← België

Arrest 170169 - Milieuvergunningen - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.169 Rolnummer: A. 107559/VII-24119 Zaak: Arrest 170169 - Milieuvergunningen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-21 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.169 van 19 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.169 van 19 april 2007 in de zaak A. 107.559/VII-24.119 In zake : Jan MOERMAN, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN WYNSBERGE, kantoor houdende te LEUVEN, Diestsevest 113 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jan MOERMAN op 17 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 10 mei 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Avelgem van 5 februari 2001, waarmee aan verzoeker de milieuvergunning wordt verleend voor het verder exploiteren en veranderen van een rundveefokkerij, gelegen aan de Hulstraat 19 te Avelgem, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de vergunning wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 108.519 van 27 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 7 augustus 2002, ingediend door verzoeker; Gezien de memorie van antwoord en de memorie van wederant- woord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; VII-24.119-1/20 Gelet op de beschikking van 8 juni 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAN WYNSBERGE, die verschijnt voor verzoeker, en van adjunct-adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De rechtspleging Overwegende dat de memorie van antwoord buiten de door artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State voorgeschreven termijn van dertig dagen werd ingediend; dat krachtens artikel 21, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de laattijdig ingediende memorie van antwoord ambtshalve uit de debatten wordt geweerd; 2. De feiten Overwegende dat de voor de oplossing van het geschil relevante gegevens als volgt kunnen worden samengevat: 2.1. Verzoeker exploiteert, naar eigen zeggen sinds 1978 en blijkbaar tot januari 1997 zonder de vereiste vergunningen, een landbouwbedrijf in Avelgem, dat voorheen werd geëxploiteerd door zijn vader. VII-24.119-2/20 Bij besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Avelgem van 13 januari 1997 wordt hem een milieuvergunning verleend voor de regularisatie en uitbreiding van een rundveefokkerij met 30 gespeende runderen, 40 melkkoeien, 907 m³ mestopslag, 3 tractoren, 5 aanhangwagens, de opslag van 10.000 liter mazout, een koelinstallatie van 15,5 kW en de lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater, en dit voor een termijn die eindigt op 31 december 1998. De inrichting ligt deels in woongebied met landelijk karakter, deels in agrarisch gebied. 2.2. Op 4 december 2000, bijna twee jaar nadat de vorige vergunning was komen te vervallen, dient verzoeker een milieuvergunningsaanvraag in voor de verdere exploitatie van de inrichting. Hij vraagt tevens een uitbreiding om te komen tot 70 runderen, 40 melkkoeien, de opslag van 400 liter olie, 907 m³ mest, 400 m³ groenvoeders en 10.000 liter mazout, een stelplaats voor 8 bedrijfsvoertuigen en -aanhangwagens, koelinstallaties van 15,5 kW, één verdeelslang, een noodgroep van 40 kW, een verbuisde boorput en de lozing van huishoudelijk afvalwater in oppervlaktewater. De Vlaamse Landmaatschappij verleent een ongunstig advies, omdat de inrichting op heden geen vergunde mestproductie heeft, de laattijdige hernieuwing als een nieuwe vergunning wordt beschouwd en, door de vergunning te verlenen, derhalve de vergunde mestproductie zou stijgen. Op 5 februari 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning, verwijzend naar de vorige milieuvergunning verleend op 13 januari 1997 tot 31 december 1998 en "overwegende dat het opleggen van deze korte periode niets te maken had met de inrichting zelf, maar met een mogelijke verandering van de wetgeving; dat het aflopen van deze korte periode door de aanvrager over het hoofd werd gezien". 2.3. De Vlaamse Landmaatschappij tekent administratief beroep aan tegen de vergunning. In het beroepschrift wordt gesteld: "(...) Op deze inrichting waren volgende vergunningsbeslissingen -met betrekking tot de rubrieken 9.3 tot en met 9.8, 28.2 en 28.3 van de VLAREM I indelingslijst- gekend: 13/01/1997: regularisatie en uitbreiding van een rundveefokkerij tot een totaal van 30 gespeende runderen, 40 melkkoeien en 907 m³ mestopslag (CBS tot 31/12/1998) VII-24.119-3/20 Dit houdt in dat de inrichting sedert 1 januari 1999 niet langer vergund is tot het houden van runderen, noch mestopslag. Via het bestreden besluit van 5 februari 2001, wordt toch vergunning verleend voor het verder exploiteren van 70 runderen en 907 m³ mestopslag en dit voor een termijn eindigend op 20/04/2018. Het omstreden besluit houdt derhalve een stijging van de vergunde mestproductie in en is in strijd met de bepalingen van artikel 33ter §1, 1/

  1. c)van het mestdecreet". Voorts wordt nog opgemerkt dat "het reeds de tweede maal is dat de exploitant een verplichting 'over het hoofd ziet'". Daartoe wordt verwezen naar de aanvraag tot regularisatie die verzoeker in 1996 had ingediend, nadat het college van burgemeester in 1990 reeds gesteld had geen akte te kunnen nemen van de 95 runderen waarvan verzoeker melding had gedaan, omdat deze toen reeds vergunningsplichtig waren. 2.4. Naar aanleiding van het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij worden de volgende adviezen verleend: S de afdeling Milieuvergunningen West-Vlaanderen is van oordeel dat, gezien het feit dat de laatst verleende vergunning verstreken is op 31 december1998, het dus een aanvraag voor een nieuwe inrichting betreft, dat de vergunde mestpro- ductie tot nul is herleid en dat de huidige milieuvergunningsaanvraag een uitbreiding van de mestproductie met zich meebrengt, wat niet verenigbaar is met artikel 33ter, §1, van het meststoffendecreet; S de Provinciale Milieuvergunningscommissie baseert haar advies op identieke overwegingen. 