id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.170 Rolnummer: A. 84099/VII-18428 Zaak: Arrest 170170 - Milieuvergunningen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-04 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.170 van 19 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.170 van 19 april 2007 in de zaak A. 84.099/VII-18.428 In zake : de n.v. PEERS EXPORT-IMPORT, die woonplaats kiest bij advocaten L. VANDERPUTTE en R. TERWINGEN, kantoor houdende te MAASMECHELEN, Koninginnelaan 105 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. PEERS EXPORT-IMPORT op 12 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 17 maart 1999 waarbij het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt van 4 november 1998, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de vergunning voor het exploiteren van een paardenfokkerij met trainingscentrum, gelegen aan de Rietweg 33 te Bocholt, ingewilligd wordt, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 4 november 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-18.428-1/11 Gelet op de beschikking van 9 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij is eigenaar geworden van een terrein waarop zich een inrichting bevond die op 31 januari 1978 was vergund aan wijlen Albert VANHERK voor het houden van 40 runderen, 12 zeugen, 50 biggen en 1 paard. 1.
- Op 11 augustus 1998 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Bocholt een vergunningsaanvraag in voor het exploiteren van een paardenfokkerij met een trainingscentrum. Op de inrichting zouden 22 paarden gehouden worden. 1.
- De inrichting is volgens het bij koninklijk besluit van 22 maart 1978 vastgestelde gewestplan Neerpelt-Bree deels gelegen in agrarisch gebied en deels gelegen in ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied. 1.
- Op 4 november 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning aan de verzoekende partij voor een termijn van 20 jaar. 1.
- Tegen dit besluit wordt op 24 november 1998 door de Vlaamse Landmaatschappij beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, omdat de milieuvergunningaanvraag niet verenigbaar zou zijn met de bepalingen van het meststoffendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. VII-18.428-2/11 1.
- Op 17 maart 1999 neemt de verwerende partij het thans bestreden besluit. Het beroep wordt ingewilligd en de gevraagde milieuvergunning wordt geweigerd. Dit besluit is onder meer als volgt gemotiveerd: "(...) Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied en deels in een ontginningsgebied met nabestemming agrarisch gebied volgens het bij koninklijk besluit van 22/03/1978 goedgekeurd gewestplan Neerpelt-Bree; Overwegende dat het gebruik van deze gebieden geregeld wordt in artikel 11.4.1 en artikel 17.6.
- en artikel 9 van het inrichtingsbesluit van 28/12/1972; Overwegende dat het ontginningsgebied nog maar voor een beperkt gedeelte is geëxploiteerd; dat de grens van de vergunde en reeds uitgevoerde ontginning dwars over het perceel van de aanvrager loopt; Overwegende dat er voor de betreffende gebouwen geen bouwvergunning werd afgeleverd. Een regularisatieaanvraag tot uitbreiding van de woning, de carport (uitbreiding stal 1), de stallen 2 en 3, runderstal en de roundpen, evenals het bijbouwen van een stalling en een berging voor landbouwvoertuigen, werd in beroep door de bestendige deputatie geweigerd op 24 juli
- Dat de verspreide inplanting van de verschillende constructies zonder enige structurele samenhang, niet aanvaardbaar is; dat de runderstal en de roundpen aanleiding geven tot een overdreven indringing in het achterliggend open (onbebouwd) gebied; dat ook stal 4 geen eenheid vormt bij de oorspronkelijke hoevegebouwen; dat stal 2 staat ingeplant tegen de perceelsgrens, wat aanleiding geeft tot hinder voor de aanpalende eigenaar; Overwegende dat binnen het kader van de bouwovertreding het herstel van de plaats werd gevorderd; Overwegende dat, vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten, gesteld kan worden dat de uit te voeren activiteiten, die het voorwerp zijn van de vergunningsaanvraag niet verenigbaar zijn met de voorschriften die gelden voor bovenvermelde gebieden; Overwegende dat het bovenvermelde gunstig advies van de Vlaamse Milieumaatschappij niet meer in aanmerking moet genomen worden aangezien zij hun advies tijdens de bespreking van dit dossier in de PMVC hebben herzien; dat over deze aanvraag enkel nog ongunstige adviezen worden uitgebracht; Overwegende dat artikel 5.9.3.1 §1 Vlarem II letterlijk stelt hetgeen volgt: 'Onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4, 5.9.5 en 5.9.6 is het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.
