id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.168 Rolnummer: A. 107639/VII-24140 Zaak: Arrest 170168 - Milieuvergunningen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-08 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.168 van 19 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.168 van 19 april 2007 in de zaak A. 107.639/VII-24.140 In zake : Willy BORRA, die woonplaats kiest bij advocaat A. PATYN, kantoor houdende te EVERGEM, Schoonstraat 64 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy BORRA op 18 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 17 mei 2001 waarbij het beroep ingediend door de Vlaamse Landmaatschappij tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van Diksmuide van 8 februari 2001, houdende het verlenen van de vergunning aan verzoeker om een rundvee- en paardenfokkerij, gelegen aan de Brugse Heerweg 22 te Diksmuide, uit te breiden met 23 paarden, 960 m³ mest, 3.000 liter mazout en het lozen van 150 m³/j HA en dit voor een termijn tot 1 september 2011, deels gegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt gewijzigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend door verzoeker; VII-24.140-1/16 Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKETELAERE die, loco advocaat A. PATYN verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de voor de oplossing van het geschil relevante gegevens als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Aan Charles BORRA, verzoekers vader, wordt op 29 november 1990 door het college van burgemeester en schepenen van de stad Diksmuide akte geldend als vergunning verleend voor het houden van 80 grote zoogdieren en de opslag van 30 m³ mest (ARAB) in een inrichting gelegen te Vladslo, aan de Brugse Heerweg 22, voor een termijn verstrijkend op 3 april 2020 (termijn die naderhand ingevolge Vlarem herleid werd tot 1 september 2011). Uit het plan gevoegd bij de aangifte blijkt dat het een gecompartimenteerde stal van 30 meter op 30 meter betreft, waarin 20 jonge runderen, 30 zoogkoeien en 30 kalveren worden gehouden (en tevens 20 schapen als niet-vergunningsplichtige kleine zoogdieren). Op 22 oktober 1998 wordt door het college van burgemeester en schepenen aan Charles BORRA een vergunning verleend om op de betrokken percelen een nieuwe loods te bouwen na afbraak van twee stallingen en een loods. 1.
- Op 18 november 1998 meldt verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen de overname van de inrichting van zijn vader, waarvan het college in zitting van 14 januari 1999 akte neemt. VII-24.140-2/16 1.
- Op 27 januari 1999 geeft verzoeker aan het college van burgemeester en schepenen melding van het verplaatsen van dieren naar een nieuw op te richten stal. Op 1 april 1999 neemt het college van burgemeester en schepenen akte van de melding geldend als vergunning, niettegenstaande het negatief advies van de Vlaamse Landmaatschappij. Uit de motivering van het collegebesluit blijkt dat het negatief advies van de Vlaamse Landmaatschappij gesteund was op het feit dat een verplaatsing van 80 runderen (zie basisvergunning) werd gevraagd, terwijl uit de mestbankaangifte blijkt dat er enkel in het jaar 1997 runderen werden gehouden, dat er geen geldige vergunning voor 80 runderen meer aanwezig is, zodat de verplaatsing eigenlijk ook een verandering met een verhoging van de mestproductie tot gevolg heeft, en zodat deze verandering niet bij wijze van aktename kan worden vergund. De Vlaamse Landmaatschappij is ook van oordeel dat de geplande verandering een wijziging van het aantal diersoorten tot gevolg heeft (paarden), hetgeen evenmin bij wijze van aktename kan worden vergund. Het college van burgemeester en schepenen verleent niettemin akte op grond van bedrijfseigen en persoonlijke redenen aangebracht door verzoeker. Op het plan gevoegd bij de aangifte is er sprake van plaatsen voor twee maal 18 runderen
(36), 6 groepsboxen voor jaarlingen, 4 + 6
(10)boxen voor paarden, en tevens plaatsen voor schapen, een bergplaats, een materiaalhok en een schuilhok voor weidegang. 1.
- De Vlaamse Landmaatschappij tekent beroep aan tegen deze aktename, maar de verwerende partij wijst dit beroep op 22 juli 1999 af, in essentie op grond van de overwegingen dat tot het jaar 1997 steeds één mestbankaangifte is gebeurd voor de inrichting gelegen te Koekelare aan de Veldstraat 117 A, dit is de inrichting waar verzoekers vader woont en waar steeds meer dan de helft van het aantal dieren aanwezig is geweest, en voor de inrichting gelegen te Vladslo aan de Brugse Heerweg 22, en dat beide inrichtingen één milieutechnische eenheid vormen, zodat de basisvergunning voor 80 runderen nog als rechtsgeldig kan worden beschouwd. 1.
- Op 14 november 2000 dient verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen een milieuvergunningsaanvraag in voor een uitbreiding met onder meer 23 paarden. Deze uitbreiding moet worden gerealiseerd binnen de vergunde stal voor 80 grote zoogdieren. Uit het plan gevoegd bij de aanvraag blijkt dat de indeling van de stal aanzienlijk gewijzigd wordt, onder meer worden de 4 boxen voor paarden omgevormd tot ruimte voor 16 runderen, en in de bergplaats en het schuilhok worden plaatsen voorzien voor respectievelijk 4 en 13 paarden. Het college van burgemeester en schepenen vergunt, niettegenstaande het negatief advies VII-24.140-3/16 van de Vlaamse Landmaatschappij, op 8 februari 2001 de gevraagde uitbreiding, onder meer het uitbreiden met 23 paarden, het uitbreiden met 960 m³ mest en het veranderen van de soort runderen tot 10 runderen 1.
- Tegen deze beslissing dient de Vlaamse Landmaatschappij op 26 februari 2001 beroep in. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven: S de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 4 april 2001 ongunstig voor de uitbreiding met 23 paarden, 960 m³ mest en de verandering van de soorten runderen; S de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert op 18 april 2001 ongunstig voor de uitbreiding met 23 paarden en 960 m³ mest. 1.
