id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.174 Rolnummer: A. 112254/VII-24959 Zaak: Arrest 170174 - Milieuvergunningen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-04 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.174 van 19 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.174 van 19 april 2007 in de zaak A. 112.254/VII-24.959 In zake : 1. Rudy VANNESTE, 2. Marleen ANSEEUW, die woonplaats kiezen bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Fernand DESPLENTERE, die woonplaats kiest bij advocaat M. DEKETELAERE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy VANNESTE en Marleen ANSEEUW op 2 november 2001 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 23 augustus 2001 waarbij de beroepen ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout van 11 april 2001, houdende het verlenen van de vergunning aan Fernand DESPLENTERE voor het verder exploiteren van een werkplaats voor het vervaardigen van tanks en een gasoliedepot, gelegen te Torhout, Oostendestraat 329, voor een termijn van twintig jaar, gedeeltelijk worden ingewilligd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 27 december 2001 ingediend door Fernand DESPLENTERE; Gelet op de beschikking van 30 januari 2002 die de tussenkomst van Fernand DESPLENTERE toelaat; VII-24.959-1/17 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 31 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. VERHELLE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verzoekende partijen, van adjunct- adviseur S. VANPARYS, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. DEKETELAERE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de voornaamste feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partijen zijn eigenaar van de kadastrale percelen Torhout, 1/ Afd., Sectie A, nrs. 426k, 426l, 427d en 431b, die een aaneensluitend geheel vormen gelegen in de hoek waar de Oostendestraat en de Wijnedalemolenstraat samenkomen. Op deze percelen is tevens de woning van de verzoekende partijen opgericht. Deze percelen bevinden zich deels in agrarisch VII-24.959-2/17 gebied en deels in woongebied met landelijk karakter (diepte van 50 meter langs de Oostendestraat). 1.2. De tussenkomende partij exploiteert twee inrichtingen, waarvan de ene gelegen is aan de overzijde van de Wijnedalemolenstraat, tegenover de eigendom van de verzoekende partijen (o.a. kadastrale percelen nrs. 419v, 419w en 420g), en de andere verderop in de Wijnedalemolenstraat, grenzend aan de eigendom van de verzoekende partijen (kadastraal perceel nr. 423b). Beide inrichtingen hebben in essentie hetzelfde voorwerp, met name een werkplaats voor het vervaardigen van brandstoftanks. Voor beide inrichtingen wordt evenwel een afzonderlijke aanvraag ingediend en worden onderscheiden vergunningen verleend. 1.3. Op 24 januari 2001 dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in met betrekking tot de inrichting gelegen aan de overzijde van de Wijnedalemolenstraat, tegenover de eigendom van de verzoekende partijen. Deze aanvraag betreft de hernieuwing van een vergunning voor een bestaande inrichting (basisvergunning van 28 januari 1971 voor een termijn van 30 jaar) en een wijziging door het verplaatsen binnen de inrichting en wijziging van procédés. Blijkens de aanvraag bevat het bedrijfsgebouw een magazijn, een werkplaats metaalbewerking (las- en rolafdeling), een magazijn en een bureel. Uit de lijst van rubrieken blijkt dat er acht van de negen klasse 3 zijn en dat er één klasse 2 is (met name 29.5.2.2.: smederijen, andere dan deze bedoeld in rubriek 29.5.1., en inrichtingen voor het mechanisch behandelen van metalen en het vervaardigen van voorwerpen uit metaal met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10 kW tot en met 200kW; in casu is de aangevraagde totale drijfkracht 18,5 kW). Naar aanleiding van deze aanvraag hebben de verzoekende partijen bezwaar ingediend. Deze aanvraag heeft geenszins betrekking op de andere inrichting van de tussenkomende partij, gelegen op het kadastraal perceel nr. 423b. 1.4. Op 11 april 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout de gevraagde vergunning integraal te verlenen. Op 17 mei 2001 dienen de verzoekende partijen administratief beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen. Naar aanleiding van dit beroep worden de volgende adviezen gegeven : - de afdeling Milieuvergunningen adviseert op 13 juni 2001 het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen; - de afdeling ROHM geeft geen advies, dus stilzwijgend gunstig voor de vergunde inrichting; VII-24.959-3/17 - de Provinciale Mileuvergunningscommissie adviseert op 6 juli 2001 unaniem : "de beroepen zijn deels gegrond; de beslissing van het Schepencollege wordt gewijzigd: perceel 420g wordt geschrapt en de volgende bijzondere voorwaarde wordt bijgevoegd: - Het laden en lossen in open lucht dient beperkt tot de periode van 7 u -19 u". 