- en 9.
- uitsluitend toegelaten indien het een bestaande veeteeltinrichting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting tot een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.
- en 9.8.' Overwegende dat artikel 2 van het Mestdecreet van 23/01/1991 een 'bestaande veeteeltinrichting' omschrijft als volgt: 'een inrichting die ten minste één stal omvat met een capaciteit die in toepassing van het decreet van 28/06/1985 betreffende de milieuvergunning als hinderlijk is ingedeeld in één of meer rubrieken die betrekking hebben op de diersoorten vermeld in artikel 5 ( ... ) en waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar VII-18.428-3/11 1993 vóór 29/09/1993 aangifte gedaan werd bi de Mestbank. In de aangifte die op de inrichting betrekking heeft, moeten de dieren zijn aangegeven.' Overwegende dat uit het advies van de Vlaamse Landmaatschappij blijkt dat er voor dit inrichtingsadres geen mestbankaangifien gekend zijn, zodanig dat deze inrichting niet kan beschouwd worden als een bestaande veeteeltinrichting; bijgevolg kan niet voldaan worden aan artikel 5.9.3.1 §1 Vlarem II; Overwegende dat op het inrichtingsadres een viseringsbeslissing van het Schepencollege bekend is, dd. 31/01/1978, op naam van Vanherk-Hesius Albert (overleden) voor 40 runderen, 12 zeugen, 50 biggen en 1 paard; Dat echter in 1996 en 1997 geen dieren werden aangegeven bij de Mestbank; dat geen overmacht of bedrijfseigen reden werd ingeroepen; dat er derhalve geen vergunde mestproductie meer is voor deze inrichting; Dat binnen artikel 2 bis van het Mestdecreet een groot aantal criteria worden voorzien op basis waarvan kan uitgemaakt worden of een bedrijf kan beschouwd worden als een gezinsveeteeltbedrijf; dat één van belangrijke criteria om uit te maken of een bedrijf al dan niet een gezinsveeteeltbedrijf is, het aantal vergunde dieren van het bedrijf is; dat deze een bepaald maximum niet mogen overschrijden; dat tot 31 december 1999 gerekend wordt met het bij de Mestbank aangegeven aantal dieren; dat aangezien er geen mestbankgegevens bekend zijn, deze inrichting niet kan beschouwd worden als een inrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf; Dat de aanvraag, voorwerp van onderhavig dossier, dient beschouwd te worden als een aanvraag tot verandering van de vergunning met een stijging van de vergunde mestproductie tot gevolg; dat artikel 4, paragraaf 2, 3/ van het Vergunningenbesluit (Besluit van de Vlaamse Regering dd. 20/12/1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het Decreet van 23/01/1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door mestsloffen en gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 09/05/1996) bepaalt aan welke criteria een aanvraag tot verandering met stijging van de vergunde mestproductie dient te voldoen; dat echter deze bepalingen enkel van toepassing zijn voor inrichtingen behorende bij een gezinsveeteeltbedrijf; dat gezien deze inrichting niet kan beschouwd worden als een inrichting horende bij een gezinsveeteeltbedrijf, de aanvraag niet verenigbaar is met de bepalingen van het Mestdecreet. Overwegende dat de argumenten van de beroeper kunnen worden bijgetreden; Overwegende dat het unaniem ongunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt bijgetreden; Overwegende dat, rekening houdend met het voorgaande, er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse niet verenigbaar zijn met de omgeving, en in dit gebied daarom wel degelijk hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar; Overwegende dat het daarom past het ingediende beroep in te willigen en de omstreden beslissing d.d. 04/11/1998 van het College van Burgemeester en Schepenen van Bocholt OP TE HEFFEN en op grond van de motivering, aangehaald in dit besluit, een plaatsvervangende beslissing te treffen waarbij de gevraagde vergunning wordt geweigerd". VII-18.428-4/11
- Ten gronde 2.1.
