id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.231 Rolnummer: A. 181860/XII-5058 Zaak: Arrest 170231 - Examens (onderwijs) - 19/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-04-25 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.231 van 19 april 2007 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.231 van 19 april 2007 in de zaak A. 181.860/XII-
- In zake : Koen VAN MONTFORT, die woonplaats kiest bij advocaat G. Baeten, kantoor houdende te Sterrebeek, Burchtstraat 18 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de Scholengroep Midden-Brabant, dat woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Amerikalei 220, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Koen Van Montfort op 21 maart 2007 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de delibererende klassenraad 2MTWE
(3)van het koninklijk atheneum Zaventem om hem een oriënteringsattest C toe te kennen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 maart 2007, om 10.30 uur; Gelet op de beslissing van de kamervoorzitter om de zaak overeenkomstig artikel 90, § 1, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, te verwijzen naar een kamer met drie leden; XII-5058-1\16 Gelet op het uitstel van de behandeling van de vordering naar de terechtzitting van 17 april 2007, om 9.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Baeten, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De gegevens van de zaak
- Verzoeker volgt tijdens het schooljaar 2005-2006 de lessen van het tweede jaar van de derde graad ASO, moderne talen-wetenschappen, aan het koninklijk atheneum te Zaventem. Nadat de delibererende klassenraad een beslissing over verzoeker heeft uitgesteld tot na het afleggen van bijkomende examens wiskunde en chemie, beslist de klassenraad op 31 augustus 2006 verzoeker een oriënteringsattest C te verlenen met als motief: “niet geslaagd in 1 van beide herexamens”. Nadat verzoeker de interne beroepsprocedure van overleg en beroep bij de beroepscommissie heeft doorlopen, wordt hem door de algemeen directeur van de scholengroep met een brief van 8 september 2006 meegedeeld dat de delibererende klassenraad overeenkomstig het advies van de beroepscommissie niet opnieuw wordt samengeroepen zodat het C-attest gehandhaafd blijft. XII-5058-2\16 Bij arrest nr. 167.732 van 13 februari 2007 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing waarbij de algemeen directeur weigert om de over verzoeker delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen. Op 16 februari 2007 deelt de algemeen directeur aan verzoeker mee dat hij, kennis nemende van het schorsingsarrest, de beslissing van 8 september 2007 intrekt en dat hij de delibererende klassenraad “zo vlug mogelijk opnieuw zal samenroepen”. Op 1 maart 2007 beslist de klassenraad “met unanimiteit” verzoeker het C-attest toe te kennen. Hij notuleert daarover de volgende motivering : “Motivering : Gelet op het Arrest nr. 167 732 van de Raad van State van 13 februari 2007 en de beslissing van Robert Steuts, algemeen directeur, van 16 februari 2007 de klassenraad van het tweede jaar van de derde graad van de studierichting Moderne Talen-wetenschappen opnieuw samen te roepen. Overwegende dat : - de quotaties voor dagelijks werk op een totaal van 47 quotaties (op l0) 7 quotaties beneden de 5/10 bevatten : - 2 voor Nederlands : 4/10 en 3/l0 - 3 voor wiskunde : 3,5/10 en 4,5/10 - 1 voor chemie 3/10 - 1 voor fysica 3/10 - dat bij vorige quotaties in hoofdzaak rekening gehouden werd met de behaalde punten op de toetsen en overhoringen - de resultaten van de examens eerste en tweede reeks op een totaal van 24 quotaties (op 100) 3 quotaties beneden de 50/100 bevatten : - 2 voor wiskunde: 34,5/100 en 27/100 - totaal eerste en tweede semester samen : 61,5/200 of 30,75 % - 1 voor chemie : 16/100 (op examen tweede semester) - totaal eerste en tweede semester samen: 84/200 of 42 % - voor wiskunde de resultaten over dagelijks werk en examens heen zwaar onvoldoende zijn (gemiddeld slechts 33 %) - Koen over alle vlakken heen minder dan 70 % behaalt - de klassenraad in juni van oordeel was om Koen, ondanks de vorige vooral voor wiskunde in zijn geheel zeer grote tekorten, hem alsnog, omdat het een laatste jaar van het secundair onderwijs betrof, een bijkomende kans te geven om via een herexamen voor chemie en wiskunde aan te tonen dat de tekorten bijgewerkt waren - Koen voor deze herexamens volgende resultaten behaalde : - chemie 52 % - wiskunde 40 % - de vragen van het herexamen wiskunde dat hij diende af te leggen representatief waren voor de leerstof van het tweede semester (deel waarop hij tijdens het schooljaar 27/100 behaalde op het examen) XII-5058-3\16 - de bewering van de ouders dat een grote oorzaak zou liggen in het vrij langdurig wegens ziekte afwezig zijn van de titularis wiskunde tijdens het eerste semester door de door Koen behaalde resultaten ontkracht worden aangezien analyse van zijn onvoldoende resultaten in het tweede en derde trimester het volgende opleveren : - de leerstof combinatoriek en kansrekenen vormt een vrij afgesloten geheel, m.a.w. steunt weinig of niet op de leerstof van de eerste semester : resultaat onvoldoende op herexamen - de leerstof analyse en meetkunde steunt wel op de tijdens de eerste semester behandelde leerstof : op deze onderdelen behaalt Koen betere resultaten op het herexamen : 21/40 tegen 19/60 in juni - een leerling slechts het 2de leerjaar van de 3de graad met vrucht beëindigt indien hij, naast het bekwaam worden geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs, ook in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereik (SO 64 punt 8.1.3, 3/) - er derhalve dient geoordeeld over het geheel van de leerstof, d.w.z. over alle vakken inclusief het vak wiskunde dat in de studierichting moderne talen- wetenschappen niet minder dan 5 uur per week omvat (d.i. het meest gegeven vak) beslist de klassenraad met unanimiteit Koen Van Montfort een C-attest toe te kennen”. Deze beslissing wordt met een op 13 maart 2007 ter post aangetekend schrijven aan verzoeker bezorgd. De schorsingsvoorwaarden
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde 3.
- Wat de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde betreft, verwijst verzoeker naar het dreigend verlies van een schooljaar of academiejaar. Hij wijst er op dat de schorsing enkel voor de toekomst uitwerking heeft, dat hij de vaste wil heeft om het nodige te doen om verder te studeren hetgeen bewezen wordt door zijn inschrijving aan de Katholieke Universiteit Brussel (KUB) voor het huidige academiejaar, door zijn deelname aan de examenperiode van januari 2007 en door zijn inschrijving op voorstel van de universiteit in een zogenaamd diplomacontract XII-5058-4\16 “zodat hij indien nodig op het einde van het jaar voor zijn eerste jaar effectief kan gedelibereerd worden”. Hij heeft zich bovendien ingeschreven voor de examens van de centrale examencommissie secundair onderwijs, is in de december- examenperiode reeds geslaagd voor de meeste vakken en dient nog enkel te slagen voor chemie en lichamelijke opvoeding. Hij betoogt dat gelet op zijn inspanningen aangenomen mag worden dat het in de huidige schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid uit te spreken arrest nog tijdig zal zijn om het gevreesde nadeel te weren. Verwerende partij antwoordt hierop dat aan de hand van de door verzoeker meegedeelde stukken geen verlies van een schooljaar of academiejaar dreigt. Verzoeker is ingeschreven aan de KUB, volgt er de lessen en heeft deelgenomen aan de examens. Met het diplomacontract kan verzoeker aanspraak maken op een studiebeurs en op het einde van het academiejaar gedelibereerd worden. In die omstandigheden is volgens verwerende partij aan geen van beide schorsingsvoorwaarden voldaan. 3.
