← België

Arrest 170173 - Milieuvergunningen - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.173 Rolnummer: A. 82929/VII-17944 Zaak: Arrest 170173 - Milieuvergunningen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-09 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.173 van 19 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.173 van 19 april 2007 in de zaak A. 82.929/VII-17.944. In zake : de v.z.w. AKTIEKOMITEE VOOR MILIEUBESCHERMING TE MERELBEKE, p.a. voorzitter Paul CLAUS, wonende te MERELBEKE, Kloosterstraat 56 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat E. VAN ACKER, kantoor houdende te GENT, Brugsesteenweg 318 tussenkomende partij : de c.v.b.a. FASIVER, die woonplaats kiest bij advocaten D. D'HOOGHE en J. BOUCKAERT, kantoor houdende te BRUSSEL, Loksumstraat 25. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. AKTIEKOMITEE VOOR MILIEUBESCHERMING TE MERELBEKE op 15 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 23 december 1998 waarbij de beroepen aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 25 juni 1998, houdende het verlenen van de vergunning aan de c.v.b.a. FASIVER om een inrichting te exploiteren, gelegen aan de site "Eiland" te Gent (Zwijnaarde), ongegrond worden verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 83.198 van 28 oktober 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-17.944-1/24 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van de c.v.b.a. FASIVER; Gelet op de beschikking van 23 februari 2000 die de tussenkomst van de c.v.b.a. FASIVER toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van voorzitter P. CLAUS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. VANNESTE, die loco advocaat E. VAN ACKER verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. GEVERS, die loco advocaten J. BOUCKAERT en D. D'HOOGHE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-17.944-2/24 1. De feiten De inrichting waarop het bestreden besluit betrekking heeft, is gelegen aan de "Eiland"-site in de Scheldevallei van Gent-Zwijnaarde. Volgens het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 goedgekeurde gewestplan Gentse en Kanaalzone, ligt het gebied in een bufferzone, op een afstand van ongeveer 50 meter van een woongebied, anders dan een woongebied met landelijk karakter. Bij besluit van de Vlaamse regering van 13 mei 1997 wordt er een ontwerp van gedeeltelijke wijziging van het voornoemde gewestplan vastgesteld. Dit wijzigingsontwerp situeert het betrokken terrein in een zone voor teleport, een bijzonder reservatiegebied en een gebied voor ambachtelijke bedrijven of kleine en middelgrote ondernemingen. Op 28 oktober 1998 wordt deze gewestplanwijziging vastgesteld. Deze gewestplanwijziging werd door de verzoekende partij bestreden met een vordering tot schorsing bij de Raad van State. Bij arrest nr. 88.988 van 14 juli 2000 werd de schorsing van de tenuitvoerlegging van deze beslissing verworpen. Over het beroep tot nietigverklaring is totdusver nog geen uitspraak gedaan. Op de betrokken gronden bevindt zich een te saneren site met zware bodemverontreiniging, waarvoor geen saneringsplichtige kan worden aangeduid. Het gaat om vijf slibbekkens van ongeveer 6 hectare, van het voormalige bedrijf de n.v. FABELTA ZWIJNAARDE, waarin viscose-afval werd gestort. De tussenkomende partij, de c.v.b.a. FASIVER, die de bestreden vergunning heeft aangevraagd, heeft als vennoten : de provincie Oost-Vlaanderen, de stad Gent, de Vlaamse Milieuholding, de n.v. SILT, de n.v. SOILS en de n.v. FABELTA SERVICE met haar dochtervennootschap de n.v. TIJARM. Deze vennootschap werd opgericht met als doel het bouwrijp maken van de gronden gelegen aan de "Eiland"-site en daarvoor alle voorbereidende werkzaamheden te coördineren, met name : - de sanering van een "black-point", zijnde een zone van ongeveer 6 hectare waar voorheen industriële afvalstoffen werden gestort in vijf slibbekkens, - de exploitatie van een slibverwerkingsbedrijf bestaande uit zeven laguneringsvelden bovenop het gesaneerde black-point, en VII-17.944-3/24 - een definitieve berging (monostortplaats) van de gelaguneerde baggerspecie naast het black-point. Op 16 februari 1998 dient de tussenkomende partij een vergunningsaanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen om een slibverwerkend bedrijf te exploiteren op de site "Eiland" te Gent (Zwijnaarde). Het voorwerp van deze vergunning is onder meer: - de aanleg van 7 laguneringsvelden voor de ontwatering van baggerspecie (op ongeveer 6 ha); - het storten van in totaal 1.500.000 m³ ontwaterde baggerspecie (op ongeveer 36 ha); - het lozen van bedrijfsafvalwater dat geen gevaarlijke stoffen bevat (maximaal 336.000 + 271.250 = 607.250 m³ per jaar); - het lozen van normaal huishoudelijk afvalwater, afkomstig van de sanitaire installaties voor het personeel; - het stellen van 20 zware motorvoertuigen, 50.000 liter brandstof, 500 liter smeerolie, klein elektrisch materiaal, ... Tijdens het openbaar onderzoek worden zes bezwaren ingediend. Na gunstige adviezen van het college van burgemeester en schepenen, de afdeling voor Ruimtelijke Ordening, de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie, de Vlaamse Milieumaatschappij, de OVAM, de provinciale milieudeskundige, de Provinciale Milieuvergunningscommissie en het ongunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen, verleent de bestendige deputatie op 25 juni 1998 de gevraagde vergunning. Tegen deze toekenningsbeslissing worden drie administratieve beroepen ingediend, onder meer door de verzoekende partij, bij de Vlaamse minister voor Leefmilieu en Tewerkstelling. Op 23 december 1998 neemt de minister het thans bestreden besluit waarbij hij deze beroepen verwerpt en de bestreden vergunning verleent. Dit besluit is onder andere als volgt gemotiveerd : "(...) Overwegende dat de laguneringsbekkens zullen worden ingericht bovenop de gesaneerde black-point; dat er onderaan de bekkens een waterdichte folie (HDPE-folie van 1,5

  1. mm)zal worden aangebracht; dat daarboven een VII-17.944-4/24 drainagelaag (zand) met cocosdrains komt waardoor het draineringswater afgeleid wordt naar een ontwateringsgracht en vervolgens naar een bezinkingsbekken; dat de buitendijken toegankelijk zullen zijn voor hydraulische kranen en ander materieel die indien nodig werkzaamheden kunnen uitvoeren ter bevordering van de ontwatering; dat het ontwerp van de laguneringsvelden gebeurt in functie van een maximale verspreiding en bezinking van het aangevoerd mengsel sediment/water; dat er rond de laguneringsvelden peilputten zullen geplaatst worden; Overwegende dat uit onderzoeken en studies die werden uitgevoerd op de te behandelen baggerspecie blijkt dat 1 m³ sediment in situ ten gevolge van de baggeroperatie verdund wordt tot 1,5 m³ en bij opvulling van de laguneringsvelden tot 2,5 m3; dat er door de bewerking van lagunering en verwerking nog 0,75 m3 rest van het oorspronkelijke sediment; dat dit dan in de monodeponie geborgen zal worden; Overwegende dat er zodoende per 1 m3 sediment in situ 1,75 m3 aan afvalwater dient 'verwijderd' te worden; dat rekening houdende met de maximale verwerkingscapaciteit van 125.000 ton droge stof per jaar dit een maximale verwerkingscapaciteit van 155.000 m3 baggerspecie in situ betekent; dat