- In een eerste middel brengt de verzoekende partij kritiek uit op een motief uit het bestreden besluit waarin gesteld wordt dat de aanvraag niet voldoet aan artikel 5.9.3.1.,§1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II). De verzoekende partij betwist inzonderheid dat haar inrichting geen "bestaande" landbouw- of veeteeltinrichting zou zijn. Zij stelt, onder meer, het volgende: "(...) De afwezigheid van aangiftegegevens bij de Mestbank voor het betrokken bedrijf is dus perfect verklaarbaar, gezien het overlijden in 1979 van de landbouwer die voor deze percelen vergunning kreeg en het feit dat de 'agrarische activiteiten' op de kwestieuze percelen slechts vele jaren later terug werden opgestart door verzoekster. Tot op heden heeft verzoekster conform de voorschriften van het decreet van 23/1/1991 volledig terecht nog geen mestbankaangiftes gedaan, nu volgens de door dit decreet voorgeschreven berekeningswijzen (zie o.m. art. 3 en 5) nooit de grens van 300 kg. mestproductie werd overschreden. Verder is het duidelijk dat het in casu wel degelijk gaat over een bestaande landbouwinrichting conform art. 5.9.3.1 §1 Vlarem II, ook al is er geen aangifte aan de Mestbank gebeurd voor 29/9/
- In deze dient de wet naar de geest te worden toegepast: bedoeling van de wetgever is steeds geweest eventuele nieuwe 'mestproducerende' activiteiten enkel toe te laten op reeds bestaande landbouwbedrijven, hetgeen dus in casu perfect is verlopen. De beslissing van de Bestendige Deputatie d.d. 17/3/1999, die dus (minstens gedeeltelijk) gebaseerd is op het argument dat art. 5.9.3.1 van Vlarem II niet zou gerespecteerd zijn, dient dus vernietigd ingevolge miskenning (van de geest) van de wet". 2.1.
- In haar memorie van wederantwoord voegt zij daar onder meer het volgende aan toe: "(...) De beslissing van verweerster steunt dus op juridisch onaanvaardbare motieven, waardoor - het weze herhaald - de geest van de regelgeving wordt gekrenkt, hetgeen dus een machtsoverschrijding in hoofde van verweerster inhoudt die met nietigverklaring van de kwestieuze beslissing dient 'bestrafd' te worden". 2.1.
- Artikel 5.9.3.1., § 1, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake VII-18.428-5/11 milieuhygiëne (Vlarem II) luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit als volgt: "Onverminderd de bijkomende voorwaarden van de afdelingen 5.9.4., 5.9.
- en 5.9.6., is het exploiteren en/of veranderen van een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.
- en 9.
- uitsluitend toegelaten indien het een bestaande veeteeltinrichting betreft of het omvormen inhoudt van een bestaande landbouwinrichting tot een inrichting die is ingedeeld in één of meer van de subrubrieken 9.3., 9.4., 9.
- en 9.8.". Krachtens artikel 2, 6/ en 7/, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen (meststoffendecreet) en artikel 1.1.