- Het dreigend verlies van een schooljaar wordt door de Raad van State in beginsel erkend als het moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel dat, bij aanvoeren van een ernstig middel, een schorsing van de tenuitvoerlegging van een examenbeslissing kan verantwoorden, zelfs bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vordering tot schorsing -in beginsel bij uiterst dringende noodzakelijkheid- is in het onderwijscontentieux dan ook de meest geëigende weg om bij de Raad van State adequate rechtsbescherming te zoeken tegen een vermeend onwettige examenbeslissing. Immers, een schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing, hoewel precair van aard, moet als een aansporing worden opgevat aan het schoolbestuur om zijn onwettig lijkende beslissing reeds onmiddellijk, zonder verdere afwikkeling van de annulatieprocedure, te heroverwegen, en om ze desgevallend in te trekken en door een nieuwe te vervangen, mede ook gelet op het dreigende verlies van een schooljaar of academiejaar als moeilijk te herstellen ernstig nadeel en op het recht van een leerling op een vaststaande uitslag. Te dezen heeft verzoeker aanzienlijke inspanningen geleverd om het dreigende nadeel te minimaliseren. In het arrest nr. 167.732 heeft de Raad daarom geoordeeld dat verzoeker het verloop van de gewone schorsingsprocedure mocht afwachten en veronderstellen dat een in die procedure uit te spreken arrest nog tijdig was om het gevreesde nadeel te weren. XII-5058-5\16 Die ijver wordt door de Raad van State van hem ook verwacht, want inertie aan de zijde van de verzoekende partij doet op zich reeds ernstige vragen rijzen bij het bestaan van een ernstig nadeel waarvan hij verwacht dat de Raad hem ervoor behoedt. Bovendien zullen de Raad van State, en vervolgens het schoolbestuur, ingevolge het treuzelen van verzoeker noodzakelijk slechts uitspraak kunnen doen op een ogenblik dat het schooljaar of academiejaar reeds verschillende maanden gevorderd is en het verlies van een schooljaar of academiejaar niét meer zo evident kan worden geweerd. Omgekeerd mag verzoeker wegens de eigen zorgvuldigheid thans niet kwalijk worden genomen dat hij tegen de opnieuw negatief voor hem uitvallende beslissing wél bij uiterst dringende noodzakelijkheid opkomt. Ook al geniet verzoeker een zogenaamd “diplomacontract” dat hem uitzicht geeft op een jaardeliberatie, uit de voorgelegde stukken blijkt toch dat dit een gunstmaatregel is, die bovendien eigen is aan en beperkt tot deze universiteit. Verzoeker heeft ook informatie ingewonnen bij diverse andere universiteiten -hij legt stukken ter zake neer- en zet uiteen dat, mocht hij dit academiejaar niet slagen aan de KUB noch voor de centrale examencommissie, hij hoogst waarschijnlijk toch het laatste jaar van het secundair onderwijs zal moeten overdoen. De onzekerheid waarmee verzoeker zich geconfronteerd ziet door het gemis van een diploma secundair onderwijs is volgens de Raad van State in de concrete omstandigheden van deze zaak van dien aard dat verzoeker terecht, door een vordering in te stellen tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, over dit -toch mede door de prima facie vastgestelde onwettigheden van de voorgaande beslissing aanslepende- geschil een uitspraak mag nastreven vóór het einde van het academiejaar en liefst zelfs voor de aanvang van de volgende examenperiode. Zo kan bij een eventueel uit te spreken schorsing, het schoolbestuur nog op de meest nuttige wijze tot een heroverweging worden aangespoord. De Raad van State ziet dan ook geen reden waarom te dezen van zijn vaste rechtspraak omtrent het verlies van een schooljaar als moeilijk te herstellen nadeel en als bewijs van de spoedeisendheid moet worden afgeweken. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde 4.
- In een eerste middel wrijft verzoeker de delibererende klassenraad een “niet autonome beslissing” aan, wat in strijd is met artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei
- XII-5058-6\16 In een eerste onderdeel merkt hij op dat de beslissing van de klassenraad niet “als dusdanig” was bijgevoegd bij de betekening door de directeur op 13 maart
- In een tweede onderdeel zet verzoeker uiteen een “voice mail” te hebben ontvangen waarin de directeur het laattijdig betekenen van de beslissing verklaart omdat hij “bezig [is] de motivering van de klassenraad daarover na te kijken” omdat hij “geen enkele onnozele procedurefout wil maken waarop wij dan zoals vorige keer blijkbaar gepakt zijn”. Het feit dat de klassenraad zijn beslissing autonoom dient te nemen, betekent dat het niet toekomt aan de algemeen directeur van de scholengroep om die beslissing nog na te kijken alvorens ze te betekenen aan de betrokkene. In een derde onderdeel argumenteert verzoeker dat de klassenraad vooraf beïnvloed is geweest door aanwijzingen van de algemeen directeur, wat blijkt uit de grote overeenkomst tussen de motivering van de bestreden beslissing en het advies van de beroepscommissie. 4.
- Uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 en uit artikel 5, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (het organisatiebesluit) blijkt inderdaad dat wat het secundair onderwijs betreft, de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn. Het organisatiebesluit kent inzake de bekrachtiging van de studies derhalve geen bevoegdheid toe aan het onderwijs- organiserend bestuur zelf. De brief van de algemeen directeur is slechts de kennisgeving van de bestreden beslissing van de delibererende klassenraad, overigens met weergave van de motivering. In het administratief dossier is een afschrift neergelegd van de notulen zelf van de delibererende klassenraad, waarvan verzoeker ter terechtzitting de authenticiteit niet meer betwist. Artikel 70 van het organisatiebesluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs bepaalt wat volgt : XII-5058-7\16 “Onafgezien de al dan niet betwisting door de betrokken personen van de beslissing van de delibererende klassenraad, wordt de inrichtende macht steeds het recht voorbehouden de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen, teneinde een door de inrichtende macht zelf omstreden beslissing te heroverwegen”. Op grond van die bepaling mag het schoolbestuur iedere beslissing van een delibererende klassenraad verifiëren, bijvoorbeeld op “onnozele procedurefouten”. Door dit post factum te doen mengt de algemeen directeur zich op het eerste gezicht niet in de autonome beoordelingsmacht van de delibererende klassenraad. Indien de algemeen directeur vermoedt in de beslissing onvolkomenheden te bespeuren waarop hij “gepakt” kan worden, mag hij die natuurlijk -de autonomie van de delibererende klassenraad indachtig- niet zelf verhelpen maar dient hij andermaal de klassenraad samen te roepen. Er wordt evenwel niet beweerd, laat staan aangetoond, dat de algemeen directeur ten gevolge van zijn nazicht van de beslissing aan de oorspronkelijke notulering eigener beweging iets zou hebben gewijzigd. Zelfs indien het zo zou zijn dat de delibererende klassenraad die opnieuw wordt samengeroepen in een beroepsprocedure zich laat overtuigen door argumenten van de beroepscommissie en zelfs als hij het advies van de beroepscommissie woordelijk zou overnemen in zijn eigen beslissing, bewijst verzoeker ook hiermee prima facie nog geen inmenging van de algemeen directeur in de besluitvorming van de delibererende klassenraad. 4.
- Het eerste middel is in geen van zijn onderdelen ernstig. 5.
- Verzoekers tweede middel is geput uit een schending van de motiveringsplicht. Hij herinnert aan hetgeen reeds door de Raad is overwogen in het voorgaande schorsingsarrest aangaande de gebrekkige motivering van de vorige beslissing. De thans bestreden beslissing is weliswaar meer uitgebreid gemotiveerd dan de initiële beslissing van 31 augustus 2006, maar de bijkomende argumenten zijn niet van aard op afdoende wijze de vaststelling te ontkrachten dat het louter falen in het vak wiskunde in casu niet volstond voor de toekenning van het C-attest. Verzoeker wijst op het relatief belang van het vak wiskunde in het kader van de richting moderne talen - wetenschappen en op zijn goede resultaten waar hij ondanks wiskunde met 69,6% hoger scoort dan het klasgemiddelde (66,1%). De bijkomende opmerkingen over zijn quotaties voor dagelijks werk zijn bezwaarlijk afdoende, de overige bemerkingen van de klassenraad zijn niet relevant. XII-5058-8\16 Verzoeker betoogt nog dat bij analyse van het herexamen wiskunde “ernstige vragen gesteld [kunnen] worden”, waarbij hij enkele vragen formuleert over de puntenverdeling van dit examen, het grote gewicht dat gegeven wordt aan één enkele vraag die voor hem nefast was (op de overige negen vragen behaalde hij in totaal 66%) en over de inpassing van de stof van deze vraag in de eindtermen wiskunde. Verwerende partij antwoordt dat in de door verzoeker gevolgde richting geen vak meer lestijden kent dan het vak wiskunde. Het is bijgevolg niet juist dat het vak wiskunde in die richting een minder belangrijk vak zou zijn. De vaststelling dat verzoeker geen 70% behaalt is “juist en objectief”. De quotaties op dagelijks werk en examens zijn “toch wel slechte resultaten” die in de bestreden beslissing in detail worden aangegeven. Ook de overige bemerkingen -die onder meer wijzen op de overwegingen om aan verzoeker herexamens (versta: uitgestelde proeven) toe te staan- zijn wel degelijk relevant. Op de inhoud van het herexamen wiskunde -die door verzoeker voor het eerst in dit verzoekschrift betwist wordt- is volgens verwerende partij niets aan te merken, wat zij argumenteert aan de hand van de leerplannen en het inspectieverslag over de schooldoorlichting van het KA Zaventem. De klassenraad komt kortom tot het besluit dat verzoeker niet in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus niet voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffende jaar en niet bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in het hoger onderwijs. De klassenraad komt tot dit besluit met een motivering waaruit blijkt dat die beslissing niet alleen gesteund is op het niet-slagen in het vak wiskunde maar dat met het geheel van de resultaten rekening is gehouden. 5.