1.5. In navolging van de Provinciale Milieuvergunningscommissie beslist de verwerende partij op 23 augustus 2001 de beroepen deels gegrond te bevinden: "de beslissing van het Schepencollege wordt gewijzigd: perceel 420g wordt geschrapt en de volgende bijzondere voorwaarde wordt bijgevoegd: het laden en lossen in open lucht dient beperkt tot de periode van 7 u -19 u". De beroepen beslissing wordt voor het overige bevestigd. Dit is het bestreden besluit. De motivering luidt als volgt : "Gelet op de ligging van de inrichting deels in een woongebied met landelijk karakter en deels agrarisch gebied van het gewestplan Diksmuide-Torhout (d.d. 5/2/1979); dat perceel 420g opgenomen is in de aanvraag, doch dat er hierop geen ingedeelde activiteiten gebeuren; dat dit perceel niet eerder vergund was en -aangezien het gaat om een zonevreemd bedrijf- het niet kan worden toegevoegd aan de vergunning; Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt in principe niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, doch kan beantwoorden aan de geldende afwijkingsregels in art. 43 § 6-8 van het decreet ruimtelijke ordening; dat het inzonderheid om het verder exploiteren van een reeds lang bestaande inrichting gaat, waarvan - mits de nodige voorwaarden - kan verzekerd worden dat de uitbating op een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan gebeuren; Overwegende dat er enkel huishoudelijk afvalwater wordt geloosd via een septische put in een ingebuisde gracht van de Wijnedalestraat; dat in het besluit van het College van Burgemeester en Schepenen een individuele behandelingsinstallatie wordt opgelegd zodat er voldaan kan worden aan de normen voor lozen in oppervlaktewater; Overwegende dat de exploitant verklaart de tankpiste aan te passen zodat bodemverontreiniging kan worden voorkomen; Overwegende dat het op- en afrijden van vrachtwagens in de Wijnendalemolenstraat wel voor lawaaihinder kan zorgen; dat anderzijds het gaat om een openbare weg die veelvuldig wordt gebruikt door vrachtwagenchauffeurs die een kortere weg nemen naar Wijnendale dorp; Overwegende dat het dak van de loods geïsoleerd zal worden zodat de geluidshinder beperkt zal worden; dat het noodzakelijk is dat er geluids- metingen worden uitgevoerd teneinde na te gaan of er al dan niet aan de geluidsnormen wordt voldaan; dat er desnoods saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn; dat deze maatregelen reeds zijn opgenomen in het vergunningsbesluit van het College van Burgemeester en Schepenen dd. 11-04-200l; Dat het College van Burgemeester en Schepenen ook oplegt dat het dak moet worden geïsoleerd zoals voorgesteld door de aanvrager; VII-24.959-4/17 Overwegende dat de aanvrager ook heeft verklaard in de provinciale milieuvergunningscommissie dat het laden en lossen in open lucht kan beperkt worden tot de periode van 7 u tot 19 u; dat dit als bijkomende bijzondere voorwaarde wordt opgelegd; Overwegende dat de stookinstallatie voor de verwarming van de loods onder de categorie van niet ingedeelde inrichtingen vallen; Overwegende dat de bezwaren als volgt worden geëvalueerd: S De werktijden zijn vastgesteld in de bijzondere voorwaarden zijnde van 07 uur tot 18 uur van maandag tot en met zaterdag; S De verbods- en afstandsregels van hinderlijke inrichtingen worden vastgelegd in sectorale voorwaarden van Titel II van Vlarem; voor metaalbewerkingen ingedeeld in indelingsrubiek 29.5.2 van Titel zijn er geen verbods- en afstandregels vastgesteld; S De stalling van de voertuigen bevindt zich achter het bedrijfsgebouw en de private woning van zijn dochter en ligt op ca. 40 m afstand van de private woning van de beroeper (op ca. 15 m afstand van de perceelgrens van de beroeper); het lawaai veroorzaakt door het starten eventueel warmdraaien van de motoren wordt grotendeels gedempt door de muren van de loods en de private woning van zijn dochter; de stalplaats voor voertuigen kan naar de andere vestiging worden overgebracht; S Het is aan de hand van metingen dat zal worden uitgemaakt of er al dan niet saneringsmaatregelen noodzakelijk zijn zodat de hinder tot een voor de omgeving aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; dat in het algemeen het College van Burgemeester en Schepenen voldoende bijzondere voorwaarden heeft opgelegd om de hinder voor de buurt tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen; Overwegende dat het gunstig advies t.a.v. de inrichting van de afdeling Milieuvergunningen van de administratie Milieu, Natuur-, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en Infrastructuur niet kan in aanmerking worden genomen voor wat betreft perceel 420 g; Overwegende dat de elementen aangebracht door de aanvrager, gehoord door de Provinciale Milieuvergunningscommissie als volgt kunnen weergegeven worden: 'We voldoen aan de Vlarem-normering. Volgens ons is het beroep ongegrond. Het opwarmen van de vrachtwagens gebeurt binnen. Er zijn 2 aparte productieateliers. We menen dat de opmerking gedeeltelijk betrekking heeft op de 2de vestiging. In 1992 zijn geluidsmetingen gebeurd. Alles was OK. Intussen zijn heel wat investeringen gebeurd en is er akoestische isolatie aangebracht. De bouwvergunning dateert van 1975. We waren van plan om deze vestiging af te bouwen. Op 420g gebeurt enkel stapeling. Dit perceel is pas later ingenomen. We zouden in een sectoraal BPA worden opgenomen. Er is gestart met de opmaak. Er is blijkbaar 2 jaar vertraging.'; Overwegende dat deze elementen niets afdoen aan