2.5. Op 10 mei 2001 wordt het bestreden besluit genomen. Het motief waarop de weigering is gebaseerd luidt als volgt: "Overwegende dat volgens het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van Avelgem d.d. 13/1/1997 de exploitant op 12/9/1990 aangifte deed van zijn inrichting waaronder 55 koeien, 40 stuks jongvee en 380 m³ mest; dat hiervan geen akte kon genomen worden gezien het een exploitatie betrof die reeds voordien vergunningsplichtig was; dat dit een juiste beslissing was gezien de ligging van de rundveestallen in een woongebied met landelijk karakter; dat de exploitant naliet een vergunningsaanvraag in te dienen om zijn vergunningstoestand te regulariseren; dat de inrichting tot 13/1/1997 werd uitgebaat zonder vergunning voor het houden van dieren; dat het College van Burgemeester en Schepenen op 13/1/1997 een vergunning verleende voor het uitbaten van een rundveebedrijf; dat deze op 13/1/1997 verleende vergunning verstreken is op 31/12/1998 en dat sedertdien zonder een geldige vergunning hetzelfde rundveebedrijf wordt uitgebaat; VII-24.119-4/20 dat het feit dat het College van Burgemeester en Schepenen zo'n korte vergunningstermijn toestond in functie van een mogelijke aanpassing van het mestdecreet, hier niets van af doet; Overwegende dat het volgens de Vlarem-regelgeving een aanvraag voor een nieuwe inrichting betreft; Overwegende dat in voorgaande beslissingen van de minister in het kader van beroepsprocedures inzake laattijdige hernieuwingsaanvragen de stelling werd ingenomen dat door het feit dat de vergunning reeds vervallen is, de vergunde mestproductie tot nul is herleid en dat de huidige milieuvergunnings- aanvraag derhalve een uitbreiding van de mestproductie met zich meebrengt, wat niet verenigbaar is met artikel 33ter, §1 van het mestdecreet; Overwegende dat de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw recent bij de provinciale overheden heeft aangedrongen op een strikte toepassing van een streng vergunningenbeleid voor de realisatie van het mestbeleid dat de Vlaamse regering heeft ontwikkeld ten einde de Europese Nitraatrichtlijn 91/676 te kunnen halen; dat bijgevolg de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltin- richtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergege- ven worden: 'De vergunning werd in 1997 slechts toegestaan voor 2 jaar. Dit was ook al een regularisatie. Er werd aangifte gedaan maar doordat het bedrijf in woongebied met landelijk karakter ligt, moest er een milieuvergunningsaan- vraag worden ingediend. De exploitant was van mening dat de vergunning in 1997 voor een langere termijn werd verleend. Voor de rest is de exploitant met alles in orde. We vragen billijkheid van de Provinciale Milieuvergunningscom- missie.' Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat bijgevolg het beroep gegrond is"; 3. De gegrondheid 3.1.1. Overwegende dat verzoeker het eerste middel baseert op de schending van artikel 33ter, §1, 1/, en 3/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet), en op machtsoverschrijding; dat dit middel als volgt wordt toegelicht: "Doordat de bestreden beslissing werd gebaseerd op de overweging dat, 'in voorgaande beslissingen van de minister in het kader van beroepsprocedures inzake laattijdige hernieuwingsaanvragen de stelling werd ingenomen dat door het feit dat de vergunning reeds vervallen is, de vergunde mestproductie tot nul herleid is en dat de huidige milieuvergunningsaanvraag derhalve een uitbrei- ding van de mestproductie met zich meebrengt, wat niet verenigbaar is met art. 33ter, §1 van het mestdecreet', Terwijl het bedrijf van verzoeker als een bestaande veeteeltinrichting moet worden gekwalificeerd die om hernieuwing van de vergunning heeft verzocht, en geen enkele bepaling binnen art. 33ter, §1 (noch binnen art. 33ter als dusdanig) van het mestdecreet een wettelijke grondslag vormt tot weigering van de gevraagde vergunning. VII-24.119-5/20 Art. 33ter, §1, 1/ van het mestdecreet schrijft voor: 'Met betrekking tot de exploitatie van landbouw- en veeteeltinrichtin- gen gelden de volgende regels: 1/ tot en met 31 december 2004:
  2. a)moet een exploitant het aantal dieren, als bedoeld in artikel 5 in zijn landbouw en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan zodanig beperken dat de productie aan dierlijke mest niet hoger is dan de nutriëntenhalte toegewezen aan de landbouw en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan, tenzij het gaat om een overdracht van een melkquotum waarbij de nutriëntenhalte van de inrichting die het melkquotum afstaat evenwaardig wordt verminderd;
  3. b)mag een exploitant de vermindering van de nutriëntenproductie uit dierlijke mest ingevolge aanwending van nutriëntenarm voeder en toepassing van voedertechnieken als bedoeld in art. 5, §2, of bereikt ingevolge de mestuitscheidingsbalans als bedoeld in artikel 20bis, §2, 2/ niet opvullen met een verhoging van het aantal dieren dat wordt gehouden in de beschouwde landbouw- en/of veeteeltinrichting en/of deel hiervan;
  4. c)kan met betrekking tot de diersoorten, bedoeld in artikel 5, geen milieuvergunning als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning worden verleend voor nieuwe veeteeltinrichtingen, noch voor veranderingen van bestaande veeteeltinrichtingen die een verhoging van de vergunde mest- productie (te berekenen volgens art. 33bis, §2) van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg hebben, behoudens wanneer het gaat om een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkaveling, landinrichting, natuurinrich- ting en/of onteigeningen om openbaar nut en de nieuwe of bijkomende mestproductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltinrichting.' Het vergunningenbeleid zoals dit vandaag wordt gevoerd is, bij gebreke aan een specifiek uitvoeringsbesluit, vervat in dit artikel en meer specifiek in het onderdeel
  5. c)(de onderdelen
  6. a)en
  7. b)gaan respectievelijk over de beperking van de dierlijke mestproductie op bedrijfsniveau als gevolg van de invoering van de nutriëntenhalte, en de beperking van de nutriëntenproductie die niet mag worden opgevuld door het houden van meer dieren). Art. 33ter, §l, 1/,
  8. c)van het mestdecreet omschrijft nu meer concreet wanneer er geen milieuvergunning kan worden verleend. Deze limitatieve 'opsomming' betreft volgende gevallen: S er kan geen vergunning worden verleend voor een nieuwe veeteeltinrichting; S er kan geen vergunning worden verleend voor de verandering van een bestaande veeteeltinrichting die een verhoging van de vergunde mestproduc- tie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg heeft. In dit laatste geval wordt evenwel meteen ook een uitzondering gemaakt voor de herlokalisatie van een bestaande veeteeltinrichting voortvloeiende uit ruilverkaveling, landinrichting, natuurinrichting en/of een onteigening om openbaar nut, in welke gevallen wèl een vergunning kan worden afgeleverd mits voldaan wordt aan de voorwaarde dat de nieuwe of bijkomende mestpro- ductie niet hoger is dan deze van de definitief stopgezette bestaande veeteeltin- richting. Aangezien deze bepaling de situaties beschrijft in dewelke er geen milieuvergunning kan worden afgeleverd, dient dit onderdeel van het artikel restrictief te worden gelezen en kan er bijgevolg niet anders dan van een limitatieve opsomming sprake zijn. Het is niet mogelijk om andere situaties hieronder 'naar analogie' te gaan catalogeren. VII-24.119-6/20 Art. 33ter, §1, 1/,