- Door op te werpen dat verzoeker pas in de huidige procedure voor het eerst kritiek uitoefent op de inhoud van de uitgestelde proef wiskunde lijkt verwerende partij de ontvankelijkheid te betwisten van dit middelonderdeel. Zonder dit feitelijk uitgangspunt te onderzoeken, stelt de Raad vast dat hij in een schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid hoe dan ook niet ingaat op deze eerder vage beweringen (“ernstige vragen”, aldus verzoeker) over de puntenverdeling bij één welbepaald examen, die terloops worden geschreven in de toelichting bij een middel dat niet tegen de toegekende punten is gericht maar tegen de motieven van de delibererende klassenraad. Dit betoog van verzoeker kan ter adstructie van het aangevoerde middel niet worden aangenomen. XII-5058-9\16 5.
- De delibererende klassenraad beslist luidens artikel 37, § 1, van het organisatiebesluit of de leerling het leerjaar al dan niet “met vrucht” heeft beëindigd. Een leerling van het tweede jaar van de derde graad ASO beëindigt luidens artikel 38, 3/, van het organisatiebesluit het leerjaar met vrucht “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffend leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs”. 5.
- De Raad van State mag zich als jurisdictionele beroepsinstantie niet in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om zijn studies voort te zetten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. Discretionaire bevoegdheid rijmt evenwel niet met willekeur. Dienvolgens wordt een beoordeling van de delibererende klassenraad door de Raad van State in elk geval voor onwettig gehouden -in de huidige stand van de procedure: schijnbaar onwettig- indien die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven. De Raad van State bedenkt dat het in de voorliggende zaak gaat om een leerling in het laatste jaar van het secundair onderwijs. Dit betekent, eensdeels, dat de beslissing er om gaat aan verzoeker al dan niet een diploma uit te reiken, aangezien een zogenaamd B-attest met clausulering voor bepaalde richtingen niet tot de mogelijkheden behoort en, anderdeels, dat verzoeker blijkbaar er in geslaagd is de voorgaande vijf schooljaren met vrucht te beëindigen, zonder dat wordt beweerd dat hij op het einde van het vijfde schooljaar een waarschuwing zou hebben gekregen voor bepaalde vakken. Die beide vaststellingen lijken een klassenraad reeds te moeten aanzetten tot een uiterst zorgvuldige afweging, en om niet licht over te gaan tot het geven van een C-attest. De Raad herinnert aan hetgeen hij in het arrest nr. 167.732 reeds heeft overwogen : “Terecht herinnert verzoeker aan artikel 57 van het organisatiebesluit. Luidens dit artikel, onverminderd het voor deze zaak niet relevante artikel 56, is ‘het met vrucht beëindigen van leerjaren van het voltijds secundair onderwijs niet noodzakelijk gebonden aan het slagen voor afzonderlijke toetsen, examens of proeven over een deel of het geheel van de vorming’. Die bepaling leert de Raad van State prima facie dat een klassenraad toch wel specifieke redenen moet hebben om een C-attest af te leveren aan een leerling die voor slechts één XII-5058-10\16 vak cijfermatig onderdoet. Te dezen blijken die motieven niet uit de bestreden beslissing van de delibererende klassenraad, die met de formulering ‘niet geslaagd in 1 van beide herexamens’ integendeel de indruk geeft een blinde toepassing te maken van een regel waarbij het niet slagen in een uitgestelde proef ipso facto moet leiden tot een beslissing tot niet slagen, wat precies op gespannen voet staat met genoemd artikel 57 van het organisatiebesluit. Artikel 5, § 5, van het organisatiebesluit schrijft voor dat de delibererende klassenraad, bij zijn beslissingen over het al dan niet slagen van een leerling, zich laat leiden door concrete gegevens uit het dossier van de leerling, dat minstens bevat de resultaten van proeven, toetsen of examens die door de leraars van de leerling werden