de hierboven vermelde overwegingen en vaststellingen; Overwegende dat de exploitatie van het toelaatbare deel van de inrichting verenigbaar moet gemaakt worden met de omgeving, zowel wat betreft de risico's voor de externe veiligheid als wat betreft de hinder, de effecten op het leefimilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting; Dat het daarom noodzakelijk is vergunningsvoorwaarden op te leggen die technisch haalbaar zijn en voldoen aan de vereiste van best beschikbare schone technologie zonder overmatig hoge kosten; dat de technische criteria en de van toepassing zijnde normen vanuit dit uitgangspunt gehanteerd worden; dat deze voorwaarden kunnen worden geconcretiseerd als omschreven in bijlage; Overwegende dat gesteld kan worden dat de risico's voor de externe veiligheid, de hinder, de effecten op het leefmilieu, op de wateren, op de natuur en op de mens buiten de inrichting veroorzaakt door de gevraagde VII-24.959-5/17 v e r a n d e r i n g / e x p l o i t a t i e , mi t s n a l e v i n g v a n d e g e p a s t e milieuvergunningsvoorwaarden tot aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat de beroepen derhalve gedeeltelijk gegrond is"; VII-24.959-6/17 2. De ontvankelijkheid Overwegende dat in het verzoekschrift de beslissing in eerste aanleg van het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout van 11 april 2001, waarbij de milieuvergunning aan de tussenkomende partij wordt verleend, als eerste bestreden beslissing wordt aangeduid; dat evenwel enkel in laatste aanleg en na uitputting van alle administratieve beroepen -hetgeen in casu gebeurt bij het besluit van de bestendige deputatie van 23 augustus 2001, door de verzoekende partijen aangeduid als tweede bestreden beslissing- genomen beslissingen het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; dat dienvolgens, in de mate dat het verzoek tot nietigverklaring gericht is tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, het onontvankelijk is; dat daaraan geen afbreuk doet het betoog van de verzoekende partijen in de laatste memorie dat in het beschikkend gedeelte van het bestreden besluit wordt gesteld dat de "beslissing van het Schepencollege wordt gewijzigd" en dat aldus voor het overige de beroepen beslissing wordt bevestigd; dat, immers, het bevestigd gedeelte van de in eerste aanleg genomen beslissing wordt opgeslorpt door het in beroep genomen besluit, en dat in geval van vernietiging van laatstgenoemd besluit eveneens het bevestigd gedeelte mede wordt vernietigd; 3. De gegrondheid 3.1. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aanvoeren van artikel 43, §§7 en 8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van het gewestplan Diksmuide-Torhout van 5 februari 1979, van artikel 6.1.2.2. en artikel 5.1.0. van het koninklijk besluit van 28 december 1972, van de formele en materiële motiveringsplicht, en van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij in een eerste onderdeel aanvoeren wat volgt: "II.1.1 Eerste onderdeel: geen motivering aangaande de ruimtelijke draagkracht van het gebied en de verweving van functies. II.1.1.1 Bij de beoordeling van milieuvergunningsaanvragen moet rekening gehouden worden met de bindende en verordenende kracht van de bestemmingsvoorschriften van de plannen van aanleg. Er kan geen milieuvergunning worden afgeleverd voor inrichtingen of activiteiten die strijdig zijn met de bestemmingsvoorschriften. De vraag of de hinder van de exploitatie tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt, is overigens pas aan de orde als vaststaat dat de exploitatie stedenbouwkundig en planologisch gezien 'aanvaardbaar' is. VII-24.959-7/17 II.1.1.2 Hierboven werd reeds uiteengezet dat de inrichting van Dhr. DESPLENTERE deels gelegen is in een woongebied met landelijk karakter, deels in een agrarisch gebied. Artikel 6.1.2.2., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen bepaalt dat woongebieden met een landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en tevens voor landbouwbedrijven. Krachtens het bepaalde in artikel 5.1.0., van het voormelde koninklijk besluit van 28 december 1972 kunnen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf enkel in een woongebied toegelaten worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens 'taken' van het bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving. Artikel 11.4.1van het koninklijk besluit van 28 januari 1972 bepaalt dat agrarische gebieden bestemd zijn voor de landbouw in ruime zin. In de bestreden beslissing wordt terecht gesteld dat de inrichting van Dhr. DESPLENTERE niet verenigbaar is met voormelde stedenbouwkundige voorschriften. In de bestreden beslissing wordt vervolgens echter ten onrechte toepassing gemaakt van de 'geldende afwijkingsregels'. II.1.1.3 De afwijkingsmogelijkheden bij het verlenen van een milieuvergunning worden geregeld in de diverse decreten ruimtelijke ordening. Overeenkomstig artikel 171 van het Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening - laatste maal gewijzigd bij decreet van 13 juli 2001 - blijft onder meer artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van kracht. De §§ 7 en 8 van artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luiden als volgt: '§7. De overheden die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen kunnen bij het verlenen van de milieuvergunningen afwijken van de bepalingen van het ontwerp- gewestplan en het gewestplan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag. Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kunnen de overheden rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar. §8. Een in de paragrafen 6 of 7 bedoelde afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden verleend:
- a)het moet gaan om een inrichting waarvan de exploitatie geheel of ten dele niet overeenstemt met de bestemmingsvoorschriften van het ontwerpgewestplan of gewestplan voor het gebied waarin de inrichting is gelegen, en
- b)de milieuvergunningsaanvraag bedoeld in het voornoemde decreet van 28 juni 1985, moet één of meer van de volgende bepalingen als voorwerp hebben: - het hernieuwen van een milieuvergunning van een inrichting; - het veranderen van de exploitatie van een inrichting, zoals bedoeld in hoofdstuk V van het decreet van 28 juni 1985, op voorwaarde dat de VII-24.959-8/17 verandering geen vermeerdering van de oppervlakte of het volume voor gevolg heeft, onverminderd hetgeen na de vierde gedachtenstreep wordt bepaald; - het exploiteren van een bestaande of nieuwe inrichting waarvoor, overeenkomstig artikel 43, § 2 definitief een bouwvergunning voor het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een bedrijfsgebouw met een gebouw of een vaste inrichting is verleend.' II.1.1.4 De vergunningsverlenende overheid kan afwijkingen van de voorschriften van de gewestplannen toestaan op voorwaarde dat de ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Het decreet bepaalt dat uitdrukkelijk moet gemotiveerd worden dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied ingevolge de afwijking niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang worden gebracht of verstoord. De bestreden beslissing bevat geen, minstens geen afdoende beoordeling van een 'goede ruimtelijke ordening'. II.1.1.5 Er wordt niet gemotiveerd dat door de afwijking de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden. Er wordt evenmin gemotiveerd dat de aanwezige of te realiseren bestemming in de onmiddellijk omgeving niet in het gedrang wordt gebracht of verstoord. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld wat volgt: 'Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt in principe niet verenigbaar is met de voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, doch kan beantwoorden aan de geldende afwijkingsregels in art. 43 §§ 6-8 van het decreet ruimtelijke ordening; dat het inzonderheid om het verder exploiteren van een reeds lang bestaande inrichting gaat, waarvan - mits de nodige voorwaarden - kan verzekerd worden dat de uitbating op een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan gebeuren.' Er wordt dus enkel geaffirmeerd dat de inrichting een afwijking noodzaakt van de gewestplanbestemming en dat de afwijking kan worden toegestaan aangezien het een bestaande inrichting betreft, waarvan kan verzekerd worden dat de uitbating op een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan gebeuren. De overweging dat de milieuvergunningsvoorwaarden de hinder voor de omgeving tot een aanvaardbaar niveau zouden beperken, houdt niet in dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden door de inrichting. Het houdt evenmin in dat de stedenbouwkundige bestemmingen niet in het gedrang komen. II.1.1.6 Welnu, de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden. Verzoekende partijen hebben er hierboven op gewezen dat de inrichting almaar werd uitgebreid. De oppervlakte van de percelen die werden ingenomen door de inrichting (meer dan 10.000 m2) en de massale omvang van de gebouwen domineren de omgeving in zodanige mate dat niet alleen de ruimtelijke draagkracht van het gebied wordt overschreden, maar tevens de bestemmingen in het gedrang komen. De woning van verzoekende partijen wordt omgeven door de enorme industriële gebouwen van de kwestige inrichting. Het perceel van verzoekende partijen is niet meer verkoopbaar als bouwgrond. Het wonen naast de agrarische omgeving is zo goed als verdwenen. De eigenlijke bestemmingen van het gebied wordt de uitzondering. De Wijnedalemolenstraat staat enkel nog in het teken van het aan- en afrijden van vrachtwagens en andere voertuigen voor en van het tankbouwbedrijf. De bestemmingen woongebied en agrarisch gebied komen aldus duidelijk in het gedrang. Een afwijking mag niet tot gevolg hebben dat de fundamentele VII-24.959-9/17 beleidsopties, waarop de gewestplannen zijn gesteund, in het gedrang worden gebracht. In een advies van 1 februari 1984 stelde de Raad van State terecht wat volgt: 'De verplichting de ruimtelijke ordening in haar wezenlijke elementen en kenmerken te eerbiedigen en te vrijwaren laat de overheid niet toe om, (...) ,werken die een belangrijke weerslag op de omgeving kunnen hebben bij wege van afwijking toe te staan. De afwijking van een voorschrift van een ontwerp-gewestplan of van een gewestplan die door haar aard en omvang de verdere toepassing van dat voorschrift in belangrijke mate verhindert, tast in wezen het voorschrift zelf aan; zij staat gelijk met een wijziging ervan en kan bijgevolg niet dan bij een verordenende beslissing worden verleend' De afwijking die werd verleend in de bestreden beslissing, werd verleend met miskenning van voorgaand beginsel"; 3.