← België

Arrest 170301 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.301 Rolnummer: A. 110362/IX-3047 Zaak: Arrest 170301 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-12 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:37 Fiche Arrest nr 170.301 van 23 april 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.301 van 23 april 2007 in de zaak A. 110.362/IX-

  1. In zake : Willem DE PRETER, wonende te WESPELAAR, Olivier de Spoelberchstraat 6 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. tussenkomende partijen :
  3. Hugo SCHOEVAERTS, wonende te KAMPENHOUT, Trisstraat 30,
  4. Marnic DE CLERCQ, wonende te ZOTTEGEM, Langestraat 93,
  5. Patrick LANGENDRIES, wonende te NIEUWERKERKEN-AALST, Achtermaalstraat
  6. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willem DE PRETER op 17 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken en Financiën van 13 juli 2001 houdende bevordering van 8 medewerkers tot hoofdme- dewerker; Gelet op het arrest nr. 103.483 van 11 februari 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 26 maart 2002 door verzoeker; IX-3047-1/14 Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 13 mei 2002, 14 mei 2002 en 16 mei 2002; Gelet op de beschikking van 7 juni 2002 die de tussenkomsten van Hugo SCHOEVAERTS, Marnic DE CLERCQ en Patrick LANGENDRIES toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 2 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 april 2007; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat L. VANFRAECHEM die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij en van Hugo SCHOEVAERTS; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: IX-3047-2/14 1.
  8. Verzoeker is vastbenoemd ambtenaar met de graad van medewerker bij het departement Algemene Zaken en Financiën, administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieerde Infrastructuur, afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
  9. Op 9 februari 2001 wordt met een bericht in het Belgisch Staatsblad en een rondschrijven aan het personeel bekendgemaakt dat bij het departement Algemene Zaken en Financiën acht betrekkingen bij bevordering door verhoging in graad vacant worden verklaard . Voor elke vacante betrekking zijn afzonderlijke functiebeschrij- vingen en functievereisten opgesteld . 1.
  10. Op 8 maart 2001 stelt verzoeker zich kandidaat voor drie betrekkingen bij de administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieer- de Infrastructuur. Het gaat om een betrekking van hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur (vacature C2/2001/GINF/06) en twee betrekkingen van hoofdmedewerker bij de afdeling Gebouwen, namelijk bij het afdelingssecretari- aat (vacature C2/2001/GEB/07) en bij de cel boekhouding (vacature C2/2001/GEB/08) . 1.
  11. In zijn vergadering van 23 maart 2001 onderzoekt de directieraad van het departement Algemene Zaken en Financiën de kandidaturen. Voor de betrekking van hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuurwerken (vacature C2/2001/GINF/06) wordt Hugo SCHOEVAERTS op de eerste plaats gerangschikt; voor de twee betrekkingen bij de afdeling Gebouwen zijn dat respectievelijk Patrick LANGENDRIES (vacature C2/2001/GEB/07) en Marnic DE CLERCQ (vacature C2/2001/GEB/08). Verzoeker wordt ex aequo als vierde gerangschikt voor de betrekking van hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur. Hij wordt niet gerangschikt voor de twee betrekkingen bij de afdeling Gebouwen. Bij brieven van 13 april 2001 wordt hij hiervan in kennis gesteld . 1.
  12. Op 27 april 2001 dient verzoeker bezwaar in. Op 8 juni 2001 wordt hij door de directieraad gehoord. De directieraad beslist de rangschikking te handhaven . IX-3047-3/14 1.
  13. Bij aangetekende brief van 17 juli 2001 wordt verzoeker in kennis gesteld van de besluiten van 13 juli 2001 van de secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken en Financiën waarbij acht medewerkers bevorderd worden tot hoofdmedewerker. Hugo SCHOEVAERTS wordt bevorderd tot hoofdmedewerker bij de administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieerde Infrastructuur, afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur (vacature C2/2001/GINF/ 06) en Patrick LANGENDRIES en Marnic DE CLERCQ tot hoofdmedewerker bij de administratie Overheidsopdrachten, Gebouwen en Gesubsidieerde Infrastructuur, afdeling Gebouwen (vacatures C2/2001/GEB/06 en 07). Dit is de bestreden beslissing.
