← België

Arrest 170187 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.187 Rolnummer: Zaak: Arrest 170187 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.187 van 19 april 2007 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Reglementen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.187 van 19 april 2007 in de zaken A. 74.767/XII-876 (I). A. 157.419/XII-4470 (II). In zake : I. + II Wilfried VERRYCKEN, die woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat 18, bus 25 tegen : I + II de STAD MORTSEL, die woonplaats kiest bij advocaat H. Sebreghts, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg

  1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, I. Gezien het verzoekschrift dat Wilfried Verrycken op 23 juni 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Besluit op 22.04.1997 genomen door de Gemeenteraad van Mortsel waarbij onder inroeping van artikel 150 van het Personeelsstatuut van het statutair personeel van de Gemeente Mortsel verzoeker als sportfunctionaris ambtshalve wordt ontslagen met ingang van 10.02.1997 wegens een zogezegd ongewettigde afwezigheid van meer dan tien dagen”; (A. 74.767) Gezien het arrest nr. 120.109 van 3 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend en het opstellen van een aanvullend auditoraatsverslag wordt bevolen; Gezien het aanvullend verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 2 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-876-1/24 Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; II. Gezien het verzoekschrift dat Wilfried Verrycken op 9 november 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “
  2. de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de Gemeente Mortsel dd. 1 april 1996, vermeld in de brief van het college van burgemeester en schepenen dd. 9 april 1996, gericht aan de vzw Sport Mortsel, waarin vastgesteld wordt dat het aantal meeruren in hoofde van verzoeker op nul wordt geplaatst naar aanleiding van de overgang van bij de vzw Sport Mortsel gedetacheerd personeelslid naar ‘regulier personeelslid’ (eerste bestreden beslissing);
  3. de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de Gemeente Mortsel houdende ‘handhaving’ van de eerste bestreden beslissing (tweede bestreden beslissing) dd. 29 april 1996”; (A. 157.419) Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 19 juli 2005 die de neerlegging van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; I.+ II. Gelet op de beschikkingen van 25 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 november 2006; Gehoord, in de beide zaken, het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord, in de beide zaken, de opmerkingen van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. Sebreghts, die loco advocaat H. Sebreghts verschijnt voor de verwerende partij; XII-876-2/24 Gehoord, in de beide zaken, het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaken.
  4. Verzoeker is sedert 1 december 1985 in dienst van het gemeentebestuur van Mortsel als sportfunctionaris, niveau onderbureelhoofd; bij besluit van 22 mei 1989 van de gemeenteraad van Mortsel wordt hij bevorderd tot sportfunctionaris, niveau bestuurschef.
  5. Op 25 juni 1990 beslist de gemeenteraad van Mortsel zich akkoord te verklaren met een concessie-overeenkomst tussen de gemeente Mortsel en de vzw Sport Mortsel, die de sportinfrastructuren, eigendom van de gemeente, zal beheren. Luidens artikel 13 van de goedgekeurde concessie-overeenkomst kan de vzw twee soorten personeel tewerkstellen, hetzij gemeentepersoneel dat gedetacheerd wordt naar de vzw, hetzij personeel rechtstreeks aangeworven door de vzw.
  6. Bij besluit van 18 december 1990 van de gemeenteraad wordt verzoeker met ingang van 1 januari 1991 en met behoud van alle statutaire rechten en plichten als vast benoemd personeelslid, als gedetacheerde tewerkgesteld bij de vzw Sport Mortsel.
  7. Op 9 januari 1991 beslist de raad van beheer van vzw Sport Mortsel aan verzoeker een vergoeding “hogere functie” uit te betalen.
  8. Op 23 december 1991 beslist het college van burgemeester en schepenen dat, gelet op de eerdere besprekingen en gemaakte afspraken in verband met de honorering van het leidinggevend personeel in de vzw Sport Mortsel en aangezien door de vzw aan de betrokkenen een substantiële herwaarderings- vergoeding wordt toegekend waardoor zij de facto inzake geldelijke vergoeding op het niveau komen te staan van het gemeentepersoneel uit de weddegroep B, aan XII-876-3/24 verzoeker geen betaling van overuren voor 1991 en volgende zal worden toegekend, en dat de compensatie van de meer gepresteerde uren, wat het college betreft, in afwijking van de regeling voor het gemeentepersoneel, mag gebeuren tijdens de jaren 1992/1993, uiteraard met akkoord van en in afspraak met het bestuur van de vzw Sport Mortsel.
  9. Bij gemeenteraadsbesluit van 20 december 1995 wordt de gemeenteraadsbeslissing van 18 december 1990 houdende de detachering van onder meer verzoeker met ingang van 1 januari 1996 opgeheven. Bij gemeenteraadsbesluiten van dezelfde datum : - wordt een nieuw personeelskader goedgekeurd met ingang van 1 januari
  10. - wordt verzoeker in die nieuwe structuur met ingang van 1 januari 1996 benoemd als “uitdovende sportfunctionaris”.
  11. Op 28 december 1995 beslist het college van burgemeester en schepenen dat het personeel van de sportdienst -waaronder verzoeker- met ingang van 1 januari 1996 en dit voor de duur van maximum een jaar tewerkgesteld zal worden in de gemeentelijke sportinfrastructuur. Op 1 april 1996 beslist het college van burgemeester en schepenen, dat het personeel van de sportdienst, waaronder verzoeker, met ingang van 1 januari 1996 en dit voor de duur van maximum 1 jaar zal worden tewerkgesteld in de gemeentelijke sportinfrastructuur.
  12. In een brief van 9 april 1996, waarin wordt verwezen naar de voornoemde collegebeslissing van 1 april 1996, wordt de vzw Sport Mortsel er door het gemeentebestuur op gewezen dat, aangezien verzoeker sedert 1 januari 1996 van gedetacheerd naar regulier gemeentepersoneel is overgegaan, hij voor de gemeente start met een nulpositie inzake meeruren. 8.
  13. Als reactie op die brief deelt verzoeker met een brief van 16 april 1996 aan het gemeentebestuur en aan de raad van beheer van vzw Sport Mortsel mee “dat zijn meerurenpositie op datum van 1 januari 1996, genoegzaam door het voltallig dagelijks bestuur van vzw Sport Mortsel en dus ook door het college bekend, 1.571 en 3/4 u bedraagt” en “dat hij alle gepresteerde uren wenst te compenseren zoals voorzien is”. XII-876-4/24 8.