  9. c)bepaalt m.a.w. op duidelijke wijze in welke gevallen het niet langer mogelijk is een milieuvergunning te verlenen. Aangezien in de bestreden beslissing werd geoordeeld dat er geen vergunning kon worden afgeleverd omwille van toepassing van het art. 33ter, §1 zou verzoeker zich dus in één van deze restrictief beschreven situaties moeten bevinden (vermits de overige bepalingen van deze paragraaf van art. 33ter -zoals hierna trouwens nog wordt toegelicht- ter zake evenmin toepassing kunnen vinden). Dit blijkt niet het geval te zijn zoals hierna wordt uiteengezet. Voor een goed begrip van de bovengenoemde bepaling is het noodzakelijk om de wettelijke definiëring van een aantal begrippen weer te geven. Een 'nieuwe inrichting' wordt cfr. art. 2, 5/ van het mestdecreet omschreven als 'een inrichting waarvan, voor wat betreft het aanslagjaar 1993, voor 29 september 1993 geen aangifte werd gedaan bij de Mestbank'. Een 'bestaande veeteeltinrichting' wordt volgens ditzelfde art. 2, 7/ gedefi- nieerd als 'een veeteeltinrichting waarvoor:
  10. a)ofwel de definitieve bouwvergunning werd verleend voor 1 september 1991 en waarvan minstens voor wat betreft het aanslagjaar 1992 of 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank en in deze aangifte, die op de inrichting betrekking heeft, dieren zijn aangegeven;
  11. b)ofwel de definitieve bouwvergunning en milieuvergunning tussen 1 januari 1991 en 1 januari 1997 werden bekomen en waarvoor tijdig binnen de wettelijk voorziene periode aan de vereiste aangifteplicht in het kader van dit decreet is voldaan;
  12. c)ofwel de definitieve milieuvergunning na 31 december 1995 werd bekomen als gevolg van een vergunningsaanvraag ingediend volgens de procedure voorzien in het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming;
  13. d)ofwel de definitieve milieuvergunning werd bekomen als gevolg van een herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting'. Het bedrijf van verzoeker kan zeer bezwaarlijk als een 'nieuwe inrichting' worden beschouwd in het licht van de decretale definitie van dit begrip; er werd een aangifte voor het aanslagjaar 1993 ingediend bij de Mestbank en dit gebeurde zeker voor 29 september 1993 (stuk 5). Het staat m.a.w. buiten kijf dat het bedrijf van verzoeker geen nieuwe inrichting in de zin van het mestdecreet uitmaakt. Het bedrijf voldoet daarentegen wèl aan de kwalificatie van 'bestaande veeteeltinrichting'. Aangezien de bedrijfsgebouwen dateren van voor 1962 worden deze als vergund beschouwd en er werd voor het aanslagjaar 1993 tijdig aangifte gedaan bij de Mestbank, zodat voldaan is aan de definitie van art. 2, 7/,
  14. a)van het mestdecreet. Er kan bijgevolg evenmin betwist worden dat het bedrijf van verzoeker moet beschouwd worden als een bestaande veeteeltin- richting. Waar art. 33ter, §1, 1/,
  15. c)in eerste instantie bepaalt dat er geen vergunning kan afgeleverd worden aan nieuwe inrichtingen, kan dit onderdeel van de bepaling alleszins geen toepassing vinden in hoofde van verzoeker vermits het bedrijf zeker niet als een 'nieuwe inrichting' kan worden gekwalificeerd, noch in de zin van het mestdecreet, noch in de zin van het Vlarem. Er kan volgens het genoemde artikel evenmin een vergunning worden afgeleverd wanneer de aanvraag een verandering van een bestaande veeteeltin- richting betreft die een verhoging van de vergunde mestproductie van de bestaande veeteeltinrichting tot gevolg heeft. De 'verandering van een inrichting' wordt vervolgens gedefinieerd in art. 2, 4/ van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 (definitie die wordt hernomen in art. 1, 7/ van het Vlarem I) als 'wijzigen, uitbreiden, toevoegen; VII-24.119-7/20 S wijzigen: het verplaatsen binnen de vergunde inrichting, of het aanwenden van een andere fabricagemethode; S uitbreiden: het vergroten in capaciteit, in drijfkracht of in oppervlakte op percelen waarop de geldende vergunning betrekking heeft; S toevoegen: het vergroten in opslagcapaciteit, in drijfkracht of in opper- vlakte op percelen waarop de geldende vergunning geen betrekking heeft'. Deze in het milieuvergunningsdecreet en in het Vlarem I opgenomen definitie van 'veranderen' is de enige gekende definitie van dit begrip; het mestdecreet geeft geen afwijkende omschrijving van deze term. Uit de libellering van deze bepaling blijkt zeer duidelijk dat er per definitie enkel sprake kan zijn van een 'verandering' als het gaat over een vergunde inrichting. Een aanvraag tot verandering van een inrichting kan uitsluitend betrekking hebben op een vergunde inrichtingstoestand! In casu kan ten eerste niet worden ontkend dat op het ogenblik van de vergunningsaanvraag de inrichting niet meer vergund was wegens het verval van de vorige vergunning en er om die reden strikt genomen dus ook niet over een aanvraag tot verandering van de inrichting kan worden gesproken. De aanvraag kon enkel betrekking hebben op een verandering wanneer de exploitatie vergund was op het ogenblik van de aanvraag. Dit was niet het geval. In casu betrof de aanvraag het verzoek tot het toekennen van een nieuwe vergunning aan een bestaande en voorheen reeds vergunde bedrijfsexploitatie. Nergens in de bestreden beslissing wordt het tegendeel beweerd; er wordt meerdere malen expliciet vermeld dat de vergunning van de inrichting vervallen is. Dat deze zienswijze de enige correcte interpretatie van 'veranderen' inhoudt, blijkt ook uit het arrest van de Raad nr. 93.653 van 1 maart 2001 waar inzake het vijfde middel de Raad oordeelt 'Uit de bepaling van art. 2, 4/ van het milieuvergunningsdecreet volgt dat van het 'veranderen' van een inrichting sprake is wanneer de inrichting reeds over een vergunning beschikt'. In dat licht lijkt de weigering van de aangevraagde olieopslag in vaten, de verdeelslang, de noodstroomgroep en de groenvoederopslag terecht, aangezien zij in de aanvraag werden benoemd als 'verandering' hetgeen strijdig is met de definitie. De vergunningverlenende overheid zou hieruit evenwel kunnen besloten hebben dat dit deel van de aanvraag zonder voorwerp is. Overigens dient hier ook art. 5, §2, 5/ van het Vlarem I te worden vermeld. Dit artikel schrijft voor dat een milieuvergunningsaanvraag dient te gebeuren d.m.v. het model dat is vastgelegd in de bijlage 4 van het besluit en dat formulier bevat ten minste een aantal opgesomde gegevens, waaronder (5/): de vermelding of het gaat om: S de exploitatie van een nieuwe inrichting; S het hernieuwen van een vergunning voor een bestaande inrichting; S de exploitatie van een inrichting die na wijziging of aanvulling van de indelingslijst vergunningsplichtig wordt; S het veranderen van een inrichting met precisering dat het betreft: S een wijziging; S een uitbreiding; S een toevoeging; S de exploitatie van een tijdelijke inrichting. Verzoeker kon wat betreft het voorwerp van de aanvraag die hij heeft gedaan, niets anders aankruisen dan de 2/ situatie, het hernieuwen van een vergunning voor een bestaande inrichting. Dit was de enige correcte vermelding; de overige beschreven situaties konden op zijn aanvraag niet van toepassing zijn. Zoals hoger reeds duidelijk werd aangegeven betrof de aanvraag zeker geen exploitatie van een nieuwe VII-24.119-8/20 inrichting en omwille van de afwezigheid van vergunning kon de aanvraag zeker ook niet als een verandering van een inrichting worden gekwalificeerd. Evenmin ging het om een exploitatie die vergunningsplichtig geworden is door een aanpassing van de indelingslijst of de exploitatie van een tijdelijke inrichting. Er kan derhalve uitsluitend sprake zijn van een hernieuwing van een vergunning voor een bestaande inrichting. Het begrip 'hernieuwing' wordt overigens nergens gedefinieerd, noch in het mestdecreet, noch in het milieuver- gunningsdecreet of het Vlarem zodat bezwaarlijk kan worden volgehouden dat het in casu niet om een hernieuwing zou gaan. Aangezien derhalve het vergunningenbeleid zoals vervat in art. 33ter, §1, l/,
