← België

Arrest 170193 - Politie - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.193 Rolnummer: A. 88312/XII-2347 Zaak: Arrest 170193 - Politie - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.193 van 19 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.193 van 19 april 2007 in de zaak A. 88.312/XII-

  1. In zake : Jean-Claude BRUYNINCKX, wonende te Kersbeek-Miskom, Kersbeek-dorp 20 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jean-Claude Bruyninckx op 7 december 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden houdende vernietiging van de beslissing van 22 april 1999 van de gemeenteraad van Tienen waarbij hij werd bevorderd tot inspecteur van politie; Gelet op het arrest nr. 86.497 van 4 april 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van het geding van 23 juni 2000 ingediend door verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 14 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; XII-2347-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. Vander Boes, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat I. Vanden Bon, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Bij besluit van 22 april 1999 van de gemeenteraad van Tienen worden Yves Trompet, Rudolf Struyf en verzoeker bevorderd tot inspecteur van politie. Dat besluit luidt onder meer : “Gelet op het proces-verbaal van 12 december 1998 van het bevorderingsexamen van inspecteur, waaruit blijkt dat volgende kandidaten geslaagd zijn voor het examen (rangschikking volgens resultaat examen):
  5. Louis Huts
  6. Rudolf Struyf
  7. Yves Trompet
  8. Stefaan Grammet
  9. Jean-Claude Bruyninckx
  10. Pascal Ausloos
  11. Geert Motton
  12. Lode Raymaekers [...] Overwegende dat alle kandidaten de toeganggevende graad bekleden met voldoende dienstanciënniteit en dat zij in het bezit zijn van de vereiste getuigschriften, nl.: (classificatie volgens dienstanciënniteit) XII-2347-2/10 naam functie in dienst hoogste brevet Yves Trompet politieagent- 01.01.1977 brevet van officier van hoofdbrigadier gerechtelijke politie Rudolf Struyf politieagent- 01.05.1978 brevet van officier van hoofdbrigadier gerechtelijke politie Jean-Claude politieagent- 16.06.1980 brevet van officier van Bruyninckx hoofdbrigadier gerechtelijke politie Louis Huts politieagent- 01.01.1986 brevet van officier van hoofdbrigadier gerechtelijke politie Geert Motton politieagent- 01.02.1990 brevet van ofiicier van brigadier gerechtelijke politie Pascal Ausloos politieagent- 05.02.1990 getuigschrift van brigadier inspecteur van politie Lode Raymaekers politieagent- 01.07.1990 getuigschrift van brigadier inspecteur van politie Stefaan Grammet politieagent- 01.03.1993 getuigschrift van brigadier inspecteur van politie Overwegende dat alle kandidaten een gunstige evaluatie bekomen hebben; Gelet op het met redenen omkleed advies van de heer Burgemeester; Overwegende dat de volgende kandidaten houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie en dat zij aldus, in toepassing van de bijzondere bevorderingsvoorwaarden, voorkeur genieten bij de bevordering tot inspecteur van politie: Jean-Claude Bruyninckx, Louis Huts, Geert Motton, Rudolf Struyf en Yves Trompet; Overwegende dat de heren Yves Trompet, Rudolf Struyf en Jean-Claude Bruyninckx de hoogste dienstanciënniteit hebben; Op voorstel van het College van Burgemeester en Schepenen”. Blijkens het proces-verbaal van 12 december 1998 van het bevorderingsexamen van inspecteur, waarnaar in het aangehaalde gemeenteraads- besluit wordt verwezen, behaalden de vijf geslaagde kandidaten die houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie en die derhalve, luidens de bijzondere bevorderingsvoorwaarden, voorkeur genoten bij de bevordering tot inspecteur van politie, volgende examenresultaten: Louis Huts: 82/100; Rudolf Struyf en Yves Trompet: 74/100; verzoeker: 72/100; Geert Motton: 67,5/
  13. 1.
