← België

Arrest 170189 - Politie - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.189 Rolnummer: A. 71756/XII-1635 Zaak: Arrest 170189 - Politie - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.189 van 19 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.189 van 19 april 2007 in de zaak A. 71.756/XII-

  1. In zake : Johan RENDERS, die woonplaats kiest bij advocaat W. Van Betsbrugge, kantoor houdende te Tienen, IV de Lansierslaan 70 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. tussenkomende partij : Michel MORREN, die woonplaats kiest bij advocaat B. Beelen, kantoor houdende te Leuven, Justus Lipsiusstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan Renders op 9 december 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 10 september 1996 houdende benoeming van Michel Morren tot politiecommissaris in de gemeente Boutersem; Gelet op het arrest nr. 62.951 van 6 november 1996 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 oktober 1998; Gelet op de beschikking van 13 oktober 1998 die de tussenkomst van Michel Morren toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; XII-1635-1/15 Gelet op de beschikking van 16 januari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Duerinckx, die verschijnt voor verzoeker, van attaché I. De Paepe, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat T. Beelen, die loco advocaat B. Beelen verschijnt voor de tussenkomende partij Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST :
  3. De procedure. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat “huidige procedure onregelmatig is en de memorie van verweerster dient te worden geweerd wegens gebrek aan opgave van inventaris der aangewende stukken aan de memorie”. In zijn verslag heeft het bevoegd lid van het auditoraat op gemotiveerde wijze deze exceptie verworpen. Verzoeker komt noch in zijn laatste memorie noch ter terechtzitting op deze exceptie terug. Er moet dienvolgens worden aangenomen dat hij ze niet langer handhaaft. XII-1635-2/15
  4. De gegevens van de zaak. 2.
  5. Verzoeker maakt sinds september 1991 deel uit van het landelijk politiekorps van de gemeente Boutersem. In juni 1995 slaagt hij voor de proeven van het eerste leerjaar van officier van politie, georganiseerd door de Gewestelijke en Intercommunale Politieschool te Brussel. 2.
  6. Op 25 januari 1996 beslist de gemeenteraad van Boutersem het karakter van het gemeentelijk politiekorps met ingang van 1 februari 1996 te veranderen van het landelijke naar het stedelijke type, en verzoeker in het nieuwe kader met ingang van dezelfde datum te herbenoemen als politieagent-brigadier. Op 27 maart 1996 dient verzoeker tegen deze beslissingen een verzoekschrift tot schorsing en een verzoekschrift tot nietigverklaring in (zaak nr. 68.261/XII-1423). De vordering tot schorsing wordt verworpen bij arrest nr. 60.488 van 26 juni 1996, het beroep tot nietigverklaring bij arrest nr. 170.188 van 19 april 2007; 2.
  7. Op 4 april 1996 stelt de gemeenteraad van Boutersem de benoemingsvoorwaarden voor de betrekking van commissaris van politie vast. Volgens die voorwaarden moet de kandidaat onder meer houder zijn “van het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie, uitgereikt krachtens het koninklijk besluit van 12 april 1965 of houder van het brevet van officier van gemeentepolitie, uitgereikt krachtens het koninklijk besluit van 25 juni 1991”, en een onberispelijke dienstanciënniteit tellen van ten minste tien jaar sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps. Blijkens diezelfde gemeenteraadsbeslissing moeten de genoemde benoemingsvoorwaarden zijn vervuld op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaturen. Eveneens op 4 april 1996 besluit de gemeenteraad de betrekking van commissaris van politie vacant te verklaren. XII-1635-3/15 Op 29 april 1996 besluit het college van burgemeester en schepenen de vacante betrekking aan te kondigen en de uiterste datum voor het indienen van de kandidaturen op 31 mei 1996 te bepalen. Op 29 mei 1996 stelt verzoeker zich kandidaat. 2.
