id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.464 Rolnummer: A. 67743/IX-1958 Zaak: Arrest 170464 - Politie - 25/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-10 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:38 Fiche Arrest nr 170.464 van 25 april 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.464 van 25 april 2007 in de zaak A. 67.743/IX-1958. In zake : Dominique MATTHEEUWS, die woonplaats kiest bij advocaat E. BRAL, kantoor houdende te GENT, Residentie Ter Leiekade, Henleykaai 3R tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, p.a. de Federale Politie DGP/DPS, gevestigd te BRUSSEL, Fritz Toussaintstraat 47. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dominique MATTHEEUWS op 20 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 december 1995 van de commandant van de rijkswacht waarbij haar met ingang van 31 december 1995 de hoedanigheid van kandidaat-officier en de hoedanigheid van leerling van een school van de rijkswacht ontnomen wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 5 oktober 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-1958-1/10 Gelet op de beschikking van 18 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 februari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. BRAL die verschijnt voor verzoekster, en van adviseur P. VERHEYDEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak samengevat kunnen worden als volgt: 1.1. Op 27 september 1993 wordt verzoekster, licentiate in de rechten en in de criminologie, opgenomen in de rijkswacht in de hoedanigheid van leerling aan de school voor rijkswachtofficieren. Op 1 september 1994 wordt zij toegelaten tot de vervolmakingscyclus aan de Applicatieschool van de school voor rijkswachtofficieren voor het volgen van het tweede gedeelte van de opleiding van kandidaat-officier. 1.2. Op 27 juli 1995 ondertekent de commandant van de vervolmakingscyclus, de eenheidscommandant van verzoekster, een document waaruit blijkt dat zij met 9,7 punten op 20 mislukt is voor het gedeelte “beroepsgeschiktheid” van de opleiding. Op 4 augustus 1995 stelt verzoekster dienaangaande een verweerschrift op en verklaart zij gehoord te willen worden door de commandant van de rijkswacht (hierna: de CGd) omdat zij “alle kansen tot een eventuele herkansing van (een) examen(
- s)gaaf (wenst) te houden”. 1.3. Op 4 augustus 1995 adviseert de commandant van de school voor officieren, verzoeksters korpscommandant, aan de commandant van de Koninklijke Rijkswachtschool: IX-1958-2/10 “(...) a. De eindbeslissing over het al dan niet slagen wordt door Cgd getroffen. De Kand Offr die wordt afgewezen tijdens de cyclus van de voortgezette opleiding, kan door Cgd toegelaten worden deze cyclus éénmaal over te doen. b. Olt MATTHEEUWS is een zeer zwak element die nog een gebrek aan maturiteit vertoont, weinig invloed, persoonlijk gezag en geschiktheid tot bevelvoering heeft. Zij heeft meestal haar best gedaan om te verbeteren. c. Naar aanleiding van een operatie einde mei, waarvoor zij een week gehospitaliseerd werd, en een maand verlof voor gezondheidsredenen genoot, heeft Olt Ll MATTHEEUWS maar aan een gedeelte van de stage Dist deelgenomen en heeft ze noch deelgenomen aan de twee weken praktische oefeningen ‘operaties’ noch aan de laatste oefeningen ‘eksamenstijl’. d. Naar mijn mening toe zou zij, ofwel toegelaten kunnen worden de volledige beroepscyclus 1996-1997 te volgen en het eindeksamen met deze promotie af te leggen, ofwel zou zij toegelaten kunnen worden de eksamens af te leggen eind februari - begin maart 1996 na een praktijkgerichte stage in de Ksch Gd en de ARG. Gezien de persoonlijkheid van betrokkene en haar zwakten om de theorie in praktijk om te zetten, zou mijn voorkeur naar de eerste oplossing gaan.” 1.4. Op 4 september 1995 vraagt verzoekster aan de commandant van de rijkswacht “NIET om het geheel of een gedeelte van de vervolmakingscyclus aan de AS te herbeginnen, noch om toegelaten te worden tot de opleidingscyclus van een andere categorie, noch om het overgaan naar het kader van de Ooffr, maar WEL om benoemd te worden, al dan niet onder de voorwaarde tot het doorlopen van een stage openbare orde ten einde mijn praktische vaardigheden te evalueren”. 1.5. Op 19 september 1995 ondertekent verzoeksters eenheidscommandant een nota naar aanleiding van haar verweerschrift van 4 augustus 1995. Hij besluit niets te veranderen aan de punten met betrekking tot de beoordeling van haar beroepsbekwaamheid. 