← België

Arrest 170355 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.355 Rolnummer: A. 74520/IX-96 Zaak: Arrest 170355 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 23/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 06:38 Fiche Arrest nr 170.355 van 23 april 2007 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.355 van 23 april 2007 in de zaak A. 74.520/IX-

  1. In zake :
  2. Marc GHIJSENS,
  3. Jean VANHEEL, die woonplaats kiezen bij advocaat G. VAN GRIEKEN, kantoor houdende te BRUSSEL, Vossendreef 4, bus 29 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc GHIJSENS en Jean VANHEEL, adjudant bij de Krijgsmacht, op 2 juni 1997 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 maart 1997 van de jury voor de wedstrijd voor de bevordering tot de graad van adjudant-chef, sessie 1996, waarbij zij haar beslissing van 18 oktober 1996 intrekt voor zover deze betrekking heeft op de kandidaten van de ambtengroep 60; Gelet op het arrest nr. 120.621 van 16 juni 2003 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangestelde lid van het auditoraat wordt belast met een bijkomend onderzoek in de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door adjunct-auditeur St. DE TAEYE; Gelet op de beschikking van 14 april 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; IX-96-1/13 Gelet op de beschikking van 20 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN GRIEKEN, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van luitenant-kolonel militair administra- teur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur St. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de gegevens van de zaak uiteengezet zijn in het arrest nr. 120.621 van 16 juni 2003; 2.
  5. Overwegende dat de verwerende partij met een faxbericht van 23 maart 2007 aan de Raad van State mededeelt dat de beide verzoekers “sinds enige tijd op pensioen werden gesteld”, met name sinds 1 januari 2004, respectieve- lijk 1 juli 2005; dat de verwerende partij zich afvraagt of verzoekers dientengevolge “nog enig belang in hun zaak kunnen hebben” en dat zij verduidelijkt dat de pensionering van verzoekers hen belet om als adjudant-chef in de krijgsmacht te dienen, hetgeen het eerste oogmerk van hun beroep was; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting erkent dat, in het kader van de reglementaire bepalingen op grond waarvan de verzoekers deelnamen aan de wedstrijd voor bevordering tot adjudant-chef, uit hun slagen in de proeven en hun batige rangschikking het recht putten om tot adjudant-chef bevorderd te worden; dat die bevordering niet tot stand gekomen is wegens de intrekking ervan met het bestreden besluit; dat een vernietiging van dat intrekkings- besluit tot gevolg heeft dat de verwerende partij de aanspraken van verzoekers moet honoreren en hen retroactief tot adjudant-chef moet bevorderen; dat het verplicht retroactief herstel van de loopbaan van verzoekers met zich brengt dat hun pensionering geen afbreuk doet aan hun belang bij het voorliggende beroep; IX-96-2/13 3.
  7. Overwegende dat verzoekers in het eerste middel de schending aanvoeren van de rechten van verdediging en van de hoorplicht (eerste onderdeel), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gecombineerd met de artikelen 19, derde lid, 21 en 21bis en 87 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (tweede onderdeel), en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, afzonderlijk beschouwd en gecombineerd met artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (derde onderdeel), doordat zij bij de totstandkoming van het bestreden intrekkingsbesluit niet gehoord zijn en zich ook niet hebben kunnen verdedigen of zich door een raadsman hebben kunnen laten bijstaan, doordat het bestreden besluit verwijst naar een Franstalig verzoekschrift -de zaak A. 72.432/III-22.825, ingediend door J. THOMAS- waarvan zij nooit in kennis gesteld zijn, doordat het bestreden besluit enkel verwijst naar het tijdig