  14. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.1.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in een eerste exceptie opwerpt dat het vernietigingsberoep alleen ontvan- kelijk kan zijn in zoverre het betrekking heeft op de bevordering in de betrekkingen waarvoor verzoeker zich kandidaat heeft gesteld, zijnde de bevorderingen van Hugo SCHOEVAERTS, Patrick LANGENDRIES en Marnic DE CLERCQ; 2.1.
  16. Overwegende dat een ambtenaar in beginsel slechts belang heeft om de vernietiging te vorderen van een bevordering in een betrekking waarvoor hijzelf kandidaat was; dat te dezen verzoeker zich alleen kandidaat heeft gesteld voor de vacante betrekking van hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur en voor de twee vacante betrekkingen bij de afdeling Gebouwen; dat hij geen gegevens verstrekt waaruit zou blijken dat hij belang heeft bij de vernietiging van de bevorderingen tot hoofdmedewerker die in de andere dan de hiervoor vermelde vacante betrekkingen werden toegekend; dat het vernietigingsbe- roep dienvolgens alleen ontvankelijk is in zoverre het gericht is tegen de besluiten van 13 juli 2001 van de secretaris-generaal van het departement Algemene Zaken en Financiën waarbij Hugo SCHOEVAERTS tot hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur en Patrick LANGENDRIES en Marnic DE CLERCQ tot hoofdmedewerker bij de afdeling Gebouwen bevorderd werden, en dat het onontvankelijk is in zoverre het tegen de vijf andere benoemingen van dezelfde dag is gericht; dat de exceptie gegrond is. IX-3047-4/14 2.2.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in een tweede exceptie opwerpt dat tussen de aangevochten benoemings- besluiten geen voldoende samenhang bestaat opdat zij met één verzoekschrift zouden kunnen worden aangevochten; dat zij desbetreffend doet gelden dat de aangevochten besluiten het eindpunt vormen van afzonderlijke bevorderingsproce- dures, die weliswaar eenzelfde tijdsverloop hebben gekend, maar tot stand kwamen op basis van verschillende profiel- en functievereisten en dus van telkens een verschillend toetsingskader in de onderlinge vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten; dat het overigens ook vacatures in verschillende afdelingen van het departement Algemene Zaken en Financiën betreft; dat tussen de aangevochten besluiten geen voldoende samenhang bestaat opdat zou kunnen afgeweken worden van de vaste rechtspraak die vereist dat elk besluit met een afzonderlijk verzoek- schrift wordt aangevochten; 2.2.
  18. Overwegende dat in het belang van een goede rechtsbedeling, meer bepaald om de rechtsstrijd overzichtelijk te houden en de vlotte afwikkeling van de zaak mogelijk te maken, in de regel voor elke vordering een afzonderlijk geding moet worden aangespannen; dat van die regel kan worden afgeweken wanneer de verschillende beslissingen die samen bestreden worden, wat hun voorwerp of hun grondslag betreft, zodanig met elkaar verbonden zijn dat het als waarschijnlijk voorkomt dat vaststellingen gedaan of beslissingen genomen in één zaak een weerslag zullen hebben op de uitkomst van de andere; dat de bestreden beslissingen het eindpunt vormen van benoemingsprocedures die met een enig vacaturebericht werden opgestart; dat het onderzoek van de kandidaturen weliswaar gevoerd werd op basis van verschillende functiebeschrijvingen, en door de directieraad voor elke vacante betrekking een afzonderlijke rangschikking van de kandidaten werd opgemaakt; dat verzoeker tegen deze rangschikkingen echter één globaal bezwaar indiende dat door de directieraad werd afgewezen, zonder dat dit aanleiding gaf tot een afzonderlijke heroverweging van de verschillende door de directieraad opgemaakte rangschikkingen; dat voor elke vacante betrekking weliswaar een afzonderlijk bevorderingsbesluit werd genomen; dat wat de grondslag van de voorliggende vordering betreft, evenwel dient te worden vastgesteld dat drie van de vijf door verzoeker aangevoerde middelen (het eerste, het derde en het vijfde middel) op gelijke wijze op elk van de bestreden bevorderingsbesluiten kunnen worden betrokken en derhalve, indien zij gegrond zijn, tot de vernietiging daarvan leiden, zonder dat een onderscheid tussen de verschillende bestreden bevorderingen moet worden gemaakt; dat in die zin de verschillende aangevochten bevorderingsbe- sluiten als voldoende nauw met elkaar verbonden kunnen worden beschouwd, opdat IX-3047-5/14 de Raad van State, indien die besluiten met verschillende verzoekschriften waren bestreden, de zaken had kunnen samenvoegen; dat de vernietiging van die besluiten dan ook bij één verzoekschrift kan gevorderd worden; dat de exceptie ongegrond is;
  19. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.