  8. Op 17 juni 1996 stelt het college van burgemeester en schepenen een “proces-verbaal van sluiting van de kandidatuurstellingen voor de aanwerving van een commissaris van politie” op. Blijkens het als bijlage gevoegde verslag hebben zich vijf personen kandidaat gesteld, van wie er twee niet voldoen aan alle vereiste aanwervingsvoorwaarden op datum van afsluiting van de kandidaatstellingen : zowel Marcel C. als verzoeker voldoen op die datum niet aan de voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps; verzoeker voldoet daarenboven niet aan de voorwaarde houder te zijn van het brevet van kandidaat-commissaris en adjunct-commissaris van politie of van het brevet van officier van gemeentepolitie; het college stelt op basis van dat verslag de gemeenteraad voor de door artikel 191 van de nieuwe gemeentewet voorgeschreven voordracht van twee kandidaten te doen op grond van een keuze onder de drie kandidaten die aan alle benoemingsvoorwaarden voldoen. Op 20 juni 1996 deelt het college van burgemeester en schepenen aan verzoeker mee dat, vermits hij op datum van sluiting van de kandidaatstelling niet aan de twee voornoemde vereiste voorwaarden voldoet, zijn kandidaatstelling niet aan de gemeenteraad wordt voorgelegd. 2.
  9. Op 27 juni 1996 beslist de gemeenteraad, met verwijzing naar het proces-verbaal van sluiting van de kandidatuurstellingen van het college van burgemeester en schepenen en na vergelijking van de titels en verdiensten van de drie kandidaten waarvan het college had vastgesteld dat zij aan alle benoemingsvoorwaarden voldeden, Michel Morren als eerste en Maurice L. als tweede kandidaat voor te dragen. Op 3 juli 1996 verklaart de burgemeester af te zien van de hem bij artikel 191 van de nieuwe gemeentewet geboden mogelijkheid een derde kandidaat voor te dragen. XII-1635-4/15 2.
  10. Met het te dezen bestreden koninklijk besluit van 10 september 1996, bij uittreksel bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 1996, wordt Michel Morren benoemd tot politiecommissaris van de gemeente Boutersem.
  11. De ontvankelijkheid van het beroep. 3.
  12. Zowel in haar verzoekschrift tot tussenkomst als in haar toelichtende memorie voert de tussenkomende partij aan dat verzoeker niet over het vereiste belang beschikt om de nietigverklaring van het koninklijk besluit van 10 september 1996 te vorderen, vermits hij niet voldeed aan de aanwervings- en benoemingsvoorwaarden voor de betrekking van commissaris van politie zoals vastgelegd bij besluit van de gemeenteraad van Boutersem van 4 april 1996, en hij tegen voornoemd gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 geen beroep heeft aangetekend, waardoor dat besluit niet meer vatbaar is voor betwisting. 3.
  13. De bestreden beslissing, waarbij de tussenkomende partij wordt benoemd tot politiecommissaris van de gemeente Boutersem, verschijnt in het rechtsverkeer als de eindbeslissing van een complexe verrichting die, wat verzoeker betreft, reeds definitief haar beslag had gekregen op het ogenblik dat de gemeenteraad, op grond van het door het college van burgemeester en schepenen op 17 juni 1996 opgemaakt proces-verbaal van sluiting van de kandidatuurstellingen en het daarbij gevoegd verslag, vaststelde dat verzoeker weliswaar zijn kandidatuur had ingediend, maar dat hij niet voldeed aan de voorwaarden om tot commissaris van politie benoemd te kunnen worden, zoals vastgelegd bij gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996, meer bepaald doordat hij op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaturen -31 mei 1996- geen houder was van het brevet van officier van de gemeentepolitie en geen dienstanciënniteit telde van tenminste tien jaar sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps. Aangezien de gemeenteraad er toe gehouden is de door hem uitgevaardigde reglementaire bepalingen na te leven, mocht er, ingevolge deze -niet betwiste- vaststelling, met de kandidatuur van verzoeker immers geen rekening worden gehouden. Verzoeker behaalde immers zijn brevet pas op 27 juni 1996 en pas sedert september 1991 was hij in dienst bij een gemeentelijk politiekorps. Bij de ontwikkeling van zijn vijfde middel voert verzoeker evenwel aan dat de voorwaarden om als commissaris benoemd te worden zijn vastgesteld bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene XII-1635-5/15 bepalingen betreffende de opleiding van officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graden van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving en benoeming in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, dat verzoeker, zoals de tussenkomende partij, aan deze voorwaarden voldoet, maar dat hij als