- Op 17 mei 2001 beslist de verwerende partij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij deels in te willigen en de vergunning te weigeren voor wat betreft het uitbreiden met 23 paarden en 960 m³ mest. Dit is het bestreden besluit. Het is, wat de weigering betreft, als volgt gemotiveerd: "Overwegende dat de inrichting beschikt over een 2/ klasse vergunning afgeleverd door het CBS op 29.11.1990 en een vergunning voor aanpassing op 01.04.1999 en dit voor het houden van 80 runderen; Overwegende dat er op hetzelfde domein een tweede totnogtoe niet vergunde entiteit bestond voor 23 paarden, welke ondertussen samengevoegd werden met het voorwerp van bovenstaande vergunning, zijnde 80 runderen; dat de huidige aanvraag het uitbreiden met 23 paarden bij de 80 vergunde runderen betreft; Overwegende dat voor de uitbreiding met paarden door de aanvrager de overgangsregel ingeroepen wordt m.b.t. het Mestdecreet art. 36, 6/ welke de vergunning van maneges en paardenfokkerijen regelt en dat de betrokken overgangsregel evenwel niet bedoeld is voor uitbreidingen van bestaande rundveehouderijen; Overwegende dat er inderdaad reeds sinds jaren paarden gehouden werden en dat de exploitant verzuimd heeft van een vergunning aan te vragen; Overwegende dat de paarden nu zouden samen ondergebracht worden met de runderen in de reeds gebouwde nieuwe runderenstal, zodat het hier effectief een uitbreiding is van de bestaande vergunning; Overwegende dat bij de vorige beslissing in beroep van de Bestendige Deputatie d.d. 22.7.1999 reeds rekening met de aangifte van de paarden (sic); dat op basis van de samenaangifte van de 2 entiteiten (dus m.i.v. die paarden) beslist werd dat de vergunning voor de rubriek 9.4.
- (grote zoogdieren) nog volledig als rechtsgeldig kan beschouwd worden; dat er nu geen rekening kan gehouden worden met de aangifte van de paarden, nu die reeds gediend hebben om de afgeleverde eerste milieuvergunning te laten voortbestaan in beroep; dat nu nog eigenlijk gevraagd wordt om bovenop die eerste milieuvergunning nogmaals extra paarden te vergunnen, wat uiteraard niet kan; Overwegende dat in toepassing van art. 33ter § 1 c) van het Mestdecreet enkel een vergunning kan verleend worden voor verandering van een bestaande VII-24.140-4/16 veeteeltinrichting als de vergunde mestproductie niet stijgt en dat door de gevraagde uitbreiding met paarden (en verandering van rubriek 9.4.3, grote zoogdieren) er wel een verhoging komt van de vergunde mestproductie";
- De gegrondheid 2.1.
- Overwegende dat verzoeker zijn eerste middel baseert op "dwaling omtrent de feiten, schending van de motiveringsverplichting; zowel de materiële motiveringsverplichting (beginsel van behoorlijk bestuur), als de formele motiveringsverplichting (artikel 50, 3/ Vlarem I)"; dat hij dit middel als volgt toelicht: "
- Zoals hiervoor uiteengezet neemt het bestreden besluit aan dat bij de vorige beslissing in beroep van de Bestendige Deputatie dd. 22.07.99 reeds rekening gehouden werd met de aangifte van de paarden; dat op basis van de samenaangifte van de 2 entiteiten (dus m.i.v. die paarden) beslist werd dat de vergunning voor de rubriek 9.4.3 (grote zoogdieren) nog volledig als rechts- geldig kan beschouwd worden, dat er nu geen rekening kan gehouden worden met de aangifte van de paarden, nu die reeds gediend hebben om de afgeleverde eerste milieuvergunning te laten voortbestaan in beroep; dat nu nog eigenlijk gevraagd wordt om bovenop die eerste milieuvergunning nogmaals extra de paarden te vergunnen, wat uiteraard niet kan;
- De vraag die zich stelt is of de paarden effectief gediend hebben om de afgeleverde vergunning te laten voortbestaan in beroep. Volgens verzoeker niet. 14.1 In de omzendbrief dd. 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan (B.S. 11 januari 1997) wordt het volgende gesteld: '4/ Verval van lopende milieuvergunningen: Overeenkomstig art. 28 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning vervalt de milieuvergunning van rechtswege o.m. wanneer: ... - de inrichting gedurende twee opeenvolgende jaren niet werd geëxploiteerd. In voorkomend geval kan deze regel ook van toepassing zijn op een gedeelte van de inrichting. Voor de toepassing van voormelde bepalingen wordt verwezen naar de definitie van 'exploiteren' zoals deze vastgesteld is door art. 2,2/ van bedoeld decreet, met name: 'in werking stellen of houden, gebruiken, installeren of in stand houden van een inrichting, daaronder begrepen het lozen van afvalwater'. Uit voormelde bepalingen vloeit voor: - dat een bezetting van één of meer vergunde stallen onder de vergunde maximumcapaciteit geen verval en ook geen inperking van de milieuvergunning tot gevolg heeft; - dat wanneer bepaalde stallen of bepaalde onderdelen van de inrichting sedert meer dan twee jaar niet meer bestaan (gesloopt of vernield) of niet meer als stal of voor het vergunde doel zijn ingericht (geëigende binneninrichting en alle technische voorzieningen zijn verwijderd of volledige afwezigheid van dieren) de desbetreffende milieuvergunning wel van rechtswege is vervallen; in het geval de betrokken inrichting meerdere stallen omvat en het gemiddeld aantal aanwezige dieren, zoals VII-24.140-5/16 de laatste 2 jaar aangegeven bij de Mestbank lager is dan 50% van het globaal op de inrichting vergund aantal dieren, en in de mate dat geen overmacht of bedrijfseigen redenen kunnen worden ingeroepen, kan aangenomen worden dat enkel de stal of stallen die dit aantal dieren vermenigvuldigd met 1,50 kan bevatten vergund blijven.' Maw. van zodra het gemiddeld aantal dieren de laatste 2 jaar aangegeven bij de Mestbank 50% of meer bedraagt van het globaal op de inrichting vergund aantal dieren, blijft de milieuvergunning volledig geldig. Voor verzoeker zijn bedrijf (vergund voor 80 grote zoogdieren) zou dit inhouden dat het gemiddeld aantal dieren dat de laatste 2 jaar aangegeven werd bij de Mestbank 40 stuks dient te bedragen. Niet meer. 14.