deze verwerkingscapaciteit bijgevolg een maximaal lozingsdebiet aan transportwater van 271.250 m3/jaar geeft; dat het transportwater (max. 32 m3/uur, 743 m3/dag en 271.250 m3/jaar) via lozingspunt LP2 zou worden geloosd in het Kanaal van Zwijnaarde; Overwegende dat tijdens de hydraulische vulling van de laguneringsbekkens de baggerspecie gemengd wordt met Scheldewater; dat rekening houdende met de beperkte verblijftijd van het af te voeren water in de laguneringsbekkens de kwaliteit van het te lozen water, volgens de exploitant, vergelijkbaar zal zijn met het Scheldewater; dat er enkel een verhoging van het gehalte aan zwevende stoffen door het baggerproces kan veroorzaakt worden; Overwegende dat het afvalwater een zekere tijd in het bezinkingsbekken zal verblijven; dat volgens de exploitant zodoende het gehalte aan zwevende stoffen dermate beperkt wordt dat de geldende lozingsnormen zullen kunnen gehaald worden; Overwegende dat de exploitant aangeeft dat indien er uit een controle-analyse van het water zou blijken dat er een bijkomende zuivering zou nodig zijn, er dan in functie van de verontreiniging een mobiele waterzuiveringsunit zal geplaatst worden (fysico-chemisch, biologisch, zand- en actiefkool-filtratie); dat deze activiteit vergunningsplichtig is; dat bij onderhavige aanvraag hiervoor geen vergunning werd aangevraagd; Overwegende dat cfr. artikel 5.2.5.4.3. van titel II van het Vlarem de periode van nazorg voor de monostortplaats ten minste tien jaar bedraagt; dat in het beste geval de einddatum van de stortactiviteiten voorzien is voor de tweede helft van 2007; dat de verkoop van de gronden eveneens voorzien is voor 2007; dat er evenwel nazorg van de stortplaats dient te zijn tot 2017; dat de exploitant rekening dient te houden met deze nazorgperiode en derhalve enkel werken kan uitvoeren die de nazorg niet hypothekeren; dat op pagina 38 van de aanvraag hieromtrent duidelijk is gesteld dat dit ondermeer de instandhouding en het onderhoud van drainagesystemen en meetputten zal inhouden; Overwegende dat er achteraf een industrieterrein zou worden ingericht op de voormelde stortplaats; dat volgens de zettingsberekeningen en de stabiliteitsstudie die werd uitgevoerd en die in het aanvraagdossier is bijgevoegd (bijlage 13) blijkt dat indien er op het terrein zwaardere gebouwen dan een klassieke woning of kleine opslagplaats zullen gebouwd worden, er een paalfundering vereist zal zijn tot op de draagkrachtige zandlagen; dat dit impliceert dat deze paalfunderingen eindafdeklaag, het drainagesysteem en de afsluitlaag zouden doorboren; dat bij de behandeling van het dossier door de VII-17.944-5/24 Gewestelijke Milieuvergunningscommissie is gebleken dat het dossier onduidelijkheden vertoonde inzake de uitvoering van de monodeponie; Overwegende dat de exploitant op datum van 5 oktober 1998, 21 oktober 1998, 3 november 1998, 6 november 1998, 9 december 1998 en 10 december 1998 nog bijkomende informatie heeft opgestuurd; Overwegende dat vooral uit de bijkomende informatie van 9 en 10 december 1998 duidelijker blijkt wat de exploitant juist beoogt; dat hij een alternatieve uitvoeringsvorm van de afsluitlaag wenst te ontwerpen in overleg met de toezichthoudende overheid (cfr. art. 5.2.5.4.3 §3 3/); dat deze zou bestaan uit de natuurlijk aanwezige holocene alluviale kleiën (doorlatendheid 1x10-9 m/sec), gevolgd door een laag van minimum 1 m dik ontwaterde baggerspecie met een doorlaatbaarheidscoëfficiënt van minstens 10-9 m/sec (zoals opgelegd in de bijzondere voorwaarde 13.
  2. c)van het beroepen besluit), een drainagesysteem dat van de andere lagen gescheiden wordt door geotextiel (doorlatendheid 1x10-4 m/sec), daar bovenop wordt dan de specie geborgen (doorlatendheid 3x10-10 m/sec); dat hierboven terug een drainagesysteem zou komen, van de andere lagen gescheiden door geotextiel (doorlatendheid 1x10-4 m/sec); dat als afdichtlaag een goed doorlatende laag en teelaarde zou gebruikt worden; Overwegende dat volgens de exploitant door de opeenvolging van goed doorlatende lagen voorzien van een drainagesysteem en weinig doorlatende lagen (slib en Holocene substraat) ervoor gezorgd wordt dat regenwater en percolaatwater niet in de ondergelegen lagen kan doordringen omdat dit preferentieel wordt afgevoerd via de goed doorlatende lagen en het drainagesysteem; Overwegende dat uit de grondmechanische studie gebleken is dat om te kunnen bouwen op het ontwaterde en geborgen sediment er een paalfundering noodzakelijk zal zijn; dat bij het oprichten van gebouwen op palen de drainagelagen geperforeerd zullen worden; dat dit gezien de grote doorlatendheid (zowel verticaal als horizontaal) van deze laag in vergelijking met de huidige ondergrond en het bovenliggend slib betekent dat het eventueel percolerend water toch preferentieel langs het drainerende netwerk afgevoerd zal worden; Overwegende dat voor de paalfundering ofwel in de grond gevormde grondverdringende palen ofwel groutkolommen door middel van jet-grouting zullen moeten gebruikt worden; dat de exploitant meldt dat het gebruik van één van deze twee systemen zal geëist worden van de potentiële kopers van de industriegronden; dat deze bevindingen komen uit een nota van prof. ir. Jan Maertens van het Departement Burgerlijke Bouwkunde van de K.U.L.; Overwegende dat bij in de grond gevormde palen de in-situ grond eerst zijdelings verdrongen wordt en vervolgens de aldus gecreëerde holle ruimte volledig wordt opgevuld met vloeibare betonspecie; dat zodoende hierbij ten allen tijde een goede afsluiting verkregen wordt tussen de paalschacht en de omringende grond en er geen preferentiële wegen voor het percolaat kunnen ontstaan; Overwegende dat bij de uitvoering van groutkolommen volgens de jet-grouting methode de grond in-situ wordt vermengd met cementspecie; dat doordat het grond-groutmengsel tijdens de uitvoering in een vloeibare toestand gebracht wordt er altijd een zeer goede aansluiting ontstaat tussen de gerealiseerde groutkolom en de omringende grond; dat aangezien ook de gerealiseerde groutkolom een geringe doorlatendheid heeft het ontstaan van preferentiële waterafvoerkanalen onmogelijk is; Overwegende dat uit uitlogingstesten is gebleken dat de baggerspecie niet uitloogt; dat de aangevoerde baggerspecie bovendien meestal zal voldoen aan de voorwaarden van Vlarea voor het gebruik als bodem voor toepassing in industriezones; dat enerzijds deze overwegingen en anderzijds de bijzondere VII-17.944-6/24 uitvoering van de paalfunderingen leidt tot de conclusie dat de voorgestelde alternatieve afdichtlaag kan aanvaard worden en de funderingen geen gevaar inhouden voor grondwaterverontreiniging; dat uiteraard voordat de funderingen zullen uitgevoerd worden reeds duidelijkheid zal bestaan over de grondwaterkwaliteit rond de deponie; dat trouwens de oprichting van een begeleidingscommissie als bijzondere voorwaarde is opgelegd om de milieutechnische situatie jaarlijks te evalueren; Overwegende dat de aanvullende gegevens geen wijziging van het voorwerp van de aanvraag uitmaken, gezien het enkel nadere uitleg is inzake de preventieve maatregelen; dat dus het recht op inspraak (openbaar onderzoek) niet geschaad is; Overwegende dat cfr. artikel 5.2.5.4.5 §1 van titel II van het Vlarem de begroeiing op de aangebrachte afdichtlaag niet mag kunnen beschadigen; dat de ontwikkeling van hoogstammige bomen dient te worden verhinderd; Overwegende dat de aanvraag werd ingediend op 16 februari 1998; dat op 30 april 1998 het Besluit van de Vlaamse regering houdende organisatie van de milieu-effectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen aangevuld werd; dat er onder 34/,
