklijk besluit van 7 december 2001 is, wat de zoogdieren betreft, het vermelde artikel 3bis in werking gesteld op 1 juni 2002 (artikel 1), is de lijst vastgesteld van de zoogdieren die mogen gehouden worden (artikel 2) en zijn de uitvoeringsbepalingen voorzien bij artikel 3bis, § 2, 3/, tweede lid, vastgesteld (artikel 3 tot 5). Het koninklijk besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 14 februari 2002. Het treedt in werking op 1 juni 2002. 1.3. Het bestreden koninklijk besluit is gewijzigd met een koninklijk besluit van 22 augustus 2002, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 september 2002. Enerzijds wordt voor de aanvraag tot erkenning als particulier IX-4870-3/27 die zoogdieren wenst te houden welke niet op de lijst vermeld zijn, een heffing ingevoerd (artikel 1); anderzijds wordt de lijst van zoogdieren die gehouden mogen worden, uitgebreid (artikel 2); De samenvoeging. 2. Overwegende dat de beide beroepen gericht zijn tegen hetzelfde reglementair besluit; dat zij een zelfde middel aanvoeren; dat er reden is om de zaken te voegen; De ontvankelijkheid van het beroep A. 119.310/IX-4870. 3.1. Overwegende, wat het belang betreft, dat verzoekster in het verzoekschrift erop wijst dat zij een vereniging is die dierenkwekers en dierenlief- hebbers groepeert, dat haar maatschappelijk doel erin bestaat de gemeenschappelijke belangen van de dierenliefhebbers te behartigen en te verdedigen en het legaal kweken van dieren te ondersteunen met het oog op de instandhouding van diersoorten; dat zij betoogt dat dierenkwekers en dierenliefhebbers belang hebben bij een lijst van dieren die mogen gehouden worden “die in overeenstemming is met het Europees Gemeenschapsrecht”; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij betoogt dat verzoekster het wettelijk vereiste belang niet bezit, aangezien zij niet aantoont dat zij zelf een concreet voordeel uit de vernietiging van het bestreden besluit kan halen, terwijl haar bekommernis om het Europees recht nageleefd te zien een actio popularis is; dat zij ook nog stelt dat de omstandigheid dat het maatschappelijk doel van verzoekster zeer ruim omschreven is, niet volstaat om het belang bij het beroep tegen het bestreden besluit te rechtvaardigen; 3.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord repliceert dat zij het beroep ingediend heeft ter verwezenlijking van het doel waarvoor zij opgericht is, aangezien zij dierenkwekers en dierenliefhebbers groepeert, hun gemeenschappelijke belangen verdedigt en het legaal kweken van dieren promoot en ondersteunt met het oog op het instandhouden van alle dier- soorten; dat zij voorts betoogt dat de positieve lijst die het bestreden besluit invoert, de mogelijkheid om zoogdieren te kweken beperkt tot 42 soorten, dat het handhaven van deze lijst tot gevolg zal hebben dat minder liefhebbers dieren zullen kweken, dat het aantal verenigingen van dierenliefhebbers daardoor zal verminderen en dat zij IX-4870-4/27 dan als overkoepelend orgaan geen reden van bestaan meer zal hebben; dat zij ook nog herhaalt dat de dierenkwekers en dierenliefhebbers er belang bij hebben dat de lijst van zoogdieren die mogen gehouden worden conform is met het Europees Gemeenschapsrecht, aangezien zulks voorkomt dat haar leden, die legaal dieren willen kweken, geconfronteerd zullen worden met “talloze handelsbelemmeringen en/of strafprocedures die uiteindelijk tot prejudiciële vraagstellingen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen zouden leiden”; 3.4.1. Overwegende dat, blijkens haar statuten, verzoekster enerzijds de collectieve belangen van haar leden behartigt en verdedigt en anderzijds het legaal kweken van dieren promoot en ondersteuning verleent met het oog op “het instandhouden van alle diersoorten”; dat blijkens artikel 6
- a)van de statuten, haar leden “dierenliefhebbersverenigingen” zijn; dat niet ontkend kan worden dat de redactie van een positieve lijst van dieren die mogen gehouden worden, een invloed kan hebben op de wijze waarop dierenkwekers en dierenliefhebbers hun beroep of liefhebberij voortaan zullen moeten uitoefenen; dat, zo gewis de ruime omschrijving van het maatschappelijk doel van de vereniging, op zich niet volstaat om het belang bij de vernietiging van een bestuurlijke beslissing te aanvaarden en de bekommernis om geen onwettige besluiten uitwerking te laten krijgen als actio popularis evenmin een wettig belang vormt, in het onderhavig geval toch vastgesteld kan worden dat verzoekster, als overkoepelend orgaan van verenigingen van dierenliefhebbers, de vernietiging nastreeft van een reglementair besluit dat, in tegenstelling tot de bestaande situatie waarin dieren in beginsel vrij gehouden kon worden, het houden van zoogdieren laat afhangen van de inschrijving van de soort op een positieve lijst; dat het besluit waarbij die lijst wordt vastgesteld onmiskenbaar het houden van dieren beperkt en aldus voor bepaalde groepen van houders van zoogdieren binnen haar ledenbestand nadelige gevolgen kan hebben; dat verzoekster, binnen haar statutair doel en zonder daarmee een actio popularis te voeren, voor de belangen van die groepen kan opkomen; dat verzoekster bovendien terecht verwijst naar de mogelijkheid dat, wegens de nieuwe regeling, minder personen geïnteresseerd zullen zijn in het houden van dieren en dat zulks op termijn kan leiden tot een vermindering van haar ledenbestand, hetgeen een directe invloed kan hebben op haar eigen voortbestaan; 3.5. Overwegende dat de exceptie niet gegrond is; IX-4870-5/27 De ontvankelijkheid van het beroep A. 119.604/IX-3366. 4.1. Overwegende dat ook in deze zaak de verwerende partij het belang van verzoekster bij het annulatieberoep betwist; dat verzoekster haar belang ziet in het feit dat zij een representatieve organisatie is die lid is van de raad voor dierenwelzijn en die handelaars in onder meer gezelschapsdieren verenigt, die zich door het uitvaardigen van een positieve lijst van zoogdieren die mogen gehouden worden “ernstig gegriefd weten”; dat de verwerende partij betoogt dat uit het verzoekschrift opgemaakt kan worden dat verzoekster er zich over beklaagt dat het bestreden besluit geen bijzondere regeling inhoudt die dierenhandelaars moet toelaten “om dieren zonder beperking te kunnen verkopen”, dat het beroep aldus eigenlijk gericht is tegen het verbod om dieren te houden, maar dat dit verbod niet door het bestreden besluit ingesteld is maar door artikel 3bis van de dierenwelzijns- wet, dat verzoekster niet bestreden heeft en waarmee zij zich derhalve akkoord verklaard heeft; dat zij in dat verband ook stelt dat verzoekster deelgenomen heeft aan de debatten die bij de totstandkoming van artikel 3bis van de dierenwelzijnswet gevoerd werden en dat zij ook betrokken geweest is bij de vaststelling van de lijst van dieren die gehouden mogen worden; 4.2. Overwegende dat verzoekster daarop repliceert dat zij als vereniging van dierenhandelaars, die begaan zijn met het lot van dieren, inderdaad deelgenomen heeft aan besprekingen maar dat de verwerende partij haar met het bestreden besluit uiteindelijk niet heeft gegeven wat zij verwacht had; dat zij daar aan toevoegt zich gegriefd te weten niet door artikel 3bis van de wet -het verbod om dieren te houden behoudens deze opgenomen op de lijst-, maar door het koninklijk besluit waarbij die lijst effectief wordt vastgesteld en waarmee de belangen van de