← België

Arrest 170192 - Politie - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.192 Rolnummer: A. 83228/XII-1972 Zaak: Arrest 170192 - Politie - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.192 van 19 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.192 van 19 april 2007 in de zaak A. 83.228/XII-

  1. In zake : Alfons VERKIMPE, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van De Keere, kantoor houdende te Gent, Oude Houtlei 129 B tegen :
  2. het VLAAMSE GEWEST,
  3. de STAD GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Alfons Verkimpe op 29 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 januari 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting houdende goedkeuring van het besluit van 13 oktober 1998 van de burgemeester van de stad Gent waarbij hem een schorsing van drie dagen met inhouding van wedde wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en van tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-1972-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. De Keukelaere, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. Vanbinst, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  5. Verzoeker is agent-hoofdbrigadier van politie bij de stad Gent. Bij aangetekende brief van 13 juli 1998 roept de burgemeester hem op om op 9 september 1998 te worden gehoord over volgende hem ten laste gelegde feiten: “handelingen [...] die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen [...] en tekortkoming aan de beroepsplichten, inzonderheid de ambtsuitoefening op loyale en integere wijze [...], m.n. om op 26 oktober 1997 een voertuig te hebben bestuurd in geïntoxiceerde toestand in casu 1,24 gram/liter wat resulteerde in de betaling van 10.000 fr. als minnelijke schikking met het verval van de strafvordering tot gevolg en om in de uitoefening van zijn taken de van kracht zijnde reglementeringen en de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt niet in acht te nemen”. Deze aangetekende brief wordt op 16 juli 1998 verstuurd naar “[...] de heer Verkimpe Alfons Buke 39 9620 Zottegem”. Verzoeker blijkt van deze brief kennis te hebben genomen aangezien hij op 9 september 1998 op de hoorzitting verschijnt, hoorzitting waarvan een proces-verbaal wordt opgesteld. 1.
  6. Bij aangetekende brief van 14 september 1998 worden verzoeker twee kopieën van het proces-verbaal van verhoor van 9 september 1998 bezorgd met de vraag om op de laatste bladzijde te naamtekenen met de vermelding “Na lezing volhardt en tekent - kopie ontvangen”, elke bladzijde te paraferen en deze dan terug te sturen aan de dienst Interne Zaken. Ook deze aangetekende brief wordt verstuurd naar “[...] de heer Verkimpe Alfons Buke 39 9620 Zottegem” en verzoeker blijkt ook van deze brief kennis te hebben genomen daar hij aan het in die brief geformuleerde verzoek gevolg heeft gegeven. XII-1972-2/16 1.
  7. Bij besluit van 13 oktober 1998 van de burgemeester van Gent wordt verzoeker om reden van de hem ten laste gelegde feiten de tuchtstraf van drie dagen schorsing met inhouding van wedde opgelegd. Dit besluit wordt hem betekend bij aangetekende brief van 13 oktober
  8. Ook deze aangetekende brief wordt verstuurd naar “[...] de heer Verkimpe Alfons Buke 39 9620 Zottegem”. De brief wordt echter teruggestuurd naar de afzender met de vermelding “niet afgehaald”, mededeling die bij het stadsbestuur inkomt op 3 november
  9. Vervolgens ondertekent verzoeker op 4 november 1998 een ontvangstbewijs waarin hij verklaart van de dienst Interne Zaken een afschrift te hebben ontvangen van het besluit van de burgemeester van 13 oktober
  10. 1.
  11. Op 3 december 1998 stelt verzoeker, volgens zijn eigen verklaring “gedomicilieerd te 9000 Gent, Vina Bovypark 11”, bij de administratie Binnenlandse Aangelegenheden beroep in tegen voormeld besluit van de burgemeester, stellende “dat [hem] pas op 4 november 1998 kennis gegeven werd van het voormelde besluit”. 1.
  12. De stafdienst Personeelszaken deelt ingevolge een vraag van 3 december 1998 van de dienst Interne Zaken betreffende verzoekers adres mee dat het laatste door hem aan personeelszaken doorgegeven adres Vina Bovypark 11 te Gent is, meegedeeld op 1 juli 1996 en dat de twee volgende adressen, Buke 39 te Zottegem en Voskenslaan 274 te Gent, op Personeelszaken onbekend waren. 1.
  13. De administratie Binnenlandse Aangelegenheden deelt verzoeker bij aangetekende brief van 9 december 1998 mee dat hij de gelegenheid krijgt te worden gehoord op 22 december
  14. Het ontvangstbewijs van deze brief, op 11 december 1998 verstuurd naar “Alfons Verkimpe Vina Bovypark 11 9000 Gent”, wordt ondertekend, zij het door ene “B. De Vriendt”. 1.
  15. Bij aangetekende brief van 21 december 1998, eveneens gericht aan “Alfons Verkimpe Vina Bovypark 11 9000 Gent”, wordt meegedeeld dat de hoorzitting wordt uitgesteld naar de zitting van 15 januari
  16. 1.