1.6. Op 22 september 1995 geeft de eenheidscommandant een ongunstig advies over de vraag van verzoekster om haar toch te benoemen. Het advies is gemotiveerd als volgt: “De beslissing om de hoedanigheid van leerling Kand Offr te ontnemen kan op basis van een mislukking in een vak, een vakkengroep, in de studies, in de beroepsbekwaamheid of in het examen van lichamelijke geschiktheid. Deze ontneming zou inhouden dat de voorwaarden om benoemd te kunnen worden, niet aanwezig zijn. Een benoeming kan dus niet gebeuren.” Op 24 september 1995 dient verzoekster een verweerschrift in tegen dit ongunstig advies, waarin zij stelt: IX-1958-3/10 “1. Ik kan me niet akkoord verklaren met de gevolgde redenering in het advies. Het is duidelijk dat het model B de bedoeling had om een benoeming mogelijk te maken samen met de Offr-Lln van de AS, dit eventueel onder bepaalde voorwaarden (beperkt herexamen, stageperiode...) voor zover noodzakelijk. Gezien de verstreken tijd vooraleer dit model B behandeld werd is het hoofddoel, namelijk de benoeming samen met de anderen praktisch voorbijgestreefd en heeft dit model B een deel van zijn voorwerp verloren. 2. Teneinde iedere spraakverwarring uit te sluiten wens ik hier duidelijk te stellen dat ik twee opties voorop stelde: enerzijds wenste ik niet de AS opnieuw te beginnen of een opleidingscyclus te volgen van een andere categorie indien men opteerde van mijn hoedanigheid van Kand Offr te ontnemen, anderzijds wenste ik wel benoemd te worden en dit al dan niet onder voorwaarden. Het ontnemen van de hoedanigheid van Kand Offr dient dus niet gelezen te worden of in verband gebracht te worden met de tweede optie namelijk de benoeming en staat dus enkel in relatie met de optie dat men mij niet benoemt waarbij ik duidelijk expliciteer om geen andere opleidingscyclus te gaan beginnen. 3. Het is duidelijk dat een ontneming van de hoedanigheid geen benoeming kan inhouden. Tot daar volg ik de redenering. Doch het feit dat een benoeming niet kan gebeuren klopt niet met de gevolgde redenering, immers de hoedanigheid van Kand Offr is mij nog niet ontnomen, of werd hier reeds een beslissing genomen?” 1.7. Met een nota van 6 oktober 1995 zendt de korpscommandant van verzoekster haar dossier aan de commandant van de Koninklijke Rijkswachtschool. Hij verandert niets aan het advies van de deliberatiecommissie: verzoekster is mislukt voor de module B. Hij kan haar verzoek om samen met haar promotiegenoten benoemd te worden niet gunstig adviseren. 1.8. Met een nota van 18 oktober 1995 zendt de commandant van de Koninklijke Rijkswachtschool verzoeksters dossier aan de hoofddirectie van het personeel. Hij stelt dat zij niet aan de vereisten voldoet om rijkswachtofficier te worden en niet de gepaste ingesteldheid bezit om als officier de voorbeeldfunctie en de voortrekkersrol te vervullen terwijl het herbeginnen van de vervolmakingscyclus, gelet op haar mentaliteit, heel waarschijnlijk weinig verbetering zou brengen. Hij stelt voor om haar de hoedanigheid van leerling kandidaat-officier te ontnemen. Ook adviseert hij “ongunstig” inzake haar aanvraag van 4 september 1995 tot benoeming. 1.9. Op 27 oktober 1995 beslist de CGd dat verzoekster niet geslaagd is voor de vervolmakingscyclus. Met een nota van 20 november 1995, die luidt als volgt, betekent de hoofddirecteur van het personeel deze beslissing aan verzoekster: IX-1958-4/10 IX-1958-5/10 “(...) Ref : 1. Onderhoud HDP voorzien op 091700 Nov 95 (...) 2. Srt Offr Nr 1342 d.d. 27 Okt 95 3. G20, 28quater, 39, § 4 en 40,4/ Gelet op het feit dat u zich niet hebt aangemeld voor het onderhoud voorzien in Ref 1, stuur ik u als bijlage de beslissing van de Cgd opgenomen in onderwerp. Er wordt u gevraagd kennis te nemen volgens de richtlijnen vervat in de nota in Ref 2. Wij vragen u tevens uw intenties met betrekking tot het verder verloop van uw carrière binnen het korps kenbaar te maken. U beschikt over de mogelijkheid tot het opstellen van een aanvraag tot het geheel of gedeeltelijk overdoen van de beroepscyclus als kandidaat-officier of van de examens (Ref 3, G20, 28quater) of een aanvraag om toegelaten te worden tot een opleidingscyclus van een lager niveau (Ref 3, G20, 39, §§ 4 en 5). Voor deze doeleinden werd een model B als bijlage gevoegd dat dient te worden overgezonden aan het Srt Offr binnen een termijn van vijf werkdagen na de betekening van de beslissing in onderwerp (Ref 2) teneinde mij toe te laten in uwen hoofde tijdig (gelet op de academische programma’