  20. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel VIII 73bis van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse regering en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna : het Vlaams personeelsstatuut), doordat geen selectietest over de leidinggevende capaciteiten van de kandidaten werd afgenomen; 3.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij daarop in haar memorie van antwoord antwoordt dat artikel VIII 73bis van het Vlaams personeelsstatuut, dat bevorderingen naar rang C3 betreft, ter zake niet toepasselijk is, maar wel artikel VIII 74 van het Vlaams personeelsstatuut; 3.1.
  22. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat bij recente bevorderingen van graad B1 naar B2 en van graad C1 naar C2 een test door een extern bureau werd georganiseerd; 3.1.
  23. Overwegende dat luidens artikel VIII 73bis van het Vlaams personeelsstatuut van 1993 tot een graad van rang C3 kan worden bevorderd "de ambtenaar met een graad van rang C2 en de ambtenaar met een graad van rang C1 die de tweede salarisschaal van deze rang bereikt heeft, en die geslaagd is voor een test nopens de leidinggevende capaciteiten"; dat deze bepaling uitsluitend betrekking heeft op de bevorderingen tot een graad van rang C3; dat de bestreden besluiten bevorderingen tot een graad van rang C2 betreffen; dat artikel VIII 74 van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt dat "tot een graad van rang C2 kan worden bevorderd de ambtenaar met een graad van rang C1 die de tweede salarisschaal in de functionele loopbaan van deze rang bereikt heeft"; dat voor de bevordering tot een graad van rang C2 derhalve geen test van de leidinggevende capaciteiten is voorgeschreven; dat het middel ongegrond is; 3.2.
  24. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel VIII 76, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut, doordat het aantal betrekkingen van rang C2 bij de afdeling Gebouwen meer dan 20 % van het IX-3047-6/14 aantal betrekkingen van niveau C en bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur, waartoe verzoeker behoort, minder dan 20 % van het aantal betrekkingen van niveau C bevat; 3.2.
  25. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat uit de samenlezing van artikel VIII 76, § 1, met de artikelen VIII 2 en VIII 2bis van het Vlaams personeelsstatuut volgt dat de in artikel VIII 76, § 1 bedoelde quota per departement en zo nodig per administratie moeten worden bereikt; dat volgens de personeelsformatie van het departement Algemene Zaken en Financiën er op 230 betrekkingen van de rangen C1 en C2 46, dit is 20 %, betrekkingen van rang C2 zijn; 3.2.
  26. Overwegende dat verzoeker daarop in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat volgens artikel VIII 76, § 1, van het Vlaams personeelsstatuut de berekening van het aantal betrekkingen van rang C2 per entiteit moet gebeuren en dat, aangezien de afdelingen binnen de Vlaamse administratie een belangrijke rol vervullen en quasi-autonoom werken, moet worden aangenomen dat een afdeling binnen de Vlaamse administratie een entiteit is zoals bedoeld in artikel VIII 76, § 1; 3.2.
