id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.176 Rolnummer: A. 119954/VII-26392 Zaak: Arrest 170176 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 11:56 Fiche Arrest nr 170.176 van 19 april 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.176 van 19 april 2007 in de zaak A. 119.954/VII-26.392 In zake : de BELGISCHE PROFESSIONELE VERENIGING van NEUROLOGEN en PSYCHIATERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile de Motlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BELGISCHE PROFESSIONELE VERENIGING van NEUROLOGEN en PSYCHIATERS op 19 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van: “het MINISTERIEEL BESLUIT dd. 03-01-2002 (BELGISCH STAATSBLAD dd. 21-02-2002). ‘Ministerieel Besluit tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassen psychiatrie en van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie’. In subsidiaire orde vordert de verzoekende partij minstens de vernietiging van de artikelen 24, 26 en 27 van gezegd MB.”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-26.392-1/20 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MARICHAL, die loco advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. KNOCKAERT, die loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Juridisch kader Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt dat de Koning de lijst vaststelt van de bijzondere beroepstitels en van de bijzondere beroepsbekwaamheden van de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Ter uitvoering van deze bepaling werd het koninklijk besluit van 25 november 1991 genomen, houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. In artikel 1 van dit koninklijk besluit wordt de lijst vastgesteld van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts. Die lijst bevat o.m. de volgende bijzondere beroepstitels: - geneesheer specialist in de neurologie; - geneesheer specialist in de psychiatrie; - geneesheer specialist in de neuropsychiatrie. VII-26.392-2/20 Artikel 2 van dit koninklijk besluit stelt de lijst vast van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts, die reeds houder zijn van één van de bijzondere beroepstitels vermeld in artikel
- Ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002 wordt dit artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 aangevuld als volgt: “meer bepaald in de volwassenpsychiatrie; meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie.”. Ingevolge het door het annulatieberoep met nr. A. 119.955/VII- 26.393 bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002, wordt in het koninklijk besluit van 25 november 1991 een artikel 2bis ingevoegd dat als volgt luidt: “De lijst van de bijzondere beroepstitels bedoeld in artikel 1 die tegelijk met een van de bijzondere beroepstitels bedoeld in artikel 2 kunnen worden verworven wordt vastgelegd als volgt: geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie; geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie.”. Artikel 35quater van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat niemand een bijzondere beroepstitel kan dragen of zich kan beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na hiertoe te zijn erkend door de minister tot wiens bevoegdheid de gezondheidszorg behoort, of door de door hem gemachtigde ambtenaar. Artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat de erkenning bedoeld in artikel 35quater wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de minister tot wiens bevoegdheden de volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen. Ter uitvoering van dit artikel 35sexies werd onder meer het ministerieel besluit van 3 januari 2002 genomen tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de VII-26.392-3/20 volwassenpsychiatrie en van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dit is het bestreden besluit.
- Ontvankelijkheid In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij geen beslissing bijbrengt waaruit blijkt dat haar bevoegd orgaan besloot tot het instellen van voorliggend annulatieberoep. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat zij een uittreksel uit de notulen van de vergadering d.d. 15 april 2002 van haar bestuurscomité bijbracht. Artikel 12 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt dat het bestuurscomité de meest uitgebreide machten bezit voor wat betreft het beheer en de leiding van de vereniging en dat het alle rechten en machten mag uitoefenen die door de wet niet uitdrukkelijk aan de algemene vergadering worden voorbehouden. Het kan onder meer voor het gerecht optreden zonder voorafgaandelijke machtiging van de vergadering (waarmee bedoeld wordt: de algemene vergadering). Als bijlage bij haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij een uittreksel uit het P.V. van de vergadering van het bestuurscomité van 15 april 2002, waaruit blijkt dat dit comité besliste tot het instellen van voorliggend annulatieberoep. De exceptie wordt verworpen. 3.
- Middelen m.b.t. de “volledige” vernietiging van het bestreden ministerieel besluit 3.1.
- Eerste middel 3.1.1.
