id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.194 Rolnummer: A. 89666/XII-2464 Zaak: Arrest 170194 - Wapens - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.194 van 19 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.194 van 19 april 2007 in de zaak A. 89.666/XII-
- In zake : Hugo MALBRANCKE, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hugo Malbrancke op 18 februari 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 januari 2000 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens worden ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 23 oktober 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2464-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor verzoeker, en van attaché F. Dhont, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is onderofficier bij de luchtmacht. Als gebrevetteerd schootsonderrichter leidt hij geregeld schietoefeningen. Als sportbeoefening neemt hij deel aan schietwedstrijden. Aan verzoeker werden vergunningen verleend tot het voorhanden hebben van volgende verweervuurwapens: - een revolver Smith & Wesson .357 Magnum, op 25 januari 1985; - een pistool Smith & Wesson 9 mm. Browning L, op 9 augustus 1985; - een revolver FAT FN Browning .357 Magnum, op 20 juni 1986; - een revolver Colt Python .357 Magnum, op 30 september
- Op 22 september 1986 verkoopt verzoeker voormelde revolver Smith & Wesson .357 Magnum. 1.
- In een brief van 9 oktober 1997 meldt de krijgsauditeur te Brussel de gouverneur van Oost-Vlaanderen dat hij werd gelast met een onderzoek naar aanleiding van een klacht tegen verzoeker voor het uiten van bedreigingen. Daarnaast wordt meegedeeld dat deze klacht “‘zonder gevolg’ [werd] gerangschikt”, doch dat de kennisgeving gebeurt omdat verzoeker drie vuurwapens zou bezitten. In een brief van 10 maart 1998 aan de gouverneur preciseert de krijgsauditeur “dat het dossier lastens [verzoeker], op 01.07.1997 door [zijn] ambt werd geopend uit hoofde van : te Gent, op 10.04.1997, mondelinge bedreigingen XII-2464-2/7 (zonder wapens)” en dat dit dossier “op 07.10.1997 zonder gevolg [werd] gerangschikt”. 1.
- Op 23 juni 1998 beslist de gouverneur verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van de vier voornoemde verweervuurwapens voor zes maanden te schorsen. In de aanhef van het besluit worden volgende feitelijke overwegingen vermeld : “Overwegende dat het Militair Krijgsauditoraat dd. 9 oktober 1997 meldt dat tegen betrokkene een klacht werd neergelegd voor het uiten van mondelinge bedreigingen; Dat deze klacht zonder gevolg werd gerangschikt; Overwegende dat het Militair Krijgsauditoraat dd. 10 maart 1998 meldt dat de mondelinge bedreigingen gebeurden zonder enig wapenvertoon; Dat betrokkene over de nodige vergunningen beschikt voor de vuurwapens; Overwegende dat de Korpschef van de politie van Destelbergen dd. 15 april 1998 meldt dat uit nazicht van het dossier van betrokkene blijkt dat hij over geen wapens zou beschikken; Dat de gemeente waar betrokkene vroeger woonde geen melding maakte van het wapenbezit van belanghebbende; Overwegende dat betrokkene dus niet het nodige deed om zijn adreswijziging op zijn vergunningen te laten aanbrengen; Overwegende dat verder de feiten gerapporteerd door het Militair Krijgsauditoraat wijzen op een niet steeds zo evenwichtige geestesgesteldheid van belanghebbende met gevolgen voor de openbare orde en veiligheid; Overwegende dat beide feiten samen wijzen op een niet steeds zo nauw nemen met de door de wet gewenste houding inzake wapens ten overstaan van de medeburgers; Dat dit alles een tijdelijke maatregel verrechtvaardigt”. 1.