- Waar de omzendbrief terugvalt op de mestbankaangifte om te bewijzen in welke mate een veeteeltinrichting gedurende de laatste 2 jaar geëxploiteerd werd, kan men volgens verzoeker daartoe ook terugvallen op het werkelijk aantal dieren dat de laatste 2 jaar op de inrichting gehouden werd indien dit verschilt van het aantal dieren opgegeven in de mestbankaangifte. Het Milieuvergunningsdecreet beperkt immers op generlei wijze de bewijsmiddelen om aan te tonen in welke mate een veeteeltinrichting al of niet geëxploiteerd wordt, noch delegeert het de bevoegdheid daartoe aan de minister. Bijgevolg belet de hoger aangehaalde omzendbrief niet dat teruggevallen wordt op het werkelijk aantal dieren dat de laatste 2 jaar op de inrichting gehouden werd, om te bewijzen in welke mate de veeteeltinrichting al of niet geëxploiteerd werd. 14.
- Uit de lezing van het besluit van de Bestendige Deputatie bij de Provincieraad van West-Vlaanderen dd. 22.07.1999 moet besloten worden dat de Bestendige Deputatie destijds teruggevallen is op het werkelijk aantal dieren dat verzoekers' vader de laatste 2 jaar op zijn inrichting gehouden heeft en niet op het aantal dieren dat hij (eenzijdig en a posteriori) tov. de mestbank verklaarde gehouden te hebben. Dit blijkt uit volgende passage: 'Overwegende dat uit de mestbankaangifte van de inrichting kan gesteld worden dat er enkel in het jaar 1997 runderen werden gehouden op de inrichting; dat er voldoende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er steeds een 30-tal runderen werden gehouden;'. Dat deze passage enkel betrekking heeft op de inrichting van verzoekers' vader en niet op zijn eigen inrichting. Dit volgt uit het feit dat er in de mestbankaangifte voor verzoekers' inrichting voor het jaar 1998 ook runderen werden aangegeven: 'Overwegende dat uit de mestbankaangifteformulieren voor de Heer W. Borra blijkt dat voor het jaar ... 1998 2 runderen Dit volgt ook uit diverse verklaringen van personen van ter plaatse die verzoeker hangende de procedure voorgelegd heeft. 14.
- Welnu gegeven het feit dat verzoekers' vader de laatste jaren steeds een 30-tal runderen gehouden heeft op zijn inrichting (volgens verzoeker waren het er ruim 40) en het feit dat verzoeker zelf ook 11 runderen gehouden heeft, is het onbetwistbaar dat de veebezetting de laatste jaren voldoende hoog was om de milieuvergunning van 80 runderen volledig te handhaven, zonder de paardenfokkerij in rekening te moeten brengen (zie randnr. 11.1). Bijgevolg wordt in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen: 'dat bij de vorige beslissing in beroep van de Bestendige Deputatie dd 22.07.1999 reeds rekening gehouden werd met de aangifte van de VII-24.140-6/16 paarden, zodat er nu geen rekening kan gehouden worden met de aangifte van de paarden, vermits die reeds gediend hebben om de afgeleverde eerste milieuvergunning te laten voortbestaan in beroep.'. D.i. een dwaling omtrent de feiten, die ertoe geleid heeft dat het bestreden besluit ten onrechte niet onderzocht heeft of de inrichting van verzoeker ogv. art. 36,6/ overgangsregeling Mestdecreet kon uitgebreid worden met de paardenfokkerij.