indienen van dat verzoekschrift en naar de schending van artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 ter bepaling, bij toepassing van de wet betreffende het gebruik der talen bij het leger, van de samenstelling der in de krijgsmacht in te richten examencom- missies, zonder rekening te houden met artikel 2 van dat besluit en zonder de gehele ontvankelijkheidsproblematiek van dat verzoekschrift te onderzoeken, en doordat het intrekkingsbesluit tot stand gekomen is zonder dat zij de waarborgen hebben genoten waarop zij als tussenkomende partij in het annulatieberoep tegen de beslissing van 18 oktober 1996 recht hadden -inzage van het dossier, bijstand van een raadsman en mogelijkheid om zich te verdedigen, waarborgen op het vlak van de motivering en op het vlak van de talenkennis van de staatsraden-; dat zij, sterk samengevat, de verschillende onderdelen van het middel als volgt toelichten : - een intrekkingsbeslissing moet uitdrukkelijk gemotiveerd worden en moet genomen worden met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur; omdat het om een zwaarwichtige beslissing gaat kan zij slechts getroffen worden mits de betrokkene inzage gehad heeft van het dossier en zich heeft kunnen laten bijstaan door een raadsman; de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die de juridische grondslag vormen voor de intrekking van administratieve beslissingen, sluiten niet uit dat de betrokkene deze garanties geniet; - het bestreden besluit steunt op de vaststelling dat er bij de Raad van State een annulatieberoep ingediend is; zij zullen daarin als tussenkomende partij kunnen optreden; het recht van de overheid om, rekening houdend met dat annulatie- beroep, de beslissing van 18 oktober 1996 in te trekken, houdt in dat zij, wil zij geen discriminatie tot stand brengen, de betrokkenen “analoge waarborgen” moet IX-96-3/13 garanderen als deze waarover zij als tussenkomende partij beschikken op het vlak van het verweer en het verhoor, van de inzage van het dossier en van vertaling van het verzoekschrift; door hen met betrekking tot het recht van verdediging en van bijstand niet dezelfde rechten te verlenen als deze waarover zij als tussen- komende partij beschikken, heeft de verwerende partij hen gediscrimineerd; - de overweging dat er tijdig een verzoekschrift ingediend is volstaat niet om de bestreden beslissing rechtsgeldig te motiveren; zij hebben geen kennis van de inhoud van het verzoekschrift en bovendien omvat de ontvankelijkheid van een annulatieberoep méér dan het temporeel aspect; met name stelt zich ook de vraag naar het belang, in die zin dat de verzoeker J. THOMAS in de zaak A. 72.432/III-22.825 enkel voor zijn eigen belangen kan opkomen en dus niet de uitslag van alle 29 deelnemers kan betwisten; daarop geeft het bestreden besluit geen antwoord, ook niet op de vraag wat er gebeurt met de vrijgekomen plaats van een inmiddels gepensioneerd adjudant; het geeft ook geen uitsluitsel over het al dan niet vertaald zijn van het verzoekschrift ingediend door J. THOMAS, terwijl die vertaling nochtans noodzakelijk was zo de leden van de examenjury zich in de plaats van de Raad van State wensten te stellen en zij aan de belang- hebbenden een volledig inzagerecht en recht van verweer hadden willen garanderen; het mededelen van een afschrift van het verzoekschrift in de zaak A. 72.432/III-22.825 kan zeker niet ondergebracht worden onder de uitzonde- ringsbepalingen van artikel 4 van de wet van 29 juli 1991; ten slotte zegt het bestreden besluit niets over de mogelijke toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 en ook daardoor wordt de formele motive- ringswet geschonden; 3.
  8. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de Raad van State in zijn arrest nr. 76.001 van 29 september 1998 het middel niet ernstig bevonden heeft en dat de bijkomende gegevens die verzoekers in het hier ter sprake zijnde verzoekschrift aanvoeren, de overwegingen van dat arrest niet ontkrachten; 3.