  14. Naar aanleiding van die brief van verzoeker beslist het college van burgemeester en schepenen op 29 april 1996 zijn standpunt te handhaven dat de stand van de overuren voor verzoeker per 1 januari 1996 nul is en dat deze toestand ongewijzigd blijft zolang de vzw Sport Mortsel de bijzondere vergoeding aan verzoeker blijft uitkeren. Die beslissing is het tweede voorwerp in de zaak nr. 157.419 en is gemotiveerd als volgt : “Overwegende dat voor Wilfried Verrijcken en [A. M.] op het ogenblik van hun detachering naar de vzw Sport Mortsel al hun openstaande overuren op 1.1.1991 werden uitbetaald, zodat het eindtotaal op nul werd gesteld; Aangezien o.m. voormelde personeelsleden voltijds werden gedetacheerd naar de VZW Sport Mortsel van 1.1.1991 tot en met 31.12.1995; aangezien de detachering per 1.1.1996 werd ingetrokken, maar de plaats van tewerkstelling door het college voor betrokkenen voor 1996 behouden blijft op de vzw Sport; Aan Wilfried Verrijcken en [A. M.] wordt door de vzw Sport sedert 1991 een bijzondere vergoeding toegekend. De bedoeling van deze vergoeding is de meerprestaties, kwalitatief en kwantitatief te vergoeden. Het college heeft deze regeling aanvaard met dien verstande dat de aldus uitgekeerde vergoeding geldt als compensatie voor alle meerprestaties. De overuren werden aan het college meegedeeld en door deze genoteerd, maar niet gecompenseerd op basis van voorgaande regeling. Trouwens de regeling inzake overuren voor het overige personeel van de gemeente werd daardoor op hen niet toegepast”.
  15. Met een brief van 18 december 1996 deelt het college van schepenen aan verzoeker onder meer mee dat de vestigingsplaats van de administratie van de gemeentelijke sportdienst wordt ondergebracht in het kabinet van schepen Vernieuwe, en dat hij zich op 3 januari 1997 moet melden op het bureau van zijn afdelingshoofd, die hem de nodige inlichtingen zal verschaffen.
  16. Als reactie hierop stelt verzoeker in een aangetekende brief van 26 december 1996, gericht aan de burgemeester en op 3 januari 1997 door de gemeente ontvangen, onder meer wat volgt : “Blijkbaar zorgt het reeds jarenlange succes van vzw Sport Mortsel voor politieke moeilijkheden met als resultaat nu eind december 1996, plots, om redenen die onduidelijk blijven, de opheffing door het bestuur van mijn functie. Daar ik ondertussen herstellend ben van een zware virusziekte, CMV, opgelopen wegens uitputting, wens ik als blijk van goede wil, verder in 1997 vooreerst al mijn resterende officiële vakantiedagen op te nemen. Als officieel verlof betreft het hier al de ofwel verkeerdelijk verrekende, ofwel de niet opgenomen of verkeerdelijk niet toegestane dagen sinds
  17. Tevens en aansluitend wens ik in 1997 en 1998, of tot wanneer dit loopt, XII-876-5/24 compensatieverlof voor de meer dan 2.000 overuren. Deze uren dienen nog verrekend te worden vóór compensatie aan 25, 50, 100 en 200 procent. Heden ontbreekt nog steeds, en dit sinds september 1996, mijn officiële verloffiche. Ondertussen kan wellicht het bestuur de nodige stappen zetten om mijn statutaire functie terug te installeren waardoor een voortzetting mogelijk zal worden van mijn meer dan 11 jaar enthousiaste en succesvolle inzet. Ik meen dat over wettelijk verlof en compensatie van meeruren geen discussie moet gevoerd worden”.
  18. Met een aangetekende brief van 7 januari 1997 deelt het college van burgemeester en schepenen aan verzoeker mee : - dat het enerzijds kennis heeft genomen van de aangetekende brief van 26 december 1996, maar anderzijds heeft vastgesteld dat verzoeker in feite momenteel ongewettigd afwezig is, aangezien sedert 31 december 1996 noch een doktersattest noch een reglementaire verlofaanvraag werd ontvangen; - dat het college evenwel bereid is de brief van 26 december 1996 te aanzien als een verlofaanvraag voor al het verlof waarover verzoeker beschikt; - dat verzoeker, volgens de gegevens in het bezit van het college, wettelijk verlof kan opnemen voor 192 uur, en dat mogelijk compensatieverlof hieraan slechts kan worden toegevoegd nadat verzoekers prestatiestaten voor de maanden augustus, september, november en december 1996 zijn overgemaakt en goedgekeurd; - dat, indien dit de bedoeling is, verzoeker per kerende verzocht wordt een in bijlage gevoegde verlofaanvraag in te vullen en de bedoelde prestatielijsten onmiddellijk over te maken; - dat het college, na ontvangst van de verlofaanvraag samen met de prestatielijsten, aan verzoeker zal meedelen wanneer hij zijn werkzaamheden in de sportdienst moet hervatten en dat, indien verzoeker op deze datum zijn taak niet terug opneemt, het college hieruit besluit dat verzoeker zich als ontslagnemend beschouwt. 11.
  19. Met een op 21 januari 1997 ter post aangetekend verzonden brief deelt het college aan verzoeker mee te hebben vastgesteld dat hij niet gereageerd heeft op de aangetekende brief van 7 januari 1997 en hij bij gevolg geen wettiging heeft gegeven voor zijn afwezigheid. Die rappelbrief wordt door verzoeker niet afgehaald. XII-876-6/24 11.
  20. Een tweede rappelbrief wordt op 23 januari 1997 ter post aangetekend verzonden. Verzoeker tekent die brief af voor ontvangst op 24 januari
  21. 11.
  22. Op 27 januari 1997 stelt het college vast dat verzoeker nog steeds niet gereageerd heeft op de aangetekende brief van 7 januari 1997, en beslist het aan de gemeentesecretaris opdracht te geven de tuchtprocedure voor te bereiden. Een derde rappelbrief wordt op 30 januari 1997 ter post aangetekend verzonden. Verzoeker haalt die brief niet af. 11.
  23. Een vierde rappelbrief wordt op 6 februari 1997 ter post aangetekend verzonden. Verzoeker haalt die brief niet af. 11.
  24. Een vijfde rappelbrief wordt op 14 februari 1997 ter post aangetekend verzonden. Verzoeker haalt die brief niet af. 11 .
  25. Op 17 februari 1997 stelt het college vast dat verzoeker nog steeds niet heeft gereageerd op de aangetekende brief van 7 januari 1997, neemt het kennis van het tuchtverslag van de gemeentesecretaris en geeft het aan de gemeentesecretaris opdracht een tuchtdossier samen te stellen dat aan de gemeenteraad zal worden voorgelegd. Op 24 februari 1997 stelt het college vast dat verzoeker nog steeds niet gereageerd heeft. Met een op 26 februari 1997 ter post aangetekend verzonden brief wordt een afschrift van de collegebeslissingen van 17 en 24 februari 1997 naar verzoeker gestuurd. Verzoeker haalt die brief niet af.