- Het inroepen van een onjuist motief (m.n. het feit dat in het kader van een vorige beslissing reeds rekening zou gehouden zijn met de paardenfokkerij van verzoeker om het voortbestaan van de milieuvergunning te kunnen handhaven) om niet te onderzoeken of de inrichting van verzoeker ogv. art. 36,6/ overgangsregeling Mestdecreet kon uitgebreid worden met de paardenfokkerij is tevens een schending van de motiveringsverplichting (zowel materieel als formeel). Door het wegvallen van het onjuiste motief bevat de bestreden beslissing immers geen kenbare, juiste en draagkrachtige motieven om te rechtvaardigen waarom niet verder diende onderzocht te worden of de inrichting van verzoeker ogv. art. 36,6/ overgangsregeling Mestdecreet kon uitgebreid worden met de paardenfokkerij. Dit is een grond tot nietigverklaring van het bestreden besluit. Het eerste middel tot nietigverklaring is gegrond"; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: "Verzoeker beweert in essentie dat de Bestendige Deputatie ten onrechte de vergunning geweigerd heeft voor paarden. Alleen al het chronologisch verloop van het dossier maakt duidelijk dat de weigering terecht is: a. De inrichting beschikt over een basisvergunning (afgeleverd door het CBS op 29.11.1990 aan Borra Charles) voor 80 grote zoogdieren (zoals koeien, paarden, kalveren,..) (zie bijl. 1) Bijlage 11 (plan bij die ARAB-aangifte) maakt duidelijk dat het in casu ging om 20 jonge runderen, 30 zoogkoeien en 30 kalvers, die allen op één en dezelfde plaats werden gehouden. b. Op 22/10/1998 heeft het CBS bouwvergunning afgeleverd aan Borra Charles voor het slopen van 2 stallingen en het bouwen van een nieuwe loods (zie bijl. 12). c. Op 14/1/1999 heeft het CBS ontvangst gemeld van de melding van overname door Borra Willy (zoon) van de exploitatievergunning van Borra Charles (vader) (zie bijl.2). Zowel de nieuwe als de vorige exploitant werden er door het gemeentebestuur van Diksmuide terecht op gewezen dat er nog melding van verandering moest ingediend worden, teneinde de milieuvergunning in overeenstemming te brengen met de afgeleverde bouwvergunning (bijl.13). Op 27/1/1999 dient Willy Borra effectief een melding van verandering in bij het CBS. In het formulier is louter sprake van het verplaatsen van dieren naar nieuwe stal (er werden dus geen bijkomende dieren gevraagd) (zie bijl. 14). Bijl. 15 bevat het plan bij die melding. Ondanks het negatief advies VLM heeft het CBS hiervan toch akte genomen op 1/4/1999 (zie bijl.3). In essentie stelt het CBS: C het betreft hier wel bestaande inrichting vermits tot op heden één gezamenlijke aangifte werd ingediend voor alle vestigingen van de exploitant. C uit bijkomend verstrekte gegevens blijkt dat er wel degelijk altijd een aantal runderen werden gehouden op de inrichting in Diksmuide. Er zijn VII-24.140-7/16 bedrijfseigen redenen waardoor de vergunning als volledig rechtsgeldig kan worden beschouwd. C met een schrijven dd. 31/3/1999 bevestigt de exploitant dat er geen wijziging van het aantal diersoorten wordt aangevraagd (dus kan volgens het CBS de bewering van de VLM dat er deels ook paarden ipv runderen worden gevraagd niet bijgetreden worden). VLM was het hier niet mee eens en stelde beroep in. Tijdens de bespreking in de Provinciale MilieuvergunningsCommissie op 28/6/1999 werd het beroep ongunstig geadviseerd (bijl.16): C de PMC vond het aannemelijk dat tot 1997 1 gezamenlijke mestbankaangifte werd ingediend door Borra Charles voor zijn verschillende bedrijven. Het is dus niet zo dat de inrichting in Vladslo (Diksmuide) met stellige zekerheid als niet-bestaand moet worden beschouwd. C Tijdens de bespreking heeft de exploitant uitdrukkelijk verklaard dat op de inrichting in Vladslo zowel door Willy als Charles dieren aangehouden worden, en dat het 1 technisch geheel betrof (zie weergave in het besluit van de Bestendige Deputatie 22/7/1999 - gevoegd in bijl.4). C De PMC treedt de VLM bij waar die stelt dat - louter op basis van de mestbankaangiftes - het zo lijkt te zijn dat er enkel in 1997 runderen werden gehouden in de inrichting te Vladslo. Er zijn echter voldoende aanwijzingen dat er de facto steeds een 30-tal runderen werden gehouden in Vladslo. Als men van de totaal bij de Mestbank aangegeven dieren die dieren aftrekt die nodig zijn om vergunning voor de andere vestiging (in Koekelare) rechtsgeldig te houden en er de andere aangegeven grote zoogdieren aan toevoegt blijven er wellicht nog voldoende dieren over voor de vestiging in Vladslo. Hierbij vermeldt de PMC expliciet de aangegeven dieren in 1997 en 1998 (resp. 11 en 12 runderen, 14 en 23 paarden, 9 en 45 schapen). Op het plan bij de gemelde verandering is sprake van 36 runderen, 10 paardenboxen, 6 groepsboxen voor jaarlingen en plaats voor o.a. schapen. Exploitant maakte toen (en thans evenmin) duidelijk dat er nog andere stalplaatsen waren voor grote zoogdieren. Bij de beoordeling van het beroep van de VLM is de PMC aldus uitgegaan van de veronderstelling dat paarden onder de rubriek 9.4.