kandidaat werd geweerd op basis van “onwettige voorwaarden die enkel werden gecreëerd om zijn kandidatuurstelling te weren”. Ook bij de ontwikkeling van zijn overige vier middelen brengt hij mede de onregelmatigheid van de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden ter sprake. Overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet is de Raad van State ertoe gehouden een reglementaire bepaling, waarvan hij de onwettigheid vaststelt, buiten toepassing te laten. Om de onwettigheid van een benoemingsbeslissing aan te tonen, kan een verzoekende partij dan ook steunen op de onwettigheid van een reglementaire bepaling waarin die beslissing mede haar grondslag vindt, ook al is de beroepstermijn tegen die reglementaire bepaling reeds verstreken. Enerzijds is het zo dat, indien te dezen zou worden vastgesteld dat de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden waaraan verzoeker bleek niet te voldoen onwettig zijn, zulks noodzakelijkerwijze de mede op grond van die benoemingsvoorwaarden tot stand gekomen benoemingsbeslissing vitieert. Anderzijds is de onregelmatigheid van de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden ook de enige mogelijke grondslag om verzoeker een voldoende belang te verlenen bij het bestrijden van de benoeming waarvoor hij, in tegenstelling tot de benoemde kandidaat, niet aan de benoemingsvoorwaarden voldeed. Dienvolgens is het belang van verzoeker bij het bestrijden van de benoeming van de tussenkomende partij afhankelijk van het antwoord op de vraag of de door de gemeenteraad op 4 april 1996 vastgestelde benoemingsvoorwaarden al dan niet onregelmatig zijn, antwoord dat pas kan gegeven worden na onderzoek van de middelen, meer bepaald in zoverre ze gericht zijn tegen die benoemingsvoorwaarden. XII-1635-6/15
  14. Onderzoek van de middelen. Eerste middel 4.1.
  15. In een eerste middel, ontleend aan de “schending beginselen van behoorlijk bestuur en gebrek aan onpartijdigheid”, voert verzoeker in verband met de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden aan dat deze “totaal onwettig zijn met als enkel doel de kandidatuur van [verzoeker] te verhinderen, nu er ook geen enkele andere motivering werd opgegeven”, hetgeen hij als volgt toelicht : - eerste onderdeel - de voorwaarde van ten minste tien jaar dienstanciënniteit werd ingesteld om in ieder geval aan verzoeker alle mogelijkheden te ontnemen, nu er voor deze vereiste geen enkele reden werd gegeven, de wetgeving nergens in een dergelijke voorwaarde voorziet, en Marcel C. -die om fictieve redenen zijn kandidatuur had gesteld- op grond van die voorwaarde werd geweerd als mogelijke kandidaat ook al was hij reeds benoemd als commissaris in Gingelom, hetgeen eens te meer het nutteloze van de gestelde voorwaarde aantoont; een persoonlijke vete mag niet zover leiden dat benoemingsvoorwaarden worden gesteld zonder enige motivering, met als enkel doel een mogelijke kandidaat uit te sluiten; - tweede onderdeel - wat betreft de vereiste dat aan de voorwaarden van het bezitten van een geldig brevet en van tien jaar dienstanciënniteit moest voldaan zijn op 31 mei 1996, diende de gemeenteraad perfect op de hoogte te zijn van het feit dat verzoeker zijn brevet kon verkrijgen op 27 juni 1996 -brevet waarover hij op die datum wel degelijk moest beschikken, ware het niet dat de burgemeester dit op onrechtmatige wijze had verhinderd- en volstaat bij benoemingen dat men aan de benoemingsvoorwaarden voldoet op het moment van benoeming, minstens op het moment van de beoordeling van de kandidaten door de gemeenteraad. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker aan dat hij wel degelijk voldoet aan alle voorwaarden om benoemd te worden, zoals deze zijn vastgesteld in het koninklijk besluit van 25 juni 1991, maar enkel niet voldoet of kon voldoen aan alle voorwaarden zoals bijkomend opgelegd in het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996, dat hij nooit tien jaar anciënniteit kon verkrijgen noch zijn brevet kon halen met terugwerkende kracht, dat een behoorlijk bestuur vereist dat, zo men strengere voorwaarden in aanmerking neemt waarbij een XII-1635-7/15 kandidaat van het korps zelf -die reeds waarnemend korpschef was- wordt geweerd, er ter dege gemotiveerd wordt, terwijl geen enkele motivering wordt bijgebracht, dat de voorwaarde om een brevet te hebben op 31 mei 1996 volledig tegen de wet ingaat nu deze voorwaarde wettelijk pas is voorzien op het moment van de benoeming, en dat de voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit op niets gesteund is. In zijn laatste memorie ondersteunt verzoeker zijn stelling dat “alles in het werk werd gesteld” om hem te weren. 4.1.
