← België

Arrest 170177 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.177 Rolnummer: A. 119955/VII-26393 Zaak: Arrest 170177 - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 19:41 Fiche Arrest nr 170.177 van 19 april 2007 Sociale zaken en volksgezondheid - Reglementen (sociale zaken en volksgezondheid) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.177 van 19 april 2007 in de zaak A. 119.955/VII-26.393 In zake : de BELGISCHE PROFESSIONELE VERENIGING van NEUROLOGEN en PSYCHIATERS, die woonplaats kiest bij advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 12, bus 13 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaten P. LEGROS en J. SOHIER, kantoor houdende te BRUSSEL, Emile de Motlaan

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BELGISCHE PROFESSIONELE VERENIGING van NEUROLOGEN en PSYCHIATERS op 19 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het koninklijk besluit van 7 januari 2002 tot wijziging van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde (Belgisch Staatsblad 21 februari 2002), “inzonderheid wat betreft de bepalingen van het artikel 2 van gezegd KB”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 18 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-26.393-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. MARICHAL, die loco advocaten W. GONTHIER en D. DHAENENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat C. KNOCKAERT, die loco advocaten P. LEGROS en J. SOHIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; I. Juridisch kader Artikel 35ter van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen bepaalt dat de Koning de lijst vaststelt van de bijzondere beroepstitels en van de bijzondere beroepsbekwaamheden van de beoefenaars van gezondheidszorgberoepen. Ter uitvoering van deze bepaling werd het koninklijk besluit van 25 november 1991 genomen, houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. In artikel 1 van dit koninklijk besluit wordt de lijst vastgesteld van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts. Die lijst bevat o.m. de volgende bijzondere beroepstitels: - geneesheer specialist in de neurologie; - geneesheer specialist in de psychiatrie; - geneesheer specialist in de neuropsychiatrie. VII-26.393-2/8 Artikel 2 van dit koninklijk besluit stelt de lijst vast van de bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de titularissen van een wettelijk diploma van doctor in de genees-, heel- en verloskunde of van de academische graad van arts, die reeds houder zijn van één van de bijzondere beroepstitels vermeld in artikel
  2. Ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002 wordt dit artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 aangevuld als volgt: “meer bepaald in de volwassenpsychiatrie; meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie.”. Ingevolge het met het voorliggend annulatieberoep bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002 wordt in het koninklijk besluit van 25 november 1991 een artikel 2bis ingevoegd dat als volgt luidt: “De lijst van de bijzondere beroepstitels bedoeld in artikel 1 die tegelijk met een van de bijzondere beroepstitels bedoeld in artikel 2 kunnen worden verworven wordt vastgelegd als volgt: geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie; geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie.”. Artikel 35quater van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat niemand een bijzondere beroepstitel kan dragen of zich kan beroepen op een bijzondere beroepsbekwaamheid, dan na hiertoe te zijn erkend door de Minister tot wiens bevoegdheid de gezondheidszorg behoort, of door de door hem gemachtigde ambtenaar. Artikel 35sexies van het koninklijk besluit nr. 78 bepaalt dat de erkenning bedoeld in artikel 35quater wordt toegekend overeenkomstig de door de Koning vastgestelde procedure en voor zover is voldaan aan de erkenningscriteria die zijn vastgesteld door de Minister tot wiens bevoegdheden de volksgezondheid behoort, op advies, wanneer zij bestaan, van de Raden waaraan deze bevoegdheid is toegewezen. Ter uitvoering van dit artikel 35sexies werd onder meer het ministerieel besluit van 3 januari 2002 genomen tot vaststelling van de criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie en van geneesheren-specialisten in de psychiatrie, meer VII-26.393-3/8 bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie. Dit ministerieel besluit vormt het voorwerp van het annulatieberoep met nr. A. 119.954/VII-26.
  3. II. Ontvankelijkheid In de memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat de verzoekende partij geen beslissing bijbrengt waaruit blijkt dat haar bevoegd orgaan besloot tot het instellen van voorliggend annulatieberoep. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij dat zij een uittreksel uit de notulen van de vergadering van 15 april 2002 van haar bestuurscomité bijbracht. Artikel 12 van de statuten van de verzoekende partij bepaalt dat het bestuurscomité de meest uitgebreide machten bezit voor wat betreft het beheer en de leiding van de vereniging en dat het alle rechten en machten mag uitoefenen die door de wet niet uitdrukkelijk aan de algemene vergadering worden voorbehouden. Het kan onder meer voor het gerecht optreden zonder voorafgaandelijke machtiging van de vergadering (waarmee bedoeld wordt de algemene vergadering). Als bijlage bij haar memorie van wederantwoord voegt de verzoekende partij een uittreksel uit het P.V. van de vergadering van het bestuurscomité van 15 april 2002, waaruit blijkt dat dit comité besliste tot het instellen van voorliggend annulatieberoep. De exceptie wordt verworpen. III. Enig middel III.
