← België

Arrest 170451 - Milieuvergunningen - 25/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.451 Rolnummer: A. 178570/VII-36748 Zaak: Arrest 170451 - Milieuvergunningen - 25/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-03 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:38 Fiche Arrest nr 170.451 van 25 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.451 van 25 april 2007 in de zaak A. 178.570/VII-36.

  1. In zake : de b.v.b.a. NIFRA-VAN CAMP, die woonplaats kiest bij advocaat M. SCHOUPS, kantoor houdende te ANTWERPEN, De Burburestraat 6-8 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN, die woonplaats kiest bij advocaat C. SERVAIS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Roderveldlaan
  2. tussenkomende partijen :
  3. Katrien DE VLAEMYNCK,
  4. Kris MINNE,
  5. Gilbert BAETENS,
  6. Jos SUETENS,
  7. Johan VANDERSANDE,
  8. Dorine VAN DE SANDE, die woonplaats kiezen bij advocaat C. VALLET, kantoor houdende te BERCHEM, Koninklijkelaan
  9. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. NIFRA - VAN CAMP op 16 november 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Antwerpen dd. 24 augustus 2006 waarbij beslist werd tot opheffing van de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Boechout dd. 3 april 2006 waarbij aan de BVBA Nifra-Van Camp een milieuvergunning werd verleend"; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-36.748-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaten A. MEEL en F. WAUTERS die, loco advocaat M. SCHOUPS verschijnen voor de verzoekende partij, van advocaat J. NEUTS die, loco advocaat C. SERVAIS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. HULPIAU die, loco advocaat C. VALLET verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  10. De feiten. 1.
  11. De verzoekende partij baat een bedrijf uit dat zaden en granen behandelt en verpakt. 1.
  12. Volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, ligt het bedrijf deels in woongebied en deels in woonuitbreidingsgebied. 1.
  13. Op het ogenblik dat zij de milieuvergunningsaanvraag indiende die aanleiding gaf tot de thans bestreden beslissing, beschikte de verzoekende partij ingevolge een ministerieel besluit van 10 mei 1996 over een vergunning voor "de opslag van 1.000 ton granen en zaden voor een termijn van 20 jaar, vanaf 24/01/1991". Hetzelfde ministerieel besluit weigerde evenwel de vergunning voor "mengmotoren, elevators, zeefmachines en dergelijke met een geïnstalleerde totale VII-36.748-2/6 drijfkracht van 10,24 kW". Dit ministerieel besluit werd door de verzoekende partij niet aangevochten. 1.
  14. Op 21 november 2005 dient de verzoekende partij een milieuvergunningsaanvraag in om de inrichting voor het behandelen en verpakken van granen verder te exploiteren en uit te breiden. 1.
  15. Op 3 april 2006 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Boechout de gevraagde vergunning, voor een termijn die eindigt op 24 november 2011 samenvallend met de einddatum van de eerdervermelde vergunning van 10 mei
  16. 1.
  17. Tegen dit vergunningsbesluit worden diverse administratieve beroepen ingesteld door derden-belanghebbenden bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. 1.7 Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 24 augustus 2006 de thans bestreden beslissing genomen, waarbij het beroep wordt ingewilligd, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de milieuvergunning wordt geweigerd aan de verzoekende partij.
  18. De tussenkomst. Met een verzoekschrift van 15 december 2006 vragen Katrien DE VLAEMYNCK, Kris MINNE, Gilbert BAETENS, Jos SUETENS, Johan VANDERSANDE en Dorine VAN DE SANDE, omwonenden van de betrokken inrichting, om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Dit verzoek kan worden ingewilligd.
  19. De ontvankelijkheid. Aangezien zoals hierna zal blijken, niet aan de tweede schorsingsvoorwaarde is voldaan, is het niet dienstig om in te gaan op de exceptie van de verwerende en de tussenkomende partij. VII-36.748-3/6
  20. De beoordeling. 4.
  21. Op grond van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen terzake in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan in beginsel geen acht slaan op hetgeen ter terechtzitting nog door de verzoekende partij wordt bijgebracht. 4.
  22. De verzoekende partij voert in wezen aan dat zij zonder milieuvergunning niet verder kan exploiteren, en het bedrijf dus zal moeten sluiten "omdat er geen alternatieve vestigingsplaats voor handen is". Zeven mensen zouden hun werk verliezen. Verder stelt de verzoekende partij dat een financieel nadeel het voortbestaan van de onderneming in het gedrang brengt. 4.
  23. De verwerende en de tussenkomende partijen stellen daar tegenover dat er te dezen geen sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verwerende partij zet meer bepaald het volgende uiteen : "Hierbij moet tevens worden opgemerkt dat in de beslissing van 10 mei 1996 de vergunning wordt geweigerd voor een inrichting voor het zuiveren en mengen van granen, toegerust met mengmotoren, elevators, zeefmachines en dergelijke met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10,24 kW. Alleen voor de opslag van zaden werd vergunning verleend. Deze beslissing werd nooit aangevochten door verzoekende partij bij Uw Raad. Verzoekende partij heeft deze beslissing dus niet als griefhoudend beschouwd en heeft daarmee tevens aangegeven niet over een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te beschikken". 4.
  24. De verzoekende partij stelt ten onrechte dat zij over geen enkele milieuvergunning meer beschikt en daarom haar bedrijf zal moeten sluiten. Zij beschikt ingevolge het ministerieel besluit van 10 mei 1996 over een vergunning voor de opslag van 1.000 ton granen en zaden, en dit voor een termijn verstrijkend op 24 januari
  25. Daardoor verkeert de verzoekende partij niet in de volstrekte onmogelijkheid om elke activiteit verder te zetten. De beweerde dreiging voor het voortbestaan van de kwestieuze onderneming vloeit niet voort uit de bestreden beslissing, maar vindt haar oorsprong in het niet aangevochten ministerieel besluit VII-36.748-4/6 van 10 mei
  26. De verzoekende partij had haar niet-vergunde activiteiten reeds tien jaar geleden moeten stopzetten. Het beweerde nadeel dat volgens de verzoekende partij voortspruit uit de bestreden beslissing, is een nadeel dat enkel te wijten is aan haar eigen onwettig handelen. De verzoekende partij verduidelijkt evenmin welk nadeel de weigering van de uitbreiding van de inrichting voor haar teweegbrengt en toont in het bijzonder niet aan dat die uitbreiding noodzakelijk was om haar voortbestaan te verzekeren. Ten slotte is het nadeel dat betrekking heeft op de beweerde werkloosheid van 7 werknemers geen persoonlijk nadeel voor de verzoekende partij en kan het bijgevolg niet in aanmerking worden genomen. De verzoekende partij brengt dus onvoldoende elementen aan die het bestaan van enig nadeel zouden kunnen aantonen. 4.
  27. Er is bijgevolg niet voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  28. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  29. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 750 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een zesde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april tweeduizend en zeven, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, VII-36.748-5/6 A. WIJNANTS. E. BREWAEYS. VII-36.748-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.451 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.598 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.