- vallen en aldus als 'groot zoogdier' mee konden dienen om de in 1990 afgeleverde vergunning (waarin sprake is van 80 grote zoogdieren) rechtsgeldig te houden. De bij de melding van verandering opgegeven dierenaantallen kloppen met de vermeldingen op het bouwplan. M.a.w. hadden die paarden niet op dit plan gestaan dan was er hoogstens nog sprake van stal waar amper 36 runderen werden gehouden. Het is enkel en alleen dankzij de mee vermelde paarden dat de PMC (daarin later gevolgd door de Bestendige Deputatie) tot de conclusie kwam dat de in 1990 afgeleverde exploitatievergunning onverkort als rechtsgeldig mocht worden beschouwd en dat de melding van kleine verandering niet leidde tot stijging van de vergunde mestproductie. Verzoeker heeft in die zin gelijk dat hierop niet meer kan teruggekomen wordt. De Bestendige Deputatie heeft dat in haar thans bestreden beslissing van 2001 ook niet gedaan, hoewel er achteraf gezien inderdaad wel een aantal pertinente vragen kunnen gesteld worden bij de eerdere beslissing van 2000 (die wel erg billijk ligt, zeker in vergelijking met de manier waarop gelijkaardige dossiers op vandaag behandeld worden). d. Het is natuurlijk wel verwonderlijk dat de exploitant die beslissing van 1999 niet in dankbaarheid heeft aanvaard en zich nu rustig houdt en gewoon verder uitbaat. Nee, de exploitant wou meer: Op 14/11/2000 (dus net voor het verstrijken van de in art. 36, 6/ van het mestdecreet voorziene overgangstermijn voor regularisatie van paarden) dient VII-24.140-8/16 de heer Borra Willy milieuvergunningsaanvraag in om op de vestiging in Vladslo bijkomende vergunning te krijgen voor 23 paarden (zie bijl. 5), om zo in totaal vergund te worden voor 80 runderen en 23 paarden. Het negatief advies van de VLM werd terug opzijgeschoven door het CBS die op 8/2
(2)2001 milieuvergunning gaf voor die paarden (zie bijl. 6). VLM liet het hier niet bij en stelde beroep in. Ditmaal heeft de voltallige PMC de VLM bijgetreden. Immers, in 1999 heeft de PMC reeds rekening gehouden met de aanwezigheid van een zeker aantal paarden om de in 1990 afgeleverde exploitatievergunning rechtsgeldig te houden. Een vergelijking tussen het plan gevoegd bij de melding van 1999 (zie bijl. 15) en het plan bij de aanvraag in 2000 (zie bijl. 5) leert dat de exploitant in dat ene jaar niet alleen het aantal runderen zou willen optrekken naar 80 stuks (om zo wellicht de vergunning van 1990 te behouden), maar daarnaast doodleuk 23 paarden in diezelfde stal voorziet. Die vergelijking tussen beide plannen vormt de kern van het thans door verzoeker bestreden weigeringsbesluit van de Bestendige Deputatie. De overgangsbepaling in art. 36, 6/ van het mestdecreet is duidelijk: milieuvergunningen voor paardenstallen behorende bij manèges en paardenfokkerijen die in 1996, 1997, 1998 en 1999 in exploitatie waren, kunnen worden verleend in zoverre de milieuvergunning voor 1 december 2000 wordt aangevraagd. Welnu: C de 23 thans aangevraagd paarden worden zonder enige betwisting aangevraagd in een stal die reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van eerdere beslissingen van CBS en BD. C Iedereen is het er over eens dat de voorbije jaren in die bewuste stal inderdaad een aantal paarden werden gestald. Het plan van de melding in 1999 en de daarover door de BD in 1999 genomen beslissing leert duidelijk dat die bewuste paarden vooreerst beperkt in aantal waren (op plan is sprake van amper 10 boxen voor paarden en 6 boxen voor jaarlingen) en verder onbetwistbaar gediend hebben om de exploitatievergunning van 1990 onverkort rechtsgeldig te houden. C Een aandachtige vergelijking tussen het plan in 1999 en 2000 leert het volgende: verzoeker is uiterst behoedzaam tewerk gegaan bij het opstellen van zijn milieuvergunningsaanvraag van
- Hij heeft vooreerst in vergelijking met 1999 ipv. 36 'gebonden' runderen plots 40 runderen vermeld op het plan; waar er in 1999 nog 4 boxen voor paarden waren is dit in 2000 plots een ruimte geworden voor 16 runderen, en waar er 6 groepsboxen voor jaarlingen voorzien waren staan nu plots 24 runderen vermeld. M.a.w. verzoeker heeft eerst netjes 80 plaatsen voor zijn runderen voorzien (om zeker de geldigheid van die basisvergunning niet in het gedrang te brengen). Vervolgens is hij gaan kijken waar in die stal hij nog wat plaatsen voor paarden zou kunnen voorzien, om hiervoor dan bijkomende vergunning te kunnen vragen: bovenaan blijven er 6 paardenboxen voorzien, maar waar daarboven in 1999 nog schuilhok vermeld stond wordt dit plots ruimte voor 13 paarden; wat in 1999, nog bergplaats was wordt in 2000 plots ingenomen door ruimte voor 4 paarden. C In voormeld artikel 36,6/ van het mestdecreet is sprake van paardenstallen. In casu gaat het om één stal, waarin naast paarden manifest ook steeds een aantal runderen werden gehouden. Het is dus zeer de vraag of het hier dan ook wel om een paardenstal zou kunnen gaan en of de aanvraag dus überhaupt wel onder artikel 36 van het mestdecreet zou kunnen vallen. Art. 36 spreekt trouwens enkel van maneges en paardenfokkerijen die van deze overgangsregeling gebruik kunnen maken; VII-24.140-9/16 de inrichting in kwestie is zeker geen manege en het betreft hier evenmin een zuivere paardenfokkerij (er zijn immers ook runderen aanwezig, zelfs in dezelfde stal als de paarden). e. De Bestendige Deputatie komt dan ook tot een dubbele conclusie: -De exploitant maakt noch in zijn aanvraag van 2000, noch bij de bespreking in de PCM, noch in voorliggend verzoekschrift duidelijk waar die 23 paarden vandaan komen. Hij maakt in elk geval niet duidelijk of ze in het verleden in die stal werden gehouden en zo ja, of er daarnaast nog voldoende andere dieren (lees: runderen) aanwezig waren om voormelde basisvergunning voor 80 grote