  14. Naar aanleiding van een klacht van Louis Huts wordt het besluit van 22 april 1999 bij besluit van 23 juni 1999 van de gouverneur van Vlaams- Brabant in zijn uitvoering geschorst. Dat besluit luidt onder meer : “Overwegende dat acht kandidaten voldoen aan de bijzondere bevorderings- voorwaarden voor de functie van inspecteur van politie; XII-2347-3/10 Overwegende dat vijf van deze acht kandidaten houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie en daardoor, met toepassing van de bijzondere bevorderingsvoorwaarden, voorkeur genieten bij de bevordering tot inspecteur van politie; Overwegende dat alle kandidaten de noodzakelijke minimale dienst- anciënniteit van zes jaar in het politiekorps van Tienen bezitten; dat de gemeenteraad de drie kandidaten met de meeste dienstanciënniteit bevordert tot inspecteur van politie; Overwegende dat de gemeenteraad daardoor voorbijgaat aan de resultaten van het bevorderingsexamen voor de functie van inspecteur van politie, zoals vermeld in het proces-verbaal d.d. 12 december 1998, waaruit blijkt dat Louis Huts met een resultaat van 82% (8% méér dan de kandidaat met het tweede meeste aantal punten) de meest geschikte kandidaat is voor een bevordering; Overwegende dat de gemeenteraad zich naast de examenresultaten ook door andere elementen uit het dossier mag laten leiden om de meest geschikte kandidaten voor bevordering tot inspecteur van politie aan te duiden; dat dit niet wegneemt dat indien de gemeenteraad heeft voorzien in een examen om op objectieve wijze te bepalen welke kandidaten het meest geschikt zijn om te bevorderen tot inspecteur van politie, de raad zéér goed dient te motiveren, op basis van motieven die draagkrachtig en pertinent zijn, waarom hij toch de voorkeur geeft aan kandidaten die een beduidend lagere uitslag behalen op het bevorderingsexamen; Overwegende dat indien volgens de beoordeling van een examenjury, die zoals vereist bestaat uit deskundigen terzake, een kandidaat duidelijk méér geschikt is voor een bevordering tot inspecteur van politie dan een andere kandidaat, de gemeenteraad deze beoordeling niet zonder meer naast zich kan neerleggen omdat hij zelf de voorkeur geeft aan de kandidaten met de meeste anciënniteit; Overwegende dat de bovenvermelde beslissing d.d. 22 april 1999 wordt gedragen door motieven die onvoldoende draagkrachtig en pertinent zijn en bijgevolg niet voldoet aan de wetgeving met betrekking tot de uitdrukkelijke motiveringsplicht, zodat deze beslissing om die reden dan ook onwettig is”. 1.
  15. Bij besluit van 5 augustus 1999 handhaaft de gemeenteraad van Tienen zijn geschorste besluit van 22 april
  16. Dat besluit luidt : “Overwegende dat de heer Gouverneur in zijn besluit aanhaalt dat de Gemeenteraad voorbijgaat aan de resultaten van het bevorderingsexamen voor de functie van inspecteur van politie, indien hij de 3 kandidaten met de meeste dienstanciënniteit bevordert; Overwegende dat het bevorderingsexamen voor de functie van inspecteur van politie geen vergelijkend examen is en dat de Gemeenteraad aldus niet verplicht is de kandidaat met het hoogste resultaat te bevorderen; Overwegende dat de drie voorgedragen kandidaten voldoen aan de bevorderingsvoorwaarde ‘slagen voor een bevorderingsexamen’; Overwegende dat de vijf kandidaten die houder zijn van het brevet van officier van gerechtelijke politie en daardoor, in toepassing van de bijzondere bevorderingsvoorwaarden, voorkeur genieten bij de bevordering tot inspecteur van politie, op 1 mei 1999 de volgende dienstanciënniteit hebben: [...] Overwegende dat de heren Yves Trompet, Rudolf Struyf en Jean-Claude Bruyninckx een beduidend hogere dienstanciënniteit, nl. meer dan 5,5 jaar, hebben dan de heren Louis Huts en Geert Motton en dat zij aldus een veel grotere ervaring hebben m.b.t. de werking van het politiekorps; XII-2347-4/10 Op voorstel van het College van Burgemeester en Schepenen; Besluit met 29 stemmen voor of de eenparigheid: De Gemeenteraad handhaaft zijn besluit van 22 april 1999 en bevordert de heren Jean-Claude Bruyninckx, Rudolf Struyf en Yves Trompet, met ingang van 1 mei 1999, tot inspecteur van politie”. 1.