- Het standpunt van de partijen In het verzoekschrift wordt als eerste middel de schending van artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen aangevoerd. VII-26.392-4/20 Samengevat wijst de verzoekende partij er op dat artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 de Koning machtigt om de lijst vast te stellen van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden voor de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen, dat het bestreden miniserieel besluit in zijn artikel 27 stelt: “Dit besluit heft de bepalingen op van het ministerieel besluit van 29-07-87 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren- specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteiten van de psychiatrie en de neurologie, met uitzondering van de bepalingen m.b.t. de neurologie.”, dat de opheffing van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 - behalve wat de neurologie betreft - ook op de bijlage ervan slaat, en dus ook op het punt 3 van deze bijlage dat een overgangsbepaling omvat die inhoudt dat de geneesheer die als neuro-psychiater erkend werd en dit wenst te blijven deze erkenning behoudt, dat, ingevolge artikel 27 van het aangevochten ministerieel besluit, de bijzondere beroepstitel in de neuro-psychiatrie, minstens de uitoefening ervan, eenvoudig is afgeschaft, niettegenstaande deze bijzondere beroepstitel nog steeds is opgenomen in het koninklijk besluit van 25 november 1991, en zulks terwijl enkel de Koning de bevoegdheid heeft om tot een dergelijke afschaffing te besluiten, zodat het aangevochten ministerieel besluit in zijn geheel dient te worden vernietigd. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de bepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 die aan de neuropsychiaters toelaten hun titel te behouden, van toepassing blijven, aangezien ingevolge artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit de bepalingen m.b.t. de neurologie niet worden opgeheven. Onder bepalingen die betrekking hebben op de neurologie dienen volgens de verwerende partij te worden verstaan de bepalingen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de specialisatie neurologie. De bepaling van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 die aan de neuropsychiaters toelaat hun bijzondere titel te behouden, blijft dan ook van toepassing. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat zij zich niet kan aansluiten bij de interpretatie die de verwerende partij geeft aan artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit. De tekst is volgens haar immers ondubbelzinnig, duidelijk en niet voor interpretatie vatbaar, en hij stelt dat de bepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 worden opgeheven, “met uitzondering van de bepalingen m.b.t. de neurologie”. Het is dus enkel en alleen de neuroloog die zich op de overgangsbepalingen van artikel 27 van het ministerieel VII-26.392-5/20 besluit van 29 juli 1987 kan beroepen, en van de neuropsychiater is geen sprake in het thans bestreden artikel
- De verzoekende partij betoogt verder dat er geen enkel argument is dat toelaat de tekst van het bestreden artikel 27 uit te breiden tot de neuropsychiatrie. In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij nog toe dat het gehele ministeriële besluit van 3 januari 2002 dient te worden vernietigd omdat het besluit, en ook de totaliteit van de regelgeving inzake erkenning en erkenningsvoorwaarden, “een totaal incoherent en tegenstrijdig geheel” vormt. 3.1.1.
- Bespreking Hoewel de verzoekende partij met haar eerste middel de vernietiging van het gehele ministerieel besluit van 3 januari 2002 beoogt, heeft haar argumentatie kennelijk alleen betrekking op de opheffingsbepaling van artikel 27 van dit ministerieel besluit. Tegen de andere bepalingen wordt geen middel aangevoerd, zodat het gegrond bevinden van het eerste middel bezwaarlijk tot de vernietiging van het gehele besluit kan leiden. Als het eerste middel gegrond wordt bevonden, kan het enkel strekken tot de vernietiging van het genoemd artikel
- Door een ministerieel besluit van 29 juli 1987 werden de bijzondere criteria vastgesteld voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteiten van de neurologie en de psychiatrie. In de overgangsbepalingen van dat besluit leest men: “
- De geneesheer die vóór het van kracht worden van onderhavig besluit een opleiding in de neuropsychiatrie heeft aangevat volgens een goedgekeurd stageplan, met keuze van neurologische of psychiatrische oriëntatie, mag zijn opleiding voortzetten volgens zijn stageplan en kan nadien een erkenning bekomen van specialist hetzij in de neurologie of in de psychiatrie, naargelang van zijn oriëntatie, hetzij in de neuropsychiatrie. Het staat hem evenwel vrij, mits een goed te keuren wijziging van zijn stageplan, over te schakelen naar de nieuwe criteria.
- De geneesheer die vóór het van kracht worden van onderhavig besluit erkend werd als specialist in de neuropsychiatrie, kan bij de bevoegde minister een aanvraag indienen voor erkenning als specialist : - hetzij in de neurologie, indien hij verklaart overwegend de neurologie te beoefenen; - hetzij in de psychiatrie, indien hij verklaart overwegend de psychiatrie te beoefenen. VII-26.392-6/20 Door de nieuwe erkenning vervalt zijn erkenning als neuropsychiater en is hij ertoe gehouden uitsluitend de gekozen specialiteit uit te oefenen. Deze bepaling geld eveneens voor de geneesheer die krachtens punt 1 van deze overgangsbepalingen een erkenning in de neuropsychiatrie bekomen heeft.