  3. c)werd toegevoegd: 'stortplaatsen voor slibs die niet beantwoorden aan de criteria voor de aanwending als secundaire grondstoffen met een stortplaats van 100.000 ton per jaar of meer'; dat hier 125.000 ton DS per jaar zou worden gestort; dat de aanvraag dus gelet op het tijdstip van indiening niet aan de MER-plicht onderhevig is; Overwegende dat het deel van het terrein naast de te saneren black-point op de Biologische Waarderingskaart van België gedefinieerd staat als 'Biologisch Waardevol'; dat de bezwaren inzake de natuurwaarde van het betrokken gebied reeds ter discussie stonden bij de vaststelling van de wijziging van het gewestplan; dat de Vlaamse regering hierbij heeft beslist om het gebied van de monodeponie te bestemmen als KMO-zone; dat derhalve de bezwaren inzake de natuurwaarde niet kunnen ingewilligd worden; dat een landschappelijke inkleding echter wel een vereiste is, waarbij in de bouwvergunning de nodige voorwaarden kunnen opgelegd worden; Overwegende dat er nog niet is begonnen met de sanering; dat nog niet alle benodigde gronden verworven werden; dat de onteigeningsprocedure momenteel lopende is; Overwegende dat de overige bezwaren aangehaald door de beroepindieners als volgt kunnen worden geëvalueerd: - de eventuele rooiing van bomen maakt niet het voorwerp uit van de milieuvergunning; - gelet op de afstanden tot woningen valt geen overmatige hinder te vrezen voor omwonenden; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat de beroepen ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen; (...)". 2. De ontvankelijkheid 2.1. Het belang 2.1.1. De standpunten van de partijen VII-17.944-7/24 2.1.1.1. De verwerende partij betwist het belang van de verzoekende partij, verwijzend naar artikel 24, §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet. Ze citeert rechtspraak van de Raad van State terzake, en merkt op dat niet blijkt of er leden van de verzoekende partij wonen op plaatsen waar zij hinder kunnen ondervinden van de vergunde inrichting. Ten aanzien van artikel 3.2 van de statuten van de verzoekende partij, volgens hetwelk haar doel ondermeer is: "het plaatsen van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Merelbeke in functie van deze milieubescherming", werpt de verwerende partij op dat "de werken en het gebied waar één en ander betrekking op heeft" niet op het grondgebied van die gemeente liggen. 2.1.1.2. De verzoekende partij antwoordt vrij uitvoerig op de exceptie. Op het argument dat niet blijkt of er leden wonen op plaatsen waar zij hinder kunnen ondervinden, antwoordt ze: "de verzoekende partij treedt in eerste orde op als vereniging en niet als zaakwaarnemer voor de belangen van haar leden. Bovendien blijkt uit de medegedeelde ledenlijst dat de vereniging een aanzienlijk aantal leden heeft in Merelbeke, zodat zij de eventueel vereiste representativiteit bezit". Ten aanzien van het argument dat de inrichting niet op het grondgebied van Merelbeke ligt, antwoordt de verzoekende partij dat "de ruimtelijke ordening (niet) begint en eindigt (...) met een gemeentegrens", en wijst ze er opnieuw op dat de Tijarm, waarin afvalwater zou worden geloosd, de grens vormt tussen Gent en Merelbeke. Het slibstort zal het landschappelijk karakter van de Scheldevallei aantasten, en zal dus een impact hebben die de gemeentegrenzen overschrijdt. Het zal de open ruimte aantasten, evenals de natuurwaarde van het gebied, wat ook een aspect van ruimtelijke ordening is. Ze wijst erop dat artikel 24, §1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet betrekking heeft op administratieve beroepen, niet op annulatieberoepen bij de Raad van State. En ten slotte merkt de verzoekende partij op dat de gemeente Merelbeke tijdens het openbaar onderzoek bezwaar heeft ingediend. VII-17.944-8/24 2.1.1.3. De tussenkomende partij stelt dat de verzoekende partij niet over het rechtens vereiste belang beschikt: "(...) (...) In de eerste plaats is vast te stellen dat, voor zover verzoekende partij zich beroept op de recreatieve en visuele schade die zij of haar leden zou(den) ondervinden uit de ophoging van de activiteiten en de slibberging, deze rechtstreeks voortvloeit uit het gewijzigd gewestplan Gentse en Kanaalzone dat bij besluit van 28 oktober 1998 van de Vlaamse Regering definitief is vastgesteld en dat op 26 januari 1999 in het Belgisch Staatsblad is verschenen. Dit laatste besluit maakt evenwel niet het voorwerp uit van het huidig beroep. Het bestreden besluit blijkt aldus niet de rechtstreekse oorzaak te zijn van de schade die het rechtstreekse belang moet verantwoorden. (...) Bovendien is op te merken dat de vergunde activiteiten zich situeren op een terrein, nl. het 'Eiland', dat op Gents en dus niet op Merelbeeks grondgebied gelegen is. Er bestaat dus geen voldoende rechtstreekse band tussen het belang en de bestreden beslissing, nu de actieradius van verzoekster zich tot de gemeente Merelbeke beperkt (zie artikel 3, 2) van de statuten: 'het plaatsen van de ruimtelijke ordening op het grondgebied van de gemeente Merelbeke in functie van deze milieubescherming'. (...) Voor zover verzoekster haar belang koppelt aan de beweerde negatieve esthetische impact van de voorziene verhoging van het terrein ten gevolge van het storten van gebaggerd slib, is er op te wijzen dat het nadeel waarop verzoekster haar belang steunt, voortvloeit uit de bouwvergunning die toelating moet geven tot het ophogen van het terrein. Deze bouwvergunning maakt niet het voorwerp uit van het voorliggend verzoekschrift tot schorsing. Overigens wenst verzoekster tot tussenkomst op te merken dat uw Raad bij arrest van 28 oktober 1999, met nummer 83.198, weliswaar in het kader van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, heeft geoordeeld dat een persoonlijk en rechtstreeks verband met het bestreden besluit ontbrak". 2.1.2. Beoordeling De door de verwerende partij ingeroepen decreetsbepaling en arrest handelen over de ontvankelijkheid van administratieve beroepen tegen in eerste aanleg verleende milieuvergunningen, en hebben geen betrekking op de ontvankelijkheid van annulatieberoepen bij de Raad van State. Overigens heeft de verwerende partij zelf het administratief beroep van de verzoekende partij als ontvankelijk beschouwd. Uit de benaming "Aktiekomitee voor Milieubescherming te Merelbeke V.Z.W." en de omschrijving van het doel van de vereniging als volgt: " 1. Het verwezenlijken van een werkelijke milieubescherming in al haar vormen. 2. Het plaatsen van de ruimtelijke ordening van het grondgebied van de gemeente Merelbeke in functie van deze milieubescherming", VII-17.944-9/24 blijkt duidelijk dat de verzoekende partij zich als doel heeft gesteld het plaatselijke leefmilieu in Merelbeke te beschermen. Zij heeft er belang bij de vernietiging na te streven van de milieuvergunning voor een net over de gemeentegrens aan te leggen grootschalig slibstort. De verzoekende partij beroept zich onder meer op hinder die het terrein van de exploitatie te buiten gaat, en dus ook effecten heeft op het grondgebied van de gemeente Merelbeke. De excepties zijn ongegrond. 