  16. c)van het mestdecreet op beperkende wijze slechts die gevallen omschrijft waarin het niet mogelijk is een vergunning af te leveren en de situatie van verzoeker niet onder één van deze gevallen ressorteert, heeft de Bestendige Deputatie het art. 33ter, §1, 1/,
  17. c)geschonden door de weigering van de gevraagde milieuvergunning toch op dit artikel te baseren en heeft zij zich dientengevolge tevens schuldig gemaakt aan machtsoverschrijding. Er is op dit ogenblik geen enkele decretale of andere reglementaire bepaling voorhanden waarop de weigering tot hernieuwing van de door verzoeker gevraagde vergunning rechtsgeldig kan worden gebaseerd. De weigering van vergunning vindt evenmin een grondslag in de overige bepaling m.b.t. het huidige vergunningenbeleid, vervat in het art. 33ter, §1, 3/ van het mestdecreet dat stelt 'vanaf 1 januari 2000 kan binnen de perken van dit artikel de milieuvergunning, als bedoeld in het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, zowel voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting of voor de verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie, slechts worden verleend inzoverre in het kader van de overeenkomstige milieuvergun- ningsaanvraag als bedoeld in het decreet van 28 juni 1995 betreffende de milieuvergunning, voor de drie voorafgaande kalenderjaren voor de desbetref- fende veeteeltinrichting werd voldaan aan de aangifteplicht bij de Mestbank en in zoverre de mestproductie die op de veeteeltinrichting voor de drie voorgaan- de kalenderjaren werd geproduceerd, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet werd afgezet'. Hierbij worden de voorwaarden omschreven die o.m. dienen vervuld te zijn opdat de aangevraagde vergunning zou kunnen worden afgeleverd. Het betreft hier 2 soorten aanvragen, nl. enerzijds de aanvraag tot vergunning voor de verdere exploitatie van een veeteeltinrichting, en anderzijds de aanvraag tot verandering of herlocalisatie van een bestaande veeteeltinrichting zonder verhoging van de vergunde mestproductie. Zulke aanvragen komen bijgevolg principieel voor vergunning in aanmerking, meerbepaald mits het voldaan zijn van de in het onderdeel beschreven voorwaarden. Verzoeker voldeed aan alle in dit artikel gestelde voorwaarden; het niet stijgen van de vergunde mestproductie is immers geen voorwaarde wanneer het gaat om een aanvraag tot verdere exploitatie van het bedrijf. Ook deze bepaling verhinderde dus niet dat er aan verzoeker een milieuvergun- ning kon worden afgeleverd; het maakte integendeel een positieve vergunnings- beslissing precies mogelijk vermits de aanvraag van verzoeker de verdere exploitatie van zijn veeteeltinrichting betrof! Bovendien impliceert 'het verder exploiteren' van een veeteeltinrichting geenszins dat er op het ogenblik van de aanvraag nog een geldige vergunning moet zijn. De bestreden beslissing maakt volgens verzoeker dan ook een foutieve, meer zelfs, een oneigenlijke toepassing van art. 33ter, §1, 1/ en 3/ van het mestde- creet en is om die reden onwettig. VII-24.119-9/20 Door zich niettemin op genoemd artikel te baseren om de gevraagde milieuvergunning te weigeren heeft de Deputatie zich daarenboven schuldig gemaakt aan machtsoverschrijding"; 3.1.2. Overwegende dat verzoeker dit middel ontwikkelt vertrekkende van het uitgangspunt dat, gelet op de definities opgenomen in artikel 2, 5/, en 2, 7/, van het meststoffendecreet van respectievelijk de begrippen 'nieuwe inrichting' en 'bestaande veeteeltinrichting', het al dan niet milieuvergund zijn geen criterium is om te bepalen of een veeteeltinrichting 'bestaand' is; dat dit uitgangspunt niet correct is; dat, vooreerst, het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) en Vlarem I wel degelijk in een sanctie voorzien in geval van niet-tijdige hernieuwing van de lopende vergunning; dat uit de samenle- zing van de artikelen 4, §1, 18, §2, 18, §3, eerste lid, en 18, §5, van het milieuver- gunningsdecreet, en van artikel 39, §1, en §4, van Vlarem I voortvloeit dat bij gebreke aan tijdige hernieuwing van de lopende vergunning de exploitatie stopgezet moet worden; dat, met name, artikel 4, §1, van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt: "Niemand mag, zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of tweede klasse exploiteren of veranderen"; dat artikel 18, §2, van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt: "De vergunning wordt verleend voor een bepaalde duur van ten hoogste twintig jaar, de eventuele proeftijd inbegrepen"; dat artikel 18, §3, eerste lid, van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt: "Tussen de achttiende en de twaalfde maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning moet bij de bevoegde overheid een nieuwe vergunning worden aangevraagd"; dat artikel 18, §5, van het milieuvergunningsdecreet als volgt luidt: "De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast in verband met de duur en de hernieuwing van de vergunning"; dat artikel 39, §1, van Vlarem I als volgt luidt: "De hernieuwing van een vergunning andere dan deze bedoeld in artikel 6, § 1, 2/,