  9. Overwegende dat verzoekers in hun memorie van wederantwoord kritiek uitbrengen op de motieven van het arrest nr. 76.001; dat zij stellen : - in het arrest wordt aangenomen dat zij niet aantonen dat zij een recht op inzage van het dossier zouden hebben en dat zij overigens geen aanvraag hebben gedaan om het dossier in te zien, maar zij zijn door het bestuur nooit verwittigd van het feit dat een intrekkingsbeslissing voorbereid werd en zij zijn ook nooit in kennis gesteld van het annulatieberoep van J. THOMAS; voorts vermeldt de bestreden IX-96-4/13 beslissing niet “op welke juridische grond” de verwerende partij het bestreden besluit heeft kunnen nemen, in acht genomen dat een intrekkingsbesluit “overeenkomt” met een annulatiearrest zodat het recht van verdediging en het recht van bijstand met betrekking tot dergelijk intrekkingsbesluit zijn grondslag vindt in de wetten op de Raad van State; het beroven, in het kader van een intrekkingsbeslissing, van de waarborgen die aan een partij in een annulatie- procedure worden toegekend, komt neer op een niet te verantwoorden discriminatie ten aanzien van “fundamentele aspecten” -recht van verdediging, hoorplicht en zorgvuldigheidsplicht- van een beslissing; - in het arrest wordt gesteld dat de examenjury gerechtigd was haar initiële beslissing in te trekken -omdat zij nog niet definitief was ten aanzien van alle kandidaten en een gedeeltelijke intrekking een ongelijke behandeling tot gevolg zou kunnen hebben-, maar het rechtszekerheidsbeginsel -een grondwettelijke regel, op grond waarvan aangenomen wordt dat in de verhouding tussen het bestuur en zijn ambtenaar, beslissingen onaantastbaar worden zestig dagen nadat de beslissing ter kennis van de ambtenaar gebracht is- verzet zich niet tegen een gedeeltelijke intrekking; de ‘taal-onregelmatigheid’ die in dit geval het intrekkingsbesluit onderbouwt, belet dan ook niet dat de algehele intrekking strijdt met het rechtszekerheidsbeginsel en het bestreden besluit bevat geen enkel redengeving terzake van de discretionaire bevoegdheid waarvan de verwerende partij op dat vlak gebruik zou hebben gemaakt; 3.4.
  10. Overwegende dat het recht van verdediging, behoudens andersluidend voorschrift, alleen van toepassing is in straf- en tuchtzaken; dat de hier bestreden beslissing geen straf- of tuchtzaak betreft en dat geen reglementaire bepaling het recht van verdediging uitbreidt tot beslissingen over de vaststelling van een examenuitslag en de intrekking daarvan; dat verzoekers aldus ten onrechte voorhouden dat zij inzage hadden moeten krijgen van het dossier dat met het oog op de bestreden intrekkingsbeslissing was samengesteld, en dat zij de bijstand van een raadsman hadden moeten kunnen inroepen; 3.4.
  11. Overwegende dat het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat een administratieve overheid tegen niemand een ernstige maatregel kan treffen, die gegrond is op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hij de gelegenheid gehad heeft om zijn standpunt op nuttige wijze ter kennis van het bestuur te brengen; dat in dit geval de bestreden intrekkingsbeslissing geen verband houdt met de persoonlijke situatie IX-96-5/13 waarin de beide verzoekers zich bevinden; dat het recht om gehoord te worden in het kader van een zorgvuldige besluitvorming niet van toepassing is; 3.4.3.
  12. Overwegende dat verzoekers aanvoeren dat er een parallellisme bestaat tussen de regeling die geldt voor de vernietiging van bestuurshandelingen door de Raad van State en de jurisprudentiële regeling die uitgewerkt is ten aanzien van de mogelijkheid om bestuurshandelingen in te trekken; dat zij van oordeel zijn dat, aangezien een vernietigingsarrest en een intrekkingsbesluit hetzelfde rechtseffect hebben, zij in het kader van het besluitvormingsproces over de intrekking dezelfde waarborgen -een echt recht van verweer- genieten als deze welke de reglementering verleent aan een tussenkomende partij in een geding bij de Raad van State; dat volgens hen het afwijzen van de parallelle toepassing van de regeling uit de geschillenprocedure voor de Raad van State een discriminatie doet ontstaan ten nadele van de personen die het voorwerp uitmaken van een intrekkingsbeslissing; 3.4.3.
  13. Overwegende, zo een intrekkingsbesluit inderdaad hetzelfde gevolg heeft als een vernietigingsarrest, te weten dat de ingetrokken beslissing geacht wordt nooit bestaan te hebben, zulks evenwel niet betekent dat de procedurewaarborgen die gelden in het rechtsgeding en die verbonden zijn met de waarborgen die voor het nemen van jurisdictionele beslissingen bestaan, automatisch toegepast moeten worden in een administratief besluitvormingsproces; dat, bij ontstentenis van een wettelijke regeling terzake, er geen sprake kan zijn van een analoge toepassing van de procedureregeling inzake geschillen voor de Raad van State; dat, aangezien de situatie van een persoon die het voorwerp uitmaakt van een administratief besluitvormingsproces niet vergelijkbaar is met de situatie van een partij in een rechtsgeding, verzoekers de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet nuttig bij het middel kunnen betrekken; 3.4.