- In een brief van 1 december 1998 wordt namens de gouverneur aan de krijgsauditeur te Brussel gevraagd “of er thans nog elementen aanwezig zijn om de schorsing te verlengen ofwel over te gaan tot het nemen van een strengere maatregel (intrekking)”. Op 8 januari 1999 wordt herinnerd aan de vraag om advies van 1 december
- In een brief van 21 januari 1999 bevestigt de krijgsauditeur “dat blijkt uit de dossiers bij [zijn] Ambt geopend lastens betrokkene - waarvan nochtans geen enkel het voorwerp heeft uitgemaakt van gerechtelijke vervolgingen - dat hij telkens betrokken was met gewelddadigheden die [hem] weinig verenigbaar lijken met het toestaan van een vergunning tot het voorhanden houden van verweer- vuurwapens”. XII-2464-3/7 1.
- Op 2 maart 1999 vindt een onderhoud plaats tussen de arrondissementscommissaris van Sint-Niklaas en Dendermonde en verzoeker waarbij lezing wordt gegeven van de brief van de krijgsauditeur van 21 januari 1999 en verzoeker de gelegenheid wordt geboden zich te verdedigen. In een brief van 21 maart 1999 aan de arrondissements- commissaris deelt verzoeker mee dat hij niet akkoord gaat met bepaalde passages van het proces-verbaal van voormeld onderhoud en verzoekt hij bepaalde aanpassingen te doen. In een brief van 6 april 1999 aan de krijgsauditeur te Brussel reageert verzoeker op de motivering van het schorsingsbesluit van de gouverneur, alsook op het advies van de krijgsauditeur en vraagt hij een onderhoud met deze laatste. 1.
- Bij brief van 8 oktober 1999 wordt namens de gouverneur aan de krijgsauditeur gevraagd “te melden of er thans nog elementen aanwezig zijn om over te gaan tot een strengere maatregel (intrekking)”. Op 2 december 1999 herinnert de gouverneur aan zijn brief van 8 oktober
- In een brief van 9 december 1999 deelt de krijgsauditeur te Brussel het volgende mee : “Een antwoord gevend op uw vraag, dien ik u te laten weten dat Malbrancke Hugo het onderwerp heeft uitgemaakt van een dossier van mijn ambt, op basis van een klacht van zijn ex-vriendin voor bedreigingen. De klaagster evenals haar nieuwe vriend hebben de wens uitgedrukt dat betrokkene niet in het bezit blijft van wapens. Dit dossier werd zonder gevolg gerangschikt. Malbrancke heeft vrijwillig afstand gedaan van zijn wapen. (zie bijlage , afschrift PV van de politie van Destelbergen) De klassering van een dossier op strafrechterlijk gebied voor bedreigingen, betekent niet dat er geen wrijving blijft bestaan tussen de betrokken personen. Ik vind het dan ook ongepast dat een persoon in staat van conflicten, de toelating zou krijgen tot het bezitten van steekwapens”. 1.
- Op 4 januari 2000 neemt de gouverneur de bestreden beslissing om verzoekers voormelde vergunning in te trekken, die als volgt wordt gemotiveerd : “Gelet op mijn schorsingsbesluit d.d. 23 juni 1998; XII-2464-4/7 Gelet op het onderhoud tussen de heer Malbrancke en de arrondissementscommissaris van Sint-Niklaas en Dendermonde, loco de Gouverneur van Oost-Vlaanderen, op 2 maart 1999; Gelet op de brief van de waarnemend Krijgsauditeur te Brussel d.d. 9 december 1999; Overwegende dat de bezitsvergunningen werden geschorst gezien betrokkene zich schuldig maakte aan het uiten van mondelinge bedreigingen en het overtreden van de wapenwet; Overwegende dat de waarnemend Krijgsauditeur in zijn brief d.d. 9 december 1999 meldt dat er lastens betrokkene een zaak gekend is inzake het uiten van bedreigingen; dat dit dossier zonder gevolg werd geklasseerd maar niet betekent dat er geen spanningen blijven bestaan tussen de betrokken personen; dat het daarom ongepast is dat belanghebbende opnieuw in het bezit komt van wapens; Overwegende dat het uiten van bedreigingen in combinatie met het bezit van een wapen de openbare orde en veiligheid in gevaar kan brengen; dat het dan ook gerechtvaardigd is om na de schorsingsperiode de wapenvergunningen definitief in te trekken”;
