id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.087 Rolnummer: A. 78823/V-1535 Zaak: Arrêt / Arrest 170087 - Fonction publique fédérale - Recrutement et carrière / Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 17/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-25 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 06:36 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 170.087 van 17 april 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.087 van 17 april 2007 in de zaak A. 78.823/V-
- In zake : STEEN Dirk, die woonplaats kiest bij Mr. D. LINDEMANS, advocaat, Keizerslaan 3 1000 Brussel, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Werk, die woonplaats kiest bij Mr. A. LINDEMANS, advocaat, Louizalaan 523 1050 Brussel. tussenkomende partij : DE CONINCK Jean-Marie, die woonplaats kiest bij Mr. Fr. TULKENS, advocaat, Terhulpsesteenweg 177/6 1170 Brussel. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Ve K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk STEEN op 2 juni 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 19 maart 1998 waarbij Jean-Marie DE KONINCK met ingang van 1 mei 1997 wordt bevorderd tot inspecteur- generaal; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 november 1998; V-1535-1/8 Gelet op de beschikking van 14 januari 1999 die de tussenkomst van Jean- Marie DE KONINCK toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 3 januari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 22 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2007; Gehoord het verslag van R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat A. LINDEMANS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat Fr. TULKENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; I. FEITELIJKE TOEDRACHT Overwegende dat de feiten die dienstig voor de zaak zijn als volgt kunnen worden samengevat;
- Bij nota van 29 mei 1997 wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten gedaan voor de ingevolge het arrest nr. 64.259 van 30 januari 1997 opnieuw vacant V-1535-2/8 geworden betrekking van inspecteur-generaal bij het Hoofdbestuur - Administratie van de arbeidshygiëne en -geneeskunde. Verzoeker en de tussenkomende partij stellen zich tezamen met drie andere ambtenaren kandidaat voor deze betrekking.
- Op 9 september 1997 onderzoekt de directieraad de kandidaturen. Eerst wordt voor alle kandidaten een overzicht gegeven van hun diploma's en hun administratieve loopbaan. Daarna worden de titels en verdiensten van verzoeker en van de tussenkomende partij als volgt beschreven: " Dr. DE CONINCK, die in 1975 in dienst is getreden en sinds 1986 hoofdgeneesheer-directeur is, bezit een grote terreinkennis die hij opgedaan heeft in verschillende directies. Thans leidt hij de directie Charleroi. Hij bezit ervaring op het hoofdbestuur die hij verworven heeft telkens hij de inspecteur-generaal heeft vervangen wanneer deze verhinderd was. Op wetenschappelijk vlak is hij auteur van talrijke publicaties. Hij heeft ook talrijke opdrachten vervuld in het buitenland. Hij verleende tevens zijn medewerking aan de transpositie van Europese richtlijnen in de Belgische reglementering. Hij heeft ook ervaring met organisatie van de activiteiten op het terrein. Bovendien komt zijn motivatie sterk tot uiting in zijn sollicitatiebrief. Op alle vlakken is hij een zeer goede kandidaat. (...) Dr. STEEN is in dienst sinds 1981 en werd hoofdgeneesheer-directeur in
- Hij heeft ervaring opgedaan als inspectieambtenaar in buitendienst. Hij beschikt eveneens over een grote ervaring bij het hoofdbestuur, als hoofdgeneesheer-directeur. Hij vertegenwoordigt het departement bij verschillende internationale instellingen en bezit tevens goede kennis inzake informatica. (...) Verschillende leden stellen vast dat Dr. STEEN gedurende een bepaalde periode feitelijk de functies heeft waargenomen van hoofd van de Medische Inspectie. Tijdens die periode heeft hij aangetoond dat hij nog niet beschikte over de bekwaamheid om met zijn medewerkers op een vlotte wijze te communiceren en te overleggen. Daarentegen, gelet op het gebrek aan zin voor collegialiteit en samenwerking met zijn medewerkers, heeft de betrokkene de verdere goede werking van de dienst in gevaar gebracht. Dit zou voor voornoemde leden van de directieraad kunnen rechtvaardigen dat Dr. STEEN minder gunstig gerangschikt zou worden dan in
- Een aantal leden wijzen nogmaals op de grote kwaliteiten van Dr. DE CONINCK, kwaliteiten die in 1993 reeds sterk naar waarde werden geschat. Zij zijn van oordeel dat de betrokkene perfect geschikt is om de functie zonder aanpassingsperiode uit te oefenen." V-1535-3/8 Bij geheime stemming rangschikt de directieraad de kandidaten als volgt:
- DE CONINCK, eenparig,
- ex aequo, CONSTANDT en DE VIL
- OLIVIER, eenparig
- STEEN, eenparig. De voordracht wordt op 10 september 1997 aan de kandidaten meegedeeld.