  17. Bij besluit van 8 oktober 1999 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport wordt het besluit van 22 april 1999 van de gemeenteraad van Tienen houdende bevordering tot inspecteur van politie van verzoeker, Rudolf Struyf en Yves Trompet, vernietigd. Dit is het bestreden besluit dat als volgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat de gemeenteraad in zijn handhavingsbeslissing van 5 augustus 1999 stelt dat het bevorderingsexamen voor de betrekking van inspecteur van politie geen vergelijkend examen betreft en dat 5,5 jaar meer ervaring beduidend is; Overwegende dat het vaste rechtspraak van de Raad van State is dat de benoemende overheid, ingeval van een niet-vergelijkend examen, een discretionaire bevoegdheid heeft; dat deze beperkt is door het redelijkheids- beginsel en het gelijkheidsbeginsel; Overwegende bijgevolg dat de benoemende overheid de examenuitslag niet zomaar terzijde kan schuiven; dat een kandidaat die een klaarblijkelijk betere uitslag behaalt op een examen het onomstootbaar bewijs levert dat hij, althans op de geteste vakken, de andere kandidaten duidelijk achter zich laat; Overwegende dat de benoemende overheid enkel op grond van zwaarwichtige en ernstige argumenten die betrekking hebben op het belang van de dienst, en op grond van objectieve, redelijke en pertinente criteria, een andere kandidaat kan benoemen; dat bovendien die redenen de voorsprong van de kandidaat met de meeste punten moeten ongedaan maken; Overwegende dat in casu de niet-bevorderde kandidaat 8% meer heeft dan de tweede gerangschikte en dat met dit gegeven geen rekening wordt gehouden; dat enkel ‘sec’ de dienstanciënniteit wordt naar voren geschoven; dat die beduidend grotere anciënniteit die overeenkomt met een bepaalde ervaring, toch niet duidelijk naar boven is gekomen bij het examen; Overwegende dat de kwestieuze beslissing niet is gedragen door motieven die voldoen aan de vereisten gesteld door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, zodat deze beslissing dan ook onwettig is”;
  18. De grond van de zaak. 2.
  19. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift tien “redenen” aanvoert om een beroep tot nietigverklaring in te stellen; dat in het auditoraats- verslag verzoekers betoog wordt gelezen als een enig middel met inhoudelijke kritiek op de motieven van de bestreden beslissing, waarbij verzoekers inhoudelijke kritiek op de motivering van het bestreden besluit er in wezen op neerkomt dat het, wanneer zoals te dezen een niet-vergelijkend examen wordt ingericht, tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeenteraad behoort meer belang te hechten aan XII-2347-5/10 dienstanciënniteit dan aan een hoger slaagpercentage en het dus niet zo is dat - zoals in de bestreden beslissing wordt gesteld - iemand die 8% meer behaalt sowieso de meest geschikte kandidaat is om te worden bevorderd en dat - in tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing wordt gesteld - de gemeenteraad zijn beslissing wel degelijk heeft gemotiveerd door te verwijzen naar de hoogste dienstanciënniteit en de daaruit voortvloeiende grotere ervaring met betrekking tot de werking van het politiekorps; dat verzoeker geen bezwaar laat kennen in zijn laatste memorie tegen deze lezing van zijn verzoekschrift; dat hij in zijn laatste memorie enkel nog argumenteert dat de gemeenteraad in het handhavingsbesluit wel degelijk rekening heeft gehouden met de resultaten van het bevorderingsexamen aangezien in het handhavingsbesluit wordt gesteld dat een gemeenteraad niet verplicht is de kandidaat met het hoogste resultaat te bevorderen, dat om te bepalen of de kandidaten over de vereiste specifieke kennis beschikten als beoordelingsvoorwaarde werd voorgeschreven dat zij houder moesten zijn van het brevet van inspecteur van politie, voorwaarde waarvan zij werden vrijgesteld indien zij onder meer houder waren van het brevet van officier van de gerechtelijke politie, dat het bevorderingsexamen de kandidaten enkel kan testen met betrekking tot bepaalde vakken of deelaspecten terwijl de functie-omschrijving van een inspecteur van politie heel ruim is, dat bijgevolg een zelfs beduidend hogere score voor een aantal vakken niet betekent dat men de beste kandidaat is om bevorderd te worden; 2.