  27. Overwegende dat artikel VIII 76, § 1, tweede lid, van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt dat rang C2 20 % van het aantal betrekkingen van niveau C omvat; dat in de toelichting bij het Vlaams personeelsstatuut wordt verduidelijkt dat "de berekening gebeurt per entiteit (departement, administratie) waaruit de personeelsformatie opgebouwd is"; dat aangezien de personeelsformatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij besluit van de Vlaamse regering van 7 december 1994 is vastgesteld per departement, het volstaat dat rang C2 per departement 20 % van het aantal betrekkingen van niveau C omvat; dat er geen verplichting is om de 20 %-regel per afdeling toe te passen; dat verzoeker niet betwist dat die regel voor het departement Algemene Financiën en Financiën geëerbiedigd is; dat het middel ongegrond is; 3.3.
  28. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de zorgvuldigheidsplicht; dat hij daarbij stelt dat het indienen van de kandidaturen ofwel door een aangetekend schrijven ofwel door afgifte tegen ontvangstbewijs van de personeelsdienst gebeurt; dat hij opteerde voor de tweede mogelijkheid en zich met zijn drie kandidaturen, onder gesloten omslag, aanbood bij de personeelsdienst; dat, vooraleer verzoeker een ontvangstbewijs kreeg, de drie IX-3047-7/14 omslagen door Claude VERCAMMEN, medewerker, werden geopend om de nummers van de vacatures te kennen; dat volgens verzoeker, aangezien er in de kandidatuurstelling gepeild wordt naar de visie van de kandidaturen, deze omslagen niet mochten worden geopend vóór het verstrijken van de termijn van dertig kalenderdagen; dat, steeds volgens verzoeker, Claude VERCAMMEN inzage had vóór het afsluiten van deze termijn en er hierdoor informatie verloren kon gaan, doorgespeeld kon worden aan of ingekeken worden door andere kandidaten; dat Claude VERCAMMEN zich trouwens ook kandidaat kon stellen voor deze vacatures; 3.3.
  29. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat niet valt in te zien welk belang verzoeker bij het middel kan hebben, aangezien Claude VERCAMMEN geen concurrent was van verzoeker; dat bovendien het openen van de briefomslagen noodzakelijk was om een ontvangstbewijs voor de kandidaatstel- ling voor een bepaalde betrekking te kunnen afgeven; dat de kandidaatstellingen van de bevorderde kandidaten overigens dateren van vóór de kandidaatstelling van verzoeker zelf; 3.3.
  30. Overwegende dat verzoeker hierop repliceert dat het niet nodig was om de omslagen op voorhand te openen, aangezien hij de vacaturenummers op de omslagen vermeld had; dat hij staande houdt dat de omslagen pas mochten geopend worden na het verstrijken van de inschrijvingstermijn; dat dit moest gebeuren door minstens twee ambtenaren, waarvan één ambtenaar van niveau A, en worden vastgelegd in een proces-verbaal, naar analogie met de wet op de overheids- opdrachten bij de opening der offertes voor leveringen, diensten of werken voor de overheid; 3.3.
  31. Overwegende dat de kandidaturen voor een bevordering, luidens artikel VIII 41, § 4, eerste lid, van het Vlaams personeelsstatuut, "hetzij per aangetekende brief (moeten) worden verzonden, hetzij door middel van een afgegeven brief, waarvoor een bewijs van ontvangst wordt overhandigd, (moeten) worden ingediend binnen dertig kalenderdagen te rekenen vanaf de eerste werkdag na de datum van publicatie van het vacaturebericht in het Belgisch Staatsblad"; dat, anders dan verzoeker stelt, uit de zorgvuldigheidsplicht niet volgt dat de omslagen met de kandidaturen slechts mogen geopend worden na het verstrijken van de termijn van dertig dagen die voor het indienen van de kandidaturen is voorgeschre- ven; dat er immers mag van uitgegaan worden dat de personeelsleden die werkzaam zijn op de personeelsdienst het vertrouwelijk karakter van de door de kandidaten IX-3047-8/14 medegedeelde gegevens eerbiedigen; dat tot bewijs van het tegendeel, er dan ook geen reden is om aan te nemen dat via de personeelsdienst informatie uit de kandidatuur van verzoeker aan andere kandidaten zou zijn doorgegeven; dat de tussenkomende partijen hun kandidatuur overigens ingediend hebben vóór verzoeker, zodat zij onmogelijk over informatie uit de kandidatuur van verzoeker hebben kunnen beschikken; dat het middel ongegrond is; 3.4.