  26. In een “aanvullend verslag” van 10 maart 1997 wordt het college er door de gemeentesecretaris en verzoekers afdelingshoofd op gewezen dat, naar luid van artikel 150 van het personeelsstatuut, het personeelslid dat zonder geldige reden weigert de betrekking te bekleden die het ambtshalve wordt aangewezen, na een afwezigheid tien dagen ambtshalve wordt ontslagen, dat, ingevolge dat artikel, het opstellen van een tuchtdossier overbodig is, dat het college verzoeker wel in een verhoor de gelegenheid moet geven om eventueel zijn afwezigheid te rechtvaardigen, en dat het dossier vervolgens wordt overgemaakt aan de gemeenteraad. XII-876-7/24
  27. Eveneens op 10 maart 1997 beslist het college dat aan de gemeenteraad het ontslag van ambtswege van verzoeker zal worden voorgedragen bij toepassing van artikel 150 van het personeelsstatuut wegens ongewettigde afwezigheid gedurende meer dan tien dagen, en dat verzoeker uitgenodigd zal worden om met betrekking tot zijn ongewettigde afwezigheid gehoord te worden in de zitting van het college van 24 maart
  28. Met een brief van 12 maart 1997 wordt verzoeker van die beslissing in kennis gesteld.
  29. Op 24 maart 1997 wordt verzoeker door het college gehoord in verband met een eventueel ambtshalve ontslag. Het proces-verbaal van het verhoor vermeldt onder meer wat volgt : “Op de vraag waarom [verzoeker] zich niet heeft aangeboden op 3.1.97 antwoordt hij dat hij met vakantie was. Op de bemerking dat dit verlof niet was aangevraagd, antwoordt hij dat hij overtuigd is van wel, namelijk met zijn schrijven van 26.12.
  30. Bij aangetekende brief d.d 7.1.97 werd hem de mogelijkheid aangereikt om zijn afwezigheid te regulariseren, door alsnog verlof aan te vragen. Op de vraag waarom op dit aanbod niet werd ingegaan antwoordt hij dat alles vermeld staat in zijn brief van 26.12.
  31. Hij stelt dat hij al lang gevraagd heeft naar zijn verloffichen en dat hij die nog steeds niet heeft ontvangen, ook nu niet en ook zijn raadspersoon niet. Hij verwijst verder naar het overleg gepleegd met zijn raadspersoon. De burgemeester deelt mee dat deze namens het bestuur ontvangen werd voor een vrijblijvend onderhoud. Deze werd enkel aanhoord en er werd daarbij geen besluitvorming geformuleerd. Bij herhaling werd door het gemeentebestuur gepoogd, telkens met aangetekende brieven, toch nog een reactie te krijgen op voormelde brief van 7.1.
  32. Die aangetekende rappels werden niet in ontvangst genomen of niet afgehaald op de post. Op de vraag waarom die brieven niet in ontvangst werden genomen of niet werden afgehaald, antwoordt hij dat volgens hem alles gezegd was in zijn brief van 26.12.1996.”.
  33. Op 22 april 1997 beslist de gemeenteraad verzoeker met ingang van 10 februari1997 ambtshalve te ontslaan. Die beslissing, die het voorwerp uitmaakt van het beroep, gekend onder nr. 74.767, is gemotiveerd als volgt : “
  34. Ontslag van ambtswege van een personeelslid. De gemeenteraad van Mortsel, Gelet op het verslag van het afdelingshoofd administratie én van de gemeentesecretaris d.d. 10.3.97, waarin er wordt op gewezen dat XII-876-8/24 overeenkomstig art.150 van het personeelsstatuut aan de heer W. Verrycken ontslag van ambtswege kan verleend worden wegens ongewettigde afwezigheid van meer dan 10 dagen; Gelet op volgende feiten : - dat de heer W. Verrycken, in dienst als sportfunctionaris bij de gemeente Mortsel, van 1.1.1990 tot en met 31.12.1995 gedetacheerd was naar de VZW Sport Mortsel (begin : GR. 18.12.90 - einde : GR 20.12.95); - dat bij collegebesluit van 28.12.95 ondermeer de heer W. Verrycken. nog voor maximum 1 jaar, nl. van 1.1.96 tot en met 31.12.96 tewerkgesteld werd in de gemeentelijke sportinfrastructuur; - dat de heer W. Verrycken overeenkomstig het nieuwe personeelskader en nieuwe personeelsstatuut herbenoemd werd in de uitdovende functie van sportfunctionaris niveau C4-C5 (GR. 20.12.95); - dat de heer W. Verrycken bij aangetekende brief d.d. 18.12.96 (en besteld per drager op 19.12.96 te 10.55 uur ) ervan in kennis werd gesteld dat zijn nieuwe plaats van tewerkstelling vanaf 1.1.97 zich zou situeren in het kabinet van de schepen voor Sport ten gemeentehuize en dat betrokkene zich op 3.1.97 te 8.30 uur diende aan te melden bij het afdelingshoofd administratie; - dat betrokkene zich op bedoelde datum niet heeft aangemeld en hij sindsdien nog niet aanwezig is geweest op het werk; - dat de heer W. Verrycken met een aangetekende brief d.d. 26.12.96, slechts verzonden op 2.1.97, gericht aan de burgemeester en op het gemeentebestuur toegekomen op 3.1.97, meldt dat hij verlof neemt, namelijk zijn wettelijk verlof voor 1997 en daarnaast nog 1.000 à 2.000 overuren; - dat in een aangetekende brief van ons bestuur d.d. 7.1.97, aan betrokkene de kans geboden werd zich vooralsnog in regel te stellen met zijn verlof op voorwaarde dat hij daarvoor de bijgaande verlofaanvraag zou invullen en de ontbrekende prestatielijsten onmiddellijk zou overmaken. Betrokkene werd verzocht om ‘per kerende, d.w.z. ten laatste morgen antwoord te geven, ten einde het college toe te laten, met het oog op de continuïteit van de sportdienst, het opstellen van de beleidsnota inzake sport, te voorzien in uw vervanging door gekwalificeerd personeel.’ - dat de heer W. Verrycken aan dit aanbod geen gevolg heeft gegeven, evenmin als aan de daaropvolgende herinneringsbrieven aan voormelde brief van 7.1.97 door onze aangetekende brieven d.d. 16.1.97, 28.1.97, 4.2.97, 12.2.97 en 25.2.97, welke door betrokkene niet in ontvangst werden genomen of niet werden afgehaald op de post, zodat deze door de postdiensten als onbestelbaar werden teruggezonden. Onze aangetekende herinneringsbrief d.d. 21.1.97 werd door W. Verrycken in ontvangst genomen op 24.1.