  16. Het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 tot vaststelling van de aanwervingsvoorwaarden en benoemingsvoorwaarden voor de betrekking van commissaris van politie in vast verband, verwijst in zijn aanhef naar artikel 189 van de nieuwe gemeentewet en naar het koninklijk besluit van 25 juni 1991 houdende de algemene bepalingen betreffende de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, de voorwaarden tot benoeming in de graad van officier van de gemeentepolitie en de voorwaarden tot aanwerving in de graad van aspirant-officier van de gemeentepolitie, zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 18 februari 1993 (hierna : het koninklijk besluit van 25 juni 1991). Artikel 189 van de nieuwe gemeentewet luidde ten tijde dat het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 genomen werd : “Binnen de perken van de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen, bepaalt de gemeenteraad de formatie, de bezoldigingsregeling en het administratief statuut, de weddeschalen, de toelagen of vergoedingen alsook de voorwaarden van werving, benoeming en bevordering van de leden van het gemeentepolitiekorps”. Ter uitvoering van die bepaling schrijft artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 voor dat niemand tot een graad van officier van de gemeentepolitie kan worden benoemd tenzij hij

(1)houder is van een diploma of een studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig is met één van de diploma’s of getuigschriften die in aanmerking worden genomen voor de aanwerving in de betrekkingen voor niveau 2 bij de Rijksbesturen,
(2)houder is van het brevet van officier van de gemeentepolitie, afgegeven na het slagen voor de examens die na een opleidingscursus die ten minste handelt over de leerstof opgesomd in artikel 22 van het besluit, georganiseerd worden door een trainings- en opleidingscentrum dat door de minister van Binnenlandse Zaken is erkend voor de opleiding van de officieren van de gemeentepolitie, overeenkomstig artikel 24 van het besluit, en
(3)bekleed XII-1635-8/15 is met één van de graden vermeld in de artikelen 1, 2 en 4 van het koninklijk besluit van 13 oktober 1986 tot vaststelling van de graden van het personeel van de gemeentepolitie of met de graad van aspirant-officier die ingevoegd worden in voornoemd besluit, overeenkomstig artikel 55 van het besluit. Zoals verzoeker terecht opmerkt, voldeed hij -althans op 27 juni 1996, zijnde de datum waarop hij zijn brevet van officier van de gemeentepolitie behaalde- aan alle door het koninklijk besluit vastgestelde benoemingsvoorwaarden, maar voldeed hij enkel niet aan de voorwaarden zoals bijkomend opgelegd in het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996, met name dat de kandidaten op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaturen een dienstanciënniteit van ten minste tien jaar moeten tellen sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps en houder moeten zijn van het brevet van officier van gemeentepolitie. 4.1.2.
  1. Eerste onderdeel - Artikel 189 van de nieuwe gemeentewet verleent aan de gemeenteraad de bevoegdheid om met betrekking tot de daar genoemde aangelegenheden regelend op te treden voor zover hij de door de Koning vastgestelde algemene bepalingen eerbiedigt en zonder de door de Koning vastgestelde normen op enigerlei wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend buiten werking te kunnen stellen, hetgeen in de eerste plaats betekent dat de door de Koning uitgevaardigde algemene bepalingen in ieder geval van toepassing zijn, ook wanneer zij niet uitdrukkelijk in het betrokken gemeenteraadsbesluit worden overgenomen, en vervolgens dat de gemeenteraad, in de gevallen waarin het door de Koning vastgestelde algemeen kader een nadere precisering toestaat, een bijkomende regeling mag uitvaardigen, aangepast aan de lokale noden, met andere woorden, dat het hem in die gevallen toegestaan is de door de Koning vastgestelde minimale benoemingsvoorwaarden te verstrakken. Te dezen heeft de gemeenteraad de in artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 opgesomde minimumvoorwaarden verstrakt door voor de benoeming tot commissaris van politie als bijkomende voorwaarde het bezit van tien jaar dienstanciënniteit sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps verplicht te stellen, hetgeen hem, gelet op de hierboven verwoorde uitlegging van artikel 189 van de nieuwe gemeentewet, was toegestaan. XII-1635-9/15 4.1.2.