- De gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel betoogt dat de motivering van de bestreden beslissing niet draagkrachtig is, dat zij steunt op het feit dat tegen hem een klacht werd ingediend voor het uiten van bedreigingen, klacht die zonder gevolg werd geklasseerd en die volledig ongegrond was, nu het verzoeker was die werd bedreigd, dat de klacht uitging van zijn ex-vriendin en haar nieuwe vriend en het de bedoeling was hem persoonlijk en in zijn wapenbezit te treffen, dat de gouverneur niet op de hoogte was van de grond van de zaak en zich niet op het ongenuanceerde advies van de krijgsauditeur kon steunen, dat de gouverneur zich beter had moeten inlichten over de grond van de zaak; Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de gouverneur zich heeft gesteund “op het advies van de instantie die het best kan oordelen over de persoon en de feitelijke omstandigheden met name de krijgsauditeur” en dat deze uitdrukkelijk stelde dat het klasseren van het dossier niet betekent dat er geen wrijving meer bestaat tussen de betrokken personen; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herhaalt dat de gouverneur niet kan stellen dat verzoeker zich schuldig zou hebben gemaakt aan het uiten van bedreigingen aangezien de klacht zonder gevolg werd gerangschikt en zijn schuld bijgevolg niet bewezen is; dat hij verder betoogt dat hij de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van XII-2464-5/7 wapens en op de handel in munitie, niet heeft overtreden daar hij na zijn verhuis de politiediensten heeft ingelicht omtrent de standplaatswijziging van zijn wapen; dat verzoeker voorts wijst op enkele onnauwkeurigheden in de adviezen van de krijgsauditeur waarin ten onrechte sprake is van “steekwapens” en van “geweld- dadigheden”; dat hij ten slotte stelt dat hij nooit werd gehoord door de krijgsauditeur en dat diens advies allerminst steunt op een objectief onderzoek van de feiten en verzoekers persoon; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie stelt dat hij nooit werd vervolgd, laat staan veroordeeld, dat hij, aangezien hij niet werd vervolgd, ook niet werd vrijgesproken; 2.
- Overwegende dat krachtens de verplichting tot materiële motivering, voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag moeten bestaan; Overwegende dat te dezen verzoekers vergunningen blijkens de motivering van het bestreden besluit enkel werden ingetrokken omdat de gouverneur meende dat “het uiten van bedreigingen in combinatie met het bezit van een wapen de openbare orde en veiligheid in gevaar kan brengen”, en hij daartoe verwijst naar een brief van de waarnemend Krijgsauditeur te Brussel van 9 december 1999; dat in die brief melding wordt gemaakt van een klacht lastens verzoeker, het zonder gevolg rangschikken ervan en wordt vastgesteld dat dit laatste niet betekent “dat er geen wrijving blijft bestaan tussen de betrokken personen”; dat dienvolgens het bestaan van de door de gouverneur in aanmerking genomen “bedreigingen” geenszins uit die brief kan worden afgeleid; dat voorts de bestreden beslissing nog gewag maakt van het feit dat het zonder gevolg laten van de zaak “niet betekent dat er geen spanningen blijven bestaan tussen de betrokken personen”; dat het niet duidelijk is of, naast de vermelde bedreigingen, de spanningen tot motief van de beslissingen moeten dienen maar, indien zulks het geval zou zijn, een dergelijke algemeenheid op zichzelf geen aannemelijk motief ervoor kan vormen; dat dienvolgens de bestreden beslissing niet blijkt te steunen op deugdelijke feitelijke gronden; dat het middel gegrond is, XII-2464-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 4 januari 2000 van de gouverneur van de provincie Oost-Vlaanderen waarbij de vergunningen van Hugo Malbrancke tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens worden ingetrokken. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2464-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.194 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div