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord in een voorafgaande bemerking er op wijst dat zij met het bestreden besluit geoordeeld heeft over de ene inrichting van de tussenkomende partij, gelegen aan de overzijde van de Wijnedalemolenstraat, en dat zij zich ook slechts op dit punt wenst te verdedigen, dat met betrekking tot de andere inrichting (kadastraal perceel nr. 423b) er een definitieve milieuvergunning is die trouwens nooit werd aangevochten, dat in het verzoekschrift van de verzoekende partijen niet wordt aangevoerd dat beide inrichtingen één technisch geheel zouden vormen, zodat zij ook niet verweten kan worden met die andere inrichting geen rekening te hebben gehouden; dat zij voorts als volgt repliceert : "2. Stedenbouwkundig De vestiging die het voorwerp uitmaakt van de thans bestreden beslissing is gelegen deels in woongebied met landelijk karakter en deels in agrarisch gebied. a. Hoewel het beroep in hoofdzaak handelt over stedenbouwkundige aspecten heeft de Bestendige Deputatie geen officieel advies van AROHM ontvangen. Tijdens de bespreking in de Provinciale Milieuvergunningscommissie werd wel ingegaan op het stedenbouwkundige aspect. De Provinciale Milieuvergunningscommissie is unaniem tot de conclusie gekomen dat het hier inderdaad om een zonevreemd bedrijf gaat. Perceel 420 g bleek niet eerder opgenomen in enige vergunning, en bovendien gebeurt daar enkel (niet-milieuvergunningsplichtige) stapeling. Bijgevolg kan dit perceel onmogelijk toegevoegd worden aan reeds eerder vergunde percelen. b. De milieuvergunningsaanvraag bleek voor het overige betrekking te hebben op reeds eerder vergunde percelen en activiteiten: de Bestendige Deputatie heeft hiervoor in 1971 en in 1985 exploitatievergunning verleend. Hiervoor kan wel hernieuwing worden toegestaan. Verzoekers stellen het voor alsof de inrichting in de voorbije jaren is uitgegroeid tot een megabedrijf. Niets is minder waar: het gaat hier louter en alleen om een verder zetten van een reeds in 1971 en 1985 vergunde exploitatie, waar zich sindsdien geen enkele milieuvergunningsplichtige uitbreiding (noch qua vermogen, noch qua bebouwde oppervlakte) heeft voorgedaan. In de betrokken inrichting zijn zegge en schrijve 2 arbeiders tewerkgesteld. VII-24.959-10/17 In de milieuvergunningsaanvraag worden 8 Vlarem-rubrieken aangevraagd, waarvan er liefst 7 klasse 3 zijn. Het is vaste rechtspraak van Uw Raad dat dergelijke rubrieken niet eens kunnen geweigerd worden. Blijft derhalve als beoordelingspunt ten gronde over: de klasse 2-rubriek voor de amper 18 kW metaalbewerking. Er kan bezwaarlijk gesteld worden dat dergelijke aanvraag slaat op een grootschalig industrieel bedrijf. Verzoekers tonen in hun verzoekschrift niet aan dat het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag niet zou stroken met de werkelijkheid. Uit het verslag van afdeling Milieuvergunningen is trouwens gebleken dat de aangevraagde rubrieken en hoeveelheden wel degelijk correct zijn. Verzoekers kunnen evenmin ontkennen dat de milieuvergunningsaanvraag tijdig (d.i. vóór het verstrijken van de lopende vergunningen) is aangevraagd. De conclusie luidt dan ook dat het om de hernieuwing van een reeds lang bestaande kleinschalige inrichting gaat. Bijgevolg valt niet in te zien waarom de betrokken milieuvergunningsaanvraag niet zou vallen onder de toepassing van art. 43 § 6-8 van het decreet van ruimtelijke ordening: dit stelt duidelijk dat zonevreemde milieuvergunningen kunnen verleend worden als het om een hernieuwing gaat. c. Verzoekers beweren dat de ruimtelijke draagkracht door deze milieuvergunningsaanvraag is geschonden. Dit is voor de Bestendige Deputatie absoluut onbegrijpelijk : - verzoekers kunnen niet ontkennen dat de exploitatie plaatsvindt in een vergund gebouw (met een door hen nooit bestreden bouwvergunning) (bijl.11). Uit nazicht van de bouwvergunningen blijkt trouwens ook nog dat de door verzoekers zo bestreden 2de vestiging aan de andere zijde van de Wijnendalemolenstraat beschikt over een bouwvergunning dd. 17/6/1980 (bijl. 12). Het is merkwaardig om daarbij vast te stellen dat die bouwvergunning werd afgeleverd door een College van Burgemeester en Schepenen waarvan verzoeker toen deel uitmaakte.... Als schepen van de toenmalige meerderheid had dhr. Vanneste toen blijkbaar geen problemen met de uitbreiding van dit bedrijf. Nu hij niet langer deel uitmaakt van de meerderheid neemt dhr. Vanneste blijkbaar plots een ander standpunt in..... - verzoekers kunnen evenmin ontkennen dat het hier louter gaat om verder zetting van reeds eerder verleende exploitatievergunningen. In 1985 vond de laatste uitbreiding plaats, en die werd probleemloos vergund. Alle adviezen waren toen gunstig, en er waren toen helemaal geen bezwaren. Waarom zou iets wat in 1985 nog probleemloos kon, en dat al die jaren identiek gebleven is nu plots 16 jaar later onaanvaardbaar zijn geworden? - hierna wordt aangetoond