  35. Overwegende dat de heer W. Verrycken met brief van 12.3.97 (verzonden, per aangetekende zending ‘AR/RP’,bij gewone zending en besteld per drager op 14.3.97 omstreeks 16 uur) werd uitgenodigd om in zitting van het college van burgemeester en schepenen van 24 maart 1997 gehoord te worden in verband met zijn ongewettigde afwezigheid, met de vermelding van het voorstel om betrokkene, in toepassing van artikel 150 van het personeelsstatuut, ontslag van ambtswege te verlenen; Gelet op het P.V. van dit verhoor van 24.3.97; Overwegende dat het P.V. van verhoor aan betrokkene werd overgemaakt ter ondertekening met brief d.d. 25.3.97, die aangetekend (AR/RP), per gewone brief en per drager werd bezorgd aan betrokkene, en waarvan eveneens kopie werd verzonden aan zijn raadspersoon, meester Rombout; XII-876-9/24 Overwegende dat tot op heden dit P.V. niet ondertekend werd terugbezorgd, noch enige opmerking hieromtrent overgemaakt werd aan het gemeentebestuur de AR/RP d.d. 25 maart 1997 werd wegens niet afhaling door betrokkene door de postdienst aan ons bestuur terugbezorgd op 16 april 1997; Gelet op de argumenten door betrokkene ontwikkeld tijdens zijn verhoor d.d. 24.3.97, 1/) dat zowel zijn afwezigheid sedert 3.1.97, als zijn niet reageren op de aangetekende brief van 7.1.97, als de daarop volgende rappels, gerechtvaardigd is door zijn aangetekende brief d.d. 26.l2.96 (toegekomen op de gemeente op 3.1.97); 2/) dat zijn raadspersoon niet werd uitgenodigd om aanwezig te zijn bij dit verhoor; 3/) dat zijn functie werd opgeheven en het voor hem niet duidelijk is wat zijn feitelijke situatie is op dit ogenblik; Overwegende dat deze argumenten kunnen beantwoord en weerlegd worden als volgt : 1/) dat zijn afwezigheid sedert 3.1.97 niet gerechtvaardigd is door zijn brief van 26.12.96, aangezien - deze brief gericht was aan de burgemeester en als dusdanig niet kan aanzien worden als een reglementaire verlofaanvraag, temeer daar deze brief pas op de gemeente is toegekomen (na verzending op 2.1.97) op 3.1.97 in de loop van de dag waarop betrokkene reeds om 8.30 uur aanwezig had moeten zijn op het werk; - de niet-aanvaarding van die brief van 26.12.96 als verlofaanvraag aan betrokkene kenbaar gemaakt werd, na de collegebeslissing van 6.1.97 met een aangetekende brief d.d. 7.1.97, waarop door betrokkene op generlei wijze werd gereageerd om zijn toestand te regulariseren; - de rappels op de voormelde aangetekende brief d.d. 7.1.97 door betrokkene genegeerd werden door de aangetekende brieven (AR/RP) d.d. 16.1.97, 28.1.97, 4.2.97, 12.2.97 en 25.2.97, niet in ontvangst te nemen of af te halen op de postdienst, de rappel d.d. 21.1.97 werd wel in ontvangst genomen 2/) dat de niet uitnodiging van zijn raadspersoon eveneens een onterecht argument is omdat - bij een ontslag van ambtswege het personeelsstatuut eigenlijk geen verhoor van betrokkene voorziet; - dat ondanks deze niet-voorziening betrokkene toch werd uitgenodigd om gehoord te worden in zijn middelen van verdediging voor het college van burgemeester en schepenen; - dat in alle gevallen van verhoor het normaal is dat betrokkene zich kan laten bijstaan door een raadsman naar zijn keuze; - dat uit de getuigenis van de gemeentesecretaris d.d. 25.3.97 blijkt dat zijn raadspersoon, en via deze betrokkene zelf ook, wist dat zijn raadspersoon aanwezig mocht zijn op dit verhoor, maar dat betrokkene tegenover zijn raadsvrouw de voorkeur had uitgedrukt alleen voor het college te willen verschijnen; 3/) zijn functie van sportfunctionaris werd niet opgeheven; - ingevolge het nieuwe personeelsstatuut werd betrokkene, destijds benoemd als sportfunctionaris, bij gemeenteraadsbeslissing van 20.12.95, herbenoemd als sportfunctionaris, zodat zijn persoonlijke statutaire toestand ongewijzigd bleef; Overwegende dat de grond die aanleiding geeft tot het voorstel van deze beslissing namelijk zijn ongewettigde afwezigheid sedert meer dan 10 dagen niet weerlegd is geworden, dat er geen schending van de belangen van XII-876-10/24 betrokkene is geweest door het gemeentebestuur en dat betrokkene op normale wijze zijn functie van sportfunctionaris had moeten opnemen vanaf 3.1.97; Overwegende dat verlof niet zo maar genomen kan worden door een personeelslid, maar overeenkomstig de bepalingen van het verlofstatuut en rekening houdend met de goede werking van de diensten vooraf moet aangevraagd worden en verleend wordt door de gemeentesecretaris op advies van het diensthoofd rekening houdend met de noodwendigheden van de dienst; Overwegende dat door de heer W. Verrycken geen verlof werd aangevraagd, maar betrokkene in een brief aan de burgemeester gericht (d.d. 26.12.96, verzonden op 2.1.97 en toegekomen op 3.1.97) eenvoudig stelt dat hij verlof neemt; Overwegende dat noch voor het wettelijk verlof noch voor het compensatieverlof door betrokkene een aanvraag werd gedaan; Overwegende dat men bij het lezen van de brief van het bestuur d.d. 7.1.97 zou kunnen verstaan, mits een niet goed begrepen lezing, dat het wettelijk verlof werd toegestaan, maar dat enkel een aanvraag voor verlof nodig was maar dan ook zeker gedaan moest worden voor het compensatieverlof dat betrokkene blijkbaar wenste te nemen; Overwegende dat de heer W. Verrycken, mits het voordeel van de twijfel te zijnen gunste te laten spelen, het werk dan toch had moeten hervatten, na het opnemen van zijn wettelijk verlof van 192 uren te rekenen vanaf 3.1.97, op maandag 10 februari 1997; Aangezien betrokkene op 10 februari 1997 zich niet op het werk heeft aangeboden en sindsdien nog steeds afwezig is; Overwegende dat dienvolgens betrokkene meer dan 10 dagen ongewettigd afwezig is; Overwegende dat een ongewettigde afwezigheid van meer dan 10 dagen overeenkomstig artikel 150 van het personeelsstatuut aanleiding geeft tot ambtshalve ontslag”. Samenvoeging. Er is reden om de zaken nrs. 74.767 en 157.419 samen te voegen aangezien ze er beide toe strekken het ontslag van verzoeker ongedaan te maken. De gegrondheid van het beroep in de zaak nr. 74.
  36. Eerste middel 16.
  37. In een eerste middel, ontleend aan de schending van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, voert verzoeker aan dat hij niet minstens 12 werkdagen vóór zijn verschijning werd opgeroepen voor de hoorzitting, dat er geen melding werd gemaakt van het feit dat verzoeker zich kon laten bijstaan door een verdediger naar zijn keuze, noch dat het recht bestaat om getuigen te laten horen, noch dat het verhoor openbaar kan zijn, en dat bijgevolg aan een aantal formele vereisten niet is voldaan en de nieuwe gemeentewet op substantiële wijze geschonden is. XII-876-11/24 16.