  32. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel de schending aanvoert van de motiveringsplicht; dat hij daarbij stelt dat in de motivering van de beslissing tot benoeming van Hugo SCHOEVAERTS als hoofdmedewerker is vermeld dat deze beschikt over een grote kennis van het werkveld en kan bogen op een ruime en lange ervaring in de sector, terwijl in de motivering over de verzoeker slechts staat dat hij beschikt over een lange ervaring in het werkveld van de afdeling, hoewel verzoeker reeds zesentwintig jaren bij dezelfde afdeling werkt en Hugo SCHOEVAERTS tien jaren bij deze afdeling werkt, en verzoeker hem trouwens heeft opgeleid; dat in de motivering van de beslissing tot benoeming van Patrick LANGENDRIES tot hoofdmedewerker is vermeld dat deze vanuit zijn huidige functie als feitelijk leidinggevende van de boekhoudcel ervaring heeft in het leiden en motiveren van mensen bij de uitoefening van hun taken en op die manier ook goede resultaten bereikt, en in de motivering van de beslissing tot benoeming van Marnic DE CLERCQ tot hoofdmedewerker werd opgenomen dat deze nu reeds met succes de feitelijke leiding waarneemt van drie medewerkers, terwijl in de boekhoudcel van de afdeling Gebouwen waar Patrick LANGENDRIES en Marnic DE CLERCQ werken de leidinggevende functie, volgens verzoeker, uitsluitend rust bij Rita MIGNON; dat verzoeker daarentegen in de Cel West-Vlaanderen administratieve ondersteuning en leiding geeft aan twee medewerkers, één assistent en één beambte, en verzoeker de directieraad hierop attent heeft gemaakt in zijn bezwaarschrift; dat het antwoord daarop luidt dat de vacature een functie betreft op leidinggevend niveau, dat verzoeker geen voldoende argumenten naar voor brengt waaruit blijkt dat hij voldoende ervaring op leidinggevend vlak heeft, dat hij wel functionele leiding geeft maar geen evaluator is van de vier administratieve medewerkers met wie hij samenwerkt; dat verzoeker ook stelt dat noch Patrick LANGENDRIES, noch Marnic DE CLERCQ evaluators zijn van de administratieve medewerkers in de Cel Comptabiliteit; dat derhalve, nog steeds volgens verzoeker, de beslissing werd genomen zonder de rechtens vereiste motieven aangezien de motieven minstens niet afdoende zijn om de bestreden beslissing te dragen, zodat de motiveringsplicht op manifeste wijze werd geschonden; IX-3047-9/14 3.4.
  33. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissingen slechts op inadequate en uiterst fragmentarische wijze betwist; dat wat de bevordering van Hugo SCHOEVAERTS betreft, verzoeker slechts één van de vier hoofdmotieven betwist, en dan nog slechts gedeeltelijk; dat verzoeker niet betwist dat de bevorderde kandidaat een ruime en lange ervaring in de sector heeft en verzoeker alleen stelt dat hij een langere ervaring heeft; dat dit door de directieraad niet over het hoofd werd gezien, maar onvoldoen- de is om de andere motieven waaruit de voorkeur voor Hugo SCHOEVAERTS blijkt, te ontkrachten; dat wat de bevorderingen van Patrick LANGENDRIES en Marnic DE CLERCQ betreft, verzoeker eraan voorbijgaat dat in de benoemingsbe- sluiten in de eerste plaats de nadruk wordt gelegd op het coördinatievermogen van de kandidaten, hetgeen aansluit bij de functievereisten; 3.4.
  34. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aan zijn argumentatie nog toevoegt dat de directieraad gebonden is door het redelijkheidsbeginsel, wat impliceert dat tussen verschillende adviezen van de directieraad geen tegenstrijdigheden mogen bestaan die niet naar redelijkheid verantwoord kunnen worden; dat terwijl het advies voor de vacature van de functie bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur luidde dat verzoeker ervaring met leidinggeven heeft, het advies voor de vacature van de functie van het afdelingsse- cretariaat bij de afdeling Gebouwen luidt dat verzoeker geen ervaring heeft met leidinggeven; dat verzoeker verder aanvoert dat wanneer de directieraad in zijn advies stelt dat het vermogen van verzoeker om de mensen van het afdelingssecreta- riaat van de gebouwen te motiveren niet hoog wordt ingeschat, een vaag verwijt is dat niet met een concreet gegeven wordt gestaafd; 3.4.