  2. Volgens verzoeker werd deze voorwaarde evenwel opgelegd met als enkel doel hem als kandidaat uit te sluiten, met andere woorden, heeft de gemeenteraad zich schuldig gemaakt aan machtsafwending, doordat hij de bevoegdheid welke hem bij de wet tot het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang is gegeven -te dezen de goede werking van de plaatselijke politiedienst- gebruikt heeft met als enig doel het nastreven van een ongeoorloofd oogmerk, te dezen het verhinderen van de kandidatuur van verzoeker. Verzoeker leidt zulks af uit het feit dat de bijkomende voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit werd vastgesteld zonder enige motivering, en dat een andere kandidaat op grond van die voorwaarde werd geweerd, ook al was hij reeds tot commissaris benoemd in een andere gemeente, hetgeen eens te meer het nutteloze van de gestelde voorwaarde aantoont. 4.1.2.
  3. Een reglementair besluit zoals het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 is niet onderworpen aan de verplichting tot formele motivering. Voorts kan, gelet op de verantwoordelijkheid en de vereiste kennis die met de functie van politiecommissaris gepaard gaan, niet worden gesteld dat een gemeenteraad, wanneer hij, gebruik makend van de discretionaire bevoegdheid welke hem bij artikel 189 van de nieuwe gemeentewet is gegeven, het bezit van tien jaar dienstanciënniteit verplicht stelt, een onredelijke of “nutteloze” voorwaarde oplegt, ook al wordt deze voorwaarde in andere gemeenten niet gesteld, laat staan dat een dergelijke voorwaarde “totaal onwettig” of “op niets gesteund” zou zijn. A fortiori wegen de door verzoeker aangereikte argumenten te licht om de Raad van State tot het besluit te kunnen brengen dat de gemeenteraad tot het verplicht stellen van tien jaar dienstanciënniteit heeft besloten met als enig frauduleus doel de kandidatuur van verzoeker te verhinderen. 4.1.3.
  4. Tweede onderdeel - Verzoeker voert tevens aan dat het bij benoemingen volstaat dat men aan de benoemingsvoorwaarden voldoet op het moment van de benoeming, minstens op het moment van de beoordeling van de kandidaten, en dat de voorwaarde om een brevet te hebben op 31 mei 1996 volledig tegen “de wet” ingaat, nu deze voorwaarde wettelijk pas is voorzien op het moment van de benoeming. XII-1635-10/15 Nog daargelaten de vaststelling dat verzoeker, op het moment van de beoordeling van de kandidaten door de gemeenteraad en zelfs op het moment van benoeming van de tussenkomende partij, hoe dan ook niet voldeed aan de voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit, kan, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, uit het koninklijk besluit van 25 juni 1991 enkel worden afgeleid dat men niet tot een graad van officier van de gemeentepolitie mag worden benoemd tenzij men houder is van het brevet van officier van de gemeentepolitie, doch niet dat het in elk geval volstaat dat men aan deze voorwaarde voldoet op het ogenblik van de benoeming. Immers, nu artikel 189 van de nieuwe gemeentewet, in de gevallen waarin het door de Koning vastgestelde algemeen kader een nadere precisering toelaat, aan de gemeenteraad de bevoegdheid verleent om inzake benoemingsvoorwaarden regelend op te treden, is het hem -vermits in het door de Koning vastgesteld algemene kader niets wordt bepaald over het ogenblik waarop de benoemingsvoorwaarden vervuld moeten zijn- eveneens toegelaten voor te schrijven dat deze voorwaarden moeten zijn vervuld op de uiterste datum gesteld voor het indienen van de kandidaturen, dan wel op het ogenblik dat de titels en verdiensten van de kandidaten worden vergeleken. In zoverre de argumentatie van verzoeker in die zin moet worden gelezen dat de gemeenteraad zich ook hier bij zijn keuze enkel zou hebben laten leiden door het onrechtmatig oogmerk de kandidatuur van verzoeker te verhinderen, wordt vastgesteld dat luidens het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996, het college van burgemeester en schepenen belast is met de openbare oproep tot de kandidaten en het bepalen van de uiterste datum waarop de kandidaturen moeten worden ingediend, en dat op 4 april 1996 het ogenblik van de openbare oproep en, a fortiori, de uiterste datum waarop de kandidaturen moesten worden ingediend nog niet bekend was. 4.1.