dierenhandelaars op onaanvaardbare wijze geschonden worden met miskenning van de geldende reglementering; 4.3. Overwegende dat, blijkens haar statuten, het maatschappelijk doel van verzoekster erin bestaat de belangen van haar leden -handelaars in vogels, gezelschapsdieren en toebehoren- te verdedigen; dat het vaststellen van een beperkte lijst van zoogdieren die vrij mogen gehouden worden en de beperkingen die dergelijk systeem bevat ten opzichte van de bestaande regeling, evident de belangen van de leden van verzoekster aangaat; dat het niet bestrijden van de wet waarmee een principieel verbod ingesteld is om dieren te houden met dien verstande dat de uitvoerende macht kan voorzien in uitzonderingen, niet belet dat verzoekster bezwaren kan hebben tegen het besluit waarbij die uitzonderingen worden IX-4870-6/27 vastgesteld; dat verzoekster in die zin een wettig belang heeft om de vernietiging van het bestreden besluit na te streven; dat de omstandigheid dat verzoekster als belangengroepering betrokken werd bij de totstandkoming van de wijzigingen aan de dierenwelzijswet en dat zij ook deelgenomen heeft aan de besprekingen die aan het bestreden koninklijk besluit voorafgingen, niet van aard is om haar dat belang te ontnemen; 4.4. Overwegende dat de exceptie niet gegrond is; De grond van de zaak: het middel gestoeld op de schending van de Europese regelgeving. 5.1.1. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.310/IX-4870 als eerste middel de schending aanvoert van “het Europees Gemeenschapsrecht”, doordat het bestreden koninklijk besluit, samengelezen met de dierenwelzijnswet, “een absoluut invoerverbod in(houdt) van zoogdieren uit een EG-land, die niet op de zogenaamde positieve lijst van het koninklijk besluit opgesomd zijn”, terwijl dit absoluut invoerverbod niet gerechtvaardigd wordt overeenkomstig artikel 30 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: het EG-Verdrag), dat uitzonderingen op het vrij verkeer van goederen toelaat wanneer zij verantwoord worden uit het oogpunt van “de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten” en er ook geen rechtvaardigingsgrond voor gevonden kan worden in artikel 3 (bedoeld wordt: paragraaf 3 van de preambule) van de Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffend handelsverkeer (hierna: de Verordening), op grond waarvan de lidstaten voor de specimens die onder de Verordening vallen striktere beschermings- maatregelen mogen vaststellen, met name op het vlak van het houden van de dieren; dat verzoekster van oordeel is dat, voortgaande op deze Verordening, België “een sterke motivering zal moeten kunnen voorleggen” om te verantwoorden waarom “een dier dat vrij in een andere lidstaat verhandeld mag worden, niet in België geïmporteerd en gehouden mag worden” en dat de toepassing van het bestreden besluit in de talrijke gevallen waar een niet-bedreigde diersoort bij betrokken is, een kwantitatieve, niet gerechtvaardigde invoerbeperking vormt; dat zij, in het licht van de Verordening, het middel nog als volgt toelicht: wanneer een bepaalde aangele- genheid door de Europese regelgeving volledig geharmoniseerd is, kunnen -volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie- de lidstaten zich niet meer op artikel 30 EG- Verdrag beroepen om kwantitatieve beperkingen aan de invoer of maatregelen met IX-4870-7/27 gelijke werking te rechtvaardigen; de EG-Verordening 338/97, die verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, beoogt controle te krijgen op de handel in bedreigde diersoorten en regelt, samen met de erbij aansluitende Verordeningen 938/97 en 939/97, “op uitputtende wijze het houden, vervoer en handel binnen de Gemeenschap van bedreigde diersoorten, het binnen- brengen (ervan) in de Gemeenschap en de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeen- schap”; de mogelijkheid om ten aanzien van de dieren waarop de Verordening betrekking heeft strengere beschermingsmaatregelen te treffen, verleent de lidstaten niet de bevoegdheid “om met een invoerverbod een soort zoogdier dat als niet- bedreigde soort kan worden aangemerkt, verdergaande bescherming te verlenen dan voorzien is door de wetgeving van de lidstaat op het grondgebied waar het dier gekweekt of geïmporteerd is, wanneer deze wetgeving in overeenstemming is met de Verordening 338/97”, hetgeen concreet betekent dat “wanneer iemand in België uit een ander EG-lidstaat een zoogdier koopt dat in bijlage D of niet genoemd wordt in de EG-Verordening 338/97, hem het invoeren en/of houden van dit zoogdier niet verboden kan worden op grond van het feit dat dit dier niet op de zogenaamde positieve lijst van het (bestreden) koninklijk besluit voorkomt”; Overwegende dat verzoekster besluit dat de Raad van State over deze aangelegenheid aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen volgende prejudiciële vraag kan stellen: “Moet artikel 30 EG-Verdrag juncto EG- Verordening 338/97 aldus worden uitgelegd dat een invoer- en verhandelingsverbod niet gerechtvaardigd is ten aanzien van zoogdieren die vanuit een ander EG-land worden geïmporteerd, wanneer deze zoogdieren in een ander EG-land worden gehouden volgens de wetgeving en die wetgeving in overeenstemming is met de bepalingen van de EG-Verordening 338/97”; 5.1.2. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.604/IX-3366 in het derde middel de schending aanvoert van “de artikelen 28 tot 30 enerzijds en de artikelen 94 en 95 anderzijds van het EG-Verdrag”; dat zij betoogt dat, buiten het geval bedoeld in artikel 3bis, § 2, 6/, van de dierenwelzijnswet, het bestreden besluit de Belgische handelaars verhindert om niet op de lijst vermelde zoogdieren te verhandelen en dat Nederlandse, Franse of Duitse onderdanen, die deze dieren in hun land wel mogen houden, ze niet meer kunnen aankopen bij of verkopen aan een Belgische handelszaak; dat ook zij in dat verband verwijst naar de Verordening en op grond daarvan besluit dat met het bestreden reglement “niet te verrechtvaardigen bepalingen toegevoegd (zijn) die de vrije gemeenschapshandel ontoelaatbaar IX-4870-8/27 verhinderen of belemmeren” en een “verkapte beperking van de gemeenschapshan- del tot stand brengt, hetgeen strijdig is met artikel 94 en 95 van het EG-Verdrag”; 5.2.1. Overwegende dat volgens de verwerende partij het middel in de zaak A. 119.310/IX-4870 niet ontvankelijk is in de mate het verwijst naar de Verordening, aangezien de Verordening de internationale overeenkomst van Washington inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (hierna: de CITES-overeenkomst) in de Gemeenschap ten uitvoer legt en zij aldus voorschriften bevat aangaande de internationale handel, terwijl het bestreden besluit een regeling bevat aangaande het houden van dieren in een lidstaat; dat volgens de verwerende partij verzoekster zich ook niet kan beroepen op de miskenning van artikelen 28 en 30 EG-Verdrag, aangezien zij zelf geen dieren importeert of exporteert, noch de belangen van dergelijke personen behartigt zodat de zaak, wat haar betreft, “een puur nationale aangelegenheid” betreft, terwijl verzoekster ook niet aantoont op welke wijze een invoerverbod “haar persoonlijke belangen rechtstreeks en op ernstige manier zou schaden”; Overwegende dat de verwerende partij het middel vervolgens inhoudelijk als volgt beantwoordt : - verzoekster betoogt ten onrechte dat het bestreden besluit een absoluut invoerver- bod instelt; artikel 