- s)een beslissing te laten nemen. De afwezigheid van enige aanvraag volgens de modaliteiten supra aangeduid, heeft de vaststelling van het verlies van de hoedanigheid van leerling tot gevolg (Ref 3).” 1.10 Op 21 december 1995 zendt de CGd aan verzoekster een nota waaruit blijkt dat haar de hoedanigheid van kandidaat-officier ontnomen wordt en dat zulks impliceert dat zij de hoedanigheid van leerling van een school van de rijkswacht verliest. De nota luidt: “ONDERWERP : Vervolmakingscursus 94/95 Ref : 1. HDP-Srt Offr- 1342 d.d. 27 Okt 95 - AANGETEKEND d.d. 21 Nov 95 (als bijlage) 2. HDP-Srt Offr - 1441 d.d. 20 Nov 95 - AANGETEKEND d.d. 21 Nov 95 (als bijlage) 3. Sch Offr - 1248 d.d. 01 Dec 95 (als bijlage) 4. B7/GW/00001/95/D-35 d.d. 20Nov 95 - AANGETEKEND d.d. 21 Nov 95 (als bijlage) 5. ASRD/SGSG/A/VZ/341/11/95 d.d.28 Nov 95(als bijlage) 6. Mod B Nr 1133 d.d. 17 Dec 95 1. Bij mijn beslissing in Ref 1 liet ik u weten dat u niet geslaagd was voor de vervolmakingscyclus 94/95 en tegelijkertijd werd u bij Ref 2 verzocht uw intenties kenbaar te maken binnen een termijn van vijf werkdagen na de kennisgeving. Die termijn verstreek op 14 december 1995, zijnde de vijfde werkdag nadat u op 7 december 1995 de aangetekende zending op de postdienst afhaalde. Aan beide documenten, u bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht op 21 november 1995, gaf u, behoudens Ref 6, geen gevolg en dit ondanks ons telefonisch aandringen (cf. Ref 3). Die kennisgevingswijze drong zich op omdat een persoonlijke kennisgeving bij u thuis onmogelijk bleek (cf. Ref 3) en omdat u verstek liet gaan voor het door u zelf gesolliciteerde gesprek met de Hoofddirecteur van het Personeel (cf. Ref 4). 2. Uw pleitbezorger verwees in zijn schrijven in Ref 5 inzake uw desiderata m.b.t. het verdere verloop van uw loopbaan bij de rijkswacht, enkel en alleen IX-1958-6/10 naar de specifieke vraag die u eertijds formuleerde in uw Model B van 4 september 1995. Zelf voegt u daar evenmin iets aan toe (cf. Ref 6). Op die vraag, zijnde de benoeming in de graad van Olt, kan niet worden ingegaan omdat zij niet behoort tot de mogelijkheden waarvoor u reglementair kon opteren, zoals die u werden toegelicht in Ref 2. 3. Gelet op het voorgaande en zoals bovendien werd aangestipt in fine van Ref 2, ontneem ik u derhalve de hoedanigheid van kandidaat op grond van art. 39, § 2,1/, van het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht. Ingevolge art. 40, 4/, van hetzelfde besluit, impliceert dit dat u eveneens de hoedanigheid van leerling van een school van de rijkswacht verliest. Het verlies van beide hoedanigheden geldt vanaf 31 december 1995. (...)” Dit is de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat verzoekster de beslissing van de commandant van de rijkswacht waarbij zij definitief mislukt werd verklaard voor de opleiding tot onderluitenant en die haar op 7 december 1995 ter kennis gebracht is, als zodanig niet bestreden heeft; dat het onderhavig beroep gericht is tegen de beslissing waarbij verzoekster de hoedanigheid van kandidaat-officier en van lid van de rijkswachtschool wordt ontnomen; dat zij met haar beroep vastgesteld wil zien dat zij deze hoedanigheden behouden heeft en dat zij van oordeel is dat het vernietigingsarrest zal leiden tot haar reïntegratie als lid van de school in de hoedanigheid van kandidaat-officier en tot een nieuwe beoordeling van haar situatie, waarbij zij uitzicht krijgt op een benoeming tot onderluitenant onder de opschortende voorwaarde te slagen voor de praktische opleiding en eventueel een herexamen af te leggen; 2.2. Overwegende dat het bestreden besluit genomen is met toepassing van het koninklijk besluit van 9 april 1979 betreffende de werving en vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht; dat artikel 28quater, § 1, van dat besluit bepaalt dat ingeval een kandidaat-officier op het einde van de beroepscyclus afgewezen wordt, hij van de commandant van de rijkswacht de toelating kan verkrijgen om de cyclus eenmaal over te doen; dat artikel 39, § 4, bepaalt dat de leerling, die in aanmerking zou kunnen komen voor het ontnemen van zijn hoedanigheid van kandidaat-officier omdat hij geen toelating verkregen heeft om zijn opleiding voort te zetten, mag vragen