- De geneesheer die als neuropsychiater erkend werd en dit wenst te blijven behoudt deze erkenning.”. Uit die overgangsbepalingen blijkt dat er een onderscheid moet gemaakt worden tussen: - specialisten in de neurologie; - specialisten in de psychiatrie; - specialisten in de neuropsychiatrie (ook al betreft het hier een uitdovende categorie die bij wijze van overgangsmaatregel nog mag blijven voortbestaan). Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt dat de Koning de lijst vaststelt van de bijzondere beroepstitels en van de bijzondere beroepsbekwaamheden van de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Ter uitvoering van deze bepaling werd het koninklijk besluit van 25 november 1991 genomen, houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. In artikel 1 van dit koninklijk besluit wordt de lijst vastgesteld van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts. Op die lijst treft men onder meer aan: - geneesheer specialist in de neurologie; - geneesheer specialist in de psychiatrie; - geneesheer specialist in de neuropsychiatrie. Ook uit deze bepaling blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen specialisten in de neurologie, de psychiatrie en de neuropsychiatrie. Een geneesheer-specialist in de neurologie mag met andere woorden niet vereenzelvigd worden met een geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie. Het thans bestreden artikel 27 van het ministerieel besluit van 3 januari 2002 bepaalt wat volgt: “Dit besluit heft de bepalingen op van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 tot vaststelling van de bijzondere criteria voor de erkenning van VII-26.392-7/20 geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteiten van de psychiatrie en de neurologie, met uitzondering van de bepalingen met betrekking tot de neurologie.”. Deze tekst is duidelijk en formeel: in het ministerieel besluit van 29 juli 1987 worden enkel de bepalingen met betrekking tot de neurologie niet opgeheven. Vermits neurologie verschilt van neuropsychiatrie, moet worden aangenomen dat de bepalingen met betrekking tot de neuropsychiatrie wél zijn opgeheven. Dit betekent dat dus ook de overgangsbepaling van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 m.b.t. het behoud van de erkenning als neuropsychiater wordt opgeheven. Derhalve kunnen de geneesheren die als neuropsychiater werden erkend, en die deze erkenning wensten te behouden, ingevolge het thans bestreden artikel 27 deze erkenning niet langer meer behouden. Ingevolge het bestreden artikel 27 van het ministerieel besluit van 3 januari 2002 verliezen neuropsychiaters dus hun erkenning, en dit terwijl artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 25 november 1991 nog steeds in de bijzondere beroepstitel van de geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie voorziet. Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat de Koning de lijst vaststelt van de bijzondere beroepstitels en van de bijzondere beroepsbekwaamheden van de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen, terwijl het thans bestreden artikel 27 van het ministerieel besluit van 3 januari 2002 er in wezen toe strekt dat de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie eigenlijk inhoudsloos wordt en de facto lijkt te worden afgeschaft. Een dergelijke bevoegdheid komt evenwel alleen aan de Koning toe. Het eerste middel is dan ook gegrond, hetgeen leidt tot de vernietiging van artikel 27 van het bestreden besluit in de mate dat dit artikel 27 er niet in voorziet dat de bepalingen met betrekking tot de neuropsychiatrie in het ministerieel besluit van 29 juli 1987 niet worden opgeheven. 3.1.
- Tweede middel In het verzoekschrift wordt in wezen dezelfde onwettigheid aangevoerd als in het eerste middel, doch hier wordt er een schending van de algemene rechtsbeginselen en de beginselen van behoorlijk bestuur in gezien. VII-26.392-8/20 Het middel heeft klaarblijkelijk enkel betrekking op artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit. Vermits het tweede middel niet tot een ruimere vernietiging kan leiden dan het eerste, gegrond bevonden middel, wordt het niet onderzocht. 3.
- Middelen m.b.t. de vernietiging van artikel 26 3.2.
- Eerste middel 3.2.1.