afgenomen alsmede de beslissingen, vaststellingen en de adviezen van de begeleidende klassenraad. Ook die bepaling lijkt er op te wijzen dat het niet slagen op een uitgesteld examen niet zonder meer voldoende is als motief om een C-attest af te geven. De bestreden beslissing geeft veeleer de indruk dat de delibererende klassenraad na vaststelling van die onvoldoende, afstand heeft gedaan van zijn taak om autonoom te beraadslagen over het geheel van de relevante gegevens. Zelfs aangenomen dat er al situaties denkbaar zijn, waar een niet slagen op één vak zo evident is, dat uit de onderliggende stukken van het dossier blijkt dat met een verwijzing hiernaar mag worden volstaan, dan is die evidentie er te dezen voor de Raad niet: vooreerst zijn er de meerdere elementen die verzoeker doet gelden, voorts is er het gegeven dat verzoeker op de andere uitgestelde proef wel is geslaagd en voor wiskunde toch ook vooruitgegaan is, zij het zonder de helft van de punten te behalen. Alles bij elkaar genomen neemt de Raad van State in de huidige stand van de procedure aan dat het veruitwendigd motief niet volstaat en dat, zo er volgens de klassenraad nog andere motieven waren, hij nagelaten heeft die kenbaar te maken”. Wanneer de klassenraad reeds over verzoeker een beslissing heeft genomen die wegens motiveringsgebreken in haar tenuitvoerlegging is geschorst, is het des te meer zaak om de motieven die het resultaat van de nieuwe afweging onderbouwen in de beslissing om een C-attest uit te reiken accuraat uiteen te zetten. Een eerste element voor de beslissing vormen de tekorten van verzoeker voor dagelijks werk. De Raad van State stelt vast dat de klassenraad die punten opsomt, met de enkele bedenking dat het, verspreid over alle vakken, 7 onvoldoendes zijn op een totaal van
- Dat dit louter op zich weinigzeggend lijkt. Er wordt bijvoorbeeld niet betoogd dat uit die quoteringen zou blijken dat verzoeker onvoldoende in staat zou zijn regelmatig te werken voor toetsen en overhoringen. Welnu, uit de enkele vaststelling dat er zeven onvoldoendes zijn op een totaal van 47 blijkt dat ook niet als vanzelfsprekend, zodat de Raad vooralsnog aanneemt dat de klassenraad zijn beslissing gesteund heeft louter op grond van de voor elk vak afzonderlijk opgesomde punten. Echter blijkt verzoeker, wiskunde en chemie ter zijde gelaten, vak per vak geslaagd te zijn. Verzoeker behaalde inderdaad twee tekorten dagelijks werk voor het vak Nederlands (hij behaalt resp. 4; 6,5; 7; 3). Voor de semesterexamens behaalde hij respectievelijk 61% en 66,5% en in totaal 61,7% XII-5058-11\16 tegenover een klasgemiddelde van 59,1%. Voor het vak Fysica behaalt hij één tekort voor dagelijks werk (de reeks is 3; 6; 7,5; 6), voorts krijgt hij voor de examens 65% en 65% en in totaal 63,5% tegenover een klasgemiddelde voor dit vak van 63,7%. In die concrete omstandigheden ziet de Raad in de huidige stand van de procedure niet in, hoe de bedoelde drie tekorten van dagelijks werk zelfs maar als ondersteunend element in aanmerking kunnen worden genomen voor de toekenning van een C-attest. Een tweede element van de motivering vormen de resultaten van de examens voor de vakken wiskunde en chemie, waarbij dan de tekorten voor dagelijks werk voor die vakken betrokken kunnen worden. De Raad van State stelt vast dat de delibererende klassenraad aan verzoeker voor wiskunde en chemie uitgestelde proeven heeft opgelegd. Dit zijn, anders dan in het hoger onderwijs, geen “herexamens” waarbij een eerder onvoldoende presteren wordt weggeveegd en waarvan de nieuwe, in de plaats gekomen uitslag alleen bepalend is voor de beslissing over het slagen. Zoals in het eerdere schorsingsarrest al is vermeld, volgt uit artikel 5 van het organisatiebesluit dat de delibererende klassenraad met alle gegevens van het dossier moet rekening houden, en het resultaat van de uitgestelde proeven is in dat dossier slechts een van de elementen. Het is precies