  18. d)dient overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 5 en 6 aangevraagd tussen de achttiende en twaalfde maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning"; VII-24.119-10/20 en dat artikel 39, §4, van Vlarem I als volgt luidt: "Indien de exploitant de vergunningsaanvraag als bedoeld in de § 1 niet binnen de respectieve in de § 1 bedoelde termijnen heeft ingediend, dient de exploitatie bij het verstrijken van de lopende vergunning stopgezet, tenzij vóór het verstrijken van de termijn van de lopende vergunning een nieuwe vergunning werd bekomen"; dat, aangezien in casu de hernieuwingsaanvraag bijna twee jaar na het verstrijken van de lopende vergunning werd ingediend, verzoeker niet meer rechtsgeldig kon exploiteren bij gebreke aan een vergunning; dat de verwerende partij de aanvraag terecht (her)kwalificeerde als een aanvraag voor een nieuwe inrichting, waarvoor luidens artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet geen vergunning kon worden verleend; Overwegende dat de inrichting van verzoeker evenmin als een bestaande veeteeltinrichting in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet kan worden beschouwd, vermits die definitie impliceert dat het een vergunde bestaande inrichting betreft; dat inzake milieuvergunningen voor veeteeltinrichting- en -en bijgevolg per definitie mestproducerende inrichtingen- de bepalingen van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten mee in acht genomen dienen te worden; dat inzake milieuvergunningen voor veeteeltinrichtingen beide decreten en hun uitvoeringsbesluiten steeds samengelezen moeten worden, waarbij voorwaarden die niet door het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten zijn opgelegd wel voorgeschreven kunnen zijn door het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoerings- besluiten; dat in die context niet kan worden aangenomen dat de vraag of een veeteeltinrichting al of niet milieuvergund is, zonder belang zou zijn om te bepalen of een dergelijke inrichting al dan niet als bestaande veeteeltinrichting in de zin van artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet kan worden gekwalificeerd; Overwegende dat verzoekers stelling dat het bestreden besluit het begrip 'bestaande veeteeltinrichting' zoals bedoeld in artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet miskent, niet kan worden aangenomen; dat luidens deze bepaling een 'bestaande veeteeltinrichting' een inrichting is waarvoor vóór 1 september 1991 een definitieve bouwvergunning werd verleend en waarvoor minstens voor wat betreft het aanslagjaar 1993 aangifte werd gedaan bij de Mestbank; dat het voldoen aan deze voorwaarden de exploitant er niet van ontslaat over een voorafgaande en schriftelijke vergunning te beschikken, op grond van de hierboven vermelde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I; dat het begrip 'bestaande VII-24.119-11/20 veeteeltinrichting' zoals gedefinieerd in artikel 2, 7/, van het meststoffendecreet tevens veronderstelt dat deze bestaande veeteeltinrichting nog vergund is; Overwegende dat verzoeker voorts nog aanvoert dat zijn inrichting in aanmerking kwam voor verdere exploitatie overeenkomstig de voorwaarden van artikel 33ter, §1, 3/, van het meststoffendecreet, waarbij het verder exploiteren van deze inrichting niet impliceert dat er nog een geldige vergunning moet zijn; dat dit onderdeel aldus wordt ontwikkeld op grond van hetzelfde verkeerde uitgangspunt dat het zou volstaan te voldoen aan de voorwaarden van het meststoffendecreet en zijn uitvoeringsbesluiten zonder de bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en zijn uitvoeringsbesluiten in acht te moeten nemen; dat mutatis mutandis kan worden verwezen naar hetgeen hoger werd uiteengezet, op grond waarvan kan worden besloten dat het verder exploiteren van een veeteeltin- richting wel degelijk impliceert dat het een vergunde veeteeltinrichting betreft; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, het eerste middel niet gegrond is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van "de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het redelijkheidsbeginsel en meer specifiek nog het proportionaliteitsbeginsel"; dat dit middel als volgt wordt toegelicht: "Doordat de bestreden beslissing aan de exploitatie van verzoeker geen milieuvergunning meer toekent en het bedrijf daardoor volkomen in zijn voortbestaan wordt bedreigd. Dergelijke beslissing kon slechts worden genomen door een foutieve interpretatie van het art. 33ter, §1 van het mestdecreet, met name door te oordelen dat de aanvraag een stijging van de vergunde mestproductie inhoudt hetgeen strijdig zou zijn met het genoemde artikel. De door de overheid aangehouden interpretatie maakt dat het voor verzoeker totaal onmogelijk is om zijn bestaande en voorheen vergunde bedrijfsvoering ooit nog opnieuw vergund te krijgen zodat hij door deze beslissing genoodzaakt wordt zijn bedrijf te sluiten. Terwijl de overheid in haar besluitvorming en derhalve in haar appreciatie- recht ten aanzien van de toepasselijke rechtsregels de grenzen van de redelijk- heid niet mag te buiten gaan. In het licht van het proportionaliteitsbeginsel, als vorm van het redelijkheidsbeginsel, betekent dit meer concreet dat in casu moet worden vastgesteld dat het nadeel dat door de beslissing wordt toegebracht aan de verzoekende partij, abnormaal zwaar is en niet in verhouding staat tot het voordeel dat uit deze beslissing zou kunnen voortvloeien en meer bepaald het doel van de milieureglementering. Het voordeel dat voortspruit uit de bestreden beslissing staat buiten elke redelijke verhouding tot het nadeel dat verzoeker erdoor ondergaat. Waar in het vorige middel werd aangetoond dat de bestreden beslissing, door de weigering om de milieuvergunning te verlenen uitsluitend te baseren VII-24.119-12/20 op de strijdigheid van de aanvraag met art. 33ter, §1 van het mestdecreet, een manifest foutieve toepassing heeft gemaakt van het genoemde art. 33ter, §1, strekt het tweede middel ertoe dat er daarenboven een onredelijke interpretatie van de betreffende rechtsregel is gemaakt hetgeen resulteert in een beslissing die een schending uitmaakt van het proportionaliteitsbeginsel. Zoals hierna zal blijken is de letterlijke toepassing van art. 33ter, §1, van het mestdecreet zoals door verzoeker in het eerste middel uiteengezet, overigens niet in tegenspraak met de geest en de bedoeling van de wetgeving. Zoals uit het eerste middel reeds is gebleken, kon de weigering van de milieuvergunning niet rechtsgeldig gebaseerd worden op de toepassing van art. 33ter, §1 van het mestdecreet. De overheid kon niet rechtsgeldig beslissen dat de aanvraag strijdig was met deze bepaling, noch door een zeer strikte lezing van het artikel, maar evenmin door interpretatie ervan. De bepaling van art. 33ter, §1 laat in eerste instantie geen ruimte voor interpretatie vermits ze voldoende duidelijk is, maar zelfs al diende er een interpretatie van deze rechtsregel te gebeuren, dan moet de overheid op redelijke wijze van haar appreciatiebevoegdheid gebruik maken. Ook dit is in onderhavig geval niet gebeurd. Er is integendeel een dermate strikte en foutieve interpretatie van de bepaling van art. 33ter gemaakt die voor gevolg heeft dat het bedrijf van verzoeker op geen enkele manier nog kan vergund worden. De gevolgen van deze enge zienswijze zijn bijgevolg uiterst verregaand en in hoofde van verzoeker zelfs manifest in het licht van het voortbestaan van het bedrijf. In het kader van de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het verzoekschrift tot schorsing werd reeds aangehaald dat het nadeel dat i.c. door de bestreden beslissing aan verzoeker wordt toegebracht abnormaal zwaar is, maar het