- Het standpunt van de partijen In het verzoekschrift wordt de schending aangevoerd van het in artikel 10 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij betoogt: “Artikel 26 stelt dat de geneesheer-specialist in de psychiatrie zijn titel mag behouden mits hij beantwoordt aan de algemene criteria voor de geneesheren-specialisten geldend. Het behoud van de titel van neuro-psychiater is in dit artikel niet voorzien, dit terwijl deze bijzondere beroepstitel nog opgenomen is en blijft in het KB dd. 25-11-
- Waar ingevolge zijn erkenning de neuro-psychiater een bevoegdheid krijgt in zowel het deeldomein der psychiatrie als dit der neurologie behoudt ingevolge de bepalingen van artikel 26 de psychiater zijn bevoegdheid in het deeldomein der psychiatrie, terwijl deze bevoegdheid wordt ontnomen aan de neuro-psychiater, wat strijdig is met zijn erkenning zoals deze op heden ook nog opgenomen is in het KB dd. 25-11-
- Er is geen enkele objectieve reden toe tot dergelijke discriminatie over te gaan, zodat het door de overheid gemaakte onderscheid tussen de neuro-psychiater en de psychiater in dit opzicht volkomen arbitrair is. Als dusdanig is dit artikel dan ook strijdig met de bepalingen van het artikel 10 van de Grondwet. Dit geldt a fortiori waar het artikel 27 van het aangevochten MB de bepaling opheft van het MB dd. 29-07-87, in de bijlage waarvan - die een integrerend bestanddeel uitmaakt met de inhoud van dit MB - in punt 3 als overgangsbepalingen wordt gesteld dat de geneesheer die als neuro-psychiater erkend werd en dit wenst te blijven deze erkenning behoudt, zodat de neuro-psychiater ingevolge de bepalingen van dit artikel zijn erkenning minstens de facto duidelijk verliest. Hoogstens zou de door de neuro-psychiater bekomen erkenning beperkt blijven tot het deeldomein der neurologie en wordt de neuro-psychiater dus het deeldomein der psychiatrie, hem nochtans toegekend bij het KB dd. 25-11-91, volledig ontzegd.”. VII-26.392-9/20 In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de bepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 die aan de neuropsychiaters toelaten hun titel te behouden, van toepassing blijven. Vermits artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit daarentegen wel de opheffing van de bepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 voor gevolg heeft, en dus ook de opheffing van de overgangsbepaling waarbij aan de psychiaters toegelaten wordt hun bijzondere beroepstitel te behouden, was de bepaling van artikel 26 noodzakelijk geworden. Artikel 26 van het bestreden ministerieel besluit laat derhalve, volgens de verwerende partij, enkel aan de psychiaters toe wat door het ministerieel besluit van 29 juli 1987 aan de neuro- psychiaters wordt toegelaten, met name het behoud van hun titel mits beantwoording aan de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, en is dus geenszins discriminatoir. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat de verwerende partij uitgaat van een verkeerde interpretatie van artikel 27 van het ministerieel besluit van 3 januari
- De verwerende partij gaat er blindelings aan voorbij dat artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit de opheffing bevat van wat aan de neuropsychiaters wordt toegelaten. In de laatste memorie voegt de verzoekende partij toe : “Verzoekende partij kan niet instemmen met de stelling dat ingevolge het M.B. van 29-07-1987 de geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie een keuze heeft dienen te maken (tussen het behoud van zijn erkenning in de neuro- psychiatrie of een erkenning in de neurologie of de psychiatrie) die als gevolg zou hebben dat ingevolge te kiezen voor het behoud van zijn erkenning als geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie - wat dus betekent dat hij zijn volledige bevoegdheid behoudt zowel in de neurologie als in de psychiatrie - hij niet dezelfde rechten zou kunnen hebben als de geneesheer-specialist in de psychiatrie.”. Zij wijst er op dat de bijzondere beroepstitels van enerzijds geneesheer-specialist in de psychiatrie en anderzijds van geneesheer-specialist in de neurologie later werden ingevoerd dan de bijzondere beroepstitel van geneesheer- specialist in de neuropsychiatrie, dat geen enkele geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie zijn bevoegdheden in de psychiatrie of in de neurologie ging afstaan vermits hij beide mocht behouden ingevolge de overgangsbepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 en dat dus, indien er rechten worden toegekend aan de geneesheer-specialist in de psychiatrie die niet worden toegekend aan de VII-26.392-10/20 geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie, het gelijkheidsbeginsel wel degelijk wordt geschonden. 3.2.1.
- Bespreking Het bestreden besluit legt erkenningscriteria vast voor de geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie, en voor de geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Het advies nr. 31.774/3 dat de afdeling wetgeving van de Raad van State uitbracht op 24 september 2001 bij het ontwerp dat heeft geleid tot het bestreden besluit, stelt onder meer: “
- Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen, waarvan de Nederlandse tekst sinds het indienen van de adviesaanvraag werd gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, luidt als volgt : ‘De Koning stelt de lijst van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden vast voor de in de artikelen 2, 3, 4, 5, § 2, eerste lid, 21bis, 21quater en 22 bepaalde beoefenaars’. Luidens artikel 35quater van hetzelfde genummerde besluit, eveneens gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, kan niemand ‘een bijzondere beroepstitel dragen of zich beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na door de Minister tot wiens bevoegdheden de volksgezondheid behoort of de door hem gemachtigde ambtenaar hiertoe te zijn erkend’. Aan het onderscheid tussen ‘bijzondere beroepstitels’ en ‘bijzondere beroepsbekwaamheden’, in de zin van de voornoemde artikelen 35ter en 35quater, beantwoordt de indeling in artikelen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. Dat besluit maakt, wat de artsen betreft, een onderscheid tussen de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts (artikel 1) en de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts, die reeds houder zijn van één van de bijzondere beroepstitels vermeld in artikel 1 (artikel 2). De ‘bijzondere beroepstitels’ opgesomd in artikel 1 zijn de ‘bijzondere beroepstitels’ in de zin van artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78, terwijl de ‘bijzondere beroepstitels’ opgesomd in artikel 2 in feite overeenstemmen met de ‘bijzondere beroepsbekwaamheden’, in de zin van artikel 35ter van het koninklijk besluit nr.