  17. Op 22 december 1998 stelt de dienst Bevolking een “getuigschrift van woonst met historiek van het adres” op waarin met betrekking tot de historiek van verzoekers adres volgende gegevens worden vermeld : XII-1972-3/16 “07-03-1954 Gent [...] 20-02-1996 9000 Vina Bovypark, 11 03-06-1998 Afgeschreven voor : Zottegem 22-07-1998 Gent, Komende van : Zottegem 22-07-1998 9000 Voskenslaan, 274”. 1.
  18. Op 15 januari 1999 worden zowel verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, als de stad Gent, vertegenwoordigd door haar raadsman, gehoord, verhoren waarvan telkens een proces-verbaal wordt opgesteld en die door betrokkenen de dag zelf worden ondertekend. Wat betreft de betekening van de tuchtsanctie, argumenteren verzoekers raadsman en verzoeker zelf : “Meester Van de Keere wijst erop dat er volgens hem geen sprake kan zijn van een onopzettelijkheid van het beroep. De betekening van de tuchtsanctie kan volgens hem maar rechtsgeldig zijn als hij gebeurt aan de persoon van de betrokkene of aan zijn woonplaats. Dit is het adres waar hij is ingeschreven in het bevolkingsregister. Vermits die betekening niet aan de persoon en niet aan de woonplaats gebeurde, kan zij volgens meester Van De Keere niet rechtsgeldig zijn. Het verzuim van betrokkene om zijn adreswijziging ter kennis te brengen binnen zijn korps kan onmogelijk de nietigheid van de betekening met zich meebrengen. Meester Van De Keere benadrukt trouwens dat de stad Gent een tweede kennisgeving heeft verricht. Meester Van De Keere wijst erop dat zijn cliënt trouwens de adreswijziging wel heeft gemeld, maar dat hij over geen bewijzen beschikt om dit hard te maken. De heer Verkimpe benadrukt dat hij de kaart van de postbode met melding van een aangetekend schrijven op zijn adres te Zottegem nooit heeft ontvangen. Hij bevestigt ook dat hij het formulier S9 wel degelijk heeft ingevuld, maar dat het wellicht laattijdig de betrokken dienst heeft bereikt. Meester Van De Keere benadrukt dat het voor de stad Gent en de diensten intern toezicht in feite heel eenvoudig was om het adres van betrokkene te achterhalen en de tuchtsanctie op het juiste adres te betekenen. Blijkbaar is de stad Gent hier in gebreke gebleven volgens meester Van De Keere”. De raadsman van de stad Gent doet gelden : “Meester Devers wijst op een mogelijk probleem inzake ontvankelijkheid van het beroep. Het beroepschrift dateert immers van 3 december
  19. De eerste kennisgeving van de tuchtsanctie aan betrokkene dateert echter van 13 oktober
  20. Er is wel een tweede kennisgeving geweest op 4 november
  21. De eerste kennisgeving was gericht aan het adres van betrokkene in Zottegem, zoals ook alle andere documenten in deze tuchtprocedure, zoals de oproepingsbrief en de toezending van het proces-verbaal voor ondertekening. Blijkbaar hebben deze documenten betrokkene wel bereikt. De tuchtoverheid heeft bij het begin van de tuchtprocedure nagegaan waar betrokkene was ingeschreven in het bevolkingsregister. Dit was klaarblijkelijk op zijn adres te Zottegem. Uit documenten van de dienst Bevolking blijkt echter XII-1972-4/16 dat dat niet meer het geval was op het ogenblik van de betekening van de tuchtsanctie. De vraag stelt zich natuurlijk wie zich van het juiste adres moest vergewissen. Meester Devers verwijst in dit verband naar een dagorder van de stedelijke politie van Gent waaruit een duidelijke verplichting blijkt voor een politieambtenaar om zelf zijn adreswijziging bij het korps te melden. Dit moet gebeuren met een specifiek formulier S
  22. De stukken van de dienst Bevolking en van de politie van Gent worden door meester Devers neergelegd. [...] Meester Devers stelt dat het proces-verbaal van verhoor betrokkene toch heeft bereikt ondanks het feit dat hij op het ogenblik van het toesturen ervan niet meer was gedomicilieerd op het adres waar het hem werd toegestuurd (Zottegem). De stad Gent was dan ook in de waan dat zij op dit adres konden betekenen. Meester Devers benadrukt dat de tweede kennisgeving een loutere inlichting was. Indien het niet zo zou zijn, zou het immers een kennisgeving buiten termijn betreffen en dan zou dit beroep zonder voorwerp zijn. Indien men aanvaard dat deze tweede kennisgeving een loutere inlichting is, dan is het beroep van betrokkene onontvankelijk. Meester Devers wijst erop dat betrokkene in 1998 blijkbaar op 4 verschillende adressen woonachtig is geweest. Hij wijst ook op een verklaring van een ambtenaar van Personeelszaken die verklaart dat hij nooit een formulier S9 van betrokkene heeft ontvangen”. 1.