staat daarenboven totaal niet in verhouding tot het voordeel dat uit de beslissing zou kunnen voortvloeien. Dit nadeel is des te groter omwille van het definitieve karakter ervan. De toepassing die de overheid vandaag maakt van het art. 33ter heeft voor gevolg dat verzoeker, zelfs wanneer hij nu een nieuwe aanvraag indient, zijn bedrijfsexploitatie nooit meer opnieuw vergund zal krijgen. Hij is genoodzaakt de voorheen vergunde en bestaande bedrijfsexploitatie volledig te stoppen. De exploitatie gaat bijgevolg helemaal teloor vermits deze ook op andere wijze niet meer te gelde zal kunnen gemaakt worden. Het hoeft geen verder betoog dat hier sprake is van een abnormaal zwaar nadeel dat bovendien buiten elke redelijke proportie staat in verhouding tot het 'voordeel' dat de bestreden beslissing inhoudt voor de overheid. De beoordeling van dit 'voordeel' dient te gebeuren met inachtneming van het doel van de milieureglementering, meer concreet het mestdecreet (als enige weigeringsgrond). Waar het mestdecreet in algemene zin de bescherming van het leefmilieu tot doel heeft, is er specifiek vanaf de invoering van het eerste Mestactieplan een 'stand-still beginsel' ingevoerd waar het huidige vergunningenbeleid de middelen toe moet aanreiken. Op een bepaald ogenblik heeft men geoordeeld de productie van dierlijke mest op het Vlaamse niveau aan banden te moeten leggen en niet meer boven bepaalde grenswaarden te laten stijgen (zie art. 33 van het mestdecreet). Eén van de maatregelen die past in dat kader is het voeren van een strikt vergun- ningenbeleid. Dit vergunningenbeleid is vandaag, bij gebreke van een specifiek uitvoerings- besluit daarover, uitsluitend vervat in het art. 33ter van het mestdecreet. In de memorie van toelichting bij de recente aanpassingen van het mestdecreet is het stand-still beginsel nog steeds opgenomen als één van de tien krachtlijnen van het mestbeleid (stuk 6). Daarin staat onder meer vermeld: '(...) De huidige bepalingen m.b.t. een stand-still op het niveau van het Vlaamse Gewest worden VII-24.119-13/20 onverminderd gehandhaafd. (...) Verder worden concrete beperkingen vastgesteld met betrekking tot de mogelijkheid om nieuwe veeteeltinrichtingen toe te laten alsook de verandering van bestaande veeteeltinrichtingen (het nieuw artikel 33ter).' In art. 33ter is bijgevolg opgenomen wat er vandaag niet meer kan worden toegelaten in het kader van de stand-still. De situatie van verzoeker kan zeer bezwaarlijk als een aanvraag worden beschouwd die een verhoging van de op Vlaams niveau geproduceerde hoeveelheid mest tot gevolg heeft. De aanvraag die aanleiding heeft gegeven tot de bestreden beslissing had betrekking op de hervergunning van de 70 runderen die sedert lange tijd (1978 en zelfs daarvoor
  19. al)op het bedrijf aanwezig zijn. Er kan derhalve redelijkerwijze niet volgehouden worden dat de aanvraag van verzoeker een stijging van de mestproductie tot gevolg heeft die om die reden niet verzoenbaar is met het stand-still beginsel zoals concreet vervat in de bepaling van art. 33ter. Er kan op geen enkele wijze of in geen enkel voorbereidend werk een aanwijzing teruggevonden worden van het feit dat men de stand-still wil bewerkstelligen door bestaande bedrijven niet langer te hervergunnen. Dit zou overigens een uiterst onredelijke maatregel zijn die evenmin proportioneel zou zijn in verhouding tot het door het mestdecreet bewerkstelligde doel. In het licht van bovenstaande argumenten moet dan ook besloten worden dat het 'voordeel' van de overheid bij de bestreden beslissing onduidelijk is. Als het voordeel er in bestaat dat men bestaande bedrijven liquideert om de doelstelling van het stand-still beginsel te bereiken, is dit zelfs een onrechtmatig voordeel. Hier kan dan nog aan worden toegevoegd dat het niet hervergunnen van bedrijven die laattijdig om een hernieuwing van hun milieuvergunning hebben verzocht uitsluitend in de veehouderij voorkomt. In alle andere sectoren is het perfect mogelijk en dus ook gangbare praktijk dat een hernieuwing van een reeds geruime tijd vervallen vergunning wordt toegestaan. Het onderscheid in behandeling t.a.v. veeteeltinrichtingen is volstrekt onduidelijk en daarom discriminatoir. Er dient hier overigens ook verwezen te worden naar een welbepaalde overweging die in de bestreden beslissing is opgenomen: 'Overwegende dat de Vlaamse minister van leefmilieu en landbouw recent bij de provinciale overheden heeft aangedrongen op een strikte toepassing van een streng vergunningenbeleid voor de realisatie van het mestbeleid dat de Vlaamse regering heeft ontwikkeld ten einde de Europese Nitraatrichtlijn 91/676 te kunnen halen; dat bijgevolg de billijkheidsredenen die in het verleden werden weerhouden voor het verlenen van milieuvergunningen aan veeteeltinrichtingen, voortaan niet meer in aanmerking kunnen genomen worden bij de beoordeling van soortgelijke dossiers'. Deze overweging leert verzoeker dat de weigeringsbeslissing uiteindelijk door de Deputatie werd genomen omdat deze door een hogere overheid werd 'verplicht' om een zeer strenge toepassing van het vergunningenbeleid te maken. Uit de omschrijving van deze overweging blijkt overigens dat eenzelfde vergunningsaanvraag eerder nog perfect kon worden goedgekeurd door de Deputatie (en dat dit ook effectief gebeurde) maar dat dit -op aandringen van de Minister- voortaan niet langer meer het geval mag zijn. Waar hoger werd gesteld dat het realiseren van de stand-still niet kan of mag gebeuren door bestaande bedrijven niet meer te hervergunnen omdat dit een uiterst onredelijke beleidsmaatregel zou zijn die geen enkele basis vindt in het decretale vergunningenbeleid, geeft deze overweging verzoeker de stellige indruk dat de Minister de lagere overheden ertoe heeft aangespoord toch op dergelijke wijze te beslissen. VII-24.119-14/20 Dit is m.a.w. een manifest onjuist gebruik van de beleidsvrijheid door zowel (en vooral) de Minister alsook door de Deputatie. Door op deze wijze de gevraagde milieuvergunning te weigeren is aan verzoeker een onevenredig nadeel berokkend en heeft de Bestendige Deputatie het redelijkheidsbeginsel, en daarmee ook het proportionaliteitsbeginsel, geschonden"; 3.2.2. Overwegende dat, hoewel verzoeker het middel omschrijft als een schending van het redelijkheidsbeginsel, en in het bijzonder van het proportionali- teitsbeginsel, vastgesteld moet worden dat hij het middel in belangrijke mate mede ontwikkelt vanuit het uitgangspunt dat de verwerende partij een oneigenlijke toepassing gemaakt heeft van artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, en dat zij dit artikel verkeerd heeft geïnterpreteerd; dat het middel in die mate een herhaling is van het eerste middel; dat het dan ook volstaat te verwijzen naar de bespreking van dat middel, waarbij besloten werd dat het bestreden besluit artikel 33ter, §1, 1/,