omdat een delibererende klassenraad door bijzondere omstandigheden meent op het einde van het schooljaar toch niet over alle nuttige gegevens te beschikken om over het al dan niet slagen van de leerling oordeelkundig te beslissen, dat hij over de mogelijkheid beschikt om zijn beslissing uit te stellen en om de leerling, uitzonderlijk, bijkomende proeven te laten afleggen. Een voor de hand liggend voorbeeld, ter illustratie van dergelijke bijzondere omstandigheden, is de ziekte van de leerling gedurende een periode van het jaar of het overlijden van een naaste tijdens de examenperiode. Een uitgestelde proef kan, zo de delibererende klassenraad daar reden toe ziet, uitwijzen of een onverwacht zwak resultaat mogelijk door dergelijke externe factor is veroorzaakt veeleer dan door het inherente falen van de leerling. Wegens het uitzonderlijke karakter ervan, lijkt de reden waarom een uitgestelde proef wordt opgelegd dan ook niet zonder belang. Te dezen formuleert de delibererende klassenraad het volgende als specifieke reden om verzoeker uitgestelde proeven op te leggen casu quo toe te staan : XII-5058-12\16 “de klassenraad [was] in juni van oordeel [...] om Koen, ondanks de vorige vooral voor wiskunde in zijn geheel zeer grote tekorten, hem alsnog, omdat het een laatste jaar van het secundair onderwijs betrof, een bijkomende kans te geven om via het herexamen voor chemie en wiskunde aan te tonen dat de tekorten bijgewerkt waren”. De klassenraad geeft zelf al aan dat de tekorten “vooral voor wiskunde” zeer groot waren. Voor chemie had verzoeker éénmaal een tekort voor dagelijks werk (3/10) en éénmaal een zwaar examentekort (tweede semester 16%, tegenover 68% in het eerste semesterexamen), met een totaal resultaat voor dit vak van 42,2%. De klassenraad staat verzoeker toe om aan te tonen dat zijn tekorten zijn bijgewerkt. Als dan die tekorten voor chemie effectief lijken te zijn bijgewerkt - verzoeker behaalt voor de uitgestelde proef chemie immers 52%- valt nog moeilijk in te zien, gelet op de specifieke redengeving van de uitgestelde proef, hoe de klassenraad de eerder gegeven cijfers voor dit vak toch nog, minstens toch nog zonder bijkomende uitleg over het waarom, in verzoekers nadeel doet spelen. Het lijkt er eerder op dat de 16% in het tweede semester inderdaad een verrassende uitschuiver was waarvan verzoeker, door op de uitgestelde proef 52% te behalen, aantoont dat zijn normale kennis en kunde voor dit vak de norm bereikt om de helft van de punten te behalen. Een enkele vermelding van de eerdere tekorten voor chemie zonder meer, kunnen in principe niet meer deugdelijk als motief voor een niet slagen worden gehanteerd. Voor het vak wiskunde kwalificeert de klassenraad verzoekers prestaties, met een gemiddeld resultaat van 32,7 %, niet zonder reden als “zwaar onvoldoende”. Ditmaal fixeert de klassenraad zich bovendien niet enkel op de resultaten van de uitgestelde proef. Door voor dit vak evenwel alle tekorten voor dagelijks werk en voor de examens op te sommen en in de verf te zetten herhaalt de klassenraad wel slechts de deelaspecten van één en hetzelfde motief - namelijk dat verzoeker er voor wiskunde weinig van terecht brengt. Nu verzoeker een “bijkomende kans” kreeg maar ook op de uitgestelde proef beneden de helft van de punten is gebleven, lijkt de klassenraad niet te dwalen als hij met dit tekort rekening houdt. Verzoekers falen voor wiskunde is dan echter het enige element dat in de motivering van de bestreden beslissing vooralsnog overeind blijft. Aan de Raad van State is immers -laatste concrete element van de motivering- geen slaagnorm van 70% bekend en op het eerste gezicht zou het opleggen van een dergelijk hoge slaagnorm de hoger beschreven autonomie van de klassenraad ruim XII-5058-13\16 te buiten gaan. De relevantie van die slaagnorm is des te meer twijfelachtig nu verzoekers gemiddelde totaalscore 68,1% bedraagt volgens het in het dossier overgelegde