2.2. De tegenwerpelijkheid van de rechtspersoonlijkheid van de verzoekende partij 2.2.1. De standpunten van de partijen De tussenkomende partij betwist de tegenwerpelijkheid aan derden van de rechtspersoonlijkheid van de verzoekende partij, omdat: " -noch de ledenlijst die op 30.12.1998 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent is neergelegd, -noch de beslissing van de raad van beheer van de vzw Aktiekomitee voor milieubescherming te Merelbeke van 24 februari 1999, -noch de diverse stukken, officiële briefwisseling die het Aktiekomitee in het verleden heeft verstuurd, noch de in het verleden ingediende bezwaarschriften, (zie stuk 5.1. tot en met 5.6. van de bundel van verzoekster), uitdrukkelijk melding maken van de leesbaar en voluit geschreven woorden: 'Vereniging zonder winstgevend doel'". Dit bij toepassing van de artikelen 11 en 26, eerste lid, van de v.z.w.-wet, die respectievelijk luidden (tekst geldend ten tijde van het indienen van het annulatieberoep): "Al de akten, facturen, aankondigingen, uitgaven en andere stukken, uitgaande van de verenigingen zonder winstgevend doel, moeten de benaming der vereniging vermelden met, onmiddellijk daarvoor of daarna, deze leesbaar en voluit geschreven woorden: Vereniging zonder winstgevend doel", en: "Ingeval de bekendmakingen en de formaliteiten, voorgeschreven door de artikelen 3, 9, 10 en 11, werden verzuimd, kan de vereniging zich niet op de rechtspersoonlijkheid beroepen tegenover derden; deze zijn echter wel gerechtigd ze in te roepen tegenover de vereniging". VII-17.944-10/24 Tevens blijkt niet dat de ledenlijst binnen de maand na de publicatie van de statuten ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent is neergelegd, wat wordt opgelegd door artikel 10 van de v.z.w.-wet. 2.2.2. Beoordeling De ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg neergelegde ledenlijst vermeldt na de naam en het adres van de verzoekende partij "Fichenummer vzw: 1732"; de beslissing van de raad van beheer heeft als opschrift ondermeer "AKTIEKOMITEE VOOR MILIEUBESCHERMING TE MERELBEKE v.z.w."; ook de andere stukken waarnaar de tussenkomende partij verwijst vermelden steeds de afkorting "v.z.w." na de naam van de vereniging. Het gebruik om de afkorting "v.z.w." te vermelden in plaats van de voluit geschreven woorden werd algemeen aanvaard, reeds vooraleer bij wet van 2 mei 2002 artikel 11 van de v.z.w.-wet in deze zin werd aangepast. Het niet binnen de maand na de publicatie van de statuten neerleggen van de ledenlijst, is een verzuim dat kan worden goedgemaakt. De tussenkomende partij verwijst zelf naar de neerlegging van de ledenlijst op 30 december 1998, zodat de rechtspersoonlijkheid haar hoe dan ook tegenstelbaar is. Het blijkbaar door de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent afgeleverde formulier in bijlage 3 bij de bundel van de verzoekende partij, meldt nog twee vroegere neerleggingen van de ledenlijst. De exceptie is op beide punten ongegrond. 3. Ten gronde 3.1. In haar laatste memorie deelt de verzoekende partij mee dat zij afstand doet van het eerste middel, van het onderdeel van het derde middel dat is geput uit de schending van artikel 14 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van het vierde en van het vijfde middel. 3.2.1. In het tweede middel stelt de verzoekende partij dat de bestreden vergunning zou zijn verleend met schending van de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Zij leidt uit artikel 7, §7, van het decreet van VII-17.944-11/24 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning a contrario af dat milieuvergunningsaanvragen wel getoetst moeten worden aan de ruimtelijke structuurplannen. 3.2.2. In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij daarover het volgende uiteen: "1. Wat het gewestplan betreft kan niet weerleggen dat het gewestplan van voor de herziening dd. 28 oktober 1998 nog toepasselijk was ten aanzien van derden. De herziening was immers nog niet in het Belgisch Staatsblad verschenen, wat nochtans van belang is gelet op art. 7 laatste lid van het Decreet Ruimtelijke Ordening. De gewestplanbestemming bufferzone was dus de enige bestemming die op dat ogenblik in aanmerking mocht worden genomen. Weliswaar had de Vlaamse Regering intussentijd reeds - intern - het gewestplan gewijzigd, zodat zij ook niet blind kon zijn voor haar eigen beslissingen. Toch kon, nu de aanvraag openbaar gemaakt was, en er dus een belangrijke derdenwerking in dit dossier aanwezig is, enkel met de gewijzigde bestemming rekening gehouden worden vanaf de bekendmaking in het B.S. Dus is dit onderdeel van het middel, formeel gezien, gegrond. 2. Wat het structuurplan Vlaanderen betreft. Het zou volgens het Vlaams Gewest pas in werking zijn getreden na de indiening van de aanvraag. Strikt genomen, is het Decreet van 17 december 1997 waarbij de bindende bepalingen van het Besluit Vlaamse Regering van 23 september 1997, bekrachtigd werden, pas verschenen in het B.S. van 21 maart ‘98. Maar dit gaat alleen over de bindende bepalingen, terwijl ook het richtinggevend gedeelte in aanmerking komt. Overigens moet op grond van het beginsel ‘patere legem quem ipse fecisti’ de Regering rekening houden met de door haar goedgekeurde regels, i.c. dus het globaal goedgekeurde Structuurplan Vlaanderen sinds 23 september 1997, dit is voordat de aanvraag werd ingediend en ontvankelijk verklaard. Bovendien komen de in het verzoekschrift annulatie ingeroepen principes ook reeds voor in het voorlopig vastgestelde ontwerp van R.S.V. in werking getreden op 8 augustus 1996 (B.S. 8 aug. ‘96). Zodat het verweer weinig of geen inhoudelijk belang heeft. Het verweer is op dit punt dus ongegrond. Inhoudelijk kan verder ook nog uit bv. de foto’s (aanvullende stukken 13) afgeleid worden dat hier kennelijk sprake is van een belangrijke open onbebouwde ruimte in een valleigebied. In verband met het valleikarakter en de ecologische betekenis ervan: zie ook de aanvullende stukken 6, 7 en 8. 3. Het Vlaams Gewest stelt ook dat de Raad van State zich niet in de plaats mag stellen van de overheid. Evenwel is verzoekster van mening dat de Raad van State het recht heeft om de overeenstemming met een structuurplan na te gaan, vermits die planning in belangrijke mate bindend is voor de overheid. Vglk. art. 2 van het Decreet Ruimtelijke Ordening. Weliswaar bepaalt art. 3 van het DRP dat een ruimtelijk structuurplan een beleidsdocument is. VII-17.944-12/24 Maar dit moet samengelezen worden met onder meer art. 7 dat stelt dat van bepaalde delen van het Structuurplan niet mag worden afgeweken door de overheid. Dit gaat dus over een dwingende, strikte verbintenis die door de Raad van State mag worden onderzocht op haar concrete loyauteit. Minstens is een marginale toetsing mogelijk door de Raad van State. De aangereikte gegevens maken dat de schending van de principes omschreven in de vordering, kennelijk is. Ten gronde betwist het Vlaamse Gewest dit trouwens niet in haar antwoordmemorie. 