om tot een opleidingscyclus van een lager niveau toegelaten te worden; dat artikel 40, 4/, bepaalt dat de kandidaat- officier, aan wie deze hoedanigheid wordt ontnomen en die niet toegelaten wordt tot IX-1958-7/10 de opleidingscyclus van een andere personeelscategorie, de hoedanigheid van leerling van een rijkswachtschool verliest; Overwegende dat verzoekster na de kennisneming van haar mislukking in de opleiding aldus kon vragen om de opleiding tot officier over te doen of om toegelaten te worden tot een opleidingscyclus van een lager niveau; dat verzoekster evenwel, blijkens haar formele mededeling aan de verwerende partij, op geen van die mogelijkheden wenste in te gaan, maar dat zij erop stond onmiddellijk tot onderluitenant benoemd te worden onder de voorwaarde van het slagen in een stage-openbare orde, zoals volgens haar met een ander kandidaat- officier was gebeurd; dat de verwerende partij dan ook, na de vaststelling dat zij niet geslaagd was in de voortgezette opleiding, geen andere mogelijkheid had dan verzoekster de hoedanigheid van kandidaat-officier te ontnemen alsook, aangezien zij geen opleiding van lagere rang wenste te volgen, haar hoedanigheid van leerling van de rijkswachtschool; 2.3. Overwegende dat verzoekster nooit betwist heeft dat de verwerende partij in een vernietigingsarrest de rechtsplicht niet zal vinden om haar genoegdoening te geven en haar tot onderluitenant te benoemen; dat los van de hiervoor gemaakte vaststelling dat de verwerende partij, in acht genomen de keuze die verzoekster zelf gemaakt had, nog slechts een gebonden bevoegdheid had, de vraag rijst of verzoekster thans nog wel blijk geeft van het wettelijk vereiste actueel belang; dat die vraag in dit geval des te meer klemt, aangezien de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, het politielandschap volledig hertekend heeft en dat, ter uitvoering van die wet, het voornoemde koninklijk besluit van 9 april 1979 waarbij de vorming van het personeel van het operationeel korps van de rijkswacht wordt ingericht, opgeheven is; dat het aan verzoekster behoort om aan te tonen dat, binnen het nieuwe kader dat op het getouw gezet is, de verwerende partij ook nu nog de mogelijkheid heeft om, wanneer zij na een vernietiging opnieuw de hoedanigheid verwerft van kandidaat-officier van de rijkswacht, haar te benoemen in een betrekking die overeenstemt met deze van onderluitenant bij de rijkswacht; 2.4. Overwegende dat, dienaangaande ondervraagd, verzoekster met een brief van 31 januari 2007 aan de Raad van State mededeelt dat zij volhardt in haar oorspronkelijke vordering en dat zij “door de betwiste beslissing niet alleen een moreel, doch tevens een financieel nadeel lijdt”; dat haar raadsvrouw zulks ter IX-1958-8/10 terechtzitting bevestigd heeft, zonder daarbij nog nadere toelichting te verstrekken; dat daarmee evenwel niet aangetoond wordt dat verzoekster binnen de actuele reglementaire context nog kan gereïntegreerd worden in de diensten van de verwerende partij op een plaats en in een hoedanigheid die overeenstemt met deze welke zij bekleedde op het ogenblik van het bestreden besluit; 2.5. Overwegende dat verzoekster enkel nog in het algemeen verwijst naar een financieel en een moreel nadeel; dat ervan uitgegaan kan worden dat zij met een financieel nadeel doelt op de gevolgen van haar verwijdering uit de rijkswacht en dat het moreel nadeel verwijst naar de gevolgen van haar mislukking in de opleiding; Overwegende dat, als hoger aangegeven, het koninklijk besluit van 9 april 1979 de verwerende partij geen andere mogelijkheid bood dan verzoekster uit de rijkswacht te verwijderen; dat een vernietigingsarrest verzoekster geen pecuniair voordeel kan opleveren; dat het moreel nadeel geen betrekking heeft op het bestreden besluit, maar op de uitslag die verzoekster behaalde in haar opleiding; dat de vernietiging van het bestreden besluit de beslissing waarbij verzoekster niet geslaagd verklaard is niet uit het rechtsverkeer zou wegnemen; 2.6. Overwegende dat verzoekster het bestaan van een actueel belang niet aantoont; dat het beroep niet langer ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. IX-1958-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 25 april 2007, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1958-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.464 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div