- Die laatste ‘bijzondere beroepstitels’ zijn complementair of aanvullend ten opzichte van een van de eerstgenoemde. Volgens de vigerende bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 kan een bijzondere beroepstitel als bedoeld in artikel 2 slechts verkregen worden als de betrokkene reeds houder is van een bijzondere beroepstitel als bedoeld in artikel
- De vigerende ministeriële besluiten waarbij erkenningscriteria worden vastgesteld, voorzien in een specifieke opleiding van een aantal jaren voor de erkenning als geneesheer-specialist in een bepaalde VII-26.392-11/20 specialiteit (bijzondere beroepstitel bedoeld in artikel 1), en in een bijkomende specifieke opleiding, van kortere duur, voor de erkenning van de bijzondere beroepsbekwaamheid in een specifiek onderdeel van die specialiteit (bijzondere beroepstitel bedoeld in artikel 2). De voor advies voorgelegde ontwerpen wijken af van dit systeem. Zoals door de gemachtigde ambtenaar is bevestigd, is het de bedoeling dat een erkenning als geneesheer-specialist in de psychiatrie niet meer op zich verkregen kan worden, ook al blijft die beroepstitel nog wel als zodanig in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 opgenomen. Het ontwerp 31.774/3 stelt dan ook geen criteria vast voor de erkenning als geneesheer-specialist in de psychiatrie, en voorziet in de opheffing van de desbetreffende bepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli
- Het is daarentegen de bedoeling dat een kandidaat meteen wordt erkend als ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie, houder van de bijzondere beroepstitel in de psychiatrie voor volwassenen’ of als ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie, houder van de bijzondere beroepstitel in de kinder- en jeugdpsychiatrie’ (terminologie van het ontwerp 31.774/3), of als ‘geneesheer- specialist in de psychiatrie en in de volwassenpsychiatrie’ of ‘geneesheer- specialist in de psychiatrie en in de kinder- en jeugdpsychiatrie’ (terminologie van het ontwerp 32.152/3), mits hij beschikt over het basisdiploma van arts en een specifieke opleiding van minstens vijf jaar heeft gevolgd, waarin de stage van bij de aanvang gericht is ofwel op de psychiatrie voor volwassenen, ofwel op de kinder- en jeugdpsychiatrie (zie onderdeel A, punten 2 tot 5, van het ontwerp 31.774/3). Het is dus niet vereist dat de kandidaat reeds houder is van een beroepstitel vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november
- Ook de stagemeesters en de stagediensten worden volgens het ontwerp 31.774/3 erkend, ofwel voor de opleiding in de psychiatrie voor volwassenen, ofwel voor de opleiding in de kinder- en jeugdpsychiatrie (onderdelen B en C van het ontwerp).
- De ontwerpen doorbreken aldus de logica van het bestaande systeem. Het zou meer in de lijn liggen van de bestaande regelgeving indien de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de psychiatrie afzonderlijk verkregen zou kunnen worden, na een algemene opleiding in de psychiatrie, waarna dan de bijzondere beroepsbekwaamheid als specialist in de volwassenpsychiatrie of in de kinder- en jeugdpsychiatrie erkend zou kunnen worden, meer bepaald na het volgen van een bijkomende, specifieke opleiding in de betrokken discipline. De reden om af te wijken van het gebruikelijke systeem is volgens de gemachtigde ambtenaar de vrees bij de beroepsbeoefenaars dat in het kader van de terugbetalingstarieven van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging twee verschillende tarieven zouden worden bepaald, het ene voor ‘volwassenpsychiaters’ en het andere voor ‘kinder- en jeugdpsychiaters’. Zulk verschil zouden de stellers van de ontwerpen willen vermijden. Het komt de Raad van State voor dat die motivering niet pertinent is. De ontworpen regeling kan immers niet uitsluiten dat de Koning, indien hij dat zou willen, met toepassing van artikel 35 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, een verschillend terugbetalingstarief vaststelt voor verstrekkingen verleend door een ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie voor volwassenen’ en voor verstrekkingen verleend door een ‘geneesheer-specialist in de kinder- en jeugdpsychiatrie’‘. Of de betrokken beroepstitels opgesomd zijn in artikel 1, artikel 2 of (een nieuw) artikel 2bis van het koninklijk besluit van 25 november 1991, doet daarbij vanuit het oogpunt van de gecoördineerde wet niet terzake. Kortom, de ontwerpen introduceren in de regelgeving m.b.t. de erkenning van bijzondere beroepstitels en van bijzondere beroepsbekwaamheden twee VII-26.392-12/20 beroepstitels met een statuut dat niet past in het bestaande systeem, om redenen die vreemd zijn aan de intrinsieke kenmerken van dat systeem zelf, en die bovendien lijken te steunen op een onjuiste interpretatie van de wetgeving in verband met de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Met het oog op de coherentie van de regelgeving, worden de stellers van de ontwerpen uitgenodigd zich te beraden over de vraag of geen regeling kan worden uitgewerkt die nauwer aansluit bij het bestaande systeem. Die regeling zou er met name in kunnen bestaan dat de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de psychiatrie als volwaardige beroepstitel, met aangepaste erkenningsvoorwaarden, behouden zou blijven, en dat daarnaast de bijzondere beroepsbekwaamheden in de volwassenpsychiatrie en in de kinder- en jeugdpsychiatrie ingevoerd zouden worden, welke bekwaamheden voorbehouden zouden zijn aan geneesheren-specialisten in de psychiatrie die aan bijkomende, specifieke erkenningsvoorwaarden zouden voldoen.
