← België

Arrest 170195 - Wapens - 19/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.195 Rolnummer: A. 90651/XII-2554 Zaak: Arrest 170195 - Wapens - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.195 van 19 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.195 van 19 april 2007 in de zaak A. 90.651/XII-

  1. In zake : Dirk VANDEKERKHOVE, die woonplaats kiest bij advocaten X. D’Hulst en D. Van de Sijpe, kantoor houdende te Kortrijk, Doorniksewijk 66 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk Vandekerkhove op 31 maart 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 februari 2000 van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van drie verweervuurwapens worden ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 7 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 17 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2554-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Van De Sijpe, die verschijnt voor verzoeker, en van waarnemend adviseur V. Boerjan, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Aan verzoeker werden vergunningen tot het voorhanden hebben van volgende verweervuurwapens verleend: - een randpercussiegeweer Biakal, kaliber .22 LR; - een pistool Browning FN, kaliber .22 LR; - een revolver Colt, kaliber .38 Sp. 1.
  4. In een brief van 7 september 1999 stelt de politiecommissaris van Kortrijk de gouverneur van West-Vlaanderen voor om voormelde vergunningen in te trekken. Er wordt onder meer medegedeeld dat verzoeker op 20 augustus 1999 in de tuin van zijn woning met een niet-vergund oorlogsvuurwapen MP 40 Schmeiser schoot en dat daarbij een kogel 9 mm in de refter van een nabijgelegen beschuttende werkplaats belandde. 1.
  5. Bij brief van 21 september 1999 wordt namens de gouverneur advies gevraagd aan de procureur des Konings te Kortrijk. Op 1 februari 2000 adviseert de procureur des Konings te Kortrijk de wapenvergunningen van verzoeker in te trekken. Verwijzend naar gegevens zoals die blijken uit bij het advies gevoegde dossiers besluit de procureur des Konings dat verzoeker niet de vereiste waarborgen biedt op het vlak van gedrag, geestestoestand en eerbaarheid en dat het voorhanden hebben van verweervuurwapens en munitie als “zeer nadelig XII-2554-2/9 en gevaarlijk voor de openbare orde en veiligheid dient aanzien te worden”. De procureur des Konings vermeldt onder meer volgende gegevens : “Uit deze dossiers is o.a. gebleken dat betrokkene op 20/8/1999, nadat hij op herbergbezoek ging en enkele glazen bier dronk, gewoon uit goesting bij hem thuis in de tuin geschoten heeft met een niet-vergund volautomatisch machinepistool MP Schmeiser, kal.9 mm para (Duits wapen uit WOII), nadat hij het geladen had met twee patronen. Eén kogel kwam over de tuinmuur terecht en legde een weg af van meer dan 110 m waarbij hij het gebouw van het bedrijf VZW De Bolster (afdeling van de kliniek Heilige Familie waar patiënten in dagtherapie werken) doorboorde via het venster en aldus de aanwezige personen enorme schrik aanjaagde. Gelukkig werd niemand gekwetst! Uit zijn verklaring is gebleken dat dit niet de eerste keer was dat hij vuurwapens in zijn tuin gebruikte. Bij de huiszoeking werden tal van wapens teruggevonden (verboden wapens, vergunde en niet-vergunde wapens, allerlei munitie) en bovendien ook een schuilplaats waarin hij o.a. het geweer Manhurain en het machinepistool Smeisser verborg, gezien deze niet vergund waren. Bij de huiszoeking werden ook correspondentie en voorwerpen teruggevonden die wijzen op extreem rechtse sympathieën en de verbondenheid met extreem rechtse organisaties en het Derde Rijk. Volgens de Politie Kortrijk was betrokkene einde de jaren 80 bij hen gekend als leidinggevend figuur (luitenant) in het V.M.O.”. 1.