- van Vlarem II is één van de voorwaarden om als "bestaande landbouwinrichting" of "bestaande veeteeltinrichting" gekwalificeerd te kunnen worden een inrichting "waarvan minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank". Die voorwaarde gold bij het nemen van het bestreden besluit. De verzoekende partij betwist niet dat aan deze aangifteverplichting niet werd voldaan. Zij haalt enkel een aantal omstandigheden aan die de niet-aangifte, vóór 1993 maar ook daarna, volgens haar "perfect verklaarbaar" zouden maken. Haar bewering als zouden de activiteiten "slechts vele jaren later" (na het overlijden van de oorspronkelijke eigenaar) zijn opgestart, impliceert echter op onbetwistbare wijze dat de vergunning die destijds was toegekend aan de oorspronkelijke eigenaar op grond van artikel 28, §1, 3/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning van rechtswege is vervallen wegens niet-exploitatie gedurende minstens twee opeenvolgende jaren omdat de verzoekende partij de met voormeld besluit vergunde activiteiten klaarblijkelijk niet heeft voortgezet en zulks alleszins niet blijkt uit gegevens die bij de Mestbank aangegeven werden. De door de verzoekende partij opgegeven verklaring voor de niet-aangifte van de inrichting bij de Mestbank leidt dus tot de conclusie dat er van een bestaande veeteeltinrichting of landbouwinrichting in de zin van voormelde bepalingen al jaren geen sprake meer is. De omstandigheid dat er tot op heden op de inrichting slechts gemiddeld 8 paarden gehouden werden, waardoor de door artikel 3, § 1, van het meststoffendecreet van 23 januari 1991 gestelde aangiftedrempel van 300 kg P205 geproduceerde dierlijke mest per jaar, nooit werd bereikt, kan evenmin in aanmerking worden genomen aangezien daaruit ontegensprekelijk volgt dat de vergunningsaanvraag voor het houden van 22 paarden een stijging van de mestproductie met zich meebrengt waaraan artikel 4 van het vergunningenbesluit bijkomende beperkingen stelt en strikte voorwaarden verbindt. VII-18.428-6/11 Het betoog van de verzoekende partij waarin wordt gesteld dat de inrichting, ondanks de afwezigheid van aangiftegegevens bij de Mestbank, de facto bestaat en waarin voorts de "discrepantie tussen de juridische en de feitelijke kwalificatie" van haar inrichting wordt aangeklaagd, is niet relevant. Voor de bepaling van het begrip "bestaande inrichting" moet niet worden uitgegaan van de bestaande feitelijke situatie en de spraakgebruikelijke betekenis van de term, maar wel van de juridische betekenis van dat begrip, die net als doel heeft het toepassingsgebied van de wettelijke bepalingen zo nauwkeurig mogelijk af te bakenen. Bovendien is de vergunningverlenende overheid gebonden door de vaststelling dat het niet gaat om een bestaande landbouw- of veeteeltinrichting, en hoeft ze verder voor het beoordelen van de aanvraag geen acht te slaan op de concrete gevolgen die het ontbreken van die kwalificatie heeft of zal hebben op de mogelijkheid om aan de inrichting een landbouwbestemming te geven. Het argument dat de verwerende partij de "geest" van de meststoffenreglementering heeft "gekrenkt" gaat evenmin op. Het doel dat door die reglementering wordt nagestreefd bestaat kennelijk in de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, inzonderheid door het voeren van een restrictief vergunningenbeleid dat er toe strekt de nutriëntenproductie niet verder te laten toenemen. Dit doel wordt onder meer bewerkstelligd door nieuwe veeteeltinrichtingen in principe geen vergunning meer te verlenen zoals voorgeschreven in artikel 5.9.3.
- van Vlarem II. Dat doel wordt echter ook bewerkstelligd door te beletten dat intussen vervallen milieuvergunningen voor het houden van dieren die onder de meststoffenreglementering vallen onder een andere vorm zouden herrijzen, of door aan de uitbreiding van bestaande inrichtingen strikte voorwaarden te verbinden. Zoals hierboven reeds werd aangetoond kan de verzoekende partij zich niet beroepen op een intussen vervallen exploitatievergunning om een "de facto" bestaande inrichting uit te breiden. Het eerste middel is ongegrond. 2.2.