- Op 25 september 1997 dient verzoeker een bezwaarschrift in tegen deze voordracht. Daarin stelt hij het volgende: " Ik nam kennis van de notulen van de Directieraad van 9 september jl. waarin verslag werd gegeven van het onderzoek van de sollicitaties voor de vacante betrekking van inspecteur-generaal bij het hoofdbestuur van de Administratie van de Arbeidshygiëne en -geneeskunde. In dit verslag wordt gesteld dat ik heb aangetoond nog niet te beschikken over de bekwaamheid om met mijn medewerkers op een vlotte wijze te communiceren en te overleggen en dat ik, gelet op het gebrek aan zin voor collegialiteit en samenwerking met hen, de verdere goede werking van de dienst in gevaar heb gebracht. Gezien in het verslag niet in concreto naar welbepaalde feiten wordt verwezen, verkeer ik in de onmogelijkheid mijn opmerkingen en bezwaren doeltreffend te laten kennen. Ik kan enkel vermoeden dat bovenvermelde stellingname van sommige leden betrekking heeft op de weigering van dr. DE CONINCK, dr. CONSTANDT en dr. OLIVIER om mij hun dienstprestaties kenbaar te maken, hoewel ik hierom uitdrukkelijk verzocht had. In dit verband hou ik staande dat ik het onontbeerlijk acht over deze informatie te kunnen beschikken om de dienst naar behoren te leiden en dat ik geduldig alle mogelijke vormen van overleg heb uitgeput om bovengenoemde ambtenaren hiervan te overtuigen. Dit is steeds op een beleefde, voorkomende en collegiale manier gebeurd, waarbij ik nooit een ander belang heb doen gelden dan de goede werking van de dienst. Ik zou het betreuren indien, op basis van niet voor tegenspraak vatbare geruchten en interpretaties, dit geschilpunt met de bovenvermelde ambtenaren tegen mij zou worden uitgelegd. Het komt mij trouwens voor dat dit juridisch niet in aanmerking kan worden genomen om mij als laatste te rangschikken." In zijn vergadering van 7 oktober 1997 behandelt de directieraad dat bezwaarschrift. De notulen geven daarvan het volgende relaas: " In zijn bezwaarschrift uit Dr. STEEN het vermoeden dat het gebrek aan collegialiteit of overleg dat hem wordt aangewreven het gevolg zou zijn van zijn beslissing waarbij wordt geëist dat de dienstprestaties van de hoofdgeneesheren- directeurs worden meegedeeld en van de weigering van deze laatsten om zich daarnaar te schikken. Een lid laat weten dat hij de mening is toegedaan dat het meedelen van dienstprestaties aan de hiërarchische overste een verplichting is voor iedere ambtenaar. V-1535-4/8 Verschillende leden zijn van mening dat de minder goede rangschikking van Dr. STEEN niet het gevolg is van dit probleem in verband met nauwgezette controle op de dienstprestaties maar wel van het gebrek aan algemene vaardigheid inzake communicatie en overleg met zijn collega's, vaardigheid die een conditio sine qua non is om de functie van inspecteur-generaal uit te oefenen." De directieraad beslist dan met tien stemmen voor, twee tegen en één ongeldig dat het bezwaarschrift geen nieuwe gegevens bevat die tot een wijziging van de voordracht zouden moeten leiden en behoudt de voordracht.
- Een koninklijk besluit van 19 maart 1998 bevordert de heer Jean-Marie DE CONINCK, hoofdgeneesheer-directeur tot inspecteur-generaal met ingang van 1 mei
- Dit is het bestreden besluit.