  23. Op 27 januari 1999 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting de bestreden beslissing, besluit dat bij aangetekend brief van 28 januari 1999 ter kennis wordt gebracht van “Alfons Verkimpe Vina Bovypark 11 9000 Gent” en dat, zo blijkt uit het bericht van ontvangst, op 2 februari 1999 door verzoeker zelf wordt ontvangen. Voornoemd besluit wordt als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de schorsing van drie dagen met inhouding van wedde door de burgemeester werd opgelegd omdat betrokkene de volgende feiten worden ten laste gelegd : handelingen te hebben gesteld die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen (artikel 282, 2/ Nieuwe Gemeentewet) en tekortkoming aan de beroepsplichten, inzonderheid de ambtsuitoefening op loyale en integere wijze (artikel 282, 1/ Nieuwe Gemeentewet), m.n. om op 26 oktober 1997 een voertuig te hebben bestuurd in geïntoxiceerde toestand in casu 1,24 gram/liter wat resulteerde in de betaling van 10.000 frank als minnelijke schikking met het verval van de strafvordering tot gevolg en om in de uitoefening van zijn taken de van kracht zijnde reglementeringen en de richtlijnen van de overheid waarvan hij afhangt niet in acht te nemen; Overwegende dat de betrokkene in zijn beroepschrift van 3 december 1998 opwerpt dat de verzoeker pas op 4 november 1998 in kennis werd gesteld van het besluit van 13 oktober 1998; dat betrokkene tevens de mening toegedaan is dat de hem opgelegde tuchtstraf buiten verhouding is tot de zwaarwichtigheid van de hem verweten tuchtrechtelijke inbreuk; Overwegende dat het besluit van de burgemeester van 13 oktober 1998 op dezelfde dag aan betrokkene werd betekend en op dezelfde dag een afschrift van het volledig dossier werd toegezonden aan de Administratie van Binnenlandse Aangelegenheden; dat de tuchtoverheid bij het begin van de tuchtprocedure kennis heeft genomen van het adres van betrokkene bij de Dienst Bevolking; dat zijn adres op dit ogenblik Buke 39 te 9620 Zottegem XII-1972-5/16 bleek te zijn; dat betrokkene bij schrijven van 13 juli 1998, hem op 16 juli 1998 per aangetekende zending verstuurd, op dit adres te Zottegem werd opgeroepen tot verhoor in het kader van het tuchtrechtelijk onderzoek; dat het proces- verbaal van verhoor van 9 september 1998 aan betrokkene ter ondertekening werd toegestuurd op hetzelfde adres te Zottegem terwijl uit een getuigschrift van woonst van de Dienst Bevolking van de Stad Gent blijkt dat betrokkene op dit ogenblik reeds was gedomicilieerd te Gent, Voskenslaan 274; dat het proces-verbaal van verhoor toch genaamtekend en geparafeerd werd teruggestuurd aan de Stafdienst-Dienst Interne Zaken van de Politie te Gent; dat de Stad Gent er dus kon vanuit gaan dat de betekening van de tuchtsanctie op hetzelfde adres kon gebeuren; Overwegende dat uit punt 844 van het dagorder van de Politie Stad Gent van vrijdag 20 september 1996 blijkt dat elke adreswijziging moet kenbaar worden gemaakt aan de werkgever (Algemeen Personeelsreglement) via een daartoe geëigend formulier S9, dat uit een verklaring van agent-hoofdbrigadier Vandermeeren op een vraag daterend van 3 december 1998 blijkt dat de adreswijziging naar Zottegem, Buke 39 en naar Gent, Voskenslaan 274 op dit ogenblik nog niet was doorgegeven aan Personeelszaken middels een formulier S 9; dat de Stad Gent er op het ogenblik van de betekening van de tuchtsanctie op 13 oktober 1998 dus kon vanuit gaan dat het adres waarvan zij zich had vergewist bij het begin van de tuchtprocedure niet was gewijzigd; dat betrokkene in tegendeel zelf verzuimd heeft zijn adreswijziging mee te delen aan de tuchtoverheid; dat betrokkene dus niet kan inroepen het besluit van de burgemeester niet tijdig te hebben ontvangen wat overeenkomstig artikel 307, tweede lid van de nieuwe gemeentewet een intrekking van het besluit tot gevolg zou hebben en de onmogelijkheid om voor dezelfde tuchtfeiten een tuchtvervolging in te stellen; dat het bestuur van de stad Gent de zorgvuldigheidplicht heeft in acht genomen; dat de laattijdige kennisgeving van de tuchtsanctie te wijten is aan het gedrag van betrokkene en niet aan de handelswijze van het stadsbestuur van Gent; Overwegende dat het besluit van de burgemeester dus behoorlijk werd betekend op 13 oktober 1998; dat het beroepsschrift van betrokkene dateert van 3 december 1998 en is ingekomen bij de administratie op 4 december 1998; dat artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht-en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet bepaalt dat het beroep (...) door betrokkene wordt ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit houdende het opleggen van de tuchtstraf of de preventieve schorsing; dat het beroep van betrokkene derhalve onontvankelijk is; Overwegende dat een onderzoek van het tuchtdossier geen andere redenen aan het licht heeft gebracht die een optreden van de toezichthoudende overheid zouden rechtvaardigen; Overwegende dat, om de hierboven vermelde reden, het beroep van de betrokkene niet kan worden ingewilligd”;