  6. Op 29 februari 2000 neemt de gouverneur van West-Vlaanderen de bestreden beslissing om de voormelde vergunningen in te trekken. De beslissing wordt als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Dirk Vandekerkhove op 20 augustus 1999, nadat hij op herbergbezoek ging en enkele glazen bier dronk, gewoon uit goesting bij hem in de tuin geschoten heeft met een niet-vergund automatisch oorlogs- vuurwapen, machinepistool MP4O Schmeiser, kaliber 9 mm para (Duits wapen uit WOII). Daarbij had betrokkene het wapen niet onder controle zodat één kogel 9 mm para belandde in de refter van een beschutte werkplaats gelegen achter zijn woning en aldus de aanwezige personen enorme schrik aanjaagde; Overwegende dat het niet de eerste keer was dat betrokkene vuurwapens gebruikte in zijn tuin; Overwegende dat bij de vaststellingen in zijn woning betrokkene naast drie vergunde wapens ook nog een halfautomatisch niet-vergund oorlogsgeweer Sig-Manuhrin, en enkele verboden wapens werden aangetroffen; Overwegende dat betrokkene ook nagelaten heeft om voorzorgen te nemen om misbruik en diefstal te vermijden; Overwegende dat bij de huiszoeking ook correspondentie en voorwerpen werden teruggevonden die wijzen op extreem rechtse sympathieën en de verbondenheid met extreem rechtse organisaties en het Derde Rijk; Overwegende dat betrokkene einde jaren 80 gekend stond als leidinggevend figuur in het V.M.O. Overwegende dat van de feiten processen verbaal (KO.36.18.008969/1999 en KO.36.18.009037/1999) werden opgemaakt; XII-2554-3/9 Overwegende dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden blijkt dat de heer Dirk Vandekerkhove geen voldoende waarborgen biedt om in het bezit te zijn van een verweervuurwapen; Overwegende dat gelet op de feiten het opportuun is om zo spoedig mogelijk een definitieve maatregel te treffen in het belang van de openbare orde en veiligheid; Overwegende dat de wapens van de heer Dirk Vandekerkhove in beslag werden genomen en vervolgens neergelegd werden ter griffie bij de rechtbank van Kortrijk”;
  7. De gegrondheid van het beroep. 2.1.
  8. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel betoogt dat het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht werd geschonden aangezien hij werd uitgenodigd noch gehoord terwijl het intrekken van een wapenvergunning een zeer belastende maatregel is die vooraf moet worden meegedeeld zodat betrokkene zich kan verantwoorden; dat hij er in zijn memorie van wederantwoord op wijst dat zijn wapenvergunningen pas zes maanden na de feiten werden ingetrokken, dat zijn wapens reeds in beslag waren genomen zodat “op een rustiger wijze en met respect voor de tegenspraak” een beslissing kon worden genomen, dat hij zich over de omstandigheden van de feiten moest kunnen verweren en eventueel nieuwe feiten moest kunnen inroepen die een nieuw licht konden werpen op het feit of hij zich voor langere tijd in een situatie bevond die een gevaar zou inhouden voor de openbare veiligheid; dat hij ten slotte in de laatste memorie betoogt dat niet kan worden betwist dat het intrekken van een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen een ernstige maatregel is aangezien het de zwaarste sanctie is die te dezen kan worden opgelegd, dat de verweervuurwapens voor hem een recreatieve en subjectieve waarde hebben, “belangen [...] die evengoed voor hem zwaarwichtig zijn”, dat het feit dat hij meermaals door de politie werd verhoord niet afdoende is om te kunnen stellen dat de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen voor eenvoudige constatering vatbaar zijn, dat het in een verhoor door de politie immers in essentie gaat om het betwisten of erkennen van feiten met het oog op het vaststellen van een overtreding, terwijl hij in het kader van een administratieve procedure andere verweermiddelen dan het louter bevestigen of ontkennen van feiten had kunnen inroepen, dat hij zich onvoldoende heeft kunnen verdedigen inzake zijn “beweerde persoonlijkheid”; 2.1.