4. Minstens is er een ernstig motiveringsgebrek aangezien er met geen woord gerept wordt over het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, hoewel dit in dit hartje valleigebied toch mocht verwacht worden. (...)". 3.2.3. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij daaraan toe dat de overheid bij de toekenning van een milieuvergunning niet mag afwijken van het richtinggevend en bindend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan. 3.2.4. Artikel 7, §7, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning luidt als volgt: "De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen die bedoeld worden in artikel 44 en artikel 56 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedenbouw, noch voor de attesten en inlichtingen die bedoeld worden in artikel 63 van diezelfde wet". Volgens artikel 3 van het hetzelfde decreet is een ruimtelijk structuurplan "een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen". Uit deze omschrijving kan men niet afleiden dat milieuvergunningsaanvragen zouden moeten worden getoetst aan de ruimtelijke structuurplannen. Dit blijkt ook uit de voorbereidende werken (Parl. St. Vlaams Parlement, 1995-1996, 360, nr. 1.). Het middel is niet gegrond. VII-17.944-13/24 3.3.1. In het derde middel wordt de schending aangevoerd van onder meer artikel 5.2.1.4. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), van de zorgvuldigheids- en motiveringsverplichting (inzonderheid van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen) (...) en van artikel 1.2.1., §2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Het middel wordt uiteengezet als volgt: "1.Art. 5.2.1.4. van het Vlarem-II bepaalt dat bij het inrichten van een verwerkingsplaats voor afvalstoffen rekening dient gehouden te worden met onder meer 'wegen en waterwegen; waterrijke gebieden zoals natte weilanden; groen- en parkgebieden; ...'. Hier gaat het dus om een bufferzone op het moment van de uitspraak. Ook feitelijk zijn er reëel waterrijke en biologisch waardevolle gebieden (rivieren, lage meersen aan de 'Vurren', ex-slibvijvers, oevers, ...). 2. (...) 3. In de beslissing wordt het natuurvraagstuk opgelost door enerzijds wel te erkennen dat een deel van de terreinen naast de te saneren blackpoint gedefinieerd staan als biologisch waardevol (blz. 14), maar anderzijds te stellen dat door de wijziging van het gewestplan de argumenten inzake natuurwaarde niet kunnen ingewilligd worden. 4. Niet draagkrachtige motivering (art. 3 van de Motiveringswet 29 juni '91). Schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en diverse wetsartikelen. Dit door onder meer: 1/)De verwijzing naar een gewestplanherziening die nog niet eens toepasselijk was, wat een juridisch niet afdoende motivering is. Het feit dat in art. 11 van de bijzondere milieuvoorwaarden B.D. gesteld werd dat de exploitatie niet mag 'gestart' worden vooraleer de wijziging van het gewestplan Gentse en Kanaalzone definitief is goedgekeurd verandert hieraan niets. Art. 14 van het Natuurbehoudsdecreet en de bedoelde bepaling van Vlarem-II geldt immers ongeacht de bestemming van het gebied (zie ook art. 13 van hetzelfde decreet). 2/)Er is geen enkele beoordeling van de landschappelijke kwaliteiten van dit gebied. Nochtans de moeite, want gelegen langs een recreatief zeer aantrekkelijke Tijarm met publiek jaagpad, en zijnde een fysiek deel van de Bovenscheldevallei (tevens inhoudelijke schending van art. 1.2.1 par. 1, 3/ van het Decreet Algemeen Milieubeleid). Ook in het advies van de afdeling stedebouwkundige vergunningen is daarover niets te lezen. Wel heeft de Ovam dit gedaan, maar de minister volgt het advies niet, zodat dan minstens diende gezegd waarom. 3/) De minister bekijkt op blz. 14 enkel de 'biologisch waardevolle' elementen, dus voortgaand op de biologische waarderingskaart terwijl ook de (avi) fauna tot de natuur behoort. Onwetendheid? Neen: zie de gegevens aangereikt door de OVAM. Zie de biologische waarderingskaart. Zie de luchtfoto's in de aanvraag. Zie de mogelijkheid van een plaatsbezoek. Zie het beschikken over de buitendienst Natuurbehoud. Zie vooral ook het advies van OVAM waarin deze gegevens wel onder ogen gezien worden. Zie ook de stukken aangaande VII-17.944-14/24 vogelwaarnemingen (lijsten van 1994 tot 1996) die hoe dan ook aan de minister bekend waren via het hoger beroep van de hr. Vermeire evenwel niet ontvankelijk verklaard. Dus: de natuurwaarde was gekend. Er zomaar overheen stappen wegens een niet eens definitieve herbestemming is een aanfluiting van de bepalingen in hoofding. 4/) Geen motivering over de vegetatie: het bos van 3 ha op perceel 630; de tientallen knotwilgen en honderden meters oude hagen van sleedoorn en beuk in de NW-percelen (de 'vurren'), enz. Bijgevolg ook: Ontkenning van bevoegdheid als minister van natuurbehoud en onzorgvuldig bestuur. 5. Stand-still? Mede gelet op het stand-stillbeginsel (zie Decreet Algemeen Milieubeleid) en het aanvaarden van de Bovenscheldevallei als een riviervallei op Vlaams niveau diende redelijkerwijze de aanvraag te worden geweigerd. Immers, door het jarenlang opspuiten, inzet van graafmachines, vrachtwagens, onvermijdelijke reliëfwijziging, enz. zal alle huidige broed-, pleister- en groeiplaats van inheemse fauna en flora bedolven worden. Slikbiotoop is een precair en zeer tijdelijke ersatz, die op termijn niets te betekenen heeft. 6. Concreet. De uitbating van het slibstort en bijbehoren, zal welke landschappelijke en ecologische waarde van dit gebied zo goed als tenietdoen? Zo zullen onder meer verdwijnen: - de laaggelegen meersen en slenken op percelen 575p, 565, 566c, 563 en 564, 562, deel van 641a, 556a, 642 c; - het bos van ong. 3 ha op perceel 630 (zie het negatief advies van het Bosbeheer in het kader van de bouwaanvraag, verwijzend naar art. 69 Decreet Natuurbehoud); - de sleedoornhagen en tientallen knotbomen langs de voormelde weilanden (zie foto's); - het leefgebied van de vos (in 1995 1 paar met jongen) en van de hermelijn, een marterachtige die het moet hebben van een goede ecologische infrastructuur; - een landschappelijk fraai woongehucht langs de Geizegemstraat met veel groen en boomgaarden; - een landelijke binnenwegel tussen percelen 631 c en 631 b; - het biotoop van vogelrichtlijnsoorten zoals blauwborst, porseleinhoen, kluut, draaihals,... Deze soorten komen vooral voor op de 6 ha waar de laguneringsvelden zijn voorzien. Zie hierover ook de gegevens vermeld in het advies van OVAM van september 1998; - verlies van kansen voor aanplant van een stadsbos. Enz. In de beslissing blijkt geen enkele bekommernis om deze natuurwaarde en groeninrichting. Immers, alle gebieden zonder uitzondering kunnen met gemiddeld 5 meter worden opgehoogd, m.i.v. de meersen, bossen en wegels. Hoogstammige bomen zullen volgens het dossier zelfs moeten geweerd worden om de perforatie van het stort te vermijden! 