  24. De ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  25. Overwegende dat eerste verwerende partij als eerste exceptie aanvoert dat verzoeker een beroep tot nietigverklaring instelt tegen een ministerieel besluit, doch als verwerende partij de stad Gent aanwijst, dat, aangezien niet XII-1972-6/16 ontvankelijk is vermeld dat ook de auteur van de beslissing in het kader van het administratief toezicht verwerende partij is, het goedkeuringsbesluit niet rechtsgeldig als betwist kan worden beschouwd en dat, indien het goedkeuringsbesluit niet wordt betwist, verzoeker er ook alle belang bij verliest het goedgekeurde besluit te betwisten; dat zij als tweede exceptie doet gelden dat verzoeker enkel de stad Gent als verwerende partij aanwijst maar anderzijds stelt enkel het goedkeuringsbesluit te betwisten, daarbij blijkbaar uit het oog verliezend dat de procedure die voor het Vlaamse Gewest werd gevoerd een procedure is die kadert in het bestuurlijk toezicht en dat, aangezien het goedgekeurde besluit niet werd betwist binnen de reglementair voorziene termijn, hij er alle belang bij verliest het goedkeuringsbesluit aan te vechten; 2.
  26. Overwegende dat tweede verwerende partij in de eerste plaats tegenwerpt dat tegen het bestreden besluit een beroep tot nietigverklaring diende te worden ingesteld met als tegenpartij het Vlaamse Gewest en voorts dat haar beslissing van 13 oktober 1998 in het verzoekschrift niet wordt bestreden en er geen enkel annulatiemiddel tegen wordt aangevoerd zodat het beroep tot nietigverklaring ten aanzien van tweede verwerende partij niet ontvankelijk is; 2.3.
  27. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift enerzijds enkel de stad Gent formeel aanwijst als verwerende partij doch anderzijds enkel de door de minister genomen beslissing formeel aanwijst als voorwerp van zijn beroep; Overwegende voorts dat hij inzake de tijdigheid van de vordering aanvoert dat het beroep tot nietigverklaring werd ingesteld binnen een termijn van zestig dagen nadat “de bestreden beslissing”, zijnde het besluit van de Vlaamse regering, hem werd betekend; dat hij betreffende zijn belang doet gelden dat hij een wettig en een voldoende belang heeft om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring van het besluit “van de regering” in te stellen; dat hij wat betreft de grond van de zaak inroept dat “de minister” artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen, genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, heeft geschonden, dat “de minister” artikel 307, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet heeft overtreden, dat “de minister” inbreuk heeft gemaakt op het algemeen beginsel van de eerbiediging van de rechten van de verdediging en dat “de minister” de verplichting zijn besluit behoorlijk en niet gebrekkig te motiveren heeft geschonden; XII-1972-7/16 dat verzoeker ten slotte vraagt het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en de beslissing van “de minister” nietig te verklaren; Overwegende bijgevolg dat verzoeker, gezien de inhoud van zijn inleidend verzoekschrift, ook al wees hij formeel enkel de stad Gent aan als verwerende partij, het Vlaamse Gewest minstens mede als verwerende partij in het geding wenste te betrekken, reden waarom de griffie van de Raad van State een afschrift van het verzoekschrift aan de minister-president van de Vlaamse regering verstuurde; dat de eerste exceptie van eerste verwerende partij en de eerste exceptie van tweede verwerende partij dan ook niet kunnen worden aangenomen; 2.3.
  28. Overwegende voorts dat, aangezien verzoeker in zijn verzoek- schrift geen middelen aanvoert die “eigen” zijn aan de door tweede verwerende partij genomen beslissing en hij in zijn memorie van wederantwoord daarenboven uitdrukkelijk aangeeft dat het aanwijzen in het verzoekschrift van de stad Gent als verwerende partij een “materiële misslag” is, moet worden vastgesteld dat het beroep tot nietigverklaring ten aanzien van die partij niet ontvankelijk is; dat de tweede door tweede verwerende partij aangevoerde exceptie gegrond is; 2.3.