dat de milieu-impact van de bestreden milieuvergunning beperkt te noemen is, en zeker tot een aanvaardbaar niveau kan blijven. De conclusie is dan ook dat de betrokken milieuvergunningsaanvraag wel degelijk voor de toepassing van art. 43 §§ 6-8 van het decreet van ruimtelijke ordening in aanmerking komt"; 3.3. Overwegende dat de verzoekende partijen in de memorie van wederantwoord onder meer het volgende stellen : "4/ Tweede verwerende partij stelt dat de milieuvergunningsaanvraag tijdig is aangevraagd, dat het een hernieuwing betreft en dat de aanvraag aldus valt onder het toepassingsgebied van artikel 43, § 6-8 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996. VII-24.959-11/17 Overeenkomstig artikel 39, § 1 VLAREM I dient een hernieuwing van een vergunning aangevraagd te worden tussen de achttiende en de twaalfde maand vóór het verstrijken van de lopende vergunning. Indien niet tijdig een hernieuwing wordt aangevraagd kan een nieuwe vergunning aangevraagd worden, maar de activiteit moet stopgezet worden indien de nieuwe vergunning niet wordt bekomen vóór het verstrijken van de lopende vergunning. (art. 39, § 4 VLAREM I) De lopende vergunning van Dhr. DESPLENTERE verliep op 28.01.2001; hij heeft op 11.04.2001 een nieuwe vergunning aangevraagd. Dit vermeldt tweede verwerende partij in haar eigen beslissing. Het heeft in elk geval tot gevolg dat Dhr. DESPLENTERE niet tijdig een hernieuwing heeft aangevraagd, dat de vergunning die hij op 11.04.2001 aanvroeg niet kan gekwalificeerd worden als 'het hernieuwen van een milieuvergunning' en dat derhalve de aanvraag niet onder het toepassingsgebied van artikel 43, § 6-8 kan vallen. Er kon aldus niet afgeweken worden van de gewestplanbestemming en de milieuvergunning diende geweigerd te worden wegens strijdigheid met de gewestplanbestemming. 5/ Tweede verwerende partij vraagt zich af waarom hetgeen vroeger kon, nu niet meer zou kunnen en verwijst naar de uitbreidingen van het bedrijf, de duur van de uitbating en naar het feit dat eerste verzoekende partij schepen is geweest van de stad Torhout en toen blijkbaar geen problemen had met de uitbreiding van het bedrijf. Tweede verzoekende partij dient zich als milieuvergunningverlenende overheid voormelde vragen niet te stellen. Tweede verwerende partij moet bij het beoordelen van een milieuvergunning in alle objectiveit en redelijkheid een zorgvuldige beslissing nemen met kennis van zaken (de facto en de iure). De vragen van tweede verwerende partij en de verwijzing naar het vroegere schepenambt van eerste verzoekende partij zijn voor een vergunningverlenende overheid ongepast en bewijzen zelfs een subjectieve ingesteldheid. Overigens, het vroegere schepenambt van eerste verzoekende partij heeft niets te maken met de persoonlijke belangen van eerste verzoekende partij. Weze opgemerkt dat de vergunning waarvan sprake dateert van 17 juni 1980! Daarna is het bedrijf stapsgewijs uitgebreid - cfr. het overzicht in het verzoekschrift, pagina 4, in fine. Deze uitbreiding zorgt voor onaanvaardbare hinder, die niet kan ontkend worden door de uitbreidingen om te dopen tot 'aparte vestigingen'. Volledigheidshalve wensen verzoekende partijen ook nog op te merken dat ze sinds heel lange tijd klagen over de hinder van het bedrijf van Dhr. DESPLENTERE, zoals uitgebreid na voormelde vergunning dd. 17 juni 1980. Meer dan tien jaar geleden deelde eerste verzoekende partij het volgende mee aan het stadsbestuur: 'Met huidig schrijven verklaar ik verzet aan te tekenen tegen de toelating die zou kunnen gegeven worden aan dhr DESPLENTERE om nog een bijkomende open loods te bouwen op het naast mijn eigendom gelegen perceel. Dergelijke bouwwerken zijn in strijd met het gewestplan en vormen een enorme hinder voor de omwonenden. Uit het plan is reeds af te leiden dat er ook weer een laadbrug wordt geplaatst zodat er dus ook weer een onderdeel zal gevestigd worden van de ketelmakerij. In de bouwplannen is geen enkel voorziening voor isolatie vermeld zodat ook daar weer geluidshinder voor iedereen zal uit voorkomen. Naast de landschappelijke bezwaren en het feit dat een dergelijke hinderlijke inrichting niet in de zone waar ze thans gevestigd is, zou mogen zijn. Ik wens erop te wijze dat ik dhr DESPLENTERE bij aangetekende brief op 23/01/91 reeds heb bevestigd wat ik mondeling had besproken, nl. dat ik niet langer de geluidshinder aanvaardde. Hij beloofde toen de nodige werken uit te VII-24.959-12/17 voeren per brief van 01/02/91. Ik heb hem hierop geadviseerd van in elk geval een plan te laten opmaken door een ingenieur bevoegd terzake zodat de werken die hij in zijn brief beschreven heeft wel degelijk het nodige effect zouden geven, hetgeen naar mijn oordeel ten zeersten te vrezen is van niet, want de bewuste gebouwen zijn op dergelijke wijze gebouwd dat zij alle geluid doorlaten en zelfs nog accentueren. Ik heb hiervan de Burgemeester vroeger reeds in kennis gesteld, deze is komen luisteren en heeft vastgesteld dat de toestand praktisch onhoudbaar is. Ik heb toen gevraagd nog geen tussenkomst te doen om reden dat dhr DESPLENTERE de zaak zou oplossen. We zijn nu negen maand later en er is nog niets gebeurd. De hinder start weliswaar