  38. De verwerende partij antwoordt, samengevat, dat artikel 301 van de nieuwe gemeentewet behoort tot hoofdstuk 5 (“de procedure”) dat op zichzelf een onderdeel is van titel XIV (“de tuchtregeling”) van de nieuwe gemeentewet, dat uit de neergelegde stukken duidelijk blijkt dat zij de procedure te dezen niet als een tuchtprocedure zag maar wel als een ordemaatregel, dat het ambtshalve ontslag bij wijze van ordemaatregel een voorbeeld is van een maatregel om de goede werking van de dienst te verzekeren, zonder dat daarbij de schuldvraag wordt gesteld, dat uit de lezing van het aangevochten besluit duidelijk blijkt dat de verwerende partij niet de bedoeling had een schuldvraag te onderzoeken maar wel de continuïteit van de dienst zo spoedig mogelijk door gekwalificeerd personeel te laten verder zetten, dat zulks zonder meer duidelijk volgt uit de aangetekende brief van 7 januari 1997, dat er geen twijfel mogelijk is over het feit dat verzoeker een hele periode zijn opgedragen taak niet heeft vervuld, dat verzoeker blijkbaar de intentie had om een equivalent van 2.000 uren -meer dan 52 weken of meer dan een jaar- afwezig te blijven, dat hieruit zonder meer volgt dat verzoeker zijn ambt heeft laten staan, dat er niet alleen een gebrek aan samenwerking was maar een negatie van elke uitgestoken hand, met andere woorden, een duidelijke wil van verzoeker om de samenwerking te beëindigen, dat de motivering van het aangevochten besluit nergens naar een schuldvraag peilt, en dat artikel 301 van de nieuwe gemeentewet dan ook niet van toepassing is. 16.
  39. Verzoeker dupliceert dat zijn ontslag geenszins een ordemaatregel is maar wel een verkapte tuchtmaatregel uitmaakt, waarbij hij argumenteert als volgt : - het staat vast dat de kwestieuze maatregel een zeer zware straf uitmaakt voor verzoeker; bovendien kan niet worden betwist dat het nadeel dat de genomen maatregel voor verzoeker meebrengt duidelijk groter is dan hetgeen gevergd wordt door hetgeen die maatregel pretendeert na te streven, met name de continuïteit van de dienst; - het staat bovendien vast dat het ontslag enkel als doel heeft verzoeker op een geschikte manier aan de deur te zetten aangezien de verwerende partij niet wenst in te gaan op het toekennen van het compensatieverlof; - het bestuur mag enkel tot het treffen van een maatregel zoals de thans bestredene overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven als gewettigd voorkomt; te dezen kon de verwerende partij geenszins op ook maar enige manier op wettige wijze afleiden dat verzoeker niet langer in dienst wenste XII-876-12/24 te blijven; integendeel stelde verzoeker in zijn brief van 26 december 1996 uitdrukkelijk dat hij, na zijn compensatieverlof, opnieuw aan de slag zal en wil gaan bij de gemeente Mortsel; bovendien heeft verzoeker zulks nogmaals uitdrukkelijk herhaald bij de hoorzitting van 24 maart 1997; de verwerende partij beschikt dan ook over geen enkele wettige reden om ambtshalve tot het ontslag van verzoeker over te gaan. Volgens verzoeker kan er dan ook geen twijfel bestaan omtrent het tuchtrechtelijk karakter van de kwestieuze maatregel, en is artikel 301 van de nieuwe gemeentewet dus wel degelijk van toepassing. In zijn laatste memorie herhaalt hij deze stellingname. 16.
  40. Naar luid van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet wordt de betrokkene ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning opgeroepen voor de hoorzitting, en dient de oproeping onder meer melding te maken van het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze, van het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen, en van het recht om het horen van getuigen te vragen. Het voornoemde artikel maakt deel uit van hoofdstuk V (“De procedure”) van titel XIV (“De tuchtregeling”) van de nieuwe gemeentewet, titel die de artikelen 281 tot en met 317 omvat. Naar luid van artikel 282 kunnen de tuchtstraffen vermeld in artikel 283 worden opgelegd onder meer wegens tekortkomingen aan de beroepsplichten. Naar luid van artikel 283 kan aan de personeelsleden van de gemeente onder meer de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege worden opgelegd. De te dezen bestreden beslissing waarbij verzoeker ambtshalve wordt ontslagen steunt evenwel niet op titel XIV van de nieuwe gemeentewet, maar wel op artikel 150, eerste lid, van het personeelsstatuut, dat bepaalt wat volgt : XII-876-13/24 “Het personeelslid dat zonder geldige reden weigert de betrekking te bekleden die het ambtshalve wordt aangewezen wordt na een afwezigheid van tien dagen ambtshalve ontslagen”. Een dergelijke bepaling biedt aan het bestuur de mogelijkheid om, -buiten elk tuchtrechtelijk kader-, het dienstverband met personeelsleden in de in die bepaling gestelde voorwaarden te beëindigen, vermits dergelijk ontslag stoelt op de idee dat het betrokken personeelslid dat een tijdlang zonder geldige reden uit de dienst afwezig blijft, geacht wordt zelf uit de dienst te willen treden, met andere woorden, de dienst uit eigen beweging te willen verlaten. Vermits een ontslag, gesteund op het voormelde artikel 150, eerste lid, van het personeelsstatuut, geen tuchtmaatregel maar een ordemaatregel is, zijn de bepalingen van titel XIV van de nieuwe gemeentewet, met inbegrip van artikel 301, bij het nemen van een dergelijke maatregel niet van toepassing en kan dat artikel, a fortiori, niet geschonden zijn. 16.
  41. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat de door hem aangevochten beslissing geenszins een ordemaatregel, maar wel een verkapte tuchtmaatregel uitmaakt. 16.
  42. Vermits verzoeker in zijn verzoekschrift louter verwijst naar de formele vereisten van artikel 301 van de nieuwe gemeentewet, en daaruit zonder meer concludeert dat in zijn geval “de gemeentewet op substantiële wijze geschonden is”, geeft hij, door thans -ook al was hij in staat zulks reeds in zijn inleidend verzoekschrift te doen- de motieven van de verwerende partij bij het nemen van de bestreden maatregel in vraag te stellen, in zijn memorie van wederantwoord aan zijn eerste middel een volledig nieuwe feitelijke en juridische grondslag, hetgeen hij niet ontvankelijk vermag te doen. Eenzelfde gedachtengang geldt met betrekking tot verzoekers argumentatie dat hij de dienst niet zou verlaten : nog daargelaten het feit dat dit gegeven vreemd is aan het al dan niet toepasselijk zijn van artikel 301, is deze grief, in de memorie verwoord, niet ontvankelijk want laattijdig. Ten overvloede moet worden vastgesteld dat, zelfs wanneer de Raad dit betoog met het tweede middel zou verbinden, ook dan blijkt dat aan dat middel een nieuwe feitelijke grondslag wordt gegeven. XII-876-14/24 Het eerste middel is, zoals het in het inleidend verzoekschrift wordt ontwikkeld, niet gegrond. Zoals het in de memorie van wederantwoord wordt ontwikkeld, is het eerste middel niet ontvankelijk. Tweede middel 17.
  43. In een tweede middel, ontleend aan de schending van artikel 150 van het personeelsstatuut van het statutair personeel van de gemeente Mortsel, voert verzoeker aan dat hij wel degelijk een geldige reden heeft gegeven afwezig te blijven, dat hij immers met zijn brief van 26 december 1996 de gemeentelijke overheid ervan op de hoogte heeft gebracht dat hij, mede gelet op zijn wankele gezondheid, het compensatieverlof wenste op te nemen dat hij nog ter beschikking had, dat het vast staat dat het gemeentebestuur geen besef heeft van de omvangrijke taak die verzoeker van 1991 tot 1996 bij de vzw Sport Mortsel te vervullen had, dat hij, behoudens zich te beroepen op facultatieve en plaatselijke verlofdagen, tevens zijn verloftegoed van 1996 kon opnemen en daarenboven aanspraak kon maken op compensatieverlof, dat hij dus geenszins onwettig afwezig is en dat zulks ook op geen enkele wijze wordt aangetoond. 17.