  20. c)niet schendt; Overwegende dat, in de mate dat in het middel de schending van het redelijkheidsbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel wordt ontwikkeld, de schending van beginselen van behoorlijk bestuur niet aangenomen kan worden indien de overheid bij het nemen van een beslissing niet over een discretionaire bevoegdheid beschikt, zoals dit in casu het geval is; dat artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet aan de vergunningverlenende overheid geen enkele appreciatiebevoegdheid geeft; dat de omstandigheid dat die overheid een decreetsbe- paling moet interpreteren niet gelijkgesteld kan worden met de bevoegdheid om te appreciëren, hetgeen een discretionaire beoordelingsruimte veronderstelt waarbinnen die overheid keuzes kan maken; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel is gebleken, de verwerende partij op grond van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I heeft vastgesteld dat de inrichting van verzoeker als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd, gelet op de laattijdige hernieuwingsaanvraag; dat zij luidens artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet geen vergunning kon verlenen voor een nieuwe inrichting en zij niet over enige appreciatieruimte beschikte; dat de omstandigheid dat in het verleden om billijkheidsredenen hiervan werd afgeweken, hieraan geen afbreuk kan doen vermits geen rechten uit de onwettigheid geput kunnen worden; Overwegende dat, aangezien artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet de verwerende partij geen andere keuze liet dan de vergunning te weigeren, de schending van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel niet VII-24.119-15/20 kan worden aangenomen; dat, in de mate dat in het middel ook kritiek wordt gegeven op artikel 33ter, §1, 1/, c), van het meststoffendecreet, de Raad van State niet bevoegd is om zich uit te spreken over de wettigheid van dat decreet; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, het tweede middel niet gegrond is; 3.3.1. Overwegende dat verzoeker zijn derde middel baseert op "de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsplicht, en de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen"; dat dit middel als volgt wordt toegelicht: "Doordat de bestreden beslissing in essentie gemotiveerd is door achtereen- volgens te stellen dat de aanvraag van verzoeker volgens de Vlarem-regelge- ving een nieuwe inrichting betreft, er in voorgaande beslissingen door de Minister in soortgelijke dossiers werd geoordeeld dat het gaat om aanvragen tot uitbreiding van de vergunde mestproductie hetgeen niet verenigbaar is met art. 33ter, §1 van het mestdecreet en tenslotte de Vlaamse Minister heeft aangedrongen op een strikte toepassing van het vergunningenbeleid, Terwijl ingevolge de motiveringsverplichting en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen elke eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden, in de akte de feitelijke en juridische overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze motivering bovendien afdoende moet zijn. De bestreden beslissing schendt de motiveringsverplichting omdat deze tevens impliceert dat een beslissing betreffende een milieuvergunnings- aanvraag dient rekening te houden met de eigen specifieke gegevens van het dossier en niet zonder meer mag worden geweigerd op basis van een verwijzing naar voorgaande ministeriële beslissingen in het kader van beroepsprocedures inzake laattijdige hernieuwingsaanvragen. De in het bestreden besluit opgenomen argumentatie is als volgt opgebouwd. In eerste instantie worden de verschillende adviezen van de adviesverlenen- de overheidsinstanties vernoemd -niet in extenso weergegeven- die allemaal gunstig waren. Vervolgens wordt verwezen naar het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen van 13 januari 1997 waarbij een vergunning tot eind 1998 werd toegekend. De bestreden beslissing vermeldt dan 'dat het volgens de Vlarem-regelgeving een aanvraag voor een nieuwe inrichting betreft'. Dit wordt geponeerd bij wijze van stelling maar wordt op geen enkele wijze toegelicht of verduidelijkt: de precieze, toepasselijke Vlarem-bepaling wordt niet eens vermeld. Waar verzoeker in het eerste middel infra reeds heeft betoogd dat zijn bedrijf volgens de in het mestdecreet en in Vlarem opgenomen wettelijke definitie niet als nieuwe inrichting kan worden beschouwd, beweert deze overweging het tegendeel. Het is verzoeker evenwel niet mogelijk op deze overweging te antwoorden vermits deze veel te vaag is weergegeven. Verzoeker kan uitsluitend de wettelijke definities ter zake toepassen en daarmee tot de VII-24.119-16/20 conclusie komen dat zijn bedrijf geenszins als een nieuwe inrichting kan worden beschouwd. De bestreden beslissing is bijgevolg op dit punt volstrekt onvoldoende gemotiveerd en bovendien niet correct. De bestreden beslissing vervolgt dan met 'Overwegende dat in voorgaande beslissingen van de Minister in het kader van beroepsprocedures inzake laattijdige hernieuwingsaanvragen de stelling werd ingenomen dat door het feit dat de vergunning reeds vervallen is, de vergunde mestproductie tot nul herleid is en dat de huidige milieuvergunningsaanvraag derhalve een uitbreiding van de mestproductie met zich meebrengt, wat niet verenigbaar is met art. 33ter, §1 van het mestdecreet'. Dergelijke algemene overweging is totaal in strijd met de motiveringsverplich- ting van een overheidsbeslissing die beoogt individuele rechtsgevolgen teweeg te brengen. De motiveringsplicht schrijft immers voor dat elke beslissing op afdoende wijze moet worden gemotiveerd hetgeen onder meer inhoudt dat minstens impliciet uit de beslissing moet blijken dat de specifieke gegevens van het individuele dossier in rekening werden gebracht. De bestreden beslissing verwijst louter naar ministeriële beslissingen die werden getroffen in het kader van beroepsprocedures inzake laattijdige hernieuwingsaanvragen. In die beslissingen werd geoordeeld dat de vergunde productie nul is omwille van de vervallen milieuvergunning en zulke aanvraag derhalve geen aanleiding kan geven tot vergunning omwille van de bepaling van art. 33ter van het mestdecreet. De Bestendige Deputatie heeft zich niet eens de moeite getroost de gegevens van het dossier zelf in overweging te nemen en een eigen beslissing ter zake te treffen, maar heeft er zich integendeel toe beperkt te verwijzen naar reeds genomen ministeriële beslissingen in gelijkaardige dossiers, om zich vervolgens bij die ministeriële gevolgtrekkingen aan te sluiten. De Deputatie diende echter de aanvraag van verzoeker te beoordelen en ten aanzien van de gegevens uit die aanvraag en met correcte toepassing van de geldende regelgeving een oordeel te vormen. Nu wordt de stellige indruk gewekt -hetgeen wordt bevestigd door de bewoordingen van het bestreden