zoogdieren rechtsgeldig te houden. In een verwarrend betoog verwijst verzoeker naar paarden die zouden gehouden zijn op een andere kavel. Dit betoog wordt vooreerst door geen enkel concreet element ondersteund en is verder naast de kwestie: de vergunning voor de 23 paarden wordt thans gevraagd voor die ene stal die reeds eerder het voorwerp heeft uitgemaakt van een beslissing van de Bestendige Deputatie. Hierboven is al aangegeven dat er in die voorbije jaren in die stal onmogelijk 23 paarden én 80 runderen kunnen aangehouden zijn. Indien verzoeker op een andere kavel paarden heeft aangehouden en hij wenste die te regulariseren had hij dan maar milieuvergunning moeten aanvragen voor die bewuste kavel. -Verzoeker toont evenmin aan dat hij aan de basisvereisten van de overgangsregeling in art. 36, 6/ van het mestdecreet voldoet"; 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nog het volgende stelt: "
- Verzoeker verwijst naar wat uiteengezet werd in het inleidend verzoekschrift. Aanvullend wenst hij nog het volgende te stellen. 2/
- Omtrent het verschil tussen het plan bij de melding van verandering van de inrichting dat verzoeker op 27/01/99 heeft ingediend bij het College van Burgemeester en Schepenen te Diksmuide en het plan bij de milieuvergunningsaanvraag die verzoeker op 14/11/00 ingediend heeft bij het College van Burgemeester en Schepenen te Diksmuide. Wat betreft het plan bij de melding van verandering van de inrichting dat verzoeker op 27/01/99 ingediend heeft bij het College van Burgemeester en Schepenen te Diksmuide (bijlage 15 van de verweerster). Het plan bij de melding van verandering van de inrichting dd. 27/01/99 geeft de schikking van de stal weer zoals zij aanvankelijk gepland was, waarbij geopteerd werd om een deel van de runderen zomer én winter te laten buitenlopen met mogelijkheid tot schuilen in een deel van de nieuwe stal. Uiteindelijk werd van deze optie afgestapt en werd de schikking van de dieren in de nieuwe stal anders gerealiseerd: S van de 10 paardenboxen en de 6 groepsboxen voor jaarlingen, waarvan sprake op dit plan, werden in feite 4 paardenboxen gerealiseerd als stalling voor 16 runderen en werden de 6 groepsboxen voor jaarlingen gerealiseerd als stalling voor 24 runderen. S terwijl de ruimte op dit plan aangegeven als schuilhok voor ± 40 runderen met buitenbeloop, in feite gerealiseerd werd als stalling voor 13 + 6 paarden. Dat het plan bij de melding van verandering van de inrichting dd. 27/01/99 de schikking van de stal weergeeft zoals zij aanvankelijk gepland was én niet zoals zij uiteindelijk verwezenlijkt werd (cf. supra) is te wijten aan het feit dat de stal die het voorwerp was van deze melding op het ogenblik van de melding VII-24.140-10/16 nog in aanbouw was; hij stond reeds onder dak, doch de binneninrichting ontbrak nog. Dit blijkt uit het aangetekend schrijven van verzoeker dd. 22/06/99 aan de verweerster: 'Daarna heb ik onmiddellijk na het verlenen van beide vergunningen de bouwwerken voor de nieuwe stal aangevat die intussen reeds dermate gevorderd waren dat de stal reeds onder dak staat; enkel de stalinrichting ontbreekt nog. ...' (stuk 7). Dit blijkt ook uit het feit dat de bouwwerkzaamheden aan de stal op 23/02/99 en op 19/05/99 dienden stopgezet te worden op bevel van de politiecommissaris (stuk 10). Zoals het nog meer gebeurt, is het verschil in schikking tussen de aan- vankelijk geplande schikking en de uiteindelijk gerealiseerde schikking te wijten aan bedrijfstechnische redenen. De herschikking van dieren uit dezelfde indelingsrubriek binnen dezelfde stal is niet vergunningsplichtig. Wat betreft het plan bij de milieuvergunningsaanvraag die verzoeker op 14/11/00 ingediend heeft bij het College van Burgemeester en Schepenen te Diksmuide Dit plan is het plan zoals de stal uiteindelijk geschikt werd na de beslissing van de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen dd. 22/07/99 houdende afwijzing van het beroep van de VLM tegen de aktename op 01/04/99 door het College van Burgemeester en Schepenen van de melding van het verplaatsen van 80 runderen naar een nieuw op te richten stal. Uit het plan blijkt onbetwistbaar dat er van bij de ingebruikname van de stal, in de stal plaats is voor 23 paarden en 80 runderen. 2/
- Omtrent de opmerking dat er een aantal pertinente vragen kunnen gesteld worden bij de beslissing van de Bestendige Deputatie van West- Vlaanderen dd. 22/07/99 houdende afwijzing van het beroep van de VLM tegen de aktename op 01/04/99 door het College van Burgemeester en Schepenen van de melding van het verplaatsen van 80 runderen naar een nieuw op te richten stal. Verzoeker is hiermee niet akkoord. a/ Tijdens de administratieve procedure werden verklaringen voorgelegd van een aantal buren, twee dierenartsen, de boswachter, de gewezen burgemeester van Koekelare, de huidige schepen van landbouw, een eerste wachtmeester bij de Rijkswacht, de gewezen veldwachter-inspecteur van Politie te Vladslo en ere-Politiecommissaris Ameel van Koekelare waaruit blijkt dat het niet te betwisten is dat verzoekers' vader de laatste jaren steeds een 30-tal runderen gehouden heeft op zijn inrichting (volgens verzoeker waren het er ruim 40) (stuk 9). Verder blijkt uit het besluit van de Bestendige Deputatie bij de Provincieraad van West-Vlaanderen dd. 22.07.99 dat er in de mestbankaangifte voor verzoekers' inrichting voor het jaar 1998 ook runderen werden aangegeven: 'Overwegende dat uit de mestbank- aangifteformulieren voor de Heer W. Borra blijkt dat voor het jaar ... 