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 5, §1, en §2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I). Zij stelt dat zij geen stedenbouwkundige vergunning kan krijgen zonder vooraf een milieuvergunning te bekomen en dat het om deze VII-18.428-7/11 reden is dat zij verplicht was om met betrekking tot het bestreden besluit een procedure in te leiden bij de Raad van State. Zij stelt daarover het volgende: "Zoals reeds hierboven gesteld loopt er thans tevens een procedure voor Uw Raad m.b.t. de aanvraag tot verkrijging van bouwvergunning voor de thans door verzoekster gebruikte installatie. Deze procedure heeft enerzijds de regularisatie van een aantal bouwwerken, anderzijds de oprichting van een aantal nieuwe bouwwerken tot voorwerp. Tot op heden was één van de belangrijkste redenen tot weigering van deze bouwvergunning door de verschillende tot op heden gepas(s)eerde instanties het niet voorhanden zijn van een milieuvergunning. Dienvolgens was verzoekster verplicht huidige procedure in te stellen: een eventueel verkrijgen van een bouwvergunning zou betekenen dat de capaciteit van de inrichting van verzoekster zou worden verhoogd tot meer dan 20 paarden (daar waar deze thans beneden deze grens ligt), waardoor conform de Vlarem-wetgeving een milieuvergunning verplicht wordt. Thans dreigt verzoekster in een vicieuze cirkel te geraken: een milieuvergun- ning wordt geweigerd ingevolge het niet voorhanden zijn van een bouwvergunning - een bouwvergunning wordt geweigerd ingevolge het niet voorhanden zijn van een milieuvergunning. Op die manier kan verzoekster niet meer verder. Deze redenering van de Bestendige Deputatie is in strijd met de wet, minstens met art. 5 § 1 en 2 van Vlarem I (Decreet 28/6/1985). De Bestendige Deputatie had hoogstens de aanvraag tot milieuvergunning kunnen schorsen". 2.2.
- In haar memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat de motivering van het bestreden besluit "duidelijk" maakt dat het niet voorhanden zijn van een bouwvergunning een belangrijk, misschien zelfs doorslaggevend, motief vormde voor het weigeren van de milieuvergunning. Alles zou er volgens haar op wijzen dat "verweerster het niet verlenen van een milieuvergunning vooral in functie van de stede(n)bouwkundige discussie over de installaties van verzoekster beoogt, nu in de achtereenvolgende beslissingen in het 'stede(n)bouwkundig' dossier m.b.t. deze installaties het niet voorhanden zijn van een milieuvergunning als (mede) determinerend voor de achtereenvolgende afwijzingen van de bouwvergunningsaanvragen is gebleken". Ten slotte maakt de verzoekende partij nog gewag van machtsafwending door de verwerende partij omdat de bestreden weigering van de milieuvergunning genomen zou zijn met het oogmerk om de lopende stedenbouwkundige discussie nadelig te beïnvloeden. 2.2.
- De met de milieuvergunningsaanvraag overeenstemmende bouwvergunningsaanvraag werd in laatste administratieve aanleg geweigerd bij VII-18.428-8/11 besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening van 19 februari
- Het beroep tot nietigverklaring dat de aanvragers tegen die weigeringsbeslissing hebben ingesteld is door de Raad van State verworpen bij arrest nr. 114.364 van 10 januari
- De weigering van de milieuvergunning is niet uitsluitend gegrond op het feit dat de verzoekende partij niet beschikt over de vereiste stedenbouwkundige vergunning voor de bouwwerken waarin de paardenfokkerij zou worden ondergebracht. In het tweede middel haalt de verzoekende partij een niet- determinerend motief aan. Het middel kan niet tot de nietigverklaring leiden van het bestreden besluit. De door de verzoekende partij beweerde machtsafwending, die trouwens voor het eerst in de memorie van wederantwoord wordt aangevoerd, blijkt kennelijk gebaseerd op een verkeerde lezing en beoordeling van de motieven die aan de basis liggen van het bestreden besluit. Het tweede middel is ongegrond. 2.3.
- In een derde middel stelt de verzoekende partij dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt verwezen naar artikel 2 van het meststoffendecreet. Zij stelt daarover het volgende: "
- Ten onrechte wordt gesteld in de beslissing van de Bestendige Deputatie dat de thans door verzoekster beoogde activiteiten niet verenigbaar zouden zijn met de voorschriften die gelden voor de kwestieuze gebieden (zie blz. 5 al. 5 van de beslissing van de Bestendige Deputatie). Dienaangaande dient gesteld dat de installatie door verzoekster gebruikt, gelegen is (in) een agrarisch gebied, deels in een ontginningsgebied met nabestemming landbouw. Alleszins is dus de door verzoekster beoogde activiteit volledig in overeenstemming met de stedebouwkundige voorschriften.