  5. Het eerste middel kan niet tot de vaststelling leiden dat het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 onwettig is. Tweede middel. 4.2.
  6. In een tweede middel, ontleend aan de schending van het gelijkheidsbeginsel, voert verzoeker in verband met de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden aan dat het de “logica zelve is” dat elke bezitter van een brevet kan meedingen zo hij over dat brevet beschikt op het XII-1635-11/15 ogenblik van de beslissing “tot opzending als kandidaat”, dat hij, zonder tussenkomst vanwege de burgemeester bij de politieschool, over een brevet zou hebben beschikt, dat de voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit niet voorgeschreven is in het “decreet” (lees : het koninklijk besluit) dat de benoemingsvoorwaarden vastlegt, dat deze bijkomende voorwaarde integendeel werd gesteld om verzoeker te treffen zonder enige motivering aan deze voorwaarde te koppelen, dat zij in andere gemeenten nergens wordt vastgelegd, reden waarom in andere gemeenten wel commissarissen worden benoemd met een anciënniteit van minder dan tien jaar, en dat zij niet geldig was voor de rijkswachters, zonder dat enige motivering terug te vinden is waarom een rijkswachter geen tien jaar dienstanciënniteit hoeft te hebben. In zijn memorie van wederantwoord voert verzoeker bijkomend aan dat hij zich in andere korpsen wel kandidaat kan stellen, nu hij voldoet aan de benoemingsvoorwaarden van het koninklijk besluit van 25 juni 1991, dat de ongelijkheid erin bestaat dat in Boutersem benoemingsvoorwaarden worden opgesteld die nergens in andere gemeenten terug te vinden zijn, en dat die voorwaarden trouwens voor de kandidaten van Boutersem zelf een ongelijkheid creëerden, nu de rijkswachters van bepaalde attesten waren vrijgesteld. 4.2.
  7. Luidens artikel 117 van de nieuwe gemeentewet regelt de gemeenteraad alles wat van gemeentelijk belang is, hetgeen inhoudt dat elke gemeenteraad autonoom, dus zonder op enigerlei wijze rekening te moeten houden met hetgeen andere gemeenteraden beslissen, mag bepalen welke bijkomende benoemingsvoorwaarden de werking van de plaatselijke politiedienst ten goede kunnen komen. Gelet op voornoemd principe van de gemeentelijke autonomie, kan verzoeker zich niet nuttig op de schending van het gelijkheidsbeginsel beroepen om reden van het loutere feit dat de gemeenteraad van Boutersem een benoemingsvoorwaarde oplegt die andere gemeenteraden niet opleggen. Luidens artikel 47 van het koninklijk besluit van 25 juni 1991 worden, in afwijking van artikel 1 van het besluit, de rijkswachtofficieren tot 31 december 1998 vrijgesteld van de voorwaarden inzake het brevet van officier van de gemeentepolitie en inzake het bekleden van één van de graden van de agenten van de gemeentepolitie. XII-1635-12/15 Deze vrijstelling van twee door de Koning vastgestelde benoemingsvoorwaarden wordt in het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 woordelijk overgenomen. De gemeenteraad mag de door de Koning vastgestelde normen op generlei wijze uitdrukkelijk of stilzwijgend buiten werking stellen, hetgeen het geval zou zijn indien hij een kandidaat, die door de Koning is vrijgesteld van de voorwaarde inzake het bekleden van één van de graden van het personeel van de gemeentepolitie, alsnog de voorwaarde van ten minste tien jaar dienstanciënniteit sedert de benoeming in vast verband in een gemeentelijk politiekorps zou opleggen. Wanneer een besluit zowel voor een wettelijke als een onwettelijke interpretatie vatbaar is, dient men aan te nemen dat de overheid zich bij het vaststellen van die bepaling heeft laten leiden door de wettelijke interpretatie ervan. Te dezen moet er dan ook worden van uitgegaan dat de gemeenteraad de rijkswachtofficieren -ook al wordt zulks in het gemeenteraadsbesluit niet uitdrukkelijk gesteld- heeft vrijgesteld van het bezit van tien jaar dienstanciënniteit bij een gemeentelijk politiekorps. Er bestaat evenwel geen aanleiding om het gemeenteraadsbesluit te lezen zoals verzoeker het leest, namelijk dat de gemeenteraad de rijkswachtofficieren zonder meer zou hebben vrijgesteld van de verplichting van tien jaar dienstanciënniteit, het weze dan bij de rijkswacht. Vermits de overige door verzoeker aangevoerde argumenten reeds werden ontmoet bij de bespreking van het eerste middel, kan ook het tweede middel niet tot de vaststelling leiden dat het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 onwettig is. Derde, vierde en vijfde middel 4.3.