3bis, § 2, van de dierenwelzijnswet voorziet immers in de mogelijkheid dat erkende particulieren en handelszaken, onder bepaalde voorwaarden, niet op de lijst ingeschreven diersoorten houden; - verzoekster stelt evenzeer ten onrechte dat het bestreden besluit de bepalingen van de Verordening miskent en dat deze schending geen rechtvaardiging vindt in de derde paragraaf van de aanhef van de Verordening of in artikel 30 EG-Verdrag; de bestreden regeling, die betrekking heeft op maatregelen inzake het dierenwelzijn, heeft immers een andere draagwijdte dan de Verordening, die ter uitvoering van de CITES-overeenkomst, de bescherming van bedreigde diersoorten regelt door de handel onder controle te houden; die verschillende draagwijdte is bij de parlementaire voorbereiding van artikel 3bis van de dierenwelzijnswet -verslag commissiebespreking, Parl. St. Senaat, 1993-1994, 972/10- uitdrukkelijk aan de orde gesteld; het regelen van het welzijn van dieren is niet beperkt tot het regelen van het welzijn van bedreigde soorten of tot het regelen van de handel in bedreigde soorten; uit de omstandigheid dat de positieve lijst van dieren die mogen gehouden worden niet overeenstemt met lijsten van dieren waarvan, wegens de bescherming die zij moeten krijgen, de handel onder controle wordt gehouden mag dan ook niet afgeleid worden dat de eerstgenoemde IX-4870-9/27 lijst onregelmatig is; zou de Verordening toch op enige wijze het optreden van de verwerende partij in de hier besproken aangelegenheid beïnvloeden, dan laat zij in ieder geval toe dat er, voor het houden van de dieren waarop zij van toepassing is, strengere beschermingsmaatregelen worden uitgevaardigd dan de Verordening instelt; in tegenstelling tot wat verzoekster stelt, houdt de Verordening ook geen volledige harmonisatie in van de nationale regelingen inzake het dierenwelzijn en het houden van dieren, aangezien strengere regelingen mogelijk blijven en er geen regeling wordt uitgewerkt voor dieren die niet onder de Verordening vallen; een en ander leidt tot de conclusie dat de verwerende partij vrij “het houden van dieren en/of het dierenwelzijn” mag regelen; indien zij bij het uitwerken van die regeling principieel rekening moet houden met 30 EG-Verdrag waarin de uitzonderingen zijn vermeld waaronder beperkingen op het vrij verkeer van goederen toelaatbaar zijn, dan mag niet uit het oog verloren worden dat het bestreden besluit “niets met de handel of meer algemeen gesteld een economische activiteit te maken (heeft)” maar “het houden van bepaalde diersoorten met het oog op hun welzijn” regelt; zou dit toch het geval zijn, dan bestaat er voor het bestreden besluit een verantwoording die past in de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag: kwantitatieve beperkingen worden gedefinieerd als het geheel van regels die de invoer van een product volledig of gedeeltelijk beletten; maatregelen van gelijke werking zijn maatregelen die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren; dergelijke maatregelen kunnen verantwoord worden door ze in te passen in artikel 30 EG-Verdrag of door een beroep te doen op de regel van de “dwingende vereiste” (de “rule of reason”, d.w.z. de bescherming van legitieme belangen) en door aan te tonen dat de maatregel evenredig is aan het beoogde doel; het bestreden besluit belemmert de intracommunautaire handel niet -in ieder geval is die belemmering onzeker en indirect-, aangezien het alleen maar het houden van dieren aan voorwaarden onderwerpt, aangezien het zonder onderscheid toegepast wordt op dieren van binnenlandse en buitenlandse oorsprong en aangezien particulieren alsnog niet op de lijst vermelde diersoorten kunnen blijven houden wanneer ze aantonen goed voor het dier te kunnen zorgen; in ieder geval, voor zover het besluit toch als een maatregel van gelijke werking als een invoerbeperking beschouwd zou worden: -- bestaat er een verantwoording voor in het licht van artikel 30 EG-Verdrag: er bestaat geen geharmoniseerde Europese regeling met betrekking tot het houden van dieren en de maatregel kadert in de bescherming van de gezondheid en het leven van dieren; zulks blijkt duidelijk uit de parlementaire voorbereiding van artikel 3bis van de dierenwelzijnswet, uit de criteria die gehanteerd worden om de diersoorten op de lijst te plaatsen en uit het feit dat particulieren kunnen IX-4870-10/27 erkend worden wanneer zij aantonen dat zij gedocumenteerd zijn over de levensgewoonten en de fysiologische noden van de dieren, -- kadert de bestreden regeling zelfs in de regeling van de “dwingende vereiste”: dierenwelzijn is een dwingende vereiste van volksgezondheid, milieubescherming, enz., en de maatregel is niet discrimatoir van toepassing op binnenlandse en buitenlandse dieren en steunt op kwalitatieve criteria, -- is er een evenredig verband met het nagestreefde doel: er zijn afwijkingen op het verbod mogelijk, de maatregel betreft een progressieve uitvoering van de wet en voorziet in een overgangsperiode, het recht op een gezond leefmilieu kadert in de bescherming van het privé-leven en de belangen die verzoekster behartigt gaan niet boven deze van de collectiviteit of deze van andere burgers; de verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 23 mei 1990 in de zaak C-169/89 is irrelevant want die zaak heeft betrekking op een Europees geharmoniseerde regelgeving, bovendien laat -zoals het Hof van Justitie in de zaak C-510/99 inzake TRIDON aangenomen heeft- de Verordening de lidstaten toe strengere maatregelen te treffen wat a fortiori inhoudt dat de nationale regelgever maatregelen kan nemen met betrekking tot zoogdieren die niet onder de Verordening vallen; Overwegende dat de verwerende partij besluit dat, aangezien het bestreden besluit niet strijdig is met het Europees Gemeenschapsrecht, het “niet gepast” is een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen; 5.2.2. Overwegende dat de verwerende partij het middel in de zaak A. 119.604/IX-3366 op gelijkaardige wijze beantwoordt: de artikelen 28 tot 30 EG- Verdrag stellen een verbod in op kwantitatieve in- en uitvoerbeperkingen en verbieden ook maatregelen van gelijke werking, tenzij de maatregel gerechtvaardigd kan worden overeenkomstig artikel 30 EG-Verdrag of op grond van een “dwingende vereiste”, die beoogt legitieme belangen te beschermen; voor de toepassing van artikel 28 van het verdrag toetst het Hof van Justitie een nationale handelsbelemmerende maatregel aan vier criteria, te weten
- a)hij kan slechts bestaan wanneer er een regeling op het niveau van de Gemeenschap ontbreekt,
- b)de regeling moet gerechtvaardigd kunnen worden door een door het Hof erkende “dwingende vereiste” van algemeen belang, zoals de bescherming van de volksgezondheid of het milieu,
- c)de regeling van die “dwingende vereiste” moet zonder onderscheid worden toegepast op alle inlandse en ingevoerde producten en