7. Voormelde getuigt ook van een schending van de in hoofding vermelde Vlarem-II bepaling. In het advies van Ovam wordt trouwens gesteld: 'De OVam wenst wel op te merken dat zoals het beroepsschrift vermeldt de inplanting van de inrichting niet wordt geëvalueerd ten opzichte van de aanwezige wegen en waterwegen, groen en parkgebied zoals is bepaald in art 5.2.1.4 van Vlarem II. De Raad van State heeft in een arrest van 12 februari 1998 (nr. 71 810) die evaluatie als een dwingende vereiste gesteld. Het is volgens Ovam dan ook noodzakelijk bij de beslissing over onderhavige beroepen een gefundeerde motivering te vermelden in verband VII-17.944-15/24 met de toetsing van de betrokken exploitatie aan de onmiddellijke nabijheid van de waterrijke, groen - en parkgebieden'. I.c. gaat het onder meer over de Tijarm als biotoop voor tientallen soorten watervogels en zoogdieren, ook over de groengebieden aan de overzijde van de Tijarm, nl. bossen ('Blauwhuis') en weilanden tot aan de Zwijnaardse Steenweg, verder aan weerszijden van de inrichting de andere valleigebieden nl. enerzijds het groene BPA gebied Scheldevallei Merelbeke vanaf de Zwijnaardse Steenweg en anderzijds de bufferzone ten noorden van de E40 en het Liedermeerspark aan de overzijde van de Ringvaart. Zie stukken in bundel. Door de exploitatie van het slibstort en bijbehoren zal vele jaren lang onder meer de broedgelegenheid, de rustfunctie, en de verbindingsfunctie van en tussen voormelde groengebieden steeds meer aangetast worden. 8. Volledigheidshalve: de afweging van maatschappelijke belangen? (cfr. art. 1.2.1 par. 2 Decreet 5/4/95). Nabij een stad van 250.000 inwoners, kampend met tekort aan groen en recreatie, is de opoffering van zo een grootschalige open ruimte, op het eerste zicht niet verantwoord. Ook niet het teloor laten gaan van een Scheldelandschap. Ook gaat de verwerende partij voorbij aan de alternatieven qua slibstort onder meer in de Donkvijver te Oudenaarde en de Callemoeie te Nazareth. Alternatieve afweging komt nergens voor in de besluitvorming. Ook niet de kwaliteiten voor andere maatschappelijke functies (bos passieve recreatie, landbouw, wonen, enz. ). Zie stukken". 3.3.2. De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat het bestreden besluit voor wat betreft de natuurwaarde van het gebied overweegt: "Overwegende dat een deel van het terrein naast de te saneren black-point op de biologische waarderingskaart van België gedefinieerd staat als 'biologisch waardevol'; dat de bezwaren inzake de natuurwaarde van het betrokken gebied reeds ter discussie stonden bij de vaststelling van de wijziging van het Gewestplan; dat de Vlaamse Regering hierbij heeft beslist om het gebied van de monodeponie te bestemmen als KMO-zone; dat derhalve de bezwaren inzake de natuurwaarde niet kunnen ingewilligd worden." (...) "dat een landschappelijke inkleding echter wel een vereiste is, waarbij in de bouwvergunning de nodige voorwaarden kunnen opgelegd worden", waarbij de vereiste van landschappelijke inkleding aantoont dat "de natuurwaarde over de natuurlijke overwegingen (niet) zomaar overboord zijn gegooid", en "Voor het overige worden in het Ministerieel Besluit een hele reeks overwegingen gegeven ter bescherming van de omgeving en de natuurwaarde van de omgeving op basis van de elementen weergegeven door de exploitant (zie o.a. M.B. stuk 12 pag. 11 t.e.m. 13)". Zij citeert vervolgens uit een aantal stukken die door de aanvrager werden bezorgd: VII-17.944-16/24 "De vergunningsaanvrager heeft in het aangetekend schrijven aan de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie één en ander ook als volgt verwoord (stuk 10 pag. 14): 'Het gebruik van trekwegen langs de bevaarbare waterlopen zal niet belemmerd worden, en dus ook niet afgesloten worden voor de zachte weggebruiker. Het overtollige regen- en transportwater dient zo snel mogelijk te worden verwijderd. In de vergunningsaanvraag blz. 14 wordt hiertoe voorzien in een bezinkingsbekken van ongeveer 25.000 m3 dat uitgerust is met een ondoordringbare folie.' De C.B.V.A. Fasiver stelt zelf in de vergunningsaanvraag: 'Het water dat hierin terecht komt zal gecontroleerd worden - en zonodig gezuiverd in een mobiele waterzuiveringsinstallatie - alvorens het lozen in het kanaal van Zwijnaarde en de Schelde.' Tenslotte wijst de milieuvergunningsaanvrager erop in stuk 10 pag. 16 dat: 'De black-point opgenomen in artikel 30 van het bodemsaneringsdecreet betekent een ernstige bedreiging voor mens en omgeving. Daar het hier om 'historisch vervuilde gronden' gaat, is de huidige eigenaar niet saneringsaansprakelijk. Bij de faling van Fabelta Zwijnaarde N.V. in 1982 werd de produktie van viscosevezel stopgezet en wachten de viscosebekkens reeds meer dan vijftien jaar op de sanering. Het project Fasiver biedt nu een unieke oplossing om toch een sanering van een prioritair black-point uit te voeren. De reliëfwijziging (tot max. + 13
  4. m)zal geen landschapsverstoring met zich meebrengen daar een ophoging steeds minimaal 1 m onder het peil van de autosnelweg E 40 zal blijven. De situering van de betrokken site in een ruim valleigebied van Schelde en Leie werd wel degelijk bestudeerd. De betrokken site moet hierbij kaderen in de continuïteitsassen langs Schelde- en Leievallei en dient te voorzien in een groenas met wandel- en fietspad. Daartoe is opdracht gegeven aan een bureau om een landschapsontwikkelingsplan uit te werken waarbij essentieel is dat naast het verzekeren van een groenas ook de gesaneerde black-point als groene bufferzone (ca. 8
  5. ha)zal ingekleurd worden in de eindbestemming van de globale site (42 ha).'". Uit al deze verwijzingen leidt de verwerende partij af dat wel degelijk rekening werd gehouden met artikel 5.2.1.4. van Vlarem II. Zij voegt daaraan toe dat in het bestreden besluit het volgende wordt gesteld: "Gelet op de afstand tot woningen valt geen overmatige hinder te vrezen voor omwonenden". Zij concludeert dat de minister wel degelijk rekening heeft gehouden met de in artikel 5.2.1.4. aangeduide elementen ter bescherming van de plaats en de omgeving, gezien een hele reeks argumenten zijn aangehaald ter bescherming van precies die onmiddellijke omgeving, de werking van installatie en inkapseling van installatie, ook precies ter bescherming van water-, groen- en parkgebieden uit de onmiddellijke omgeving. Door de werkwijze heel duidelijk te omschrijven met de verduidelijkingen welke daaraan nog zijn gegeven door de VII-17.944-17/24 vrijwillig tussenkomende partij lopende de procedure, heeft de minister juist op die wijze gezorgd voor de bescherming van de plaats en de omgeving, en heeft hij rekening gehouden met de gebieden daar rond. Er zijn voldoende maatregelen in de werkwijze ingebouwd opdat er geen of beperkte invloed zou zijn op specifiek die gebieden aangehaald in artikel 5.2.1.4. van Vlarem II. Dat daarbij door de minister ook wordt verwezen naar de hele reeks bijzondere milieuvoorwaarden, welke zijn opgelegd in het besluit van de bestendige deputatie, en onder andere op pagina 13 van het ministerieel besluit wordt verwezen naar de begeleidingscommissie, welke als bijzondere voorwaarde is opgelegd om de milieutechnische situatie jaarlijks te evalueren. 3.3.3. In haar memorie van wederantwoord merkt de verzoekende partij op dat de in de memorie van antwoord bijeengesprokkelde citaten deels afkomstig zijn uit stukken die niet aan het openbaar onderzoek zijn onderworpen. Die stukken kunnen dan ook niet als motivering van het besluit dienen: "Is het niet wat gemakkelijk om achteraf bepaalde informatie uit het dossier in te passen in de verplichting voortvloeiend uit art. 5.2.1.4 Vlarem-II? Dit zal zeker niet de bedoeling geweest zijn van de minister en komt in ieder geval niet expliciet tot uiting in de beslissing zelf, zoals verzoekster die kon lezen". De verzoekende partij legt aanvullende stukken neer die de natuurwaarde van het gebied aantonen. 