  20. Overwegende dat de kandidaten, om voor bevordering tot inspecteur in het politiekorps van Tienen in aanmerking te komen, onder meer dienden te slagen voor een bevorderingsexamen; dat aldus de gemeenteraad enkel mocht overgaan tot een vergelijking van titels en verdiensten van de kandidaten die voor het bevorderingsexamen waren geslaagd; dat te dezen uit het proces-verbaal van het bevorderingsexamen blijkt dat zowel het schriftelijke als het mondelinge gedeelte een toetsing omvatte van de kennisvereisten verbonden aan de betrokken functie; dat daarenboven in het schriftelijke gedeelte, door het opstellen van een verhandeling over een algemeen onderwerp, het vermogen tot analyse en synthese van de kandidaten werd nagegaan en in het mondelinge gedeelte de persoonlijkheid van de kandidaten werd getoetst; Overwegende dat het eigenlijke onderzoek inzake de vergelijking van titels en verdiensten van de voor het voormelde examen geslaagde kandidaten, zorgvuldig moet gebeuren in relatie tot de te begeven functie; dat bijgevolg een kandidaat die op dat examen een beter resultaat behaalt dan de andere kandidaten, XII-2347-6/10 bewijst dat hij, wat betreft de tijdens het examen aan bod gekomen aspecten, zoals te dezen de kennisvereisten verbonden aan de functie, de andere kandidaten achter zich laat; dat het bijgevolg te dezen, aangezien het een niet vergelijkend examen betrof, niet zo was dat het enkel van belang was dat men slaagde in het examen en dat eenmaal aan deze voorwaarde was voldaan, het behaalde resultaat bij de eigenlijke vergelijking van titels en verdiensten irrelevant was en derhalve zomaar opzij mocht worden gezet; dat anderzijds te dezen evenmin het verschil in dienstanciënniteit tussen de kandidaten zomaar kon worden veronachtzaamd aangezien de anciënniteit niet enkel een bevorderingsvoorwaarde, maar ook een dienstig beoordelingsgegeven vormt, meer bepaald door de ermee in verband staande algemene en bijzondere beroepsondervinding; dat evenwel, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker aanneemt, een grotere anciënniteit op zichzelf niet automatisch een voorrang of een grotere aanspraak op een bevordering geeft, tenzij het toepasselijke statuut uitdrukkelijk in een dergelijke voorrang zou voorzien, wat te dezen niet het geval blijkt te zijn; dat het niet zo is dat omdat artikel 63 van het administratief statuut voorschrijft dat, bij gelijke schaalanciënniteit, de grootste dienstanciënniteit primeert voor het volgen van een opleiding indien er meerdere kandidaten zijn, dat zulks ook geldt bij bevorderingen en dat bij een bevordering geen rekening zou moeten worden gehouden met de behaalde resultaten in een examen dat specifiek op de te begeven betrekking is afgestemd; dat het wel zo is dat de relevantie van het examenresultaat als beoordelingscriterium afhankelijk is van het puntenverschil tussen de onderscheiden kandidaten, hetgeen trouwens net zo goed geldt voor het verschil in dienstanciënniteit : hoe kleiner het verschil, hoe minder relevant dat verschil is om op grond daarvan een beslissing te nemen en hoe groter de noodzaak de kandidaten op grond van andere criteria te vergelijken; Overwegende dat te dezen de eerst gerangschikte kandidaat niet enkel een betere uitslag, maar een klaarblijkelijk betere uitslag had aangezien er een puntenverschil van 8% was tussen de eerste en de tweede gerangschikte kandidaat; dat een dergelijk beduidend puntenverschil, gezien