← België

Arrest 170495 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/04/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.495 Rolnummer: A. 148774/XIV-27528 Zaak: Arrest 170495 - Dienst Vreemdelingenzaken - 25/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:38 Fiche Arrest nr 170.495 van 25 april 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 170.495 van 25 april 2007 in de zaak A. 148.774/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. STEVENS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Schuttersstraat 15-17 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indiase nationaliteit, op 12 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf niet-ontvankelijk wordt verklaard; Gelet op de beschikking van 18 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 14 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-27.528-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat S. STEVENS verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij op 23 juni 2003 via de burgemeester van de gemeente Bonheiden een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) indient; dat de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag op 13 november 2003 niet-ontvankelijk verklaart; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkene hier sedert 1993 in België verblijft, na al die tijd hier geïntegreerd is, hier werkt, vormen geen buitengewone omstandigheden om de aanvraag in België te kunnen rechtvaardigen. De elementen met betrekking tot de integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een eventueel onderzoek conform art 9 alinea 2 van de wet van 15.12.
  3. De aanvraag kan in het land van herkomst ingediend worden. Gelieve betrokkene mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  4. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapsstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hem/haar een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat hij/zij voor kennisname heeft getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkene nog in uw gemeente verblijft, en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van uw bevindingen.”; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending van het evenredigheidsbeginsel opwerpt en aanvoert dat zij in 1993 in België aankwam, eerst allerlei werkjes opknapte om in haar onderhoud te voorzien en sedert 2001 officieel werkt in de tomatenpluk, dat zij in België wil blijven omdat zij goed geïntegreerd is en het Nederlands machtig is, dat de burgemeester in de bestreden beslissing vergeet dat de verzoekende partij sedert 1993 in België verblijft en volledig van haar geboorteland ontvreemd is en dat de bestreden beslissing derhalve moet worden vernietigd; XIV-27.528-2/5 2.1.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat zij binnen haar bevoegdheid en gelet op de concrete situatie van de verzoekende partij, conform de relevante rechtsregels waaronder het evenredigheidsbeginsel, heeft beslist dat de verzoekende partij geen uitzonderlijke omstandigheden heeft aangehaald waarom zij haar aanvraag niet via de gewone procedure zou kunnen indienen, dat de aangevoerde elementen het voorwerp van een eventueel onderzoek overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet kunnen uitmaken, dat de integratie van de verzoekende partij enkel mogelijk is geweest door haar verblijf sedert 1993 met een vals Grieks paspoort en dat zij gedurende heel die periode de Belgische autoriteiten bewust heeft misleid; 2.1.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij slechts verwijst naar haar binnenkomst in België en haar wil tot integratie; dat zij daarmee niet aantoont dat de bestreden beslissing in een onredelijk verband staat tot het doel van de verblijfswetgeving, rekening gehouden met de motieven van de bestreden beslissing; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt en aanvoert dat de motivering van een beslissing de juridische en feitelijke motieven moet vermelden en afdoende, dit is draagkrachtig en duidelijk, moet zijn, dat een stereotiepe, geijkte of standaardmotivering, zoals in casu, niet afdoende is, dat een individuele benadering van het specifieke geval niet zichtbaar is, dat de verzoekende partij sedert 1993 in België verblijft, er sedert 2001 officieel is tewerkgesteld, belastingen betaalt en in een ziekenfonds is ingeschreven en dat zij zich hier heeft aangepast en Nederlands heeft geleerd zodat het onredelijk zou zijn haar naar India terug te sturen; 2.2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord stelt dat de algemene verwijzing naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet volstaat voor een ontvankelijk middel, dat de bestreden beslissing alleszins voldoende met redenen is omkleed, dat uit het inleidend verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven kent, dat die motieven volstaan om de bestreden beslissing naar genoegen van recht te onderbouwen, dat de beschouwingen van de verzoekende partij daar geen afbreuk aan doen en dat betreffende de concrete kritiek van de verzoekende partij naar de repliek op het eerste middel wordt verwezen; XIV-27.528-3/5 2.2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het middel herhaalt; 2.2.
  12. Overwegende dat de formele motiveringsplicht, waarop de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking heeft, tot doel heeft dat de bestuurde in de hem aanbelangende beslissing de gronden kan terugvinden waarop die beslissing is gesteund om aldus met kennis van zaken te kunnen nagaan of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover de bestuurde in rechte beschikt; dat de motieven op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen en betrekking hebben op de concrete situatie van de verzoekende partij, met name dat haar verblijf sedert 1993 in België, haar integratie en haar werk geen buitengewone omstandigheden vormen om de aanvraag in België in te dienen, dat die aanvraag in het land van herkomst kan worden gedaan en dat de door de verzoekende partij aangevoerde elementen het voorwerp van een eventueel onderzoek op overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet kunnen uitmaken; dat de verzoekende partij aldus kennis heeft van de motieven in rechte en in feite waarop de bestreden beslissing is gesteund en dat die motieven draagkrachtig zijn; dat daarmee aan de voornaamste doelstelling van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het