  14. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen het bestuur ertoe verplicht in een besluit de juridische en de feitelijke grondslagen te vermelden die het besluit dragen; dat die motivering afdoende moet zijn, wat betekent dat zij de betrokkene in staat stelt de beweegredenen te vatten die het bestuur tot zijn beslissing gebracht heeft; IX-96-6/13 Overwegende dat de bestreden beslissing verwijst naar het verzoekschrift bij de Raad van State in de zaak A. 72.432/III-22.825 en naar de “analyse van het tijdig ingediend verzoekschrift”, waaruit blijkt dat de examenjury “niet samengesteld was conform artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969”, aangezien met name “niet alle zetelende leden de grondige kennis van de taal van alle kandidaten, namelijk Nederlands en Frans (bezaten)”; dat de verwerende partij haar intrekkingsbesluit aldus niet steunt op de enkele vaststelling dat er een annulatieberoep ingediend is, maar op het onderzoek dat zij naar aanleiding van dat annulatieberoep -waarvan verzoekers de tijdigheid niet betwisten- gevoerd heeft; dat dergelijke motivering duidelijk de gedachtegang weergeeft die de verwerende partij gevolgd heeft en dat zij als zodanig afdoende is; dat de verwerende partij geen bijkomende uiteenzetting hoefde te geven over de juridische gronden die haar toelieten de beslissing van 18 oktober 1996 in te trekken; dat het argument van verzoekers dat zij geen afschrift gekregen hebben van het annulatieberoep van J. THOMAS geen verband houdt met de schending van de formele motiveringswet; dat de motivering van het bestreden besluit, die verwijst naar artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969, ook niet onregelmatig is omdat daarin geen uiteenzetting is opgenomen over de toepasselijkheid van artikel 2 van datzelfde koninklijk besluit; 3.4.
  15. Overwegende dat verzoekers erop wijzen dat in het bestreden besluit niet uiteengezet wordt waarom de intrekking van de gehele beslissing van 18 oktober 1996 -de intrekking van de examenresultaten van alle kandidaten- zich opdrong; Overwegende dat het bestreden besluit verwijst naar de miskenning van de wetgeving inzake het gebruik der talen bij het leger ten aanzien van de samenstelling van de examenjury; dat dergelijke onregelmatigheid niet afstraalt op het resultaat van één of van enkele kandidaten, maar dat zij alle examenverrichtingen en dienvolgens het resultaat van alle deelnemers vitieert; dat verzoekers niet betwisten dat, op het ogenblik dat J. THOMAS zijn annulatieberoep indiende, de initiële beslissing ten aanzien van alle 29 kandidaten nog niet definitief was; dat de examenjury dan ook terecht kon besluiten dat de gehele examenuitslag uit het rechtsverkeer verwijderd diende te worden, ook al had slechts één teleurgestelde kandidaat een annulatieberoep ingediend; dat zij daarmee geen ongelijkheid tussen de kandidaten tot stand gebracht heeft, hetgeen wel het geval zou zijn geweest indien zij op grond van een onregelmatigheid met betrekking tot het gehele examen slechts de resultaten van enkele kandidaten ingetrokken zou IX-96-7/13 hebben; dat in die omstandigheden de verwerende partij in het bestreden besluit niet nader diende te verklaren waarom de examenuitslag van alle kandidaten ingetrokken werd en dat zij ook niet nader diende in te gaan op het belang van verzoeker J. THOMAS; 3.4.
  16. Overwegende dat verzoekers er ook op wijzen dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het verzoekschrift ingediend door J. THOMAS ten behoeve van de juryleden die moesten beslissen over de intrekking van het besluit van 18 oktober 1996, vertaald werd; dat evenwel dat argument niet dienend wordt aangevoerd, aangezien het intrekkingsbesluit steunt op het onderzoek dat de examenjury, naar aanleiding van het indienen van het beroep van J. THOMAS, gevoerd heeft, en dat ook niet blijkt dat de juryleden niet in staat waren om het Franstalig verzoekschrift te begrijpen en het bij de studie van het dossier te betrekken; 3.4.