vanaf 8 uur en niet meer vroeger daar waar dit voorheen soms reeds vanaf 5, 6 uur was. Maar van enige isolatie is nog steeds geen sprake. Ik heb dhr DESPLENTERE hierover aangesproken en deze beweerde geen aannemers te vinden. Dergelijke reden kan niet aanvaard worden en ik moet dus, - mijn goede wil ten spijt -, mij verzetten tegen verdere toelatingen desbetreffende. Zo de situatie zo blijft zal de nodige procedure gedaan worden om de geluidshinder te doen verdwijnen. Op te merken valt dat betrokkene van het groenscherm dat hem jaren terug werd opgelegd ook pas nu enkele sparretjes heeft geplant. Mij lijkt het dus duidelijk dat dergelijk bedrijf zich in een industriezone dient te vestigen en dat het toestaan van verdere uitbreidingen dit alleen maar zal verhinderen. De vergunning van zijn hinderlijk verblijf vervalt trouwens over 9 jaar ongeveer.' Uit het voorgaande blijkt dat de lawaaihinder en de overlast van het bedrijf van Dhr. DEPLENTERE geen recent probleem is. Niettegenstaande de jarenlange aansleep en de belangrijke hinder zijn verzoekende partijen steeds zeer redelijk gebleven bij het uiten van hun bezwaren, mede in acht genomen de beëindiging van de milieuvergunning in 2001. Dat verzoekende partijen zeer redelijk zijn gebleven kan niet tegen hen gebruikt worden wanneer ze vaststellen dat een nieuwe vergunning wordt verleend voor een volgende termijn van maar liefst twintig jaar en ze nu ook in rechte het verdwijnen van de hinder benaarstigen. Het siert een Bestuur in ieder geval niet dat de redelijkheid van een rechtsonderhorige wordt aangegrepen in een flauwe poging om de rechtsonderhorige belachelijk te maken"; 3.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar memorie laat gelden wat volgt: "1. Ten onrechte wordt schending aangevoerd van de artikelen 5,1.0 en 6,1.2.2. van het gewestplannenbesluit. Het onderdeel gaat er geheel vanuit dat het gebouw, bestaande uit een bureel, een magazijn en een beperkte productieruimte voor slechts twee tot maximum drie arbeidskrachten, binnen een woongebied met landelijk karakter niet zou kunnen en mitsdien zonevreemd zou zijn, wat op zich slechts tot een hernieuwing van de milieuvergunning zou kunnen leiden via de afwijkingsregeling van artikel 43, §7 en 8 DRO 22 oktober 1996, die eveneens als geschonden worden aangeduid. Uw Raad erkende dat een inrichting met negen werklieden als een ambachtelijke of kleine onderneming kan aangezien worden in de zin van artikel 5,1.0 van het gewestplannenbesluit (R.v.St., nr. 20451, Halewyck, 24 juni 1980). Daarentegen zal een bedrijf van negenenveertig arbeiders en vier bedienden bezwaarlijk nog daaronder kunnen vallen (R.v.St., nr. 21964, VII-24.959-13/17 Bronckaerts, 4 februari 1982). Een drukkerij dan weer wel (R.v.St., nr. 22419 Van Den Branden, 1 juli 1982). Vermits die begrippen nergens zijn gedefinieerd, moeten ze allereerst in hun spraakgebruikelijke betekenis en in hun doorsnee socio-economische context worden ingevuld. Van de litigieuze inrichting kan in redelijkheid niet worden gezegd dat het om een nijverheidsactiviteit zou gaan. Mitsdien was er in die mate geen aanleiding om toepassing te maken van de afwijkingsregeling. Dit laatste was enkel nodig in de mate de inrichting eveneens deels gevestigd is in het agrarisch gebied, evenzeer als een deel van de eigendom van de verzoekers. Door vast te stellen dat de aanvraag beantwoordt aan de geldende afwijkingsregels in artikel 43, §6-8 van het decreet ruimtelijke ordening, heeft de bestendige deputatie noodzakelijk ook vastgesteld dat de inrichting, althans zeker het gedeelte gelegen in agrarisch gebied, de draagkracht van het gebied niet overschrijdt en noch de woonfunctie van verzoekers erf (gelegen aan de andere kant van de straat) noch de agrarische bestemming van de ten noorden en ten noordwesten gelegen percelen, zoals die nu reeds jaren uitgebaat worden, in het gedrang brengt. Wanneer een inrichting in het verleden het voorwerp is geweest van wettig verleende bouwvergunningen die definitief zijn geworden en niet bestreden werden, dient de vergunningverlenende overheid bij het later verlenen van een milieuvergunning niet nog eens zeer uitgebreid formeel te argumenteren waarom het gebouw de ruimtelijke draagkracht niet overschrijdt. Wat reeds geweten is, moet niet nog eens het voorwerp van een uitgebreide motivering uitmaken. In zulk geval mist formalisering elke zin en doel"; 3.5. Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie, wat betreft het eerste onderdeel van het eerste middel, volharden; 3.6.1. Overwegende dat het gegeven dat de kwestieuze inrichting zonevreemd is blijkt uit het feit dat het bestreden besluit toepassing maakt van de afwijkingsmogelijkheden voorzien in artikel 43, §§6, 7 en 8, van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening; dat artikel 43, §7, van dit coördinatiedecreet luidt als volgt: "§7. De overheden die krachtens het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning moeten beslissen over milieuvergunningsaanvragen kunnen bij het verlenen van de milieuvergunningen afwijken van de bepalingen van het ontwerp-gewestplan en het gewestplan op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag. Wanneer