3.3.4. In haar memorie argumenteert de tussenkomende partij wat betreft de aangevoerde schending van artikel 5.2.1.4. van Vlarem II in combinatie met de formele motiveringsplicht: "Artikel 5.2.1.4. van het Vlarem II bevat geen afstandsregels. Het somt enkel een aantal gegevens op van feitelijke aard (bijv. ligging waterlopen; afstand woongebied) waarmee bij het 'inrichten' van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen, 'ter bescherming van de plaats en de omgeving' 'rekening' moet worden gehouden. In casu werd met die elementen wel degelijk rekening gehouden, vermits in de motieven van de beslissing overwogen wordt 'dat het deel van het terrein naast het te saneren black-point op de Biologische Waarderingskaart van België gedefinieerd staat als 'Biologisch Waardevol'; dat de bezwaren inzake de natuurwaarde van het betrokken gebied reeds ter discussie stonden bij de vaststelling van de wijziging van het gewestplan; dat de Vlaamse Regering hierbij heeft beslist om het gebied van de monodeponie te bestemmen als KMO-zone; dat derhalve de bezwaren inzake de natuurwaarde niet kunnen ingewilligd worden; dat een landschappelijke inkleding echter wel een vereiste is, waarbij in de bouwvergunning de nodige voorwaarden kunnen opgelegd VII-17.944-18/24 worden' (bestreden beslissing, p.14). Ook uit de overige motieven, ondermeer deze op pagina's 9 tot en met 13 blijkt dat met de invloed van het project op de concrete omgeving omstandig rekening gehouden werd". Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 14 van het decreet natuurbehoud en artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in combinatie met de formele motiveringsplicht, stelt de tussenkomende partij wat volgt: "Noch artikel 14 van het Decreet natuurbehoud, noch artikel 1.2.1 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid kunnen op nuttige wijze aangevoerd worden tot staving van het middel. Enerzijds richt artikel 14 van het Decreet natuurbehoud zich slechts tot private rechtssubjecten, doch niet tot de vergunningverlenende overheid. Zelfs indien die bepaling zich zou richten tot de overheid, dan nog faalt het middel. Die bepaling verbiedt immers niet elke handeling die tot natuurschade leidt, maar verplicht de opdrachtgever enkel tot het treffen van voorzorgsmaatregelen tot vermijding en beperking van schade. In casu blijkt uit de bestreden beslissing dat het bestuur geoordeeld heeft dat het project geen onaanvaardbare schade met zich meebrengt. Die beoordeling is, in het licht van de gegevens van het dossier, niet kennelijk onredelijk te noemen. Anderzijds is artikel 1.2.1. van het Decreet van 5 april 1995, dat bepaalt dat het milieubeleid onder meer tot doel heeft het natuurbehoud en de ontwikkeling en bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, onder andere door behoud en herstel van landschappen met ecologische waarde en het behoud van wilde soorten, en voorts in het kader van het milieubeleid een gepaste maatschappelijke belangenafweging vereist, slechts een 'doel'-norm. De in die bepaling opgenomen beginselen zijn immers slechts als leidraad voor het beleid te beschouwen. Aan die bepaling kan evenwel geen 'directe werking' worden toegekend op basis waarvan de wettigheid van beleidsbeslissingen rechtstreeks kan worden betwist. Het middel van verzoekster bevat veeleer beleidskritiek dan wettigheidskritiek. Zo die discussie kan en moet gevoerd worden in het kader van het administratief beroep, is zulks niet het geval in het kader van het schorsings- en annulatiecontentieux voor uw Raad". 3.3.5. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij daaraan het volgende toe: "(...) (...) Verzoekende partij volhardt ook in het onderdeel van het middel betreffende de schending van art. 1.2.1 van het Decreet Algemene Bepalingen inzake het milieubeleid van 5 april 1995. Volgens de auditeur kan in wezen enkel een marginale kennelijke schending van beginselen vervat in dit artikel in aanmerking komen. De auditeur verwijst naar de memorie van toelichting en naar het integratiebeginsel (blz. 33 van het verslag). Volgens verzoekende partij is voldoende bewezen dat het milieuvergunde gebied een (zeer) bijzondere en veelzijdige leefmilieufunctie had, welke door VII-17.944-19/24 deze milieuvergunning grotendeels wordt tenietgedaan. In en in de omgeving van het vergunde gebied waren er zeer bijzondere natuur- en landschapselementen aanwezig, waaromtrent tal van stukken aan Uw Raad werden medegedeeld. Kwalitatief zeer waardevolle oppervlaktes (ong. 40
  6. ha)zijn verloren gegaan en doen kennelijk afbreuk aan milieuwaarden die via art. 1.2.1 van het DABM moesten worden beschermd, zoals: • de bufferfunctie tussen het stedelijk gebied Gent en de Scheldevallei Merelbeke, met voordelen voor mens en natuur; • buffering van de Tijarm, een uniek stuk onbevaarde getijdenatuur van enkele kilometers lang, vol vis en watervogels; • een geschikt fourageergebied voor avifauna uit Lieder meerspark (Merelbeke) en Merelbeekse Meersen, zowel broedvogels als trekvogels; • zeer zeldzaam type houtkanten met sleedoorn op natte weiden (de Vurren) met slootjes, wat in de Scheldevallei nog zeer zelden te vinden is; • een leefgebied voor bedreigde/zeldzame diersoorten, waaronder het porseleinhoen, de draaihals, de ruigpootbuizerd, smelleken, de bergeen, dodaars en de blauwe reiger; rond de slibbekkens kwam ook nog de Sint- Jansvlinder voor; Zie in dit verband ook de brief van de milieudienst stad Gent dd. 14 november 2001, n.a.v. de opmaak van het MER: 'Een eerste opmerking betreft de te nemen referentiesituatie op vlak van natuur. Voor het eiland van zwijnaarde is dit een open nat gebied juist naast het stedelijk gebied, dat aansluit op de Scheldevallei. Door deze bijzondere ligging en de aanwezigheid van open moerasvegetatie, water was dit een gebied dat zeer belangrijk was op vlak van avifauna. Daarnaast zijn de zandige kalkrijke opspuitingen ontwikkeld tot een Ku* met elementen van Hf en deels aan het evolueren naar Sf. Hier voorkomende rode lijstsoorten (mei 2001) zijn Bijenorchis (100den exemplaren), Hondskruid, platte rus, ruige lathyrus, fraai duizendguldenkruid, ruige leeuwentand naast het abundant voorkomen van riet, zeggesoorten (o.a. veel tweerijige zegge), Heelblaadjes, watermunt, echte koekoeksbloem en grasmuur. (...) Deze site is een belangrijk verbindingselement en laatste rustpunt in de groenas die de Schelde tot in de stad moet vormen.' Zie het aanvullend stuk. • een authentiek landschappelijk deel van de Scheldevallei tussen de Merelbeekse Meersen en de Liedermeersen, en omgeven door waterrijke infrastructuur, nl. drie rivieren, waardoor het een natuurkerngebied was. Het MER vermeldt blz. 7.57: 'Het studiegebied bevindt zich in het alluviaal gebied, meer specifiek het Alluvium van de Bovenschelde (gebied Ivb).' Art. 1.2.1 par. 1, 3/ van het DABM is aldus kennelijk geschonden. (..)". 