1998 2 runderen Daaruit volgt dat tijdens de jaren voorafgaand aan de beslissing van de Bestendige Deputatie van West-Vlaanderen dd. 22/07/99 houdende afwijzing van het beroep van de VLM tegen de aktename op 01/04/99 door het College van Burgemeester en Schepenen van de melding van het verplaatsen van 80 runderen naar een nieuw op te richten stal, meer dan de helft van het aantal beschikbare plaatsen bezet was met runderen; minstens 30 runderen op naam van Charles Borra, minstens 11 runderen op naam van verzoeker. VII-24.140-11/16 b/ Op stuk 8 werden de paardenstallen van verzoeker in het groen ingekleurd. De stallen die destijds eigendom waren van Charles Borra, waarin ook gehuisvest waren de runderen en schapen van verzoeker zijn in het geel ingekleurd. Deze stallen zijn dezelfde als deze die vermeld zijn op het plan bij de ARAB-aangifte. Beide stallen staan op een verschillend kadastraal perceel; beide percelen waren tot in 1998 eigendom van een verschillende eigenaar; het voorste was eigendom van verzoeker, het achterste was eigendom van zijn vader. Ook hieruit blijkt dat de paardenfokkerij niet in rekening kon/mocht gebracht te worden om de milieuvergunning voor 80 runderen volledig te handhaven. c/ Gelet op wat gesteld werd onder littera a en b moeten er dus geen vragen gesteld worden bij de beslissing van de Bestendige Deputatie van West- Vlaanderen dd. 22/07/99 houdende afwijzing van het beroep van de VLM tegen de aktename op 01/04/99 door het College van Burgemeester en Schepenen van de melding van het verplaatsen van 80 runderen naar een nieuw op te richten stal. 2/
- Omtrent de opmerking dat het natuurlijk wel verwonderlijk is dat de exploitant die beslissing van 1999 niet in dankbaarheid heeft aanvaard en zich nu rustig houdt en gewoon verder uitbaat, dat de exploitant meer wou. D.i. niet zo verwonderlijk, als de verweerster laat uitschijnen: S primo: de paarden zijn er al altijd geweest. S secundo: art. 36,6/ Overgangsregeling Mestdecreet laat manèges en paardenfokkerijen als deze van verzoeker toe, om tijdens een overgangsperiode een milieuvergunning te bekomen voor de paardenfokkerij. S tertio: verzoeker heeft twee potentiële opvolgers; hij heeft nl. twee zonen die landbouwonderwijs volgen: Jan, 20 jaar volgt hoger landbouwonderwijs in Gent, Jeroen, 15 jaar volgt secundair landbouwonderwijs in Torhout. Vandaar het belang om vergund te krijgen waarop verzoeker recht heeft. II. Middelen tot nietigverklaring Eerste middel: Dwaling omtrent de feiten, schending van de motiveringsverplichting; zowel de materiële motiveringsverplichting (beginsel van behoorlijk bestuur), als de formele motiveringsverplichting (art. 50, 3/ Vlarem I),
- Bij besluit dd. 01/04/99 werd aan verzoeker akte verleend voor het verplaatsen van 80 runderen en 30 m³ mest, geldend als milieuvergunning voor een termijn tot 01.09.
- a/ In het inleidend verzoekschrift werd onder randnr. 14 aangetoond: S dat verzoekers' vader de laatste jaren steeds een 30-tal runderen gehouden heeft op zijn inrichting (volgens verzoeker waren het er ruim 40) en dat verzoeker zelf ook 11 runderen gehouden heeft (zie ook randnr. 2/2 van de memorie van wederantwoord). S dat er bijgevolg voldoende dieren aanwezig waren (zonder de paardenfok- kerij in rekening te moeten brengen) om de basisvergunning (aktename CBS Diksmuide dd. 29/11/ 90) voor 80 runderen en 30 m³ mest, geldend als milieuvergunning tot 01/09/11) volledig te handhaven. Zie ook randnr. 2/2/a hiervoor. b/ Onder randnr. 2/2/b hiervoor werd aangetoond dat de paardenfokkerij van verzoeker geëxploiteerd werd in een andere stal dan deze vermeld op het plan bij de ARAB-aangifte. Beide stallen zijn gebouwd op verschillende kadastrale percelen die tot 1998 aan twee verschillende eigenaars toebehoorden. VII-24.140-12/16 M.a. w. de ruimte die op het plan bij de ARAB-aangifte aangegeven werd als ruimte voor 80 runderen, werd niet ingenomen door de paardenfokkerij. c/ Uit wat gesteld werd onder littera a en b hiervoor volgt: S dat er tot voor de melding van de verplaatsing voldoende stalplaatsen waren voor de paardenfokkerij én voor de rundveehouderij van 80 runderen S dat de paardenfokkerij en de rundveehouderij voor 80 runderen geëxploi- teerd werden in afzonderlijke stallen op afzonderlijke percelen. Eveneens blijkt dat de plaatsen in de rundveehouderij tot op dat ogenblik voor meer dan de helft effectief bezet waren (minstens 30 runderen op naam van Charles Borra, minstens 11 runderen op naam van Willy Borra). Bijgevolg is het onbetwistbaar dat de paardenfokkerij niet diende en zelfs niet kon in rekening gebracht worden voor de handhaving van de milieuver- gunning voor de rundveehouderij. d/ Tenslotte werd onder randnr. 2/1 hiervoor aangetoond dat er zowel bij de aanvankelijk beoogde schikking van de nieuwe stal als bij de uiteindelijk uitgevoerde schikking van de nieuwe stal (waarbij van de 10 paardenboxen en de 6 groepsboxen voor jaarlingen, waarvan sprake op het plan gevoegd bij de melding dd. 01/04/99 in feite 4 paardenboxen gerealiseerd werden als stalling voor 16 runderen en 6 groepsboxen voor jaarlingen gerealiseerd werden als stalling voor 24 runderen) voldoende ruimte is voor de rundvee- houderij met 80 runderen, als voor de paardenfokkerij. e/ Besluit. Gelet op wat voorafgaat volhardt verzoeker dat in het bestreden besluit ten onrechte aangenomen wordt: 'dat bij de vorige beslissing in beroep van de Bestendige Deputatie dd. 22.07.1999 reeds rekening gehouden werd met de aangifte van de paarden. zodat er nu geen rekening kan gehouden worden met de aangifte van de paarden, vermits die reeds gediend hebben om de afgeleverde eerste milieuvergunning te laten voortbestaan in beroep.' D.i. een dwaling omtrent de feiten, die ertoe geleid heeft dat het bestreden besluit ten onrechte niet onderzocht heeft of de inrichting van verzoeker ogv. art. 36, 6/ overgangsregeling Mestdecreet kon uitgebreid worden met de paardenfokkerij. Het eerste middel tot nietigverklaring is gegrond"; 2.1.4.