  44. De verwerende partij antwoordt dat verzoeker niet kan weerleggen -en ook niet weerlegt- dat hij geen ziekteattest heeft ingeleverd, noch verlof heeft aangevraagd, dat hij de aangetekende brieven in dat verband heeft genegeerd, hoewel daarin zeer duidelijk de grond van de betwisting tussen partijen werd aangegeven, dat het aldus juist verzoeker is geweest die elke medewerking heeft geweigerd aan een oplossing of een regeling, en dat verzoeker op geen enkele wijze aantoont -terwijl hij zulks in zijn inleidend verzoekschrift en de alsdan neergelegde stukken zou moeten doen- dat het door hem ingeroepen middel gegrond zou zijn. Voor het overige verwijst de verwerende partij naar haar uiteenzetting onder het eerste middel, waaruit volgens haar duidelijk blijkt dat er een terechte toepassing werd gemaakt van artikel 150 van het personeelsstatuut. 17.
  45. Verzoeker dupliceert dat hij op 1 januari 1991 werd gedetacheerd met behoud van alle statutaire rechten en plichten als vastbenoemd gemeentepersoneelslid, dat de beslissing van 23 december 1991 van het schepencollege duidelijk stelt dat de door verzoeker gepresteerde meeruren van het XII-876-15/24 jaar 1991 gecompenseerd mogen worden met vrije dagen in 1992 en 1993, dat er van 1991 tot 1996 van compensatieverlof evenwel geen sprake kon zijn, gelet op de voortdurende onderbezetting van het personeel van de vzw, zodat verzoeker in november 1996, onder meer wegens het moeizaam herstel van zijn ziekte, verzocht om zijn verlofdagen op te nemen, dat het duidelijk is dat de verwerende partij niet wenst in te gaan op de vraag naar compensatieverlof en een passende manier zoekt om verzoeker aan de kant te zetten, dat de verwerende partij ten onrechte stelt dat de door verzoeker gepresteerde meeruren werden gecompenseerd door de extra toelage die verzoeker ontving tijdens zijn detachering, dat hij die extra vergoeding enkel ontving aangezien hij een hogere functie uitoefende, namelijk omdat hij belast werd met taken die binnen de gemeentelijke administratie worden waargenomen door personeelsleden met de graad van afdelingshoofd, dat verzoeker dus niet de graad van afdelingshoofd krijgt, dat het dan ook niet opgaat thans te stellen dat verzoeker geen recht zou hebben op vergoeding of compensatie van de door hem gepresteerde meeruren, gelet op het feit dat personeelsleden met de graad van afdelingshoofd daarop geen recht hebben, dat ook afdelingshoofden trouwens recht hebben op compensatie, dat de door verzoeker gepresteerde meeruren nooit werden gecompenseerd, dat hij derhalve wel degelijk recht heeft op de door hem genomen compensatiedagen, en dat hij bijgevolg geenszins onwettig afwezig is gebleven. 17.
  46. Zoals de Raad van State reeds in zijn tussenarrest nr. 120.109 heeft gewezen, bestaat verzoekers grief, zoals verwoord in zijn inleidend verzoekschrift, hierin dat hij wel degelijk een geldige reden heeft gegeven om afwezig te blijven en dus geenszins ongewettigd afwezig was. Meer bepaald verwijst verzoeker naar zijn brief van 26 december 1996, waarin hij het bestuur ervan op de hoogte bracht dat hij het compensatieverlof wenste op te nemen dat hij nog ter beschikking had. Zoals in de bestreden beslissing echter terecht wordt overwogen, mag verlof niet zo maar eenzijdig genomen worden door een personeelslid, maar moet het, na overeenkomstig de bepalingen van het verlofstatuut te zijn aangevraagd, verleend worden, waarbij rekening wordt gehouden met de noodwendigheden van de dienst. Het loutere feit dat verzoeker op 26 december 1996 aan het bestuur had meegedeeld dat hij, aansluitend op de hem resterende officiële verlofdagen, “in 1997 en 1998 of tot wanneer dit loopt”, het compensatieverlof XII-876-16/24 wenste op te nemen dat hij -naar zijn inziens- nog ter beschikking had, kon dan ook geen geldige reden opleveren voor zijn afwezigheid vanaf 10 februari
  47. In zoverre verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat het duidelijk is dat de verwerende partij niet wenst in te gaan op de vraag naar compensatieverlof, dat zij ten onrechte stelt dat de door verzoeker gepresteerde meeruren werden gecompenseerd door de extra-toelage die hij ontving tijdens zijn detachering, en dat hij derhalve wel degelijk recht heeft op de door hem genomen compensatiedagen, dient te worden vastgesteld dat verzoeker hoe dan ook had nagelaten “de vraag naar compensatieverlof” op de voorgeschreven wijze te stellen en dat de gemeenteraad zich bij het nemen van de thans bestreden beslissing al evenmin diende uit te spreken over die vraag, maar wel -en enkel- over de vraag of verzoeker al dan niet zonder geldige reden tien dagen afwezig was gebleven. 17.
  48. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de collegebeslissing van 29 april 1996 over zijn compensatieverlof niet definitief is geworden, vermits die beslissing hem niet werd betekend en al evenmin melding maakt van artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Vervolgens heeft hij op 9 november 2004 de nietigverklaring gevorderd van de beslissing van het schepencollege van 29 april 1996, beslissing die het voorwerp uitmaakt van de zaak nr. 157.
  49. 17.
  50. Andermaal moet worden vastgesteld dat, ongeacht het antwoord op de vraag of de collegebeslissing van 29 april 1996 al dan niet rechtmatig is, niet die beslissing de aanleiding is geweest voor de in de voorliggende zaak bestreden ontslagbeslissing, maar wel de houding die verzoeker zich na het beëindigen van zijn detachering heeft aangemeten, met name het eigenmachtig nemen van verlof zonder dat dit verlof vooraf werd aangevraagd en, a fortiori, verleend, houding die geleid heeft tot een afwezigheid van meer dan tien dagen zonder geldige reden. Het middel is niet gegrond. Derde middel 18.
  51. In een derde middel, ontleend aan de schending van de artikelen 145 en 147 van het voormelde personeelsstatuut, voert verzoeker aan dat XII-876-17/24 de wekelijkse arbeidsduur 38 uur bedraagt en dat het opleggen van overwerk gekoppeld is aan strikte voorwaarden, dat hij niet ontkent dat hij een bijzondere vergoeding kreeg voor het uitoefenen van een hogere functie, dat evenwel destijds op geen enkele wijze werd meegedeeld dat omwille van het feit dat hij een hogere functievergoeding kreeg, overuren niet zouden worden uitbetaald, dat deze vergoeding hem immers werd toegekend omwille van het managementsaspect van zijn taak, dat de overuren overigens het gevolg waren van een onderbezetting van de sportdienst, en dat verzoeker tussen 1.600 en 2.000 overuren heeft gepresteerd. 18.