  17. Overwegende dat het eerste middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 4.
  18. Overwegende dat verzoekers in het tweede middel verwijzen naar “machtsoverschrijding en onwettelijke motieven” (eerste onderdeel), naar de schending van het rechtszekerheidsbeginsel, van het verbod van retroactiviteit en van de artikelen 14 en 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (tweede onderdeel), en naar de schending van het redelijkheidsbeginsel, het continuïteitsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het zuinigheidsbeginsel (derde onderdeel); dat zij terzake volgende uiteenzetting geven : - het bestreden besluit steunt op de onwettige samenstelling van de jury; de beslissing tot samenstelling van de jury is een individuele beslissing die door de kandidaten gekend was, maar die zij te gelegener tijd niet bestreden hebben; aldus is die beslissing “onaantastbaar” geworden en kan noch verzoeker THOMAS, noch de examenjury zelf de onwettigheid ervan nog inroepen om de onwettigheid aan te tonen van het besluit van 18 oktober 1996; - de intrekking van de beslissing van 18 oktober 1996 is een zwaarwichtige beslissing die slechts mogelijk is “binnen de grenzen van het mogelijk annulatiearrest (in de zaak 72.432)”; het belang van J. THOMAS is gelimiteerd tot een beperkte vernietiging zodat de jury met een algemeen intrekkingsbesluit de grenzen van dat beroep te buiten gegaan is; bovendien was de verwerende partij in dit geval reeds van bij de samenstelling van de examencommissie -dit is dus lang vóór de bestreden beslissing genomen werd- op de hoogte gebracht van IX-96-8/13 de problemen op het vlak van de talenkennis van de juryleden en kan zij zich op 27 maart 1997 niet op haar eigen nalatigheid beroepen om het besluit van 18 oktober 1996 in te trekken; ook de onderlinge verhouding tussen de kandidaten -hun respectieve uitslag- was definitief en de verwerende partij mocht daar niet op terugkomen; de ingetrokken beslissing is niet met fraude verkregen en het gaat ook niet om een onbestaande handeling; - de verwerende partij poogt a posteriori de gevolgen van haar “inactief optreden” te verhelpen; zij had tijdig de samenstelling van de jury moeten wijzigen; in die zin schendt de intrekkingsbeslissing het redelijkheidsbeginsel -de verwerende partij heeft overigens alle uitslagen ingetrokken terwijl zij enkel de concrete situatie van J. THOMAS en verzoekers had moeten overwegen- en het continuïteitsbeginsel -het negeren van vaststaande rechtstoestanden- en getuigt zij van een kennelijk onzorgvuldig optreden -de verwerende partij heeft niet onderzocht of er geen andere mogelijkheden bestonden die alle deelnemers aan het examen recht zouden doen-; 4.
  19. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord refereert aan overweging 2.2.2 uit het arrest nr. 76.001; dat zij daaraan volgende argumenten toevoegt : - een gedeeltelijke intrekking zou tot een ongelijke behandeling van de verschillende kandidaten geleid hebben; - de individuele beslissingen zijn, wegens het annulatieberoep van J. THOMAS, nooit definitief geworden en konden dus rechtsgeldig ingetrokken worden; - ten aanzien van het onderzoek van de vraag naar de mogelijkheid om het besluit van 18 oktober 1996 in te trekken, is het ogenblik waarop het bestuur de samenstelling van de jury kon wijzigen niet relevant, en overigens blijkt niet dat verzoekers te gelegener tijd aangestuurd hebben op een wijziging in de samenstelling van de examenjury; ook moet vastgesteld worden dat de intrekkingsbeslissing steunt op de miskenning van een regel van openbare orde en niet op het indienen van een annulatieberoep door J. THOMAS, waarvan verzoekers overigens de onontvankelijkheid niet aantonen; - verzoekers stellen geen valabel alternatief voor ten aanzien van de wijze waarop het bestuur de vastgestelde onwettigheid kon remediëren; 4.
  20. Overwegende dat verzoekers in hun repliek erop wijzen dat een gedeeltelijke intrekking van het besluit van 18 oktober 1996 mogelijk was, dat de verwijzing naar de schending van een regel van openbare orde niet belet dat de bestreden intrekkingsbeslissing strijdig is “met minstens even zwaarwichtige IX-96-9/13 beginselen zoals de rechtszekerheid” en dat de verwerende partij de volledige intrekking had moeten verantwoorden; 4.4.