- d)de regeling moet evenredig zijn met het beoogde doel; het bestreden besluit voldoet aan deze vier criteria: het houden van dieren met het oog op hun welzijn is op Europees vlak niet IX-4870-11/27 geregeld, de genomen maatregel beoogt de bescherming van de gezondheid en het leven van “personen, dieren of planten” en komt aldus binnen het toepassingsgebied van artikel 30 EG-Verdrag of kan als “dwingende vereiste” worden gerechtvaardigd, het bestreden besluit is zonder discriminatie toepasselijk op “nationale en buitenlandse” dieren en de getroffen maatregel is duidelijk evenredig met het nagestreefde doel; het bestreden besluit belemmert de vrije gemeenschapshandel dan ook niet ontoelaatbaar, zoals overigens de Europese Commissie in haar schrijven van 1 maart 2001 aan de verwerende partij bevestigd heeft; 5.3.1. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.310/IX-4870, in haar memorie van wederantwoord met betrekking tot de ontvankelijkheid van het middel betoogt dat zij de belangen verdedigt van verenigingen en van dierenliefhebbers die niet alleen dieren houden maar ze ook verhandelen zodat de handel in dieren onlosmakelijk verbonden is met het houden ervan en dat de omstandigheid dat het bestreden besluit wat haar betreft een “puur nationale aangelegenheid” zou uitmaken, niet kan beletten dat zij in het objectief contentieux middelen aanvoert die betrekking hebben op de schending van het Gemeenschapsrecht; Overwegende dat die verzoekster ten gronde volgende repliek naar voren brengt: het bestreden besluit vermeldt 42 soorten zoogdieren die als huisdier gehouden mogen worden en om andere dieren te mogen verwerven moeten particulieren door de minister erkend worden; de Verordening bevat een bindende regeling met het oog op de controle van de handel in bedreigde diersoorten, maar zij laat de lidstaten toe met inachtneming van het EG-Verdrag, strengere maatregelen te treffen met betrekking tot het houden van die beschermde diersoorten; het bestreden besluit vormt een dergelijke strengere maatregel, in die zin dat een algemeen verbod om dieren te houden die niet op de lijst vermeld zijn ook een verbod inhoudt om door de Verordening beschermde dieren te houden; in het arrest inzake TRIDON heeft het Hof van Justitie gesteld dat, in de mate dat de Verordening het commerciële gebruik van de dieren niet absoluut verbiedt, maatregelen die strenger zijn dan deze waarin de Verordening voorziet en die een impact hebben op de invoer van goederen in het intracommunautair handelsverkeer -zoals het verbod op commercieel gebruik-, verenigbaar moeten zijn met artikel 30 EG-Verdrag, dat die verenigbaarheid slechts bestaat wanneer de maatregelen noodzakelijk zijn voor een doeltreffende bescherming van de gezondheid en het leven van dieren en dat die verenigbaarheid niet aanwezig is wanneer de beoogde doelstellingen even doeltreffend verzekerd kunnen worden door maatregelen die de IX-4870-12/27 intracommunautaire handel minder beperken; toegepast op de onderhavige zaak leidt het standpunt dat in het arrest TRIDON aangenomen is, tot volgende conclusies: - het beperken van het houden van dieren impliceert een beperking van de handel -het commercieel gebruik- in deze dieren; het betreft een maatregel die onmiskenbaar een belemmerend effect heeft op de intracommunautaire handel in de betreffende diersoorten en aldus gaat het om een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking; dat particulieren een uitzondering kunnen verkrijgen of dat de maatregel zonder onderscheid toegepast wordt voor dieren van binnenlandse of buitenlandse oorsprong, doet aan die vaststelling niets af; - de Verordening laat strengere regels toe voor zover het bestuur in elk afzonderlijk geval bewijst dat deze regels in overeenstemming zijn met het EG-Verdrag (de limitatieve rechtvaardigingsgronden opgesomd in artikel 30 EG-Verdrag of de “dwingende vereiste”), maar het bestreden besluit voldoet niet aan die voorwaarde: de verwijzing naar de gezondheid en het leven van dieren volstaat op zich niet, aangezien ook vereist is dat de maatregel noodzakelijk is voor een doeltreffende bescherming van het in overweging genomen belang; de verwijzing naar de “rule of reason” en het dwingend belang van de volksgezondheid en de milieubescherming volstaat evenmin, aangezien de volksgezondheid een rechtvaardigingsgrond is die uitdrukkelijk vermeld is in artikel 30 van het Verdrag en enkel in die context ingeroepen kan worden, aangezien de verwijzing naar de bescherming van het leefmilieu, dat normaliter wel als een dwingende vereiste kan worden beschouwd, slechts “zeer artificieel” bewezen wordt en de verwerende partij zelf toegeeft dat de bestreden regeling volledig kadert in de doelstellingen van artikel 30 EG-Verdrag zodat het beroep op het criterium van de dwingende vereiste “eigenlijk overbodig” is en aangezien de verwerende partij in ieder geval niet bewijst dat de regeling evenredig is aan het doel dat de dwingende vereiste beoogt, nu het denkbaar is dat met andere, minder belemmerende, maatregelen daarvoor kunnen volstaan; Overwegende dat verzoekster dan, naar analogie met het arrest C-169/89 van 23 mei 1990 inzake GOURMETTERIE VAN DEN BURG, besluit dat de Verordening de lidstaten geen bevoegdheid verleent om met een invoerverbod een zoogdier waarvan de soort niet bedreigd is een verdergaande bescherming te verlenen dan voorzien is door de wetgeving van de lidstaat op wiens grondgebied het dier gekweekt of geïmporteerd is voor zover deze wetgeving in overeenstemming is met dezelfde Verordening; dat volgens haar aldus aan degene die regelmatig een zoogdier in een andere lidstaat aankoopt niet kan verboden worden dat zoogdier in België te houden om reden dat het niet op de lijst van het IX-4870-13/27 bestreden koninklijk besluit vermeld is; dat zij ook nog stelt dat die conclusie ook geldt wanneer de bestreden maatregel niet als een strengere maatregel als bedoeld in de Verordening 338/97 wordt beschouwd, aangezien in die hypothese er nog geen Europees geharmoniseerde regeling bestaat en er enkel moet nagegaan worden of de maatregel verantwoordt wordt ten aanzien van artikel 30 EG-Verdrag; dat zij haar voorstel om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen nu preciseert en uitbreidt in de volgende vragen: - "Moet artikel 30 EG-verdrag juncto EG-verordening 338/97 aldus worden uitgelegd, dat een invoer- en verhandelingverbod niet gerechtvaardigd is ten aanzien van zoogdieren die vanuit een andere EU-lidstaat worden geïmporteerd en vallen onder categorie B, C of D of niet genoemd worden in de EG- vordering 338/97, wanneer deze zoogdieren in de andere EU-lidstaat worden gehouden volgens de wetgeving en die wetgeving in overeenstemming is met de bepalingen van de EG-verordening 338/97?"; - "Verzet verordening 338/97 zich tegen een regelgeving van een lidstaat die elk commercieel gebruik van specimens verbiedt behalve indien deze specimens uitdrukkelijk zijn vermeld in die nationale regelgeving en voorzover zij van toepassing is op uit andere lidstaten ingevoerde specimens wanneer de doelstelling van bescherming van deze soorten zoals bedoeld in artikel 30 EG- verdrag, even doeltreffend kan worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken?"; 5.3.2. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.604/IX-3366 als volgt repliceert: het bestreden besluit stelt voor “anderen dan de limitatief opgesomde erkende houders” een absoluut invoerverbod in voor niet op de lijst vermelde zoogdieren die in andere landen vrij verhandeld mogen worden, maar dergelijke inbreuk op het fundamenteel beginsel van het vrij verkeer van goederen noodzaakt, in het licht van artikel 30 EG-Verdrag -meer bepaald de verwijzing naar de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten- en de voorafgaande overweging 3 van de Verordening, “een sterke motivering”; de Verordening, die verbindend is en rechtstreeks van toepassing is in de Belgische rechtsorde, beoogt door middel van een systeem van vergunningen en certificaten, controle te krijgen op de handel in bedreigde diersoorten; de Europese Commissie heeft, aansluitend bij de rechtspraak van het Hof van Justitie, op 17 juli 2002 een besluit van de Waalse regering waarbij beperkende maatregelen werden ingevoerd voor het houden van vogels, strijdig bevonden met de Europese regelgeving omdat niet aangetoond was dat de gezondheid en het leven van vogels niet evenzeer gewaarborgd konden worden door maatregelen die de intracommunautaire handel minder belemmerden; de Verordening regelt, samen met de daarbij aansluitende Verordeningen nr. 938/97 en 939/97, op uitputtende wijze het houden, het vervoer en de handel van bedreigde dier- en plantensoorten en deze Verordening verleent aan de lidstaten geen IX-4870-14/27 bevoegdheid om bij wege van invoerverbod een verdergaande bescherming in te stellen dan deze welke volgt uit de interne wetgeving van de lidstaat waar het dier geïmporteerd of gekweekt is en die strookt met de bepalingen van de Verordening 338/97; Overwegende dat deze verzoekster er ook nog op wijst dat de Raad van State aan het Hof van Justitie kan vragen of “artikel 30 EG verdrag juncto EG verordering 338/97, aldus worden uitgelegd dat een invoer- en behandelings- verbod niet gerechtvaardigd is ten aanzien van zoogdieren die vanuit een andere EG- staat wordt geïmporteerd, wanneer deze zoogdieren in een andere EG-staat worden gehouden volgens de aldaar toepasselijke wetgeving en die wetgeving in overeenstemming is met de bepalingen van de EG-verordening 338/97”; 5.4.1. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.310/IX-4870 in haar laatste memorie nog uiteenzet dat de Raad van State overeenkomstig artikel 234 van het EG-Verdrag verplicht is aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen, aangezien er onduidelijkheid bestaat over de interpretatie van de relevante Europese regelgeving en een beslissing over het Gemeenschapsrecht noodzakelijk is voor het wijzen van het arrest; dat volgens haar het advies van de Europese Commissie van 1 maart 2000 aan de Belgische regering die prejudiciële vraagstelling niet in de weg staat, onder meer omdat in het advies geen uiteenzetting wordt gegeven over de evenredigheid van de getroffen maatregel in het licht van artikel 30 EG-Verdrag, omdat de ontworpen regeling in Nederland beduidend minder restrictief blijkt te zijn en omdat de voorwaarde van de evenredigheid in dit geval dan ook een centrale plaats in het debat zal innemen; 5.4.2. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119. 604/IX-3366 in haar laatste memorie nog uiteenzet wat volgt: in geen andere lidstaat van de Europese Unie bestaat een analoge lijst van dieren die niet mogen gehouden worden en dus mogen zoogdieren, die hier verboden zijn, in die landen vrij gehouden, verhandeld en gekweekt worden voor zover de geldende Europese Verordeningen zich daartegen niet verzetten; de Verordening laat nationale strengere maatregelen toe voor de controle op de handel in specimens van bedreigde diersoorten maar bekommert zich niet om de niet-bedreigde soorten en laat dus te dien aanzien geen handelsbeperkingen toe die verder gaan dan deze voorzien door de reglementering van de lidstaat waar het dier geïmporteerd of gekweekt is en die overeenstemt met de Verordening; voor het absoluut invoerverbod dat de bestreden maatregel bevat kan geen objectieve motivering worden gegeven, zodat het niet verenigbaar is met IX-4870-15/27 artikel 30 EG-Verdrag en ook geen plaats heeft in de ruimere bescherming die de Verordening toelaat; 5.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie in de zaak A. 119.310/IX-4870 nog betwist dat aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag gesteld moet worden; dat zij betoogt dat de Europese Commissie zich op 1 maart 2000 wel degelijk uitgesproken heeft over de naleving van de evenredigheidsregel, dat uit het arrest Tridon van 23 oktober 2001 blijkt dat de Verordening 338/97 “zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die elk commercieel gebruik van in gevangenschap geboren en gefokte specimens op zijn grondgebied algemeen verbiedt” maar dat zulks altijd afhankelijk is van de voorwaarde dat de doelstelling die de bescherming van de betrokken diersoort wettigt, niet kan worden bereikt door maatregelen die de intracommunautaire handel minder belasten terwijl verzoekster niet aantoont dat de bestreden regeling het Europees recht, vanuit die interpretatie bekeken, zou miskennen; 5.6. Overwegende, wat de ontvankelijkheid van het middel in de zaak A. 119.310/IX-4870 betreft, dat de Verordening 338/97 inderdaad de internationale handel in beschermde dieren regelt, terwijl het bestreden besluit betrekking heeft op het houden van dieren in België; dat die onderscheiden doelstelling niet belet dat, in de mate dat het bestreden besluit ook gevolgen heeft voor het commercieel verkeer tussen de lidstaten van door de Verordening geviseerde dieren, deze Verordening wel degelijk relevant bij de onderhavige zaak betrokken kan worden; dat verzoekster voorts ook terecht opmerkt dat bepalingen inzake het houden van dieren een nauw verband vertonen met de handel in dieren, zodat zij, als belangengroepering van dierenkwekers en dierenliefhebbers, ontvankelijk de schending van de artikelen 28 en 30 EG-Verdrag kan inroepen; dat een vernietiging op grond van de miskenning van het Gemeenschapsrecht de verwerende partij ertoe zal verplichten bij het heroverwegen van het besluit rekening te houden met het vernietigingsarrest, hetgeen voor haar leden voordelig kan zijn; 5.7.1. Overwegende dat verzoekster in de zaak A. 119.604/IX-3366 niet concreet uiteenzet op welke wijze het bestreden besluit de artikelen 94 en 95 van het EG-Verdrag zou miskennen; dat het middel, wat dat betreft, niet ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoeksters in de beide zaken op gelijke wijze betogen dat het bestreden besluit een absoluut invoerverbod teweegbrengt voor dieren die niet op de hier bestreden lijst vermeld zijn en dat voor die IX-4870-16/27 kwantitatieve invoerbeperking geen rechtvaardiging gevonden kan worden in artikel 30 EG-Verdrag of in paragraaf 3 van de preambule van de Verordening 338/97; 5.7.2. Overwegende dat het bestreden besluit tot gevolg heeft dat, behoudens de beperkte gevallen opgesomd in artikel 3bis, § 2, van de dierenwelzijnswet, geen enkel zoogdier dat niet behoort tot de soorten die vermeld zijn op de vastgestelde lijst, in België gehouden mag worden; dat dergelijk reglementair besluit onmiskenbaar een invloed heeft op de handel tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap; Overwegende dat de verwerende partij in de eerste plaats van oordeel is dat het besluit, omdat het kadert in de regeling van het welzijn der dieren, niet valt onder de bepalingen die het vrij verkeer van goederen binnen de Europese Gemeenschap regelen; dat zij voorts het standpunt inneemt dat het bestreden besluit in ieder geval de desbetreffende bepalingen uit het EG-Verdrag niet miskent, aangezien er een verantwoording voor bestaat die ingepast kan worden in artikel 30 EG-Verdrag en aangezien de Verordening 338/97, voor wat de handel in beschermde diersoorten betreft, de lidstaten toelaat strengere maatregelen te treffen en met name het houden van deze diersoorten te regelen; Overwegende dat het Hof van Justitie krachtens artikel 234 van het EG-Verdrag bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak doet over de uitlegging van het Verdrag; dat de Raad van State in het kader van dit middel uitspraak moet doen over de toepasselijkheid van de Europese regelgeving inzake het vrij verkeer van goederen op een reglementair besluit dat uitvoering geeft aan de dierenwelzijnswet, door met name uit te maken of de verwerende partij, in het licht van de artikelen 28 en 30 van het EG-Verdrag en, voor zover de redactie van een positieve lijst een invloed heeft op de intracommunautaire handel van bedreigde diersoorten ook in het licht van de Verordening nr. 338/97, de bevoegdheid heeft om ter uitvoering van de dierenwelzijnswet, een beperkte lijst op te stellen van zoogdieren die mogen gehouden worden; dat de Raad van State te dien einde aan het Hof van Justitie de in het beschikkend gedeelte geformuleerde prejudiciële vragen stelt; Het enig ander middel in de zaak A. 119.310/IX-4870. 