  52. In zijn memorie van wederantwoord doet hij gelden dat hij ongetwijfeld recht heeft op compensatieverlof voor de door hem gepresteerde overuren, dat de gepresteerde meeruren elke maand op een urenfiche dienden te worden genoteerd waarna ze door de gemeente Mortsel werden betaald voor alle personeelsleden, maar niet voor verzoeker, dat het aantal door hem gepresteerde meeruren in september 1996 ongeveer 1.600 bedroegen en overgedragen werden op zijn verloffiche, maar dat hij sindsdien niet meer beschikt over de verloffiche, zodat hij onmogelijk het exacte aantal kan opgeven. 18.
  53. In zijn derde middel voert verzoeker -opnieuw- aan dat hij recht heeft op compensatieverlof. Uit de bespreking van de twee vorige middelen volgt dat die problematiek bij het nemen van de thans bestreden beslissing rechtens niet relevant was. Het derde middel is niet gegrond. Vierde, vijfde en zevende middel 19.
  54. In een vierde, vijfde en zesde middel voert verzoeker de schending aan van respectievelijk artikel 303, artikel 300 en artikel 305, §2, van de nieuwe gemeentewet. 19.
  55. De artikelen 300, 303 en 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet behoren tot hoofdstuk V (“de procedure”) van titel XIV (“de tuchtregeling”). XII-876-18/24 Bij de bespreking van het eerste middel is vastgesteld dat deze artikelen te dezen niet toepasselijk zijn. Het vierde, het vijfde en het zevende middel zijn dienvolgens niet gegrond. Zesde middel 20.
  56. In een zesde middel, ontleend aan de “Schending van het beginsel van behoorlijk bestuur -Schending van het redelijkheidsbeginsel- onevenwicht tussen de feiten en de opgelegde straf” voert verzoeker aan dat hem wordt aangerekend dat hij niet op de daartoe reglementaire manier compensatieverlof zou hebben gevraagd, dat men terzake verwijst naar de brief van 26 december 1996 die niet in de daartoe geijkte vorm zou zijn gesteld, dat het bestuur erkent dat het op de hoogte was van verzoekers vraag, vooraleer hij onwettig afwezig was, om zijn dagen compensatieverlof op te nemen, dat, gelet op het feit dat de compensatie-uren minstens 1.600 tot 2.000 uren bedroegen, de kans klein is dat verzoeker het aantal uren op het ogenblik van het voorstel tot tuchtstraf zou hebben overschreden, dat, hoewel de gemeenteraad niet ontkent dat de kwestie rond de compensatie-uren draait, noch in het tuchtdossier, noch in het proces-verbaal van verhoor, noch in de uiteindelijke beslissing op enige duidelijke wijze sprake is van dit gegeven, dat verzoeker een vlekkeloze staat van dienst heeft, dat het zijn eerste sanctie is, en dat onmiddellijk de zwaarste straf wordt uitgesproken. 20.
  57. In zijn memorie van wederantwoord doet verzoeker gelden dat het bestuur hem, niettegenstaande het op de hoogte was van zijn verzoek om zijn compensatiedagen op te nemen, zonder meer ambtshalve ontslaat, dat hij gedurende de elf jaar dat hij in dienst is geweest nooit het voorwerp is geweest van enige tuchtdossier, dat hij integendeel steeds zeer positief werd geëvalueerd, dat de uitgesproken straf dan ook duidelijk geenszins in verhouding is met de feiten die hem ten laste worden gelegd, dat de kwestieuze feiten geenszins vaststaan en bovendien niet voldoende werden onderzocht, aangezien het bestuur niet eens heeft geoordeeld over het compensatieverlof, dat het redelijkheidsbeginsel dan ook werd geschonden, dat het ten slotte vaststaat dat nergens in de tuchtprocedure de onderliggende en essentiële discussie omtrent het compensatieverlof ter sprake wordt gebracht of beoordeeld, en dat het onzorgvuldig handelen van het bestuur dan ook duidelijk is. XII-876-19/24 20.
  58. Reeds hiervoor is vastgesteld dat de bestreden beslissing niet als een tuchtsanctie mag worden aangemerkt. Het ontslag van ambtswege, bedoeld als ordemaatregel laat, wanneer de voorwaarden zijn vervuld, aan het bestuur geen keuze. Ingeval van gebonden bevoegdheid is er dan ook geen afweging mogelijk tussen de “feiten” en de daaraan te geven gevolgen. Het zesde middel is niet gegrond. Achtste middel 21.
  59. In een achtste middel, ontleend aan de “Schending van de motiveringsplicht-schending van artikel 305 § 3 van de Gemeentewet”, voert verzoeker aan dat uit de motivering van een tuchtstraf op afdoende wijze moet blijken dat de tuchtoverheid alle argumenten heeft onderzocht alsmede de redenen die haar hebben aangezet om een bepaalde sanctie op te leggen, dat hij terzake andermaal wenst te verwijzen naar zijn basisredenering en verdediging die hij heeft aangehouden doorheen de hele procedure, namelijk dat hij terecht stelde niet onwettig afwezig te zijn “vermits hij meende compensatiedagen op te nemen vermits hij daartoe op 26.12.1996 het weze de Burgemeester om heeft verzocht”, dat in het proces-verbaal van verhoor hieromtrent met geen woord wordt gerept en dat thans blijkt dat verzoekers fout -waarvoor niet min noch meer de maximumstraf werd uitgesproken- het niet conform de voorwaarden aanvragen van verlof is geweest, dat uit de bestreden beslissing immers overduidelijk blijkt dat omtrent dit compensatieverlof geen betwisting bestaat, “zodat uit het geheel naar voor komt dat de motieven om verzoeker ambtshalve te ontslaan niet naar de vorm met redenen zijn omkleed”, dat overigens met geen woord wordt gerept over het sinds september 1996 ontbreken van een verloffiche, en dat de motivering van de beslissing, in zoverre gesteld wordt dat verzoeker omwille van het feit dat hij op geen regelmatige manier compensatieverlof aanvroeg en hem bijgevolg ambtshalve ontslag wordt gegeven, langs de behandeling van het fundamentele probleem heen gaat. 21.
  60. In zijn memorie van wederantwoord doet hij gelden dat de gemeenteraad in zijn besluitvorming volledig voorbijgaat aan het meest essentiële punt, met name de discussie omtrent zijn compensatiedagen, en dat, indien de gemeenteraad daadwerkelijk de toestand inzake de gepresteerde meeruren had onderzocht, er geen sprake kan zijn van onwettige afwezigheid gedurende meer dan XII-876-20/24 tien dagen en het daaruitvolgend ambtshalve ontslag, vermits de gemeenteraad in dat geval had dienen vast te stellen dat verzoeker terecht en noodgedwongen, gezien zijn toestand een beroep deed op zijn compensatieverlof en derhalve geenszins onwettig afwezig was.