- Ten onrechte wordt in de beslissing verwezen naar art. 2 van het Mestdecreet (zie blz. 5 al. 8 van de beslissing van de Bestendige Deputatie): dit artikel is in casu geenszins relevant nu het gaat over verkrijging van milieuvergunningen waarop de in de Vlaremwetgeving voorkomende definities dienen toegepast te worden.
- Ten onrechte wordt in de beslissing van de Bestendige Deputatie gesteld dat 'de aanvraag, voorwerp van onderhavig dossier, dient beschouwd te worden als een aanvraag tot verandering van de vergunning met een stijging van de vergunde mestproductie...' (zie beslissing Bestendige Deputatie blz. 6 al.3). VII-18.428-9/11 In deze formulering wordt dus uitgegaan van een reeds bestaande vergunning, waarbij dus verwezen wordt naar de vergunning die wijlen Albert VANHERCK verkreeg op 31/7/
- Deze oude vergunning had echter als voorwerp het houden van 40 runderen en 12 zeugen : conform de art. 3 en 5 van het decreet van 23/1/1991 worden deze dieren verondersteld meer mest te produceren dan het aantal paarden waarvoor thans vergunning wordt gevraagd.
- Van enig gevaar of hinder voor de buurt of het milieu is geen sprake, gezien het beperkt aantal dieren dat maximaal beoogd wordt (nl. 22) (zie beslissing Bestendige Deputatie blz. 6 al. 6)". 2.3.
- In haar memorie van wederantwoord gaat de verzoekende partij niet verder in op het middel. 2.3.
- Uit de bespreking van het tweede middel blijkt dat het bestreden besluit volledig gedragen wordt door de motieven die ontleend zijn aan de bepalingen van Vlarem II en het vergunningenbesluit van 20 december 1995 die strenge restricties stellen aan de mogelijkheden tot het verlenen van een milieuvergunning voor "mestproducerende" inrichtingen. In het eerste onderdeel van het derde middel wordt kritiek uitgebracht op een volstrekt overtollig stedenbouwkundig weigeringsmotief. Los van de vraag of de verwerende partij (mede) had moeten verwijzen naar de in Vlarem II voorkomende definities van "bestaande landbouwinrichting" en "bestaande veeteeltinrichting", kan, wat het tweede onderdeel betreft, worden volstaan met de vaststelling dat het in het bestreden besluit vermelde artikel 2 van het meststoffendecreet alleszins identiek is aan artikel 1.1.
- van Vlarem II wat betreft de voorwaarde dat genoemde inrichtingen slechts als bestaande kunnen worden beschouwd indien "minstens voor wat betreft aanslagjaar 1993 voor 29 september 1993 aangifte gedaan werd bij de Mestbank". De verzoekende partij kan met andere woorden geen enkel voordeel putten uit de nietigverklaring van het bestreden besluit om de door haar vermelde reden. Bij de bespreking van het eerste middel werd reeds uiteengezet waarom de exploitatievergunning van 31 januari 1978 geen vergunde mestproductie meer kan opleveren, zodat voorliggende vergunningsaanvraag wel degelijk gepaard gaat met een stijging van de mestproductie. Het motief waarin gesteld wordt dat "er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse niet verenigbaar zijn met de omgeving, en in dit gebied VII-18.428-10/11 daarom wel degelijk hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar" is een overtollig motief dat in het bestreden besluit trouwens enkel opgegeven is bij wijze van algemene conclusie van de er aan voorafgaande overwegingen. De kritiek van de verzoekende partij op dat overtollig motief kan niet leiden tot de nietigverklaring van het bestreden besluit. Het derde middel is eveneens ongegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-18.428-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.170 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div