rapport, tegenover een klasgemiddelde van 66,2%. De Raad van State is er voor beducht dat een leerling de verkeerde indruk zou krijgen over een vrijgeleide te beschikken om in zijn laatste jaar een diploma te behalen met eender welke onvoldoende voor een vak naar keuze. De Raad kan evenwel niet voorbij de reeds voorheen gememoreerde bepaling van artikel 57 van het organisatiebesluit. Gecombineerd met de opdracht van de klassenraad, besloten in het ook aangehaalde artikel 38 van het organisatiebesluit, komt dit er volgens de Raad van State op het eerste gezicht op neer dat de delibererende klassenraad, als gezegd, wel zeer specifieke redenen moet hebben om een leerling die voor slechts één vak cijfermatig onderdoet het diploma secundair onderwijs te weigeren. Het is met name voor een dergelijke situatie geplaatst, dat de “delibererende” klassenraad de in zijn naam besloten opdracht in zijn volle omvang en met de grootste zorgvuldigheid moet uitoefenen. Die deliberatie -of beraadslaging- van de klassenraad vereist dat hij nagaat of, niettegenstaande dit mathematisch tekort, de andere gegevens van de betrokken leerling die voor één vak niet voldoet aan de gestelde normen, er van doen blijken of die leerling niettemin voldaan heeft voor het geheel van de vorming van het betreffende leerjaar en bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het hoger onderwijs. De Raad van State leest in de bestreden beslissing daaromtrent enkel dat het vak wiskunde “niet minder dan 5 uur per week omvat (d.i. het meest gegeven vak)” en dat verzoeker “over alle vakken heen minder dan 70% behaalt”. Kort en bondig als deze motieven zijn, kunnen ze de Raad vooralsnog niet overtuigen. Het is aannemelijk dat een verschillend gewicht in lesuren in het secundair onderwijs het profiel van de gekozen studierichting kan bepalen en in verhouding staat tot de omvang van de leerstof en de te leveren leerinspanningen. In die zin, om te antwoorden op de vraag of een leerling een schooljaar met vrucht beëindigt, moet het resultaat voor het ene of andere vak niet ipso facto gelijk doorwegen. Maar ook voor “het meest gegeven vak” moet een hoe dan ook alleenstaand tekort het bereiken van de finaliteit van de algemene vorming van het algemeen secundair onderwijs door de betrokken leerling ook niet per se uitsluiten. Van de delibererende klassenraad wordt een afweging in concreto gevergd. Te XII-5058-14\16 dezen volgt verzoeker de richting moderne talen - wetenschappen, zodat het bedoelde vak ook niet evident profielbepalend is spijts het wekelijks aantal uren onderricht. Verzoeker slaagt er zelfs inclusief zijn “zeer grote tekorten” en “zwaar onvoldoende” cijfers voor wiskunde nog in om een gemiddelde te behalen van 68,1% tegenover een klasgemiddelde van 66,2%. Voor elk van zijn moderne talen scoort hij hoger dan het klasgemiddelde. Behalve voor chemie scoort hij voor twee van de drie andere vakken wetenschappen ruim boven het klasgemiddelde, voor het derde vak 0,2% onder het klasgemiddelde. Op zicht van verzoekers rapport mag hij -en met hem de Raad- van een zorgvuldig delibererende klassenraad vernemen waarom dit ene tekort voor wiskunde toch niet wordt gecompenseerd door de andere behaalde cijfers om te kunnen besluiten dat verzoeker voor het geheel van de vorming heeft voldaan. 5.
- Het middel is in de besproken mate ernstig.
- Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de delibererende klassenraad 2MTWE
(3)van het koninklijk atheneum Zaventem om Koen Van Montfort een oriënteringsattest C toe te kennen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. XII-5058-15\16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien april 2007, door : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. D. VERBIEST. XII-5058-16\16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.231 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.474 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div