- Bij koninklijk besluit van 11 januari 1999 is Jean-Marie DE CONINCK verder bevorderd tot directeur-generaal met ingang van 1 december
- Dit besluit werd bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 februari
- II. IN RECHTE Overwegende dat de tussenkomende partij, hangende het geding, werd bevorderd tot directeur-generaal, welke bevordering noch door de verzoeker noch door iemand anders aangevochten werd en dientengevolge definitief is geworden; Overwegende dat de Raad desnoods ambtshalve moet onderzoeken of het huidig beroep nog langer ontvankelijk is; Overwegende dat de rechtszekerheid er zich tegen verzet dat formeel bestaande en uiterlijk regelmatige rechtshandelingen buiten enig regelmatig beroep om in vraag zouden kunnen worden gesteld, zodanig dat de Raad de nietigheid van dergelijke beslissingen maar kan vaststellen met naleving van de regels welke zijn bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering bepalen; dat hieruit volgt dat het voorwerp van een beroep ambtshalve kan worden uitgebreid maar enkel tot die handelingen die het logische en noodzakelijke gevolg zijn van de eerste bestreden akte en dat indien de navolgende handelingen niet het logische en noodzakelijke gevolg zijn van de initieel bestreden akte, zij alleen maar kunnen worden vernietigd voor zover zij binnen de beroepstermijn werden bestreden, hetzij met een afzonderlijk verzoekschrift, hetzij door de uitbreiding van een hangend beroep te vragen; dat in de onderhavige zaak V-1535-5/8 verzoeker de bevordering bestrijdt van Jean-Marie DE CONINCK tot inspecteur- generaal, graad van rang 15, doch nagelaten heeft binnen de beroepstermijn de verdere bevordering van laatstgenoemde tot directeur-generaal, graad van rang 16 aan te vechten, welke bevordering niet geacht kan worden noodzakelijkerwijze te volgen uit een bevordering tot inspecteur-generaal daar deze laatste niet wordt gedaan met het oog op een verder bevorderen tot directeur-generaal; dat deze bevordering tot directeur- generaal evenmin door een derde werd bestreden; dat ze bijgevolg definitief is geworden; dat het aan de Raad niet toekomt zich in de plaats te stellen van de uitgesloten ambtenaar om te oordelen of hij er belang bij heeft het oorspronkelijke beroep tot nietigverklaring van een eerste bevordering tot een verdere bevordering uit te breiden dan wel deze niet aan te vechten, er rekening mee houdend dat hij hierdoor een nieuwe kans krijgt om tot de opnieuw vacant verklaarde betrekking te worden bevorderd; dat de Raad geen reden ziet om van deze vaststaande jurisprudentie af te wijken; dat nu de bevordering van de tussenkomende partij tot de graad van directeur- generaal definitief is geworden, verzoeker geen belang meer heeft om de vorige bevordering te bestrijden vermits deze geen effecten meer ressorteert; Overwegende dat de omstandigheid dat er nadien geen procedure werd opgestart om de openstaande betrekking van inspecteur-generaal (thans adviseur- generaal) in te vullen, niet wegneemt dat de bevordering van de tussenkomende partij tot de graad van directeur-generaal definitief is geworden en dat verzoeker derhalve geen belang meer heeft om diens vorige bevordering tot de graad van inspecteur- generaal te bestrijden; dat zijn kansen op een bevordering tot deze graad hierdoor niet groter zouden worden; Overwegende dat de loutere morele genoegdoening die verzoeker uit de nietigverklaring van de oorspronkelijke bevordering van de tussenkomende partij zou putten niet voldoende gekwalificeerd is om in acht te worden genomen en dan ook niet opweegt tegen de ernstige nadelen die deze nietigverklaring voor laatsgenoemde zouden meebrengen; dat er anders over oordelen erop zou neerkomen dat iedereen in het belang van de wet voor de Raad van State zou kunnen optreden zonder blijk te moeten geven van een gekwalificeerd belang; dat het aan de Raad van State toekomt om na te gaan of dit belang terzake aanwezig is; dat het objectief karakter van het vernietigingscontentieux hierdoor geenszins wordt aangetast; Overwegende in dezelfde zin dat de finaliteit van dit contentieux hierin bestaat onwettige rechtshandelingen, met terugwerkende kracht, uit de rechtsorde te bannen; dat het ingeroepen belang in relatie met deze finaliteit dient te staan; dat het V-1535-6/8 belang dat erin bestaat een administratieve rechtshandeling onwettig te horen verklaren, om vervolgens op basis van deze, met gezag van gewijsde beklede, uitspraak een vordering tot schadevergoeding voor de gewone rechter beter te ondersteunen, geen belang meer is verbonden aan het doen verdwijnen van de akte uit de rechtsorde, maar uitsluitend een belang om een middel gegrond te horen verklaren; dat een dusdanig, alleen als "onrechtstreeks" te kwalificeren belang, niet volstaat om een ontvankelijk annulatieberoep in te dienen; dat trouwens ook de gewone rechter de fout van de overheid kan vaststellen; Overwegende ten slotte dat het door verzoeker in zijn laatste memorie aangehaalde arrest 117/99 van 10 november 1999 van het Arbitragehof niet dienstig ingeroepen kan worden zelfs niet per analogie in een geval waar verzoeker nagelaten heeft binnen de van openbare orde zijnde beroepstermijn het voorwerp van zijn oorspronkelijk beroep tot nietigverklaring uit te breiden en zodoende zijn belang in de loop van het geding heeft verloren; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het beroep niet ontvankelijk is geworden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. V-1535-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien april 2007, door de Ve kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. ANDERSEN, eerste voorzitter van de Raad van State, R. STEVENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De Griffier, De Eerste Voorzitter van de Raad van State, W. GEURTS. R. ANDERSEN. V-1535-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.087 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.