  21. Overwegende, wat de vraag betreft of de beslissing waarbij de examenjury werd samengesteld, definitief geworden is en of zulks het voor de verwerende partij onmogelijk maakte om de samenstelling van deze jury tot de grondslag van het bestreden intrekkingsbesluit te maken, dat de beslissing waarbij de leden van de jury voor een bepaald examen worden aangewezen een onderdeel vormt van een complexe rechtshandeling die in dit geval uitloopt op de benoeming van een aantal militairen tot adjudant-chef; dat aangenomen wordt dat de onwettigheden die kleven aan beslissingen die de eindbeslissing voorbereiden, ingeroepen kunnen worden in het kader van een annulatieberoep tegen deze eindbeslissing; dat verzoeker J. THOMAS dan ook gerechtigd was in zijn beroep in de zaak A. 72.432/III-22.825 de onwettige samenstelling van de examenjury als middel aan te voeren; dat zulks betekent dat de samenstelling van de examenjury, hoewel zij op zich niet bestreden werd, niet definitief en onaantastbaar was; dat de verwerende partij op 27 maart 1997 haar beslissing van 18 oktober 1996 nog rechtsgeldig kon intrekken; dat, aangezien de examenjury voor de intrekking van haar besluit van 18 oktober 1996 verwijst naar de schending van de taalwetgeving, zij er terecht mocht van uitgaan dat zij die beslissing ten aanzien van alle kandidaten kon intrekken; dat het bestuur daarbij niet kennelijk onredelijk of onzorgvuldig gehandeld heeft en dat het ook geen afbreuk gedaan heeft aan definitief gevestigde rechtstoestanden; 4.4.
  22. Overwegende, wat de andere onderdelen van het middel betreft, dat daarin in ruime mate voortgebouwd wordt op de grief vervat in het eerste middel, met als essentieel argument dat het bestreden besluit ten onrechte de examenuitslag van alle kandidaten ingetrokken heeft; dat bij de bespreking van het eerste middel hiervóór -sub 3.4.5- uiteengezet is waarom de desbetreffende argumentatie van verzoeker niet bijgevallen wordt; dat voor het overige de omstandigheid dat de examenjury door haar voorzitter in kennis gesteld was van de problemen die deze met betrekking tot de taalkundige samenstelling van de jury had vastgesteld, haar niet moest beletten de beslissing van 18 oktober 1996 in te trekken toen zij vaststelde dat die beslissing, op een ogenblik dat zij nog niet definitief was, met een annulatieberoep bestreden werd; dat voor het overige de omstandigheid dat de voorzitter van de examenjury de administratie reeds kort na het samenstellen van de jury gewezen had op een mogelijke onregelmatigheid vanuit het oogpunt van het gebruik der talen, zonder dat daaraan toen enig gevolg was gegeven, de jury niet kon IX-96-10/13 beletten om later, zelfs nadat zij op 18 oktober 1996 de examenuitslag had vastgesteld, op deze kwestie terug te komen, met name toen bleek dat haar beslissing van 18 oktober 1996 met een annulatieberoep was bestreden; 4.4.
  23. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 5.