de ruimtelijke ordening wordt geschaad kunnen de overheden rekening houden met de termijn die er nodig is om de betrokken inrichting te herlocaliseren, met een maximum van 5 jaar"; VII-24.959-14/17 3.6.2. Overwegende dat, aangaande de verenigbaarheid met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, in de motivering van het bestreden besluit het volgende wordt gesteld met betrekking tot het geschrapt perceel 420g: "Gelet op de ligging van de inrichting deels in een woongebied met landelijk karakter en deels agrarisch gebied van het gewestplan Diksmuide-Torhout (d.d. 5/2/1979); dat perceel 420g opgenomen is in de aanvraag, doch dat er hierop geen ingedeelde activiteiten gebeuren; dat dit perceel niet eerder vergund was en -aangezien het gaat om een zonevreemd bedrijf- het niet kan worden toegevoegd aan de vergunning", en met betrekking tot de algemene beoordeling : "Overwegende dat (motivering vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten) gesteld kan worden dat de verandering/exploitatie van de inrichting, die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt in principe niet verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, doch kan beantwoorden aan de geldende afwijkingsregels in art. 43 § 6-8 van het decreet ruimtelijke ordening; dat het inzonderheid om het verder exploiteren van een reeds lang bestaande inrichting gaat, waarvan -mits de nodige voorwaarden- kan verzekerd worden dat de uitbating op een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan gebeuren"; 3.6.3. Overwegende dat uit deze motivering blijkt dat het een zonevreemde inrichting betreft waarop de afwijkingsregels van artikel 43, §§6, 7 en 8, van het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening kunnen worden toegepast en dat het motief voor de effectieve toepassing van die afwijkingsregels gelegen ligt in de omstandigheid dat het een reeds lang bestaande inrichting betreft waarvan de uitbating mits de nodige voorwaarden op een voor de buurt aanvaardbaar niveau kan gebeuren; dat artikel 43, §7 evenwel voorschrijft dat uit de motivering van de beslissing over de milieuvergunningsaanvraag ten eerste moet blijken dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, ten tweede dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, en ten derde dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat het tweede lid van artikel 43, §7 er reeds op wijst dat er wel degelijk een voldoende concrete motivering van de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening moet worden gegeven wanneer toepassing wordt gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid, gezien aldaar wordt voorgeschreven dat de milieuvergunning bij wijze van uitzondering voor een termijn van vijf jaar kan worden verleend indien de goede ruimtelijke ordening wél wordt geschaad; VII-24.959-15/17 3.6.4. Overwegende dat de omstandigheid dat de inrichting reeds sedert lange tijd bestaat en dat er voor de inrichting een niet-aangevochten definitieve stedenbouwkundige vergunning werd verkregen, op zich niet motiveert dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad, dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden, en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort; dat evenmin de verwijzing naar de milieutechnische hinderbeperkende exploitatievoorwaarden kan motiveren dat aan de voorwaarden van artikel 43, §7 om een afwijking toe te staan, is voldaan; dat, zelfs al zou de inrichting geen onaanvaardbare milieuhinder veroorzaken, dit niet betekent dat ze uit stedenbouwkundig oogpunt de bestemming van de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang kan brengen; 3.7. Overwegende dat, blijkens het voorgaande, vastgesteld moet worden dat uit de motivering van het bestreden besluit geenszins afdoende blijkt dat aan de voorwaarden van artikel 43, §7, van het coördinatiedecreet ruimtelijke ordening is voldaan; dat in deze mate het eerste middel gegrond is; 3.8. Overwegende dat niet moet worden ingegaan op de vraag van de verzoekende partijen om ook het derde en het vierde middel te onderzoeken; dat immers het gegrond bevinden van het eerste middel tot gevolg heeft dat de bestreden vergunning wordt vernietigd met inbegrip van de opgenomen milieuvergunningsvoorwaarden en de vergunningstermijn; dat na de vernietiging van het bestreden besluit de verwerende partij ertoe gehouden is de beroepsprocedure te hernemen en daarbij op gemotiveerde wijze uitspraak zal moeten doen over de tijdens de administratieve procedure door de verzoekende partijen geuite bezwaren, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 23 augustus 2001 waarbij de beroepen ingediend tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Torhout van 11 april 2001, houdende het verlenen van de vergunning aan Fernand DESPLENTERE voor het verder exploiteren van een werkplaats voor het VII-24.959-16/17 vervaardigen van tanks en een gasoliedepot, gelegen te Torhout, Oostendestraat 329, voor een termijn van twintig jaar, gedeeltelijk worden ingewilligd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-24.959-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.174 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div