- Indien de stellers van de ontwerpen toch bij het uitgangspunt willen blijven dat de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de psychiatrie niet meer kan worden verkregen, en dat voortaan de enige beroepstitels in de betrokken discipline die zijn van geneesheer-specialist in de psychiatrie en in de volwassenpsychiatrie en van geneesheer-specialist in de psychiatrie en in de kinder- en jeugdpsychiatrie, dan verdient het aanbeveling het ontwerp 32.152/3 zo aan te passen dat die laatstgenoemde titels opgenomen worden in de opsomming van artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 in plaats van in de opsomming van artikel 2 van dat besluit. In dat geval bestaat er ook geen aanleiding tot invoeging van een artikel 2bis in dat besluit. Opgemerkt moet worden dat het ontwerp 31.774/3 dan niet wezenlijk aangepast moet worden. De bepalingen ervan kunnen toegepast worden op een systeem als het hiervóór, in ondergeschikte orde, beschreven systeem.”. Zoals in het advies wordt aangegeven is het dus blijkbaar de bedoeling dat de erkenning als geneesheer-specialist in de psychiatrie op zich niet meer kan verkregen worden, zelfs al blijft die beroepstitel nog vermeld in artikel 1 van het meergenoemde koninklijk besluit van 25 november
- Logischerwijze stelt het bestreden besluit dan ook geen erkenningscriteria meer vast voor de geneesheer-specialist in de psychiatrie. Het bestreden besluit heft ook het ministerieel besluit van 29 juli 1987 op in zoverre het betrekking heeft op de psychiatrie (en, zoals hoger aangegeven, ook in zoverre het betrekking heeft op de overgangsbepaling m.b.t. de neuropsychiatrie). In die omstandigheden was het dus nodig om in een overgangsbepaling te voorzien voor de geneesheren-specialisten in de psychiatrie die reeds als zodanig erkend waren. Artikel 26 van het bestreden besluit bepaalt dan ook: “De geneesheer-specialist in de psychiatrie mag zijn titel behouden mits hij aan de algemene criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten beantwoordt.”. VII-26.392-13/20 De verzoekende partij leest hierin een schending van het gelijkheidsbeginsel, omdat de neuropsychiater zijn beroepstitel niet mag behouden. Dat de neuropsychiater zijn beroepstitel niet mag behouden vloeit evenwel voort uit de onvolkomen overgangsregeling die is opgenomen in artikel 27 van het bestreden besluit, zoals hoger uiteengezet. Dit vloeit niet voort uit artikel 26 als zodanig. De verzoekende partij leest ook een schending van het gelijkheidsbeginsel in het feit dat de psychiater zijn bevoegdheid behoudt in het deeldomein der psychiatrie, terwijl de neuropsychiater nochtans ook bevoegd is op dit domein, én op het domein van de neurologie. Ook die beweerde ongelijkheid vindt in wezen haar oorzaak in artikel 27 van het bestreden ministerieel besluit. Uit het hierboven aangehaalde ministerieel besluit van 29 juli 1987 en uit de aanhef ervan blijkt bovendien dat de overheid ervoor opteerde om, gelet op de evolutie van de medische wetenschap, neuropsychiaters de keuze te laten maken voor hetzij een erkenning als specialist in de neurologie, hetzij een erkenning als specialist in de psychiatrie. Bij wijze van overgangsmaatregel werd evenwel toegestaan dat neuropsychiaters hun erkenning als neuropsychiater behouden. In elk geval worden de specialisten in de neuropsychiatrie een soort ‘uitstervende’ categorie. Psychiatrie en neurologie worden als onderscheiden specialismen beschouwd, en men mag redelijkerwijze aannemen dat dit zo is omdat voor elk van