  8. In een derde middel, ontleend aan de schending van het redelijkheidsbeginsel, voert verzoeker in verband met de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden aan dat hij, op het ogenblik dat de gemeenteraad stemde over de voordracht van kandidaat-commissarissen, brevethouder zou geweest zijn “indien het bevel van de burgemeester niet gevolgd werd”, dat hij de langste dienstanciënniteit heeft bij de politie van Boutersem en dat de bijkomende voorwaarde van tien jaar dienstanciënniteit onwettig is. XII-1635-13/15 In een vierde middel, ontleend aan de “schending motiveringsplicht en strijdigheid van de motivering”, voert verzoeker in verband met de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden aan dat het benoemingsbesluit enkel verwijst naar de benoemingsvoorwaarden zoals die zijn opgelegd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991 en dat ook hij aan deze voorwaarden voldoet. In zijn memorie van wederantwoord voert hij bijkomend aan dat in het benoemingsbesluit geenszins wordt verwezen naar de door de gemeente vastgestelde bijkomende benoemingsvoorwaarden en dat hiernaar trouwens in de ganse benoemingsprocedure geen enkele maal meer verwezen wordt, terwijl nochtans op basis van die voorwaarden de kandidatuur van verzoeker zelfs niet werd voorgelegd aan de gemeenteraad. In een vijfde middel, ontleend aan de “schending van de benoemingsvoorwaarden - onregelmatigheid van de voordracht”, voert verzoeker in verband met de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden aan dat uit het benoemingsbesluit nogmaals blijkt dat de voorwaarden om als commissaris benoemd te worden deze zijn zoals opgelegd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991, dat hij evenzeer aan deze voorwaarden voldoet, maar dat hij werd geweerd op basis van onwettige voorwaarden die enkel gecreëerd zijn om zijn kandidatuurstelling te weren. 4.3.
  9. Het feit dat, zoals verzoeker in zijn vierde middel aanvoert, het benoemingsbesluit enkel verwijst naar de benoemingsvoorwaarden zoals die zijn opgelegd bij het koninklijk besluit van 25 juni 1991, en niet naar de door de gemeenteraad vastgestelde bijkomende benoemingsvoorwaarden, is irrelevant in het licht van de enige vraag die hier aan de orde is, namelijk de vraag of deze bijkomende benoemingsvoorwaarden onrechtmatig zijn voorgeschreven. Vermits de door verzoeker in zijn derde en vijfde middel aangevoerde argumenten reeds werden ontmoet bij de bespreking van zijn eerste middel, kan noch het derde, noch het vierde, noch het vijfde middel tot de vaststelling leiden dat het gemeenteraadsbesluit van 4 april 1996 onwettig. is. 4.
  10. Zoals reeds hiervoor werd vastgesteld, kan de onregelmatigheid van de door de gemeenteraad vastgestelde benoemingsvoorwaarden de enige XII-1635-14/15 grondslag zijn om verzoeker een voldoende belang te verlenen bij het bestrijden van de benoeming van de tussenkomende partij. Uit de bespreking van de middelen is gebleken dat verzoeker er niet toe komt die onregelmatigheid aan te tonen. Zijn beroep dient dan ook te worden verworpen wegens het ontbreken van het rechtens vereiste belang. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  11. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1635-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.189 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.62.951 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.