6.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 19, 22 en 23 van de Grondwet doordat het bestreden IX-4870-17/27 besluit zonder enig objectief criterium en volledig arbitrair een positieve lijst invoert van zoogdieren die Belgen mogen houden; dat zij erop wijst dat het edelhert wel mag gehouden worden en het everzwijn niet, hoewel beide dieren tot de inheemse fauna behoren en dat bepaalde soorten hamsters en grondeekhoorns mogen gehouden worden en andere niet, hoewel zij even overvloedig in het wild voorkomen en even onbedreigd zijn; dat naar haar oordeel het houden van onbedreigde diersoorten in de juiste leefomstandigheden betrekking heeft op de eerbiediging van het privé-leven en het gezinsleven, dat niet willekeurig beperkt kan worden; dat zij daar aan toevoegt dat een positieve lijst van diersoorten die mogen gehouden worden aanvaardbaar zou zijn in zoverre zij “het spiegelbeeld” zou vormen van een internationale lijst waarop dieren vermeld zijn die niet gehouden mogen worden -zoals de lijsten opgenomen in de Verordening nr 338/97 of in de wet van 20 april 1989 tot goedkeuring van het Verdrag van Bern inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa- maar dat zulks niet het geval is; 6.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat verzoekster niet uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing in strijd zou komen met de in het middel genoemde grondwettelijke bepalingen; dat zij voorts stelt dat het bestreden besluit niet willekeurig opgesteld werd maar dat de geraadpleegde specialisten een lijst van objectieve criteria opgesteld hebben en dat raadplegingen zijn gebeurd in de wetenschappelijke milieus, bij de belangengroepen en in de professionele sector; dat volgens haar de zogenaamde willekeur niet afgeleid mag worden uit het feit dat bepaalde soorten zoogdieren niet op de lijst voorkomen en andere soorten die schijnbaar tot dezelfde groep behoren -jachtwild, hamsters of grondeekhoorns- wel, omdat deze soorten niet noodzakelijk hetzelfde gedrag, dezelfde eigenschappen of dezelfde fysiologische, ethologische of ecologische behoeften hebben; dat zij daar aan toevoegt dat de redactie van een positieve lijst wettig is en evenredig aan het nagestreefde doel van de bescherming van het dierenwelzijn, zoals blijkt uit het feit dat de maatregel progressief is omdat hij enkel op zoogdieren betrekking heeft en dat er bovendien in een overgangsperiode voorzien is; 6.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord bevestigt dat het houden van onbedreigde diersoorten in de juiste leefomstandigheden “een vorm van vrije meningsuiting (is)” en valt “onder het recht van culturele en maatschappelijke ontplooiing”; IX-4870-18/27 6.4. Overwegende dat uit de stukken van het dossier dat aan de Raad van State voorgelegd is blijkt dat de bestreden lijst van zoogdieren tot stand gekomen is na uitvoerige besprekingen onder deskundigen en met inachtneming van vijf criteria die de bevoegde werkgroep van de Raad voor Dierenwelzijn opgesteld heeft, te weten: "1. De dieren moeten makkelijk te houden zijn en gehuisvest kunnen worden met inachtneming van hun essentiële fysiologische, ethologische en ecologische behoeften. 2. De dieren mogen niet van natuur agressief en/of gevaarlijk zijn of geen ander bijzonder gevaar voor de gezondheid van de mens inhouden. 3. Het mogen geen soorten zijn waarvoor duidelijke aanwijzingen bestaan dat ze zich bij ontsnapping uit gevangenschap in de natuur kunnen handhaven en daardoor een ecologische bedreiging vormen. 4. Bibliografische gegevens over het houden van deze dieren moeten beschikbaar zijn. 5. In gevallen van tegenstrijdige gegevens of informatie over de houdbaarheid van een dier moet het voordeel van de twijfel aan het dier gegeven worden."; Overwegende dat in tegenstelling met wat verzoekster stelt, het bestreden besluit geenszins op arbitraire wijze tot stand gekomen is; dat de argumentatie van verzoekster dat bepaalde zoogdieren niet gehouden mogen worden -het everzwijn- en andere die eveneens als jachtwild bekend staan wel -het edelhert- of dat een aantal soorten hamsters en grondeekhoorns niet gehouden mogen worden en andere soorten wel, niet aantoont dat de lijst willekeurig opgesteld is; dat de uiteenzetting waarmee de verwerende partij deze onderscheiden behandeling verklaart -dieren die in het wild voorkomen hebben niet noodzakelijk dezelfde eigenschappen of dezelfde behoeften, bepaalde specimen kunnen perfect in gevangenschap gehouden worden en andere niet, zelfs al behoren zij tot dezelfde soort- begrijpelijk is en in redelijkheid aanvaardbaar; dat verzoekster voorts niet aantoont waarom de lijst willekeurig opgesteld zou zijn omdat zij het “spiegelbeeld” niet is van de lijsten vermeld in de internationale reglementering; dat in het geheel niet wordt verklaard op welke wijze de bestreden lijst als een inbreuk gezien zou kunnen worden van de grondwettelijke regels inzake de bescherming van het privé- en het gezinsleven en het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing; dat het middel niet gegrond is; IX-4870-19/27 De andere middelen in de zaak A. 119.604/IX-3366. 7.1. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, doordat de redactie van een positieve lijst van dieren die mogen gehouden worden, een niet gerechtvaardigde discriminatie doet ontstaan waar particulieren krachtens de artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit onder bepaalde voorwaarden dieren mogen houden die niet op de lijst vermeld zijn, terwijl “handelszaken van dieren” die mogelijkheid niet hebben of dan toch enkel binnen de strenge en beperkende voorwaarden, vastgesteld in artikel 3bis, § 2, 6/, van de wet; dat zij van oordeel is dat er geen reden te bedenken valt waarom handelszaken niet dezelfde machtiging zouden kunnen krijgen als de particulieren en dat ook artikel 10 van de dierenwelzijnswet, waarin de voorwaarden bepaald zijn waaronder de Koning het verhandelen van dieren kan regelen, geen bepaling bevat die enige discriminatie tussen handelaars en particulieren mogelijk maakt; dat zij stelt dat het bestreden besluit aan de particulieren meer rechten verleent dan aan handelszaken zonder dat in de dierenwelzijnswet een verantwoording voor die discriminatie gevonden kan worden; dat zij er in dat verband ook op wijst dat de dierenhandelaars, wegens de strenge voorwaarden “inzake vestiging, infrastructuur, erkenning, ...” die zij moeten naleven, garanderen dat de dieren in optimale omstandigheden gehouden en verhandeld kunnen worden, terwijl particulieren aan geen regels gebonden zijn; 7.