  4. Standpunten van de partijen In het verzoekschrift wordt als enig middel aangevoerd: “ENIG MIDDEL: SCHENDING VAN ARTIKEL 10 VAN DE GRONDWET, HOUDENDE HET GELIJKHEIDSBEGINSEL. Het door verzoekende partij aangevochten artikel 2 van het KB dd. 07-01-02 beperkt de toekenning van de bijzondere beroepstitel ingevoerd in artikel 1 van dit KB tot de ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie’. VII-26.393-4/8 Dit terwijl de bijzondere beroepstitel ‘geneesheer-specialist in de neuro-psychiatrie’ nog steeds opgenomen is in het artikel 1 van het KB dd. 25-11-91, en terwijl op heden niet minder dan 1.415 neuro-psychiaters op dit ogenblik nog actief zijn. De neuro-psychiaters die deze bijzondere beroepstitel hebben bekomen behouden tot op heden hun volledige bevoegdheid en bekwaamheid in zowel het deeldomein neurologie als het deeldomein psychiatrie. Krachtens de termen van het aangevochten artikel 2 worden de neuro-psychiaters op arbitraire wijze uitgesloten van het bekomen van de in het artikel 1 van genoemd KB ingevoerde bijzondere beroepstitel. Als dusdanig is het aangevochten artikel 2 van het hoger genoemd KB dienvolgens strijdig met de bepalingen van het artikel 10 van de GRONDWET.”. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat de verzoekende partij uitgaat van een verkeerde interpretatie van het bestreden artikel 2 aangezien de psychiaters en de neuropsychiaters immers allebei het recht hebben om hetzij hun titel te behouden, hetzij een aanvraag in te dienen om de bijzondere beroepstitel van geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassenpsychiatrie of van geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie, te bekomen. In haar memorie van wederantwoord neemt de verzoekende partij er akte van dat haar vordering volgens de verwerende partij berust op een ?verkeerde interpretatie”, doch volhardt zij dat de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002 volgens haar wel degelijk voorbehouden blijven voor de ?geneesheer-specialist in de psychiatrie”, terwijl de bijzondere beroepstitel ?geneesheer-specialist in de neuropsychiatrie” ontegensprekelijk op psychiatrisch gebied ?dezelfde bevoegdheden toekent en toeschrijft en aan de psychiaters en aan de neuro-psychiaters”, wat een arbitrair onderscheid tot stand brengt. Zij voegt daaraan toe: “Bovendien zal, in zoverre de neuro-psychiater de erkenning zou verkrijgen als ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de volwassen psychiatrie’ of ‘geneesheer-specialist in de psychiatrie, meer bepaald in de kinder- en jeugdpsychiatrie’ gezegde geneesheer-specialist, zoals blijkt uit de alsdan toegekende of toe te kennen erkenning duidelijk zijn hoedanigheid van ‘neuroloog’ verliezen, hetgeen andermaal een discriminatie meebrengt waar de geneesheer-psychiater die gezegde bijzondere beroepstitel zou verwerven zijn volledige bevoegdheden behoudt terwijl de geneesheer-neuro-psychiater enkel deze erkenning kan bekomen mits afstand te doen van een gedeelte van zijn bevoegdheden.”. VII-26.393-5/8 III.
  5. Bespreking De bijzondere criteria voor de erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten voor de specialiteiten van de neurologie en de psychiatrie werden vastgesteld door een ministerieel besluit van 29 juli
  6. De overgangsbepalingen van dit besluit stellen: “
  7. De geneesheer die vóór het van kracht worden van onderhavig besluit een opleiding in de neuropsychiatrie heeft aangevat volgens een goedgekeurd stageplan, met keuze van neurologische of psychiatrische oriëntatie, mag zijn opleiding voortzetten volgens zijn stageplan en kan nadien een erkenning bekomen van specialist hetzij in de neurologie of in de psychiatrie, naargelang van zijn oriëntatie, hetzij in de neuropsychiatrie. Het staat hem evenwel vrij, mits een goed te keuren wijziging van zijn stageplan, over te schakelen naar de nieuwe criteria.