  29. Overwegende ten slotte dat verzoeker met zijn verzoekschrift de nietigverklaring wenst te verkrijgen van het goedkeuringsbesluit op grond van de vaststelling dat de minister het door hem op 3 december 1998 ingediende beroep ten onrechte als laattijdig en derhalve als niet ontvankelijk heeft beschouwd; dat, indien de Raad van State het goedkeuringsbesluit om die reden nietigverklaart, met gezag van gewijsde komt vast te staan dat het beroep wel degelijk tijdig en ontvankelijk was en de minister zich opnieuw, ditmaal met inachtneming van de argumenten die verzoeker in zijn ontvankelijk beroep aanvoert, over het al dan niet goedkeuren van het tuchtbesluit van 13 oktober 1998 zal moeten uitspreken; dat verzoeker er te dezen aldus wel degelijk belang bij heeft het goedkeuringsbesluit aan te vechten, ook al betwist hij het goedgekeurde besluit niet; dat de tweede exceptie van eerste verwerende partij niet wordt aangenomen;
  30. De grond van de zaak. 3.
  31. Overwegende dat verzoeker vier middelen aanvoert waarin hij in wezen telkens aanklaagt dat eerste verwerende partij zijn beroep onterecht als laattijdig en onontvankelijk heeft beschouwd doordat zij ten onrechte enkel de eerste XII-1972-8/16 kennisgeving van het tuchtbesluit van 13 oktober 1998 in aanmerking heeft genomen en geen acht heeft willen slaan op de tweede kennisgeving; 3.1.
  32. Overwegende dat hij in een eerste middel de schending inroept van artikel 4 van het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen, genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet; dat dit artikel bepaalt dat het beroep door betrokkene moet worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit houdende het opleggen van de tuchtstraf; dat hij betoogt dat de minister, na te hebben vastgesteld dat verzoeker van het tuchtbesluit van 13 oktober 1998 kennis werd gegeven bij ter post aangetekende brief van dezelfde dag en dat verzoekers beroepschrift dagtekent van 3 december 1998, heeft beslist dat het beroep werd ingesteld buiten de decretaal bepaalde termijn van dertig dagen en derhalve laattijdig en niet ontvankelijk is, dat de minister evenwel volledig voorbij is gegaan aan het nochtans vaststaande en overigens door tweede verwerende partij toegegeven feit dat laatstgenoemde op 4 november 1998 door overhandiging tegen ontvangstbewijs aan verzoeker een tweede kennisgeving heeft gedaan van het tuchtbesluit van 13 oktober 1998, dat blijkbaar tot die tweede kennisgeving werd beslist nadat duidelijk was geworden dat de ter post aangetekende brief van 13 oktober 1998 verzoeker nooit had bereikt aangezien hij met ingang van 22 juli 1998 opnieuw was ingeschreven in het bevolkingsregister van Gent, dat het beroep onbetwistbaar werd ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de tweede kennisgeving van het tuchtbesluit en dan ook niet laattijdig en wel degelijk ontvankelijk is; 3.1.
  33. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel betoogt dat artikel 307, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, werd geschonden, dat dit artikel bepaalt dat, indien van de beslissing geen kennis wordt gegeven binnen een termijn van tien werkdagen, deze als ingetrokken wordt beschouwd en voor dezelfde feiten geen tuchtvervolging kan worden ingesteld, dat uit het feit dat tweede verwerende partij uit eigen beweging een tweede kennisgeving heeft gedaan volgt dat zij zelf meende dat de eerste kennisgeving bij ter post aangetekende brief van 13 oktober 1998 ondeugdelijk of ongeldig was, dat door in de gegeven omstandigheden slechts rekening te houden met de eerste kennisgeving en geen acht te willen slaan op de tweede of nieuwe kennisgeving, de minister onbetwistbaar artikel 307, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet heeft geschonden, aangezien XII-1972-9/16 hij die wetsbepaling had moeten toepassen om op grond daarvan verzoekers beroep in te willigen of gegrond te verklaren; 3.1.
  34. Overwegende dat verzoeker in een derde middel argumenteert dat de minister het algemeen beginsel van de eerbiediging van de rechten van verdediging heeft geschonden door te beslissen dat zijn beroep laattijdig en onontvankelijk is omdat vaststaat dat de eerste kennisgeving van het tuchtbesluit hem niet had bereikt en de stad Gent vervolgens een tweede kennisgeving heeft gedaan, waarna hij binnen een termijn van dertig dagen beroep heeft ingesteld; 3.1.