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het standpunt dat zij in de schorsingsprocedure had ingenomen herneemt; dat dit verweer als volgt samengevat kan worden: met het bestreden besluit wordt artikel 3bis, § 1 en § 2, 3/, van de dierenwelzijnswet uitgevoerd; laatstgenoemde bepaling heeft betrekking op het houden van niet op de lijst voorkomende dieren door particulieren; de Koning zou zijn bevoegdheid te buiten gegaan zijn indien hij bij de uitvoering van die wetsbepalingen een bijzondere regeling had ingevoerd om handelaars toe te laten die dieren te houden of te verhandelen en die handelwijze zou zeker ingaan tegen artikel 3bis, 6/, van de dierenwelzijnswet waarin specifieke voorwaarden bepaald zijn waaronder handelszaken niet op de lijst voorkomende dieren mogen houden; in ondergeschikte orde is er met betrekking tot de behandelde aangelegenheid geen vergelijking mogelijk tussen particulieren en handelaars, bestaan er objectieve criteria die een verschillende behandeling van de twee categorieën verantwoorden en is de noodzakelijke evenredigheid tussen de getroffen maatregel en het door de wet beoogde doel ook aanwezig; de mogelijkheid om dieren te verhandelen kan op zich geen uitzondering op het algemeen verbod IX-4870-20/27 rechtvaardigen, de diverse regels die de dierenhandelaars reeds moeten naleven sluiten ook niet uit dat er nog beperkende maatregelen worden ingevoerd en artikel 10 van de dierenbeschermingswet heeft geen betrekking op het houden van dieren maar wel op de handel erin; 7.3. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord herhaalt dat het bestreden besluit in de mogelijkheid voorziet dat particulieren niet op de lijst vermelde dieren kunnen houden terwijl handelaars die mogelijkheid niet hebben, dat handelaars wel als particulieren kunnen optreden, maar dat handelaars ook handelen onder de vorm van een vennootschap, die niet als een particulier beschouwd kan worden, zodat dergelijke vennootschap geen beroep kan doen op de uitzonderingsbepalingen die voor particulieren ingesteld zijn; 7.4. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog betoogt dat zolang de Koning de lijst van dieren die mogen gehouden worden niet had vastgesteld, alle dieren mochten gehouden en verhandeld worden, zodat de handelaars toen geen reden hadden om zich te verzetten tegen de wettelijke voorschriften, dat de discriminatie die zij aanklaagt besloten ligt in de positieve lijst die de verwerende partij opgesteld heeft en in de “algemene draagwijdte” die aan artikel 3bis van de wet gegeven is “boven artikel 10 (van de wet)”; dat zij ook herhaalt dat handelaars die onder de vorm van een vennootschap werken niet de vergunning kunnen krijgen die voor particulieren wordt ingevoerd en dat dit een niet te verantwoorden ongelijke behandeling betreft; 7.5.1. Overwegende dat verzoekster in het middel de wettigheid van de artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit in vraag stelt; dat met die bepalingen uitvoering gegeven wordt aan artikel 3bis, § 2, 3/, van de dierenwelzijnswet dat voorziet in de mogelijkheid voor particulieren om niet op de lijst ingeschreven dieren te houden; dat verzoekster van oordeel is dat handelszaken voor dieren ten onrechte van die faciliteiten worden uitgesloten; dat verzoekster niet betwist dat handelaars in dieren, voor zover zij als particulier optreden, onder toepassing van de bestreden bepaling vallen; dat zij enkel wil vastgesteld zien dat dierenhandelaars, beroepsmatig, dezelfde mogelijkheden krijgen als de particulieren; 7.5.2. Overwegende dat de vermelde bepalingen uitdrukkelijk verwijzen naar artikel 3bis van de dierenwelzijnswet en dat zij daar de nadere uitvoering van bewerkstelligen; dat de wet zelf de faciliteit van het verder houden van dieren die niet op de lijst vermeld zijn en het houden van dieren mits erkenning, voorbehoudt IX-4870-21/27 aan particulieren; dat de uitsluiting van die regeling van handelaars derhalve uit de wet zelf volgt; dat overigens het Arbitragehof in zijn arrest nr. 78/96 van 18 december 1996 vastgesteld heeft dat die regeling, in de mate dat de wetgever daarmee een gedifferentieerde behandeling ingesteld heeft voor handelszaken voor dieren en de overige in artikel 3bis, § 2, vermelde categorieën natuurlijke en rechtspersonen, niet discriminatoir is, aangezien het de bedoeling van de wetgever was “ten gunste van sommige particulieren of sommige activiteiten die hij dacht te moeten bevorderen” een afwijking op het verbod van artikel 3bis, § 1, te verlenen en de beperkte mogelijkheid die in dat kader aan handelszaken werd gelaten, niet als discriminerend beschouwd kan worden; 7.5.3. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 8.1. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van “de wet van 27 juli 1981 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dieren- en plantensoorten en van de Bijlagen, opgemaakt te Washington op 3 maart 1973 alsook de wijziging van de overeenkomst als aangenomen te Bonn op 22 juni 1979”; dat zij betoogt dat het bestreden besluit, door uitvoering te geven aan een algemeen verbod om niet op de lijst opgenomen zoogdieren “te houden”, wat bij gebrek aan uitzondering voorzien voor handelszaken, impliceert dat zij die zoogdieren ook niet mogen “verhandelen”, de genoemde overeenkomst, waarin de handel in zoogdieren “geregeld (wordt) en dus voorzien (is)”, miskent en ook ingaat tegen “de E.G. Verordening nr. 338/97 van de Raad dd. 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten”; dat zij van oordeel is dat de internationale regelgeving het dierenwelzijn in België garandeert, met name doordat zij het verhandelen van dieren voorbehoudt aan goed geoutilleerde en goed georganiseerde bedrijven en dat het algemeen verbod om handel te drijven in bepaalde zoogdieren indruist tegen die internationale regeling; 8.2. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 110.246 van 16 september 2002, waarbij uitspraak gedaan is over de vordering tot schorsing van het bestreden besluit, het middel niet ontvankelijk verklaard heeft omdat verzoeker niet uiteenzette welke bepalingen van de Overeenkomst van Washington zij geschonden achtte noch aangaf op welke wijze het bestreden besluit die bepalingen zou miskennen; dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt dat zij het middel in haar verzoekschrift “terdege aangehaald en uiteengezet (heeft)” en dat zij “volhardt in de motivering aldaar verstrekt”; dat zij aldus geen bijkomende gegevens IX-4870-22/27 verstrekt die een onderzoek van het middel mogelijk maken zonder dat de verwerende partij en de organen van de Raad van State ter zake veronderstellingen gaan maken; dat het middel niet ontvankelijk is; 9.1. Overwegende dat verzoekster in het vierde middel de schending aanvoert van artikel 10 en volgende van de dierenwelzijnswet, doordat het bestreden koninklijk besluit geen specifieke bepalingen bevat voor het houden van zoogdieren door handelszaken voor dieren, terwijl overeenkomstig het genoemd artikel 10 de Koning de handel in dieren kan regelen met het oog op hun bescherming en welzijn; dat zij betoogt dat artikel 3bis het houden van dieren regelt en artikel 10 de handel zodat, wanneer de