3.3.6.1. Artikel 5.2.1.4. van Vlarem II, zoals het van toepassing was op het ogenblik waarop het bestreden besluit werd genomen, luidt als volgt: "§1. Bij het inrichten van een inrichting voor de verwerking van afvalstoffen dient ter bescherming van de plaats en de omgeving rekening te worden gehouden met de aanwezigheid in de omgeving van en de afstand tot: -woonwijken; -recreatiegebieden; -wegen en waterwegen; -waterrijke gebieden zoals oppervlaktewateren en andere waterpartijen, moerassen, veengebieden en natte weilanden; -industrie-, landbouw- en woongebieden; VII-17.944-20/24 -groen- en parkgebieden; -het culturele erfgoed, zoals beschermde monumenten, stads- en dorpsgezichten, gerangschikte landschappen en beschermde archeologische goederen; -waterwingebieden en beschermingszones. §2. Naargelang de aard van de inrichting dient bovendien rekening te worden gehouden met: -de geo- en hydrogeologische omstandigheden in het gebied; -de potentiële waarde van de aanwezige grondwaterlagen; -de grondmechanische eigenschappen en stabiliteitskenmerken van het terrein; -de nabestemming van het terrein". Deze bepaling bevat geen dwingende verbods- of afstandsregel. Zij houdt wel de verplichting in voor de vergunningverlenende overheid om aan de hand van het haar voorgelegde aanvraagdossier na te gaan of de plaats en de omgeving niet in het gedrang worden gebracht door de concrete ligging van de inrichting in het licht van de aanwezigheid van en afstand tot de in dat artikel vermelde gebieden, wegen, goederen en zones. In de in eerste aanleg door de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen genomen beslissing, die na administratief beroep werd bevestigd, werd wel degelijk een onderzoek gewijd aan de omgeving en de impact van de inrichting daarop: "(...) - de site is niet gelegen in een RAMSAR-gebied, noch in een Vogelrichtlijngebied, zoals resp. bepaald in de wet van 22-02-1979 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake watergebieden die van internationale betekenis zijn, in het bijzonder als woongebied voor watervogels en het besluit van de Vlaamse Regering van 17-10-1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones voor vogels; (...) - strijdigheid met Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; in het structuurplan worden open valleigebieden met hun bijhorende watersystemen (waterlopen, beken en grachten) als prioritair beschouwd. Deze gebieden kunnen immers fungeren als verbindingselementen tussen de verschillende waardevolle gebieden (groengebieden); de site 'Eiland' betreft eerder een gesloten gebied dat reeds in erge mate is aangetast door industriële activiteiten. Daarenboven is de site tamelijk geïsoleerd gelegen. Volgens het gewestplan 'Gentse en Kanaalzone' blijkt dat de site, thans ingekleurd als bufferzone, in feite een uitloper is van een geheel van diverse natuurgebieden gelegen in de Scheldevallei ten zuiden van de site. ten noorden wordt het 'Eiland' immers begrensd door de Ringvaart met aan de overkant een industriegebied; volgens de Biologische Waarderingskaart wordt een deel van de site (kant ten zuiden van de E40-autosnelweg) ingekleurd als biologisch waardevol. Ook hier blijkt dat dit deel geïsoleerd is gelegen; ten slotte kan nog worden opgemerkt dat thans bij de Dienst Stedenbouw en Ruimtelijke Planning van de stad Gent VII-17.944-21/24 een project loopt, waarbij het centrum van Gent via 'groenassen' zou verbonden worden met de open landschappen in de omgeving; de 'groenas-4' zou o.m. de zuidelijke natuurgebieden via een groene bufferzone, gelegen op de site-kant Schelde-Tijarm, verbinden met de Schelde richting Melle. In de planologische voorschriften van 'het bijzondere reservatiegebied' wordt gesteld dat bij verdere ontplooiing en invulling van het gebied ruime aandacht zal besteed worden aan de actieve natuurontwikkeling in relatie tot de Schelde; voor het bijzonder reservatiegebied wordt een BPA van aanleg opgesteld dat de zonering en fasering vaststelt; de aanleg van een bufferzone (cfr. groenassen-project) zou een voorschrift van dit BPA kunnen zijn". Die vaststellingen werden door de verzoekende partij niet op een concrete wijze bekritiseerd in het beroepschrift, zodat van de overheid die over het beroep moet oordelen desbetreffend geen bijzondere formele motivering moet worden verwacht. Uit deze overwegingen van de in eerste aanleg genomen beslissing blijkt dat de vergunningverlenende overheid bij het onderzoek van de vergunningsaanvraag wel degelijk rekening heeft gehouden met de verplichting opgelegd door voornoemde Vlarem II-bepaling. Bovendien wordt ook in het bestreden besluit met zoveel woorden het volgende gesteld: "dat het deel van het terrein naast het te saneren black-point op de Biologische Waarderingskaart van België gedefinieerd staat als 'Biologisch Waardevol'; dat de bezwaren inzake de natuurwaarde van het betrokken gebied reeds ter discussie stonden bij de vaststelling van de wijziging van het gewestplan; dat de Vlaamse regering hierbij heeft beslist om het gebied van de monodeponie te bestemmen als KMO-zone; dat derhalve de bezwaren inzake de natuurwaarde niet kunnen ingewilligd worden; dat een landschappelijke inkleding echter wel een vereiste is, waarbij in de bouwvergunning de nodige voorwaarden kunnen opgelegd worden". Ook wordt daar in het bestreden besluit aan toegevoegd dat geen overmatige hinder te vrezen valt voor de omwonenden. Daaruit blijkt dat de impact van de inrichting op de omgeving door de verwerende partij wel degelijk bij het onderzoek werd betrokken. 3.3.6.2. Artikel 1.2.1. van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid luidt als volgt: VII-17.944-22/24 "§1. Ten behoeve van de huidige en toekomstige generaties heeft het milieubeleid tot doel: 1/ het beheer van het milieu door de duurzame aanwending van de grondstoffen en de natuur; 2/ de bescherming, tegen verontreiniging en onttrekking, van mens en milieu, en in het bijzonder van de ecosystemen die van belang zijn voor de werking van de biosfeer en die betrekking hebben op de voedselvoorziening, de gezondheid en de andere aspecten van het menselijk leven; 3/ het natuurbehoud en de bevordering van de biologische en landschappelijke diversiteit, met name door de instandhouding, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke habitats, ecosystemen en landschappen met ecologische waarde en het behoud van de wilde soorten, in het bijzonder van die welke bedreigd, kwetsbaar, zeldzaam of endemisch zijn. §2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt. §3. De in §1 en §2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens". Deze bepaling bevat algemene beleidsdoelstellingen die gelden in het Vlaamse Gewest. Zij legt geen concrete en op elke individuele en lokale vergunningsaanvraag toepasselijke verplichtingen en verbodsbepalingen op. Dit voorschrift kan enkel geschonden worden door een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag die kennelijk indruist tegen die algemene beleidsdoelstellingen, en wel op een wijze die een meer dan tijdelijke of plaatselijke impact heeft. Het verzoekschrift bevat geen argumenten die tot dergelijke conclusie kunnen leiden. Het middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. VII-17.944-23/24 Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-17.944-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.173 Gerelateerde publicatie(
  7. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.83.198 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.