in het licht van het specifiek op de te begeven betrekking afgestemde examen, onmiddellijk zichtbaar grotere aanspraken op de bevordering verleent; dat dit niet betekent dat aldus de rechtsplicht ontstond deze klaarblijkelijk best scorende kandidaat te benoemen, aangezien de overheid, wanneer zij een niet-vergelijkend examen organiseert, hoe dan ook over de bevoegdheid blijft beschikken bij de keuze van de te benoemen of te bevorderen kandidaat om een groter belang te hechten aan andere criteria dan de uitslag van het examen; dat zij evenwel slechts een andere kandidaat dan diegene die een XII-2347-7/10 klaarblijkelijk betere uitslag op het examen heeft behaald mag kiezen op grond van ernstige en zwaarwichtige argumenten die betrekking moeten hebben op het belang van de dienst; dat het daarbij moet gaan om objectieve, redelijke en pertinente criteria en de overheid bovendien moet aantonen dat de vergelijking van de kandidaturen aan de hand van deze criteria de voorsprong van de kandidaat met de klaarblijkelijk betere examenuitslag ongedaan heeft gemaakt; dat te dezen het bestreden vernietigingsbesluit de beslissingen van de gemeenteraad aan deze voorwaarden heeft getoetst; Overwegende dat derhalve moet worden nagegaan of verwerende partij rechtmatig tot de vaststelling kon komen dat de gemeenteraadsbeslissing van 22 april 1999, ondanks de toelichting die met het handhavingsbesluit van 5 augustus 1999 werd aangebracht, niet aan voormelde voorwaarden voldeed; dat in het gemeenteraadsbesluit van 22 april 1999 wordt verwezen naar het proces-verbaal van 12 december 1998 van het bevorderingsexamen en dat de kandidaten die geslaagd zijn voor dat examen worden gerangschikt volgens het resultaat dat zij behaalden, doch dat die resultaten zelf niet in het besluit worden vermeld; dat de gemeenteraad die examenresultaten, vooral het beduidend puntenverschil tussen de eerst gerangschikte kandidaat en de overige kandidaten, blijkbaar de moeite van het vermelden niet waard achtte; dat anderzijds niet enkel wordt overwogen dat alle kandidaten de toeganggevende graad met voldoende dienstanciënniteit bekleden en zij niet enkel volgens dienstanciënniteit worden gerangschikt, maar dat ook de datum van indiensttreding bij elke kandidaat wordt vermeld; dat daarenboven de enige overweging waaruit kan worden afgeleid waarom de voorkeur wordt gegeven aan de drie bevorderde kandidaten, de overweging is dat die drie kandidaten “de hoogste dienstanciënniteit hebben”; dat uit dat gemeenteraadsbesluit bijgevolg wel blijkt dat de bevorderende overheid bij het vergelijken van titels en verdiensten het criterium van de dienstanciënniteit heeft gehanteerd, maar niet dat zij de resultaten van het examen bij haar beoordeling heeft betrokken, ook al mocht zij, nu uit die examenresultaten een beduidend puntenverschil bleek tussen de eerst gerangschikte en de overige kandidaten, dat gegeven niet zonder meer terzijde laten; Overwegende voorts dat het gemeenteraadsbesluit van 22 april 1999 door de toezichthoudende overheid in zijn uitvoering werd geschorst op grond van de overwegingen “dat de gemeenteraad [...] voorbijgaat aan de resultaten van het bevorderingsexamen”, dat “de raad zéér goed dient te motiveren, op basis van motieven die draagkrachtig en pertinent zijn, waarom hij toch de voorkeur geeft aan XII-2347-8/10 kandidaten die een beduidend lagere uitslag behalen op het bevorderingsexamen” en “dat indien volgens de