  24. Overwegende dat verzoekers in een derde middel de schending aanvoeren van de regel “patere legem quam ipse fecisti” en van artikel 2 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 ter bepaling, bij toepassing van de wet betreffende het gebruik der talen bij het leger, van de samenstelling der in de krijgsmacht in te richten examencommissies (eerste onderdeel), dat zij verwijzen naar artikel 159 van de Grondwet en de miskenning van een substantiële vormvereiste aangezien bij de totstandkoming van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 nagelaten werd het advies in te winnen van de commissie van advies, ingesteld door het koninklijk besluit van 20 oktober 1964 tot oprichting van een commissie van advies van het militair personeel van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst (tweede onderdeel); dat over het derde onderdeel van het middel reeds uitspraak gedaan is met het arrest nr. 120.621 van 16 juni 2003; dat zij het middel als volgt verduidelijken : - aangezien het volgens de verwerende partij onmogelijk was om de examenjury overeenkomstig artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 samengesteld te krijgen, was artikel 2 van dat besluit van toepassing; de examenjury voldeed aan die bepaling, aangezien er “minstens twee Nederlandstalige en minstens twee Franstalige juryleden” waren -aan de ene kant GOOSSENS en SMEKENS en aan de andere kant GOOSSENS en WEICKER- en aangezien er niet vereist wordt dat het precies dezelfde officieren zijn die de grondige kennis van de beide landstalen moeten bezitten; de beslissing van 18 oktober 1996 is dan ook, als in overeenstemming met dat artikel 2, regelmatig tot stand gekomen; - overeenkomstig artikel 7 van het koninklijk besluit van 20 oktober 1964 tot oprichting van een commissie van advies voor het militair personeel moet de minister van Landsverdediging alle zaken die van belang zijn voor de militairen voorleggen aan de commissie van advies; het betreft een substantiële vormvereiste, waarvan de miskenning met zich brengt dat de betreffende regeling door de rechter buiten toepassing gehouden moet worden; het koninklijk besluit van 31 juli 1969 is niet aan de commissie van advies voorgelegd en bijgevolg kan de verwerende partij naar dat besluit niet verwijzen om de beslissing van 18 oktober 1996 in te trekken; IX-96-11/13 5.
  25. Overwegende dat de verwerende partij in essentie verwijst naar de overweging 2.3.2.1 van het arrest nr. 76.001; 5.3.
  26. Overwegende dat, zoals in het arrest nr. 120.621 van 16 juli 2003 is gesteld, overeenkomstig artikel 31, § 1, van de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger, niemand tot examinator kan worden benoemd indien hij niet de grondige kennis bezit van de taal waarin de recipiëndi ondervraagd moeten worden; dat die verplichting, voor wat de officieren betreft, overgenomen is in artikel 1 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 waarnaar het bestreden intrekkingsbesluit verwijst; dat, aangezien de examencommissie die op 18 oktober 1996 de uitslag van de proeven voor de toegang tot de graad van adjudant-chef vaststelde, Nederlandstalige en Franstalige kandidaten diende te ondervragen, alle leden van deze examencommissie de grondige kennis van het Nederlands en het Frans dienden te bezitten; dat, daargelaten de vraag of artikel 2 van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 wel rechtsgeldig een afwijking op dat principe kon instellen, vastgesteld wordt dat die bepaling een minder strenge regeling bevat voor het geval het onmogelijk is een examencommissie samen te stellen die voldoet aan artikel 1, terwijl uit het administratief dossier van de zaak -waaromtrent de verzoekers geen tegenbewijs leveren- blijkt dat er binnen de medische dienst voldoende officieren waren die de grondige kennis van de beide landstalen hadden; dat de examencommissie op grond van die vaststelling regelmatig heeft kunnen besluiten dat zij op 18 oktober 1996 niet rechtsgeldig samengesteld was en de op die dag genomen beslissing wettig heeft kunnen intrekken; 5.3.
  27. Overwegende dat de Raad van State in het arrest nr. 77.263 van 27 november 1998 vastgesteld heeft dat het koninklijk besluit van 20 oktober 1964 de Grondwet miskent; dat het door dat besluit ingevoerde advies van de commissie van advies dan ook de wettigheid van het koninklijk besluit van 31 juli 1969 niet kan aantasten; 5.3.
  28. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen gegrond is; 6.
  29. Overwegende dat verzoekers in hun laatste memorie een bijkomend middel aanvoeren waarin zij stellen dat, wanneer aangenomen wordt dat de examenjury die de beslissing van 18 oktober 1996 genomen heeft die bevoegdheid niet bezat, diezelfde onbevoegdheid ook tegen de bestreden intrekkingsbeslissing ingebracht kan worden; IX-96-12/13 6.
  30. Overwegende dat een collegiaal orgaan dat in een bepaalde samenstelling een beslissing genomen heeft, die beslissing -wanneer de voorwaarden daartoe vervuld zijn- kan intrekken, hetzij in de samenstelling die de initiële beslissing genomen heeft, hetzij in zijn regelmatige samenstelling; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  31. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  32. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 694,12 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 23 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-96-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.355 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.