  9. Overwegende dat er voor de overheid geen algemene verplichting bestaat om betrokkenen te horen vooraleer een administratieve beslissing wordt genomen die op hen betrekking heeft; dat in de wet van 3 januari 1933 op de XII-2554-4/9 vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna : de wapenwet) niet is bepaald dat een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen slechts kan worden ingetrokken nadat betrokkene werd gehoord; dat evenwel de bestreden beslissing verzoekers vergunningen tot het voorhanden hebben van drie verweervuurwapens intrekt, intrekking die steunt op gegevens over feiten met betrekking tot verzoeker; dat de bestreden beslissing door aldus zijn situatie te wijzigen, geacht moet worden hem op een meer dan geringe wijze nadelig in zijn belangen te raken; dat krachtens een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een dergelijke beslissing in principe slechts kan worden genomen na betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen; dat de overheid daartoe echter niet steeds is verplicht, wanneer de betrokken feiten vatbaar zijn voor directe, eenvoudige vaststelling; Overwegende dat een van de motieven van de bestreden beslissing luidt dat verzoeker “nadat hij op herbergbezoek ging en enkele glazen bier dronk, gewoon uit goesting bij hem in de tuin geschoten heeft met een niet-vergund automatisch oorlogsvuurwapen” waarbij “één kogel 9 mm para belandde in de refter van een beschutte werkplaats gelegen achter zijn woning en aldus de aanwezige personen enorme schrik aanjaagde”; dat dit gegeven op zich niet door verzoeker wordt betwist en hij onder meer voor het dragen van het betrokken wapen vervolgd werd voor de correctionele rechtbank te Kortrijk die bij vonnis van 16 maart 2001 de betrokken tenlastelegging bewezen achtte en opschorting van de uitspraak gelastte; dat het willekeurig schieten in de tuin met een niet vergund automatisch oorlogswapen alleen reeds kennelijk een voldoende motief uitmaakt van de bestreden beslissing en een feit is waarvan verzoeker niet beweert dat het niet voor eenvoudige vaststelling vatbaar is; dat het om die reden een afwijking van de hoorplicht verantwoordt; dat verzoeker overigens op geen enkel ogenblik argumenten te berde brengt die hij in het door hem gewenste verhoor in zijn voordeel had willen aanbrengen; dat de bestreden beslissing op feitelijke gegevens steunt die voor eenvoudige constatering vatbaar zijn; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  10. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel doet gelden dat de formele en de materiële motiveringsplicht werden geschonden doordat de opgegeven redenen de bestreden beslissing in rechte en in feite niet afdoende schragen, dat immers de overweging dat het niet de eerste keer zou zijn dat hij in zijn tuin zou hebben geschoten in tegenspraak is met het feit dat hem op 22 juli 1999 XII-2554-5/9 nog een vergunning werd verleend en de overheid toen blijkbaar meende dat zijn vroegere gedrag geen voldoende grond bood om hem wapenvergunningen te weigeren, dat de verwijzing naar zijn “vermeende” extreem rechtse sympathieën of zijn verbondenheid met extreem rechtse organisaties niet pertinent en onwettig is aangezien de wet niet bepaalt dat politieke sympathieën of overtuigingen een motief kunnen vormen voor het intrekken van een wapenvergunning, dat de bestreden beslissing bovendien niet consequent is omdat wordt gesteld dat hij eind jaren tachtig om deze politieke overtuiging bekendstond terwijl hem nadien nog drie wapenvergunningen werden verleend, dat de motivering totaal gebrekkig is omdat niet werd gepreciseerd waaruit de niet-nageleefde voorzorgen teneinde misbruik en diefstal van de wapens te vermijden zouden bestaan; dat verzoeker in de memorie van wederantwoord daaraan toevoegt dat uit niets blijkt dat hij “een algemeen onmaatschappelijk gedrag aan de dag zou leggen”, dat de beoordeling van de persoonlijkheid van een vergunninghouder “niet gelimiteerd [kan] zijn tot zijn filosofische of politieke sympathie”, dat “nu opeens [wordt] verwezen naar een reeks voorzorgsverplichtingen” en dat niet duidelijk is of die maatregelen verplicht moeten worden nageleefd; dat verzoeker ten slotte in de laatste memorie doet gelden dat de gouverneur onvoldoende heeft aangetoond dat hij een gevaar zou vormen voor de openbare veiligheid, dat de correctionele rechtbank te Kortrijk hem naar aanleiding van de feiten van 20 augustus 1999 weliswaar heeft veroordeeld voor bepaalde inbreuken op de wapenwetgeving, doch hem anderzijds de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft toegekend waarbij ze bij de beoordeling als bijzondere reden aangeeft dat hij geenszins kan worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde of veiligheid aangezien hij in het verleden slechts een beperkt aantal veroordelingen -enkel verkeersovertredingen- opliep, dat er geen twee verschillende begrippen “gevaarlijkheid voor de openbare orde” bestaan zodat de bestreden beslissing in strijd is met “dit rechterlijk oordeel”, dat niet blijkt dat de feiten van 20 augustus 1999, zijn politieke overtuiging of zijn gedrag in het algemeen een gevaar zou uitmaken voor de openbare orde of veiligheid; 2.2.