besluit zelf- dat de Deputatie de zaak zelf niet heeft onderzocht, doch zich beroept op ministeriële beslissingen die in gelijkaardige dossiers werden genomen. Dit is alleszins strijdig met de motiveringsplicht. Zoals hoger reeds voldoende werd uiteengezet voldoet het bedrijf van verzoeker perfect aan de definitie van 'bestaande veeteeltinrichting' zodat het bijgevolg onmogelijk is dat de weigering van de vergunning wordt gebaseerd op de redenering dat zijn bedrijf een 'nieuwe' inrichting is waarvoor de aanvraag een stijging van de mestproductie tot gevolg heeft en die dientengevolge niet verenigbaar zou zijn met art. 33ter, §1 van het mestdecreet. Verzoeker heeft overigens voor het aanslagjaar 1993 tijdig een aangifte bij de Mestbank ingediend, zodat de inrichting zeker niet als een nieuwe inrichting in de zin van het mestdecreet kan worden beschouwd. Het bestreden besluit is om hoger vermelde redenen niet afdoende gemotiveerd en houdt aldus een schending in van het motiveringsbeginsel en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen"; 3.3.2. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord het middel enigszins een andere wending geeft: VII-24.119-17/20 "(...) Zoals in het verzoekschrift tot nietigverklaring reeds werd betoogd is de stelling dat de aanvraag een nieuwe inrichting betreft onvoldoende gemoti- veerd. Beide uitdrukkingen 'nieuwe inrichting' en 'bestaande veeteeltinrichting' dekken immers zowel in de tekst van het Mestdecreet (artikel 2, 5/ en 2, 7/) als in de tekst van het Vlarem II (art. 1.2.) dezelfde inhoud. Éénzelfde inrichting kan niet als 'nieuw' beschouwd worden in het kader van Vlarem II en als 'bestaand' in het kader van de tekst van het Mestdecreet aangezien er geen verschil in wettelijke definitie bestaat tussen beide teksten! Zowel in de tekst van het Vlarem II als in de tekst van het Mestdecreet sluit de uitdrukking 'bestaande veeteeltinrichting' precies het begrip 'nieuwe inrichting' uit! Aan beide begrippen kunnen wel het gezien het feit dat we met twee verschillende wetgevingen te maken hebben, verschillende gevolgen en verplichtingen/verboden verbonden worden die eigen zijn aan een verschillende wetgeving met elke een afzonderlijke doelstelling, maar dit doet niks af aan de wettelijke definitie waarmee dient gewerkt te worden. Gezien het feit dat beide begrippen zowel in de tekst van het Vlarem II als in de tekst van het Mestdecreet op identieke wijze gedefinieerd worden, is de vaststelling in casu dat eenzelfde inrichting in het kader van Vlarem als 'nieuw' beschouwd wordt en in het kader van het Mestdecreet als 'bestaand' de facto volstrekt onmogelijk, onafgezien van de verschillende rechtsregels die aan beide begrippen in beide wetgevingen worden verbonden. (...)"; 3.3.3.1. Overwegende dat, wat vooreerst het niet of onvoldoende rekening houden met de specificiteit van verzoekers aanvraagdossier betreft, het doel van de motiveringsplicht erin gelegen is dat de bestuurde in de kwestieuze beslissing de feitelijke en juridische gronden terugvindt waarop de beslissing is gesteund, zodat hij kan onderzoeken of hij met kans op succes een beroep kan instellen bij de Raad van State; dat de motivering bondig mag zijn, maar daarbij uiteraard duidelijk moet blijven; dat in het bestreden besluit wordt verwezen naar de beleidslijn die de minister voert en die in casu ook door de verwerende partij wordt toegepast; dat in het bestreden besluit echter ook de vergunningshistoriek van de inrichting wordt gegeven, met de vermelding dat deze sedert het verstrijken van de eerdere vergunning op 31 december 1998 zonder vergunning wordt uitgebaat en dat de voorliggende milieuvergunningsaanvraag volgens de Vlarem-regelgeving een aanvraag voor een nieuwe inrichting betreft; dat vervolgens wordt overwogen dat, door het feit dat de vergunning vervallen is, de vergunde mestproductie tot nul is herleid en dat de huidige milieuvergunningsaanvraag derhalve een uitbreiding van de mestproductie met zich meebrengt, hetgeen niet verenigbaar wordt geacht met artikel 33ter, §1, van het meststoffendecreet; dat hierbij nog wordt vermeld dat deze redenering het standpunt van de bevoegde minister was in eerdere aanvraagdossiers en dat aan de provinciale overheden werd gevraagd een strikt vergunningenbeleid toe te passen, zonder afwijkingen op grond van billijkheid; dat in de voormelde VII-24.119-18/20 motivering aldus duidelijk wordt aangegeven op welke grond de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd; dat derhalve aan de doelstelling van de motiveringsplicht is voldaan, nu verzoeker de weigeringsgronden duidelijk heeft onderkend en precies tegen het concrete weigeringsmotief een even concreet en onderbouwd annulatieberoep bij de Raad van State heeft ingesteld; 3.3.3.2. Overwegende dat, wat daarnaast de vermeende tegenstrijdigheid van de motivering inzake 'nieuwe' en 'bestaande' veeteeltinrichting betreft, reeds uit de bespreking van de vorige middelen is gebleken dat er geen tegenstrijdigheid is; dat, met name, de verwerende partij terecht heeft geoordeeld dat de inrichting van verzoeker als een nieuwe inrichting moet worden beschouwd ingevolge de laattijdige hernieuwingsaanvraag; dat daarnaast duidelijk is geworden dat het begrip 'bestaande veeteeltinrichting', zoals bepaald in artikel 2, 7/, van het meststoffende- creet, impliceert dat dit een 'geldig vergunde bestaande veeteeltinrichting' moet zijn, hetgeen ontegensprekelijk volgt uit de hoger geciteerde bepalingen van het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I die het exploiteren van een vergunnings- plichtige (veeteelt)inrichting zonder milieuvergunning niet toelaten; dat het betoog van verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, met name dat zijn inrichting tevens voldoet aan de definitie van 'bestaande inrichting', zoals bepaald in artikel 1.1.2. van Vlarem II en bijgevolg niet als nieuwe inrichting kon worden beschouwd, evenmin opgaat, vermits die definitie van bestaande inrichting verwijst naar 'ingedeelde inrichtingen', begrip dat luidens datzelfde artikel gedefinieerd is als 'elke inrichting die meldings- of vergunningsplichtig is krachtens het decreet betreffende de milieuvergunning en die vermeld is op de in Bijlage 1 bij Titel I van het VLAREM gevoegde lijst'; dat het begrip 'bestaande inrichting' zoals gedefinieerd in Vlarem II bijgevolg tevens impliceert dat het een geldig vergunde of gemelde inrichting betreft; 3.3.3.3. Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, het derde middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-24.119-19/20 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.119-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.169 Gerelateerde publicatie(
  21. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.108.519 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.