  35. Overwegende dat de tussenkomende partij Hugo SCHOEVAERTS in zijn verzoekschrift tot tussenkomst uiteenzet dat hij een ruime kennis van de beleidsvelden van de afdeling heeft en dit over alle sectoren; dat hij deze ervaring heeft opgedaan over een periode van 16 jaar; 3.4.
  36. Overwegende dat de tussenkomende partij Marnic DE CLERCQ uiteenzet dat hij wel degelijk de leiding heeft binnen de cel Comptabiliteit, waar hij evaluator is van drie medewerkers; 3.4.
  37. Overwegende dat de tussenkomende partij Patrick LANGEN- DRIES uiteenzet dat zijn ervaring een belangrijk pluspunt betekent voor zijn nieuwe functie als leidinggevende van het afdelingssecretariaat; dat, aangezien hij van bij IX-3047-10/14 de oprichting van de afdeling Gebouwen werkzaam is op deze dienst, hij goed vertrouwd is met het werkveld van de afdeling en vooral met de werking van het afdelingssecretariaat; 3.4.7.
  38. Overwegende dat verzoeker niet betwist dat de bestreden besluiten de juridische en feitelijke overwegingen vermelden op grond waarvan zij werden genomen, en dat derhalve aan de formele motiveringsplicht werd voldaan; dat het middel dus blijkbaar alleen de materiële motiveringsplicht betreft, welke inhoudt dat een overheidsbeslissing gesteund moet zijn op motieven die feitelijk juist zijn en de beslissing in rechte kunnen verantwoorden; 3.4.7.
  39. Overwegende dat de bevordering van Hugo SCHOEVAERTS tot hoofdmedewerker bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur in het desbetreffen- de benoemingsbesluit als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Hugo Schoevaerts een zeer gestoffeerde en overtuigende kandidatuur heeft ingediend met duidelijke argumentatie en een sterke visie waaruit blijkt dat hij in hoge mate voldoet aan de profielvereisten voor de functie van hoofdmedewerker; dat hij over een grote kennis van het werkveld en een ruime en lange ervaring in de sector beschikt; dat uit zijn vorige functioneringsevaluaties blijkt dat hij heel stressbestendig is en over een goed organisatievermogen beschikt en open staat voor veranderingen en nieuwe initiatieven; dat hij in zijn huidige functie de leiding heeft over 7 personeelsleden en hij dagelijks bewijst dat hij dit team kan leiden en resultaten kan bereiken; dat hij op alle vlakken boven de andere kandidaten uitsteekt”; dat wanneer verzoeker tegen deze motivering inbrengt dat Hugo SCHOEVAERTS slechts tien jaar bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur werkt, terwijl hijzelf reeds zesentwintig jaar bij deze afdeling werkt en Hugo SCHOEVAERTS heeft opgeleid, deze gegevens niet de motivering ontkrachten op grond waarvan de overheid heeft geoordeeld dat Hugo SCHOEVAERTS de meest geschikte kandidaat was; dat het enkele feit dat verzoeker langer bij de afdeling Gesubsidieerde Infrastructuur werkzaam was immers niet aantoont dat verzoeker in grotere mate aan de functievereisten voldeed; 3.4.7.3 Overwegende dat de bevordering van Patrick LANGENDRIES tot hoofdmedewerker bij de afdeling Gebouwen in het desbetreffende benoemings- besluit als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Patrick Langendries in hoge mate voldoet aan de profielvereisten voor de functie van hoofdmedewerker; dat uit zijn vorige functioneringsevaluaties blijkt dat hij over een goed coördinatie- en organisatie- IX-3047-11/14 vermogen beschikt, gecombineerd met een groot verantwoordelijkheidsbesef; dat hij vanuit zijn huidige functie als feitelijk leidinggevende van de boekhoud- cel ervaring heeft in het leiden en motiveren van mensen bij de uitoefening van hun taken en op deze manier ook goede resultaten bereikt; dat hij bovendien vanuit zijn functie ook sterk vertrouwd is met het werkveld van de afdeling en zelfs de werking van het afdelingssecretariaat; dat hij op alle vlakken een hoger niveau bereikt dan de andere kandidaten en vooral zijn organisatievermogen