die specialiteiten een specifieke kennis en specifieke vaardigheden vereist zijn. Geneesheren-specialisten worden er ook toe aangezet om voor een van die specialismen te kiezen. Alleen bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegestaan dat neuropsychiaters die als neuropsychiater erkend werden, die erkenning ook mogen behouden. Dit is de reden waarom de “geneesheer specialist in de neuropsychiatrie” nog voorkomt in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. Niettegenstaande neuropsychiaters bij wijze van overgangsmaatregel hun erkenning nog mogen behouden, blijkt uit de hierboven uiteengezette regelgeving voldoende duidelijk dat de neuropsychiaters een categorie van specialisten vormen die duidelijk te onderscheiden is van die van de psychiaters. In weerwil van wat de verzoekende partij wil doen geloven is het dan ook allerminst evident dat een bepaalde regeling die specifiek van toepassing is voor de VII-26.392-14/20 psychiaters, zoals het thans bestreden artikel 26 van het ministerieel besluit van 3 januari 2002, meteen ook van toepassing zou moeten zijn voor de neuropsychiaters. Zoals hierboven uiteengezet bracht het ministerieel besluit van 29 juli 1987 mee dat de neuropsychiaters een bepaalde keuze dienden te maken. Zij dienden te opteren voor een erkenning als psychiater, als neuroloog of als neuropsychiater. Zo elke keuze mogelijk voor- en nadelen heeft, dient men hoe dan ook eenmaal een bepaalde keuze is gemaakt, de gevolgen daarvan te dragen. Als men kiest voor een erkenning als neuropsychiater kan men niet eisen precies dezelfde rechten te hebben als diegenen die erkend werden als psychiater (en omgekeerd). De verwerende partij had derhalve wel degelijk redenen om een onderscheid te maken tussen de psychiaters en de neuropsychiaters. Het middel is niet gegrond. 3.2.
- Tweede middel 3.2.2.
- Het standpunt van de partijen In het verzoekschrift voert de verzoekende partij als tweede middel in wezen dezelfde onwettigheid aan, doch deze keer vanuit het oogpunt van de beginselen van behoorlijk bestuur. In de memorie van antwoord betoogt de verwerende partij dat het middel vertrekt van de veronderstelling dat artikel 27 van het bestreden besluit ertoe strekt dat de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de neurologie opgeheven wordt, een premisse die niet klopt. In de memorie van wederantwoord verwijst de verzoekende partij naar haar argumentatie bij het eerste middel. 3.2.2.
- Bespreking Aangezien de verzoekende partij in wezen dezelfde grief aanvoert als die welke werd aangevoerd in het eerste middel, doch niet uitlegt waarom, naast VII-26.392-15/20 een schending van het gelijkheidsbeginsel, hier ook een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur aan de orde zou zijn, is het middel niet ontvankelijk. VII-26.392-16/20 3.
- Middelen gericht op de vernietiging van artikel 27 In het verzoekschrift worden twee middelen aangevoerd die in wezen neerkomen op de twee middelen die werden aangevoerd tegen het gehele ministerieel besluit van 3 januari
- Het eerste van die middelen werd reeds gegrond bevonden bij de bespreking van de middelen gericht tegen het ?volledige” bestreden besluit. Om dezelfde reden als aangegegeven bij de bespreking van het tweede middel aangevoerd tegen het “volledige” ministerieel besluit, wordt het tweede middel niet onderzocht. 3.
- Middelen gericht tegen artikel 24 3.4.
- Eerste middel 3.4.1.
- Het standpunt van de partijen In het verzoekschrift wordt als eerste middel aangevoerd: “II.3.