  11. Overwegende dat, in de eerste plaats, uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat verzoeker de motieven van de beslissing kent; dat dienvolgens de schending van de formele motiveringsplicht niet dienstig meer kan worden ingeroepen; XII-2554-6/9 Overwegende voorts, wat de materiële motiveringsplicht betreft, dat artikel 6, § 1, van de wapenwet bepaalt dat de gouverneur een vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen kan schorsen of intrekken “indien blijkt dat het voorhanden hebben van een wapen de openbare orde kan verstoren”; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet blijkt dat het begrip “openbare orde” in de ruime zin moet worden opgevat, namelijk met inbegrip van de openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 26 en 27); dat voorts noch in de wapenwet, noch in het uitvoeringsbesluit is bepaald dat de intrekking of schorsing enkel mogelijk is indien betrokkene werd veroordeeld wegens bepaalde misdrijven of als dader of medeplichtige zou zijn betrokken geweest bij een strafonderzoek; dat bovendien niet is vereist dat betrokkene een gewelddelict zou hebben gepleegd en evenmin dat hij de openbare orde reeds heeft verstoord met een wapen; dat de gouverneur integendeel op grond van artikel 6, § 1, van de wapenwet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt bij het beoordelen van de vraag of de openbare orde “kan” worden verstoord door het voorhanden hebben van een wapen; Overwegende dat de gouverneur aldus moet inschatten voor de toekomst, of het voorhanden hebben van de betrokken wapens een potentieel gevaar inhoudt voor de openbare orde; dat de beslissing daaromtrent een eigen finaliteit heeft die niet samenvalt met de redengeving van een strafrechter die de gunst van de opschorting moet ondersteunen; dat die bijzondere motivering van de strafrechter er dus niet aan in de weg staat dat de gouverneur toch oordeelt dat het potentieel gevaar voor de openbare orde van verzoekers wapenbezit aanwezig is; Overwegende voorts dat de materiële motiveringsplicht vereist dat elke administratieve beslissing steunt op rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag; dat te dezen het bestreden besluit uitdrukkelijk vermeldt dat verzoeker op 20 augustus 1999 in zijn tuin zomaar (“uit goesting”) met een niet-vergund automatisch oorlogsvuurwapen heeft geschoten en dat de kogel terechtkwam in de refter van een beschuttende werkplaats; dat dit eerste en beslissende motief het afvuren van een wapen is, waarbij een kogel het venster van een achterliggende beschuttende werkplaats doorboorde, feit dat verzoeker heeft bekend; dat dit gegeven op zich reeds een afdoende en rechtens aanvaardbare reden is op grond waarvan de gouverneur, gebruik makende van zijn ruime discretionaire bevoegdheid, verzoekers vergunningen vermocht in te trekken; dat er, zelfs indien XII-2554-7/9 de overige bijkomende motieven in rechte niet aanvaardbaar of zonder feitelijke grondslag zouden zijn, gelet op het beslissend hoofdmotief geen reden is tot nietigverklaring van de bestreden beslissing; dat het middel niet gegrond is; 2.3.
  12. Overwegende dat verzoeker in een derde middel betwist dat de feiten volstaan om te besluiten dat zijn wapenbezit “langdurig en blijvend verstorend zou werken ten overstaan van de openbare orde”; dat hij voorts doet gelden dat de beslissing kennelijk onredelijk is en niet in verhouding staat tot het feit dat eraan ten grondslag ligt, dat de wet immers ook in mildere administratieve maatregelen voorziet zoals bijvoorbeeld het schorsen van een vergunning, dat de ministeriële omzendbrief van 30 oktober 1995 bepaalt dat het intrekken van een vergunning slechts is aangewezen wanneer de houder ervan zich voor langere tijd in een situatie bevindt waarin het voorhanden hebben van verweervuurwapens nadelig kan zijn voor de openbare orde terwijl in andere gevallen een andere administratieve maatregel aangewezen is; 2.3.
  13. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord argumenteert dat een minder vergaande maatregel meer gepast was totdat hij voorzorgsmaatregelen zou hebben genomen of de niet-vergunde wapens zou hebben geregulariseerd of verkocht, dat de overheid moet verantwoorden waarom onmiddellijk de voor hem meest belastende maatregel werd genomen en waarom andere maatregelen niet zouden volstaan om het beoogde doel te bereiken; dat verzoeker in de laatste memorie nog stelt dat de overheid op het ogenblik dat hem nog wapenvergunningen werden verleend op de hoogte was of had moeten zijn van de overige argumenten die verwerende partij inroept, dat de correctionele rechtbank van Kortrijk hem “wegens het ontbreken van enig gevaar voor de openbare orde of veiligheid” de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling toekende zodat moet worden besloten dat het kennelijk onredelijk was om uit de opgesomde feiten en omstandigheden te besluiten tot een gevaar voor de openbare orde en veiligheid; 2.3.
  14. Overwegende dat reeds werd uiteengezet dat de gouverneur op grond van artikel 6, § 1, van de wapenwet over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat “discretionair” evenwel geen synoniem is voor onbeperkt of willekeurig; dat voor de wettige uitoefening van de beoordelingsvrijheid onder meer vereist is dat een beslissing niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat, maar steunt op een genoegzame afweging van de betrokken gegevens; XII-2554-8/9 Overwegende dat te dezen, gelet op de aard en de ernst van het vastgestelde feit, hierboven besproken en als decisief en afdoende motief aangemerkt, niet kan worden aangenomen dat er een wanverhouding zou bestaan tussen de gepleegde feiten en de opgelegde sanctie; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2554-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.195 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.