gecombineerd met zijn leidinggevende capaciteiten een pluspunt vormen”; dat de bevordering van Marnic DE CLERCQ tot hoofdmedewerker bij de afdeling Gebouwen in het desbetreffende benoemingsbesluit als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat de heer Marnic De Clercq in hoge mate voldoet aan de profielvereisten voor de functie van hoofdmedewerker; dat hij beschikt over een jarenlange ervaring in de sector (boekhouding afdeling Gebouwen) en nu reeds met succes de feitelijke leiding van 3 medewerkers waarneemt; dat hij een groot organisatievermogen combineert met het vlot nemen van initiatieven; dat uit zijn kandidatuur een heel sterke gedrevenheid en motivatie blijkt; dat hij op alle vlakken een hoger niveau bereikt dan de andere kandidaten en vooral zijn kennis van de sector gecombineerd met zijn leidinggevende capaciteiten een pluspunt vormen”; dat waar verzoeker betwist dat Patrick LANGENDRIES vanuit zijn huidige functie als leidinggevende van de boekhoudcel ervaring heeft in het leiden en motiveren van mensen bij de uitoefening van hun taken en dat Marnic DE CLERCQ nu reeds met succes de feitelijke leiding van drie medewerkers waarneemt, hij evenwel niet aantoont dat de bedoelde vaststellingen feitelijke grondslag missen; dat trouwens op te merken valt dat verzoeker de andere motieven van de bevorderingsbesluiten niet betwist; dat het middel ongegrond is; 3.5.
  40. Overwegende dat verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de inschatting van de verzoeker enkel gebeurde aan de hand van zijn kandidatuurstelling en de evaluatieverslagen en doordat noch zijn afdelingshoofd, tevens tweede evaluator, noch zijn eerste evaluator geïnterpelleerd werden over zijn kandidatuurstelling; dat de informatie waarover de evaluatoren en het afdelingshoofd beschikken, onontbeerlijk was om tot een zorgvuldig afgewogen beslissing te komen; 3.5.
  41. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord antwoordt dat correct toepassing werd gemaakt van artikel VIII 69, derde lid, van het Vlaams personeelsstatuut, dat het mogelijk maakt de titels en verdiensten van de kandidaten te vergelijken aan de hand van de functioneringsevaluatie en de kandidaatstelling; dat het in de eerste plaats de kandidaten zelf zijn die hun eigen IX-3047-12/14 aanspraken moeten naar voor brengen en staven; dat verzoeker het aan zichzelf te wijten heeft indien hij dit niet of onvoldoende heeft gedaan; 3.5.
  42. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert dat bij latere bevorderingen er wel een inschatting door het eigen afdelingshoofd en de functionele chef, en een gesprek met het ontvangende afdelingshoofd plaatsvond. 3.5.
  43. Overwegende dat artikel VIII 69, derde lid, van het Vlaams personeelsstatuut bepaalt dat bij bevorderingen waarvoor geen examen is voorge- schreven, de in aanmerking komende kandidaten onderling worden vergeleken, onder meer op basis van hun functioneringsevaluatie en kandidaatstelling; dat artikel VIII 69, vijfde lid, bepaalt dat de bevoegde directieraad de in aanmerking komende kandidaten via een gemotiveerd voorstel in orde van hun geschiktheid aan de benoemende overheid voordraagt; dat deze voorschriften een zorgvuldig onderzoek van de kandidaturen mogelijk maken , zonder dat een formele raadpleging van het afdelingshoofd en de evaluatoren vereist is; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  44. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  45. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 348,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 746,85 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor één derde. IX-3047-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-3047-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.301 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.103.483 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.