  61. Opnieuw moet worden vastgesteld dat de argumenten die verzoeker ter ondersteuning van zijn achtste middel aanvoert, reeds zijn weerlegd bij de bespreking van de eerste drie aangevoerde middelen. Het achtste middel is niet gegrond, zodat geen van verzoekers middelen wordt aanvaard en het beroep in de zaak nr. 74.767 moet worden verworpen. De ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 157.
  62. Onder het luik “belang” voert verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift aan wat volgt : “De bestreden beslissingen raken op ongunstige wijze aan de rechtspositie van verzoeker en brengt aldus een persoonlijk, zeker en actueel nadeel toe. Ingevolge de bestreden beslissingen wordt verzoeker uitgesloten van het recht op compensatie voor gepresteerde meeruren. Eén en ander frustreert verzoeker in zijn financiële belangen, daar geleverde arbeid bovenop het statutair vereiste prestatiestelsel niet gehonoreerd wordt, noch door loon, noch door inhaalrust. Tevens wordt geraakt aan de morele belangen van verzoeker. Enerzijds omwille van het feit dat zijn op grond van het Administratief Statuut gerechtvaardigd verwachtingspatroon inzake de compensatie van meeruren bruusk wordt doorbroken. Anderzijds omwille van het feit dat verzoeker zijn jarenlange inspanningen ‘in meer’ ten behoeve van de gemeentelijke sportwerking geminoriseerd ziet, waardoor één en ander een kwetsend karakter heeft. Ten overvloede wordt gewezen op de vaste rechtspraak van Uw Raad volgens dewelke ‘een ambtenaar om evidente redenen een persoonlijk belang [heeft] bij betwisting omtrent zijn eigen rechtspositie’ (J. Baert en G. Debersaques, o.c., 224). Ten slotte moet worden gewezen op hetgeen in de feitenschets, in fine, werd aangegeven, m.n. het feit dat de bestreden beslissingen aanleiding zijn geweest voor de voor Uw raad bestreden ontslagbeslissing dd. 22 april 1997, dewelke onmiddellijk voorafgegaan werd door het schrijven dd. 7 januari 1997, waarin zoals gesteld werd aangegeven ‘dat mogelijk compensatieverlof hieraan slechts kan toegevoegd worden nadat verzoekers prestatiestaten voor de maanden augustus, september, november en december 1996 zijn overgemaakt en goedgekeurd’. Door het miskennen van verzoekers rechten inzake compensatie, opgebouwd in de loop van meerdere jaren, werd immers totaal onrechtmatig gesteld dat het opnemen van enig compensatieverlof afhankelijk zou zijn van het overmaken van de prestatiestaten voor de periode augustus- XII-876-21/24 december
  63. De thans bestreden beslissingen zijn aldus noch min noch meer dan feitelijke ‘voorbeslissingen’ in de procedure die tot het tevens bestreden ontslag heeft geleid. Eén en ander motiveert bijkomend het belang in hoofde van verzoeker”. 24.
  64. Tegen de eerste bestreden beslissing van 1 april 1996 diende verzoeker een willig beroep in. Naar aanleiding van dat beroep, nam het college van burgemeester en schepenen, na de argumenten van verzoeker te hebben besproken, op 29 april 1996 een nieuwe -de tweede bestreden- beslissing. Die beslissing van 29 april 1996 is dan ook geen louter bevestigende beslissing, maar is in de plaats gekomen van de op 1 april 1996 genomen beslissing. In zoverre het beroep is gericht tegen de laatstgenoemde beslissing, is het dienvolgens niet ontvankelijk. 24.
  65. Vermits verzoeker, op grond van door hem tijdens zijn detachering gepresteerde meeruren, meende aanspraak te kunnen maken op compensatieverlof, had hij er, zolang hij ambtenaar was, belang bij op te komen tegen de beslissing van 29 april 1996 waarbij zijn aantal meeruren, naar aanleiding van zijn overgang van gedetacheerd naar regulier personeelslid, op nul werd geplaatst, vermits er, na een gebeurlijke nietigverklaring van die beslissing, alsnog een kans zou ontstaan dat hij het compensatieverlof zou kunnen opnemen dat hij - naar zijn inziens- nog ter beschikking had. Op het ogenblik dat verzoeker zijn beroep tegen die beslissing instelde, was hij evenwel reeds meer dan zeven jaar ambtshalve ontslagen. Dat ontslag wordt ingevolge de hiervoor vastgestelde verwerping van het beroep in de zaak nr. 74.767 niet ongedaan gemaakt. Een gebeurlijke nietigverklaring van de collegebeslissing op zich kan hem aldus niet meer het voordeel opleveren dat ze hem, als ambtenaar, wél had kunnen opleveren, of nog, niet meer het financieel en moreel nadeel herstellen dat hij, in hoofdorde, bij de uiteenzetting van zijn belang aanvoert. Dat belang is dienvolgens niet voorhanden.
  66. Verzoeker voert bijkomend onder “Belang” aan dat de bestreden beslissingen “aanleiding zijn geweest” voor de eveneens bij de Raad van State bestreden ontslagbeslissing van 22 april 1997, en dat de bestreden beslissingen “noch min noch meer dan feitelijke voorbeslissingen waren” in de procedure die tot de ontslagbeslissing heeft geleid. XII-876-22/24
  67. De gemeenteraadsbeslissing van 22 april 1997 waarbij verzoeker met ingang van 10 februari 1997 ambtshalve wordt ontslagen steunt op artikel 150, eerste lid van het personeelsstatuut, luidens hetwelk het personeelslid dat zonder geldige reden weigert de betrekking te bekleden die het ambtshalve wordt aangewezen, na een afwezigheid van tien dagen ambtshalve wordt ontslagen. Zoals reeds hiervoor in de zaak nr. 74.767 is vastgesteld, diende de gemeenteraad zich bij het nemen van een beslissing op grond van dat artikel niet uit te spreken over de vraag of verzoeker al dan niet recht had op compensatieverlof, maar wel -en enkel- over de vraag of verzoeker al dan niet zonder geldige reden tien dagen afwezig was gebleven. Verzoekers beroep vertrekt hier dienvolgens van een verkeerd uitgangs- punt betreffende het belang dat op dat vlak evenmin wordt aanvaard.
  68. In zijn laatste memorie wijdt verzoeker enige beschouwingen (“III-onredelijk lange termijn”) aan het lange tijdsverloop van zijn procedure voor de Raad van State -blijkbaar wordt de zaak nr. 74.767 bedoeld. In dat verband verwijst hij naar artikel 6, § 1, van het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Hij noemt de redelijke termijn “in een zaak als deze” overschreden.
  69. Deze beschouwingen kunnen niet leiden tot de conclusie dat de bestreden beslissing onrechtmatig wordt. De kritiek betreft immers niet die beslissing maar het procesverloop van de Raad van State. Dienvolgens zal de verzoeker in voorkomend geval de geëigende rechtscolleges dienen te adiëren steunende op die kritiek.
  70. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  71. De zaken nrs. A. 74.767/XII-876 en 157.419/XII-4470 worden samengevoegd. XII-876-23/24 Artikel
  72. De beroepen worden verworpen. Artikel
  73. De kosten van de beroepen, bepaald op 348,58 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-876-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.