beoordeling van een examenjury, die zoals vereist bestaat uit deskundigen terzake, een kandidaat duidelijk méér geschikt is voor een bevordering tot inspecteur van politie dan een andere kandidaat, de gemeenteraad deze beoordeling niet zonder meer naast zich kan neerleggen omdat hij zelf de voorkeur geeft aan de kandidaten met de meeste anciënniteit”; dat het gemeenteraadsbesluit werd gehandhaafd op grond van de overwegingen dat het bevorderingsexamen voor de functie van inspecteur van politie geen vergelijkend examen is en de gemeenteraad bijgevolg niet verplicht is de kandidaat met het hoogste resultaat te bevorderen, dat de drie voorgedragen kandidaten voldoen aan de bevorderingsvoorwaarde “slagen voor een bevorderingsexamen” en dat deze drie bevorderde kandidaten “een beduidend hogere dienstanciënniteit, nl. meer dan 5,5 jaar, hebben dan de heren Louis Huts en Geert Motton en dat zij aldus een veel grotere ervaring hebben m.b.t. de werking van het politiekorps”; Overwegende dat, ondanks verzoekers bewering in zijn laatste memorie, de overweging van de gemeenteraad in het handhavingsbesluit “dat het bevorderingsexamen [...] geen vergelijkend examen is en dat de gemeenteraad bijgevolg niet verplicht is de kandidaat met het hoogste resultaat te bevorderen” geen uitsluitsel geeft over de vraag of de gemeenteraad nu al dan niet is voorbijgegaan aan de resultaten van het bevorderingsexamen, namelijk of hij bij het vergelijken van de titels en verdiensten al dan niet oog heeft gehad voor het beduidend puntenverschil tussen de eerst gerangschikte kandidaat en de overige geslaagde kandidaten; dat integendeel de daaropvolgende overweging dat de drie bevorderde kandidaten voldoen aan de bevorderingsvoorwaarde “slagen voor een bevorderings-examen” er juist op wijst dat de gemeenteraad bij het vergelijken van titels en verdiensten de mening was toegedaan dat het slagen in een niet- vergelijkend examen enkel een bevorderingsvoorwaarde was en dat het behaalde percentage bij het vergelijken van titels en verdiensten irrelevant was; dat verwerende partij dan ook rechtmatig kon vaststellen “dat in casu de niet- bevorderde kandidaat 8% meer heeft dan de tweede gerangschikte en dat met dit gegeven geen rekening wordt gehouden”, en “dat enkel ‘sec’ de dienstanciënniteit wordt naar voren geschoven”; dat zij op grond van die vaststellingen al even rechtmatig tot de conclusie mocht komen dat de kwestieuze beslissing niet is gedragen door afdoende motieven; XII-2347-9/10 Overwegende dat verzoeker zijn titels en verdiensten in zijn verzoekschrift weliswaar uitgebreid uiteenzet en in zijn memorie van weder- antwoord aanvoert dat, doordat de burgemeester voor elke kandidaat hetzelfde advies verleende, voor de gemeenteraad een belangrijke informatiebron met betrekking tot de geschiktheid van de kandidaten wegviel; dat echter moet worden vastgesteld dat verzoeker hierdoor geen kritiek uitoefent op het bestreden besluit, doch wel op het bestuur dat hem heeft bevorderd; dat verwerende partij dan ook terecht opmerkt dat haar terzake niets kan worden verweten; Overwegende dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  21. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  22. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2347-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.193 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.86.497 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.