- Schending van het artikel 10 van de Grondwet. Het artikel 24 van het aangevochten MB dd. 03-01-02 stelt weliswaar dat zowel de erkende psychiater als de erkende neuro-psychiater onder de in artikel 24 voorziene voorwaarden de erkenning kan bekomen van de bijzondere beroepstitel in de psychiatrie voor volwassenen of in de kinder- en jeugdpsychiatrie. In zijn laatste zin stelt het artikel 24: ‘Hij dient daartoe binnen de 5 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in te dienen’. Rekening houdende met de bepalingen van het artikel 27 van het aangevochten MB houdende de minstens de facto afschaffing van de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie, minstens van de bevoegdheden hieraan verbonden, met als enige mogelijke uitzondering hierop het deeldomein der neurologie, en dit vanaf de inwerkingtreding van het aangevochten MB, zal wel de psychiater en niet de neuro-psychiater in de mogelijkheid zijn ‘binnen de 5jaar na de datum van de inwerkingtreding’ de in artikel 24 voorziene aanvraag in te dienen waar hij eenvoudigweg geen activiteiten meer, behorende tot de psychiatrie, zal kunnen uitvoeren. Als dusdanig wordt een arbitrair en wettelijk niet-verantwoord onderscheid gemaakt tussen de psychiater en de neuropsychiater, zodat deze bepaling strijdig is met het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in het artikel 10 van de Grondwet. Op grond van dit middel vordert verzoekende partij dan ook terecht dan ook terecht de vernietiging van het artikel 24 van het MB dd. 03-01-02.”. VII-26.392-17/20 In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat de geneesheren-specialisten in de neuropsychiatrie hun titel en daaraan verbonden bevoegdheden behouden, dat er derhalve geen sprake is van enig onderscheid tussen beide groepen, en dat er enkel een verschil is in de wettelijke basis op grond waarvan zij hun erkenning kunnen behouden. In de memorie van wederantwoord herhaalt de verzoekende partij dat de overgangsbepalingen van het ministerieel besluit van 29 juli 1987 wel degelijk opgeheven zijn wat betreft de neuropsychiater. Zij voegt eraan toe dat, in zoverre de neuropsychiater gebruik zou maken van de hem zogenaamd gegeven mogelijkheid de erkenning aan te vragen als geneesheer-specialist in de psychiatrie voor volwassenen of voor kinderen en jeugd, hij afstand zou moeten doen van het deeldomein der neurologie. 3.4.1.
- Bespreking Het bestreden artikel 24 bepaalt wat volgt: “In afwijking van artikelen 1, 2 en 3, kan als houder van de bijzondere beroepstitel in de psychiatrie voor volwassenen of in de kinder- en jeugdpsychiatrie erkend worden, de geneesheer-specialist in de psychiatrie of in de neuropsychiatrie die algemeen bekend staat als bijzonder bekwaam in dit domein, en die het bewijs levert dat hij, sedert ten minste vier jaar na zijn erkenning als geneesheer-specialist, deze discipline(s) op een substantiële en belangrijke manier uitoefent, met een voldoende kennis ter zake. Hij dient daartoe binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit een aanvraag in te dienen.”. Deze bepaling bevat een gunstregeling, ook voor de neuropsychiaters. Er valt dus niet in te zien welk belang de verzoekende partij kan hebben bij de vernietiging van deze bepaling. Het middel is niet ontvankelijk. VII-26.392-18/20 3.4.
- Tweede middel 3.4.2.
- Het standpunt van de partijen De verzoekende partij betoogt in het verzoekschrift dat, op grond van onder meer de bij het eerste middel ontwikkelde argumentatie, zij in subsidiaire orde terecht de vernietiging vordert van artikel 24 van het ministerieel besluit van 3 januari
- De in dit artikel weerhouden bepalingen zouden minstens strijdig zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij dat het middel ongegrond dient te worden verklaard bij gebrek aan motivering. In zoverre de verzoekende partij verwijst naar het eerste middel, herhaalt de verwerende partij dat de neuropsychiaters hun titel en de daaraan verbonden bevoegdheden behouden. Bijgevolg hebben zij net als de psychiaters de keuze om ofwel hun oude erkenning te behouden ofwel een aanvraag in te dienen tot het bekomen van een erkenning als geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie, of als geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Het is dan ook absoluut niet duidelijk waarin de schending van het beginsel van behoorlijk bestuur zou bestaan. 3.4.2.
- Bespreking In zoverre de verzoekende partij haar tweede middel steunt op het eerste middel, kan verwezen worden naar hetgeen hierboven werd gezegd. De verzoekende partij poneert verder dat er een schending zou zijn van het beginsel van behoorlijk bestuur, maar legt niet in het minst uit waarin die schending dan wel gelegen is. Bij de ontwikkeling van een middel dient niet alleen te worden aangegeven welke rechtsregel geschonden is, maar ook waarom deze geschonden is. Het middel is onvoldoende uitgewerkt en dus niet ontvankelijk, VII-26.392-19/20 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt artikel 27 van het ministerieel besluit van 3 januari 2002 tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van geneesheren- specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie en van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie, in de mate dat dit artikel 27 er niet in voorziet dat de bepalingen met betrekking tot de neuropsychiatrie in het ministerieel besluit van 29 juli 1987 niet worden opgeheven. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-26.392-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.176 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div