  35. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel doet gelden dat de minister, door te oordelen dat het besluit van de burgemeester behoorlijk werd betekend op het adres waarvan hij inmiddels was afgeschreven aangezien hij naliet tijdens de tuchtprocedure zijn adreswijziging mee te delen en tweede verwerende partij gerechtigd was aan te nemen dat dat adres, waarvan zij zich had vergewist bij aanvang van de tuchtprocedure, niet was gewijzigd op het ogenblik van het betekenen van de tuchtsanctie op 13 oktober 1998, zijn besluit niet behoorlijk heeft gemotiveerd, dat immers deze motieven volledig voorbijgaan aan de vaststelling dat verzoeker zijn op 20 februari 1996 doorgevoerde adreswijziging van Gent naar Zottegem evenmin had meegedeeld zodat de tuchtoverheid zich bij het begin van de tuchtprocedure had vergewist van zijn juiste adres en niets haar eraan in de weg stond zich bij afloop van de tuchtprocedure, bij het betekenen van de tuchtsanctie, opnieuw te vergewissen van zijn adres, dat het loyauteitsbeginsel op grond waarvan, van een partij die in de loop van het geding van adres verandert, mag worden verwacht dat zij deze adreswijziging meedeelt aan de tegenpartij in beide richtingen moet gelden en dus ook ten aanzien van de tuchtoverheid die op elk ogenblik de volstrekte en ongehinderde toegang heeft tot het rijksregister, dat tweede verwerende partij dit ongetwijfeld heeft ingezien en daarom is overgegaan tot een tweede of nieuwe kennisgeving van de tuchtsanctie; 3.
  36. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat men zich kan afvragen waarom tweede verwerende partij tot het verrichten van een nieuwe betekening heeft beslist indien zij meende dat de eerste betekening rechtsgeldig was, dat de vereisten van een behoorlijk bestuur haar ertoe hadden moeten aanzetten zich ervan te vergewissen of zijn domiciliëring inmiddels niet was gewijzigd, dat adreswijzigingen inderdaad spontaan moeten worden gemeld, dat dit evenwel ook niet is gebeurd bij zijn adreswijziging naar Zottegem XII-1972-10/16 zodat men zich kan afvragen waarom tweede verwerende partij toch dit laatste adres in aanmerking heeft genomen indien zij daartoe niet verplicht was en waarom zij later heeft beslist tot een tweede betekening, waarbij zij over het hoofd heeft gezien dat deze plaatsvond buiten de wettelijke termijn van tien dagen; 3.
  37. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie uiteenzet dat uit het feit, dat hij noch zijn adreswijziging naar Zottegem, noch deze naar het adres Voskenslaan 274 te Gent heeft meegedeeld aan zijn werkgever en de tuchtrechtelijke overheid, geen impliciete wil of bedoeling van verzoeker mag worden afgeleid aangezien hij hierbij eenvoudigweg niet heeft stilgestaan, dat, indien een personeelslid inderdaad moet opdraaien voor de gevolgen van de niet- mededeling van zijn adreswijziging, dan ook zowel de werkgever als de tuchtrechtelijke overheid niet moeten nagaan of betrokkene al dan niet is verhuisd en zich moeten houden aan het laatste door het personeelslid behoorlijk ter kennis gebrachte adres, zo niet moeten de werkgever of de tuchtrechtelijke overheid hiervoor de verantwoordelijkheid opnemen, dat bijgevolg de tuchtrechtelijke overheid hem nooit had moeten oproepen in Zottegem en zij, door bij het opstarten van de tuchtprocedure spontaan na te gaan of zijn laatst gekende woonplaats al dan niet actueel was, zulks had moeten blijven doen gedurende de gehele procedure, dat de tuchtrechtelijke overheid dit eigenlijk ook heeft gedaan met de tweede betekening, dat het niet correct is aan deze tweede kennisgeving geen enkel rechtsgevolg te willen verbinden, temeer daar de tuchtrechtelijke overheid er blijkbaar op stond dat verzoeker een schriftelijke verklaring ondertekende waarin hij erkende het besluit te hebben ontvangen en van de inhoud ervan kennis te hebben genomen en dat het voor een kennisgeving uit loutere overwegingen van behoorlijk bestuur volstond het besluit per gewone brief te verzenden; 3.