- Overwegende dat de Raad van State inzake de feitelijke gegevens van de zaak slechts over een marginaal toetsingsrecht beschikt, in die zin dat slechts tot de onwettigheid van een bestreden besluit kan worden besloten indien de feitelijke gegevens waarop het besluit is gebaseerd kennelijk verkeerd gekwalifi- ceerd werden; dat dit in casu impliceert dat dient te worden onderzocht of de verwerende partij kennelijk ten onrechte heeft aangenomen dat de aangifte van de uitbreiding met 23 paarden niet in aanmerking kan worden genomen vermits deze paarden reeds bij de vorige beslissing van 22 juli 1999 in rekening werden gebracht; 2.1.4.
- Overwegende dat, op basis van het administratief dossier en de door de partijen neergelegde stukken, wordt vastgesteld dat uit de mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1999 (productiejaar 1998) op naam van Willy BORRA -dit is na overname van de inrichting van zijn vader- blijkt dat 23 paarden werden VII-24.140-13/16 opgegeven, en dat in de beslissing van de verwerende partij van 22 juli 1999 waarbij zij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen de aktename van de verplaatsing van 80 dieren naar de stal gelegen te Vladslo, aan de Brugse Heerweg 22, afwijst, eveneens wordt verwezen naar het feit dat de mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1999, 23 paarden vermeldt; Overwegende dat uit het voorgaande niet kan worden besloten dat de verwerende partij bij het nemen van het bestreden besluit kennelijk ten onrechte heeft aangenomen dat de 23 paarden reeds in rekening waren gebracht bij de aktename van de verplaatsing van de dieren, en dat deze dieren meer bepaald in rekening werden gebracht om de oorspronkelijke basisvergunning voor 80 dieren nog als rechtsgeldig te beschouwen; 2.1.4.
- Overwegende dat verzoeker deze feitelijke vaststelling poogt te weerleggen aan de hand van een theoretische redenering op basis waarvan besloten zou kunnen worden dat de aanwezigheid van de 23 paarden niet vereist was om de basisvergunning van 80 dieren te laten voortbestaan; dat verzoeker meer bepaald uit het feit dat in de beslissing van de verwerende partij van 22 juli 1999 met betrekking tot de inrichting te Vladslo gesteld wordt "dat er voldoende aanwijzingen zijn waaruit blijkt dat er steeds een 30-tal runderen werden gehouden" (in afwijking van hetgeen de mestbankaangiften vermelden), afleidt dat de verwerende partij bij het nemen van de beslissing van 22 juli 1999 op grond van de omzendbrief van 19 december 1996 betreffende de toepassing van het mestdecreet en de uitvoerings- besluiten ervan, de rechtsgeldigheid van de basisvergunning heeft aangenomen omdat het luidens die omzendbrief volstaat dat het gemiddeld aantal dieren dat de laatste twee jaar werd aangegeven bij de Mestbank 50 % of meer bedraagt van het globaal op de inrichting vergund aantal dieren om een volledig rechtsgeldige basisvergunning te behouden -voorwaarde waaraan verzoeker nipt voldoet wanneer geen rekening gehouden wordt met de 23 paarden; Overwegende dat verzoekers standpunt niet kan worden aangenomen; dat, vooreerst, wordt vastgesteld dat in de motivering van de beslissing van de verwerende partij van 22 juli 1999 nergens melding wordt gemaakt van de bedoelde omzendbrief, noch van de hierboven vermelde 50 %-regel, zodat uit die beslissing in ieder geval niet kan worden besloten dat de bedoelde regel werd toegepast om de basisvergunning van 80 dieren te laten voortbestaan; dat, integendeel, in die beslissing tevens melding wordt gemaakt van de 23 paarden op de mestbankaangifte voor het aanslagjaar 1999, zodat het veeleer aannemelijk VII-24.140-14/16 is dat de 23 paarden wel degelijk in rekening werden gebracht om de basisvergun- ning van 80 dieren te laten voortbestaan; 2.1.4.
- Overwegende dat uit het voorgaande slechts kan worden besloten dat de aangevoerde dwaling omtrent de feiten, en de eruit voortvloeiende aan- gevoerde schending van de motiveringsplicht, onvoldoende steun vindt in de stukken van het administratief dossier, zodat ook niet kan worden besloten dat de verwerende partij de feiten kennelijk verkeerd heeft gekwalificeerd; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel onwettigheden aanvoert vertrekkende van het uitgangspunt dat de paardenfokkerij niet begrepen was in de aanvankelijke milieuvergunning voor 80 dieren; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, aangenomen wordt dat de 23 paarden wel degelijk in rekening werden gebracht om de basisvergunning van 80 dieren te laten voortbestaan, zodat dit tweede middel feitelijke grondslag mist en niet verder hoeft te worden onderzocht; dat dienvolgens evenmin moet worden ingegaan op de door verzoeker in de memorie van wederantwoord in subsidiaire orde gesuggereerde prejudiciële vraag, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. VII-24.140-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.140-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.168 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div