Koning overeenkomstig artikel 3bis het houden van niet op de lijst ingeschreven zoogdieren door handelaars aan een voorwaarde onderwerpt -met name het beschikken over een overeenkomst met een persoon die het dier zal houden- hij de handel in die zoogdieren laat afhangen van een voorwaarde die niet verantwoord kan worden in het licht van artikel 10; 9.2. Overwegende dat de verwerende partij daar op antwoordt wat volgt: het verbod om dieren te houden die niet op de lijst vermeld zijn is ingesteld door de dierenwelzijnswet; het verbod om dieren te houden doet geen afbreuk aan de regeling vermeld in artikel 10 van dezelfde wet, die overigens van toepassing is op alle dieren die verhandeld worden, of zij op de lijst staan of niet; handelaars moeten de opgelegde voorwaarden inzake de handel én inzake het houden naleven; artikel 10 kan derhalve niet aangewend worden om de draagwijdte van artikel 3bis te beperken: handelaars kunnen zonder beperking de op de lijst ingeschreven dieren verhandelen en in artikel 3bis is bepaald onder welke voorwaarden handelaars niet op de lijst ingeschreven zoogdieren mogen verhandelen; 9.3. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog herhaalt dat de verwerende partij artikel 3bis van de dierenwelzijnswet laat primeren op artikel 10 van dezelfde wet en dat zij daarmee de discriminatie mogelijk maakt die in het eerste middel aangeklaagd wordt; 9.4. Overwegende dat de verwerende partij terecht betoogt dat artikel 3bis van de wet een regeling instelt voor het houden van zoogdieren en daarbij bepaalt onder welke voorwaarden handelaars niet op de lijst ingeschreven dieren mogen houden; dat die bepaling losstaat van artikel 10 van de wet, waarin in het algemeen bepalingen zijn opgenomen inzake het verhandelen van dieren; dat de omstandigheid dat het verhandelen van dieren aan bepaalde voorwaarden IX-4870-23/27 onderworpen wordt, niet betekent dat er geen specifieke voorwaarden meer zouden kunnen gesteld worden aan het houden van zoogdieren door handelaars; dat door vast te stellen dat het houden van niet op de lijst opgenomen dieren slechts kan gebeuren wanneer uit een overeenkomst blijkt dat het dier zal gehouden worden door een persoon of instelling die daarvoor door de wet bevoegd gemaakt is, de Koning geen beperking gesteld heeft aan de handel in die dieren; dat het middel niet gegrond is; 10.1. Overwegende dat verzoekster in het vijfde middel de schending aanvoert van het Jachtdecreet en van de Ordonnantie op de Jacht die in het Vlaamse Gewest, respectievelijk het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest van toepassing zijn, doordat die decreten bepalen dat zoogdieren zoals hazen, reeën, everzwijnen tijdens bepaalde periodes van het jaar gehouden kunnen worden, terwijl die dieren niet op de lijst van het bestreden besluit vermeld zijn en het houden ervan evenals de handel en het vervoer ervan derhalve verboden is; 10.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord uiteenzet dat de door verzoekster vermelde decreten geen bepaling bevatten die toelaat dat de zoogdieren, waarnaar zij verwijst, gehouden kunnen worden, dat integendeel de jachtreglementering ook een principieel verbod van handel en vervoer van de betrokken dieren instelt met dien verstande dat handel en vervoer ervan mogelijk gemaakt wordt gedurende het jachtseizoen en dat de mogelijkheid om dieren tijdelijk te vervoeren uiteraard niet vergelijkbaar is met het houden van wilde dieren als zodanig, terwijl het doden van dieren -ook tijdens de jacht- altijd moet gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de dierenwelzijnswet; 10.3. Overwegende dat verzoekster daar op repliceert dat het bestreden besluit formeel het houden van een aantal zoogdieren -zij noemt nu ook het edelhert, dat nochtans “behoort tot de geëigende inheemse fauna”- verbiedt, terwijl de jachtwetgeving het verhandelen ervan toestaat gedurende bepaalde periodes van het jaar; dat naar haar oordeel de jachtwetgeving primeert op een besluit van de uitvoerende macht; 10.4. Overwegende dat de verwerende partij voor het opstellen van de bestreden lijst een rechtsgrond vindt in artikel 3bis van de dierenwelzijnswet; dat, rekening houdend met die wettelijke basis, de omstandigheid dat de regeling inzake de jacht, het vervoer en het verhandelen van bepaalde niet op de lijst ingeschreven zoogdieren onder bepaalde voorwaarden toelaat, het bestreden besluit, dat IX-4870-24/27 betrekking heeft op het houden en niet op de handel en het vervoer, niet onwettig maakt; dat het middel niet gegrond is; Algemene conclusie. 11. Overwegende dat het tweede middel in de zaak A. 119.310/IX-4870 en het eerste, tweede, vierde en vijfde middel in de zaak A. 119.604/IX-3366 niet gegrond zijn; dat over het eerste middel in de eerst vermelde zaak en het derde middel in de tweede zaak slechts uitspraak gedaan kan worden nadat het Hof van Justitie de aan te houden interpretatie van de regels inzake het vrij verkeer van goederen tussen de lidstaten van de Europese Gemeenschap heeft bepaald, BESLUIT: Artikel 1. De zaken nrs. A. 119.310/IX-4870 en A. 119.604/IX-3366 worden samengevoegd. Artikel 2. De debatten worden heropend. Artikel 3. Aan het Hof van Justitie worden overeenkomstig artikel 234 EG- Verdrag volgende vragen gesteld : - Moet artikel 30 van het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap, op zichzelf beschouwd of samengelezen met de verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffend handelsverkeer, aldus uitgelegd worden dat een invoer- en verhandelingsverbod van dieren, ingesteld ter uitvoering van artikel 3bis, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, niet gerechtvaardigd is ten aanzien van zoogdieren die vanuit een andere EU-lidstaat worden ingevoerd en die vallen onder de categorie B, C of D vermeld in de Verordening of die niet genoemd worden in de Verordening, wanneer deze IX-4870-25/27 zoogdieren in die lidstaat worden gehouden volgens de wetgeving van die staat en die wetgeving in overeenstemming is met de bepalingen van de Verordening ? - Verzet artikel 30 EG-Verdrag of de Verordening 338/97 zich tegen een regelgeving van een lidstaat die op grond van de bestaande wetgeving inzake het dierenwelzijn, elk commercieel gebruik van specimens verbiedt behalve zo deze specimens uitdrukkelijk vermeld zijn in die nationale regelgeving, wanneer de doelstelling van de bescherming van deze soorten, zoals bedoeld in artikel 30 EG- Verdrag, even doeltreffend kan worden bereikt door maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken? Artikel 4. Na de kennisgeving van het antwoord van het Hof van Justitie beschikken de partijen over een termijn van 15 dagen om in een bijkomende nota hun standpunt ten aanzien van het desbetreffend middel te actualiseren. Artikel 5. Het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met het opstellen van een bijkomend verslag waarin het antwoord van het Hof van Justitie en de daarop betrekking hebbende standpunten van de partijen op het aangevoerd middel betrokken worden. Artikel 6. De beroepen worden voor het overige verworpen. IX-4870-26/27 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 16 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, de H. W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-4870-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.061 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.