  38. Overwegende dat, voortgaande op het “getuigschrift van woonst met historiek van het adres” dat op 22 december 1998 door de dienst Bevolking werd opgesteld, moet worden vastgesteld dat verzoeker van 20 februari 1996 tot en met 2 juni 1998 was gedomicilieerd op het adres Vina Bovypark 11 te Gent, dat hij van 3 juni 1998 tot en met 21 juli 1998 was gedomicilieerd op het adres Alfons Buke 39 te Zottegem en dat hij vanaf 22 juli 1998 was gedomicilieerd op het adres Voskenslaan 274 te Gent, ook al verklaarde verzoeker op 3 december 1998 gedomicilieerd te zijn op het adres Vina Bovypark 11 te Gent en ook al tekende hij op dat adres het ontvangstbewijs van de aangetekende brief van 28 januari 1999, waarbij hem de bestreden beslissing ter kennis werd gebracht; dat bijgevolg de XII-1972-11/16 aangetekende brief van 13 juli 1998 waarbij verzoeker werd opgeroepen om op 9 september 1998 te worden gehoord en die op 16 juli 1998 werd verstuurd, werd verzonden naar het adres waar verzoeker volgens de gegevens van het bevolkingsregister op dat ogenblik vertoefde; Overwegende dat verzoeker zich minder dan een week na ontvangst van voormelde oproepingsbrief, namelijk op 22 juli 1998, opnieuw laat inschrijven te Gent, ditmaal op het adres Voskenslaan 274; dat wanneer verzoeker op de hoorzitting van 9 september 1998 verschijnt, zijn adreswijziging dus reeds meer dan anderhalve maand een feit is; dat verzoeker blijkens het proces-verbaal van verhoor van deze adreswijziging evenwel geen gewag maakt; dat een ambtenaar die weet dat hij het voorwerp uitmaakt van een tuchtrechtelijke procedure en die in de loop ervan van adres wijzigt de nodige maatregelen moet nemen om de tuchtoverheid van die adreswijziging in kennis te stellen; dat wanneer hij dit niet doet, de procedurestukken regelmatig worden betekend aan het door de ambtenaar aangewezen adres; Overwegende weliswaar dat uit de neergelegde stukken blijkt dat verzoeker zijn nieuwe adres te Zottegem niet zelf heeft aangegeven, ook al was hij daartoe volgens de geldende richtlijnen verplicht; dat dit evenwel niet belet dat het, nu de tuchtoverheid dat nieuwe adres op eigen initiatief had achterhaald en het eerste stuk van de tuchtprocedure naar dat adres had gestuurd, aan verzoeker toekwam de tuchtoverheid ervan op de hoogte te brengen dat ook dat nieuwe adres inmiddels door de feiten was achterhaald; dat verzoeker, door hiervan op de hoorzitting geen gewag te maken, dan ook impliciet maar zeker liet verstaan dat hij voort op zijn adres te Zottegem bereikbaar was met het oog op het betekenen van het volgende procedurestuk, het proces-verbaal van verhoor; dat de aangetekende brief van 14 september 1998 waarbij hem twee kopieën van het proces-verbaal van verhoor van 9 september 1998 werden bezorgd dan ook regelmatig werd betekend aan zijn vorige adres te Zottegem; dat verzoeker dit schrijven volgens zijn verklaring ontving van zijn vroegere vriendin; dat hij blijkens het administratief dossier aan het in voornoemde brief geformuleerde verzoek gevolg heeft gegeven; dat uit het administratief dossier evenwel niet blijkt -en verzoeker zulks trouwens ook niet aanvoert- dat hij de tuchtoverheid bij die gelegenheid heeft meegedeeld dat zijn adres inmiddels reeds sinds 22 juli 1998 was gewijzigd; dat verzoeker bijgevolg opnieuw impliciet maar zeker liet verstaan dat hij voort op het adres te Zottegem bereikbaar was met het oog op het betekenen van het laatste procedurestuk, het XII-1972-12/16 tuchtbesluit zelf; dat bijgevolg ook de aangetekende brief van 13 oktober 1998 waarbij het tuchtbesluit van dezelfde datum hem werd betekend regelmatig werd betekend aan het adres te Zottegem; Overwegende dat eerste verwerende partij in het bestreden besluit dan ook rechtmatig kon overwegen “dat de tuchtoverheid bij het begin van de tuchtprocedure kennis heeft genomen van het adres van betrokkene bij de Dienst Bevolking; dat zijn adres op dit ogenblik Buke 39 te 9620 Zottegem bleek te zijn; dat betrokkene bij schrijven van 13 juli 1998, hem op 16 juli 1998 per aangetekende zending verstuurd, op dit adres te Zottegem werd opgeroepen tot verhoor in het kader van het tuchtrechtelijk onderzoek; dat het proces-verbaal van verhoor van 9 september 1998 aan betrokkene ter ondertekening werd toegestuurd op hetzelfde adres te Zottegem terwijl uit een getuigschrift van woonst van de Dienst Bevolking van de Stad Gent blijkt dat betrokkene op dit ogenblik reeds was gedomicilieerd te Gent, Voskenslaan 274; dat het proces-verbaal van verhoor toch genaamtekend en geparafeerd werd teruggestuurd aan de Stafdienst-Dienst Interne Zaken van de Politie te Gent; dat de Stad Gent er dus kon vanuit gaan dat de betekening van de tuchtsanctie op hetzelfde adres kon gebeuren”, “dat betrokkene in tegendeel zelf verzuimd heeft zijn adreswijziging mee te delen aan de tuchtoverheid; dat betrokkene dus niet kan inroepen het besluit van de burgemeester niet tijdig te hebben ontvangen” en “dat het besluit van de burgemeester dus behoorlijk werd betekend op 13 oktober 1998”; Overwegende dat luidens artikel 4 van het voormelde decreet van 24 juli 1991 het beroep tegen een besluit van de gemeentelijke overheid houdende het opleggen van een tuchtstraf wordt ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van dat besluit; dat de kennisgeving bij aangetekende brief wordt geacht te zijn gebeurd de dag dat de brief aan het door betrokkene aangegeven adres is aangeboden; dat voorts het feit dat betrokkene de aangetekende zending niet in ontvangst neemt, niet belet dat de beroepstermijn ingaat; dat aldus eerste verwerende partij, op grond van de vaststellingen dat het besluit van de burgemeester behoorlijk werd betekend op 13 oktober 1998 en dat verzoekers beroepschrift dateert van 3 december 1998, rechtmatig tot de vaststelling mocht komen dat verzoekers beroep niet ontvankelijk want laattijdig was; XII-1972-13/16 Overwegende, wat de tweede kennisgeving op 4 november 1998 betreft, dat blijkens het administratief dossier het bericht van niet-afhaling van de aangetekende zending van 13 oktober 1998 bij het stadsbestuur is ingekomen op 3 november 1998; dat de dag nadien een afschrift van het tuchtbesluit aan verzoeker werd bezorgd; dat daaraan, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, in de bestreden beslissing niet wordt voorbijgegaan aangezien in die beslissing enerzijds wordt overwogen dat verzoeker in zijn beroepschrift van 3 december 1998 opwerpt dat hij pas op 4 november 1998 in kennis werd gesteld van het besluit van 13 oktober 1998 en anderzijds “dat het bestuur van de stad Gent de zorgvuldigheids- plicht heeft in acht genomen; dat de laattijdige kennisgeving van de tuchtsanctie te wijten is aan het gedrag van betrokkene en niet aan de handelswijze van het stadsbestuur van Gent”; dat het stadsbestuur door, nadat werd vastgesteld dat de aangetekende zending van 13 oktober 1998 door verzoeker niet werd afgehaald, onverwijld een afschrift van het tuchtbesluit persoonlijk aan verzoeker te overhandigen inderdaad zorgvuldig heeft gehandeld, wat evenwel nog niet betekent dat daardoor aan verzoeker een nieuwe termijn van dertig dagen werd verleend, aangezien die termijn, zoals reeds werd vastgesteld, reeds was beginnen lopen met de regelmatige betekening bij aangetekend schrijven van 13 oktober 1998; Overwegende dat voorts nergens uit het administratief dossier blijkt wat verzoeker beweert, namelijk dat uit deze handelwijze noodzakelijk volgt dat de Stad Gent zelf van oordeel was dat de eerste kennisgeving ondeugdelijk of ongeldig was; dat dit, temeer nu het stadsbestuur tijdens het verhoor van 15 januari 1999 benadrukte dat deze tweede kennisgeving een loutere inlichting was en nu verzoeker geen enkel concreet element aanreikt waaruit alsnog een andere bedoeling van het stadsbestuur zou kunnen blijken, dan ook niet meer dan een blote bewering is; Overwegende ten slotte, wat betreft het argument dat de tuchtoverheid zich bij het begin van de tuchtprocedure van verzoekers juiste adres had vergewist en aldus niets haar belette, zich er bij afloop van de tuchtprocedure, namelijk bij het betekenen van de tuchtsanctie, opnieuw van te vergewissen, dat hiervoor reeds werd vastgesteld dat het feit, dat de tuchtoverheid bij het opstarten van de tuchtprocedure op eigen initiatief verzoekers nieuwe adres had achterhaald en het eerste procedurestuk naar dat adres had gestuurd, getuigt van zorgvuldigheid bij de Stad Gent, die er door verzoekers meest recente adres op te zoeken blijkbaar zeker van wilde zijn dat de briefwisseling inzake de tuchtprocedure hem zou XII-1972-14/16 bereiken; dat dit geenszins verzoekers plicht wegnam om de tuchtoverheid te verwittigen dat ook dat nieuwe adres inmiddels alweer door de feiten was achterhaald; dat immers van de tuchtoverheid niet mag worden verwacht dat zij, mede gelet op de voormelde verplichting van de ambtenaar, in de loop van een procedure voortdurend nagaat of zijn adres nog wel correct is; dat eerste verwerende partij dan ook terecht mocht overwegen dat de laattijdige kennisgeving van de tuchtsanctie te wijten is aan verzoekers gedrag en niet aan de handelwijze van het stadsbestuur; Overwegende dat op grond van hetgeen voorafgaat moet worden vastgesteld dat eerste verwerende partij op grond van de overwegingen van de bestreden beslissing rechtmatig enkel de eerste kennisgeving van het tuchtbesluit van 13 oktober 1998 in aanmerking mocht nemen en aldus op rechtmatige wijze verzoekers beroep als laattijdig en derhalve als niet ontvankelijk mocht beschouwen; Overwegende dat de vier door verzoeker ingeroepen middelen niet gegrond zijn, BESLUIT: Artikel
  39. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  40. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1972-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1972-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.