  8. De geneesheer die vóór het van kracht worden van onderhavig besluit erkend werd als specialist in de neuropsychiatrie, kan bij de bevoegde minister een aanvraag indienen voor erkenning als specialist : - hetzij in de neurologie, indien hij verklaart overwegend de neurologie te beoefenen; - hetzij in de psychiatrie, indien hij verklaart overwegend de psychiatrie te beoefenen. Door de nieuwe erkenning vervalt zijn erkenning als neuropsychiater en is hij ertoe gehouden uitsluitend de gekozen specialiteit uit te oefenen. Deze bepaling geldt eveneens voor de geneesheer die krachtens punt 1 van deze overgangsbepalingen een erkenning in de neuropsychiatrie bekomen heeft.
  9. De geneesheer die als neuropsychiater erkend werd en dit wenst te blijven behoudt deze erkenning.”. Blijkens de aanhef van dit ministerieel besluit is het besluit ingegeven door de motivering “dat het geboden is de criteria voor erkenning van geneesheren-specialisten, stagemeesters en stagediensten in de neurologie en de psychiatrie vast te stellen om aldus te kunnen beantwoorden aan de evolutie van de medische wetenschap en de behoeften die daaruit voortspruiten wat de opleiding betreft van geneesheren-specialisten”, terwijl nochtans “de geneesheren-specialisten erkend in de neuro-psychiatrie de mogelijkheid moeten hebben hun erkenning te behouden”. Hieruit blijkt dat de overheid ervoor heeft geopteerd om, gelet op de evolutie van de medische wetenschap, neuropsychiaters de keuze te laten maken voor hetzij een erkenning als specialist in de neurologie, hetzij een erkenning als specialist in de psychiatrie maar dat, bij wijze van overgangsmaatregel, wordt toegestaan dat neuropsychiaters hun erkenning als neuropsychiater behouden. Zo worden de specialisten in de neuropsychiatrie een soort “uitstervende” categorie. VII-26.393-6/8 Door de Richtlijn 89/594/EEG van de Raad van 30 oktober 1989 tot wijziging van de Richtlijnen 75/362/EEG, 77/452/EEG, 78/686/EEG, 78/1026/EEG en 80/154/EEG inzake de onderlinge erkenning van de diploma's, certificaten en andere titels van respectievelijk de arts, de algemeen ziekenverpleger, de beoefenaar der tandheelkunde, de dierenarts en de verloskundige, alsmede van de Richtlijnen 75/363/EEG, 78/1027/EEG en 80/155/EEG inzake de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van respectievelijk de arts, de dierenarts en de verloskundige, worden de regels inzake de onderlinge erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels van arts vastgelegd. Ook in die richtlijn is sprake van de specialiteiten neurologie en psychiatrie, maar niet van de specialiteit neuropsychiatrie. Psychiatrie en neurologie worden dus als onderscheiden specialismen beschouwd, en men mag redelijkerwijze aannemen dat dit zo is omdat voor elk van die specialiteiten een specifieke kennis en specifieke vaardigheden vereist zijn. Geneesheren-specialisten worden er ook toe aangezet om voor een van die specialismen te kiezen. Alleen bij wijze van overgangsmaatregel wordt toegestaan dat neuropsychiaters die als neuropsychiater erkend werden, die erkenning ook behouden. Dit is de verklaring voor het feit dat de “geneesheer specialist in de neuropsychiatrie” nog voorkomt in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de lijst van bijzondere beroepstitels voorbehouden aan de beoefenaars van de geneeskunde, met inbegrip van de tandheelkunde. Uit de hierboven uiteengezette regelgeving blijkt voldoende duidelijk dat de neuropsychiaters een categorie van specialisten vormen die duidelijk te onderscheiden is van die van de psychiaters, en dat neuropsychiaters bij wijze van overgangsmaatregel hun erkenning nog mogen behouden. In weerwil van wat de verzoekende partijen wil doen geloven is het dan ook allerminst evident dat een bepaalde regeling die specifiek van toepassing is voor de psychiaters, zoals het thans bestreden artikel 2 van het koninklijk besluit van 7 januari 2002, meteen ook van toepassing zou moeten zijn voor de neuropsychiaters. De keuze die de neuropsychiaters dienden te maken, is het gevolg van het ministerieel besluit van 29 juli
  10. Zij dienden te opteren voor een erkenning als psychiater, als neuroloog of als neuropsychiater. Eenmaal een VII-26.393-7/8 bepaalde keuze is gemaakt, dient men de gevolgen van die keuze te dragen. Als men kiest voor een erkenning als neuropsychiater kan men niet eisen precies dezelfde rechten te hebben als diegenen die erkend werden als psychiater. De verwerende partij had dus wel degelijk redenen om een onderscheid te maken tussen de psychiaters en de neuropsychiaters. Het middel gesteund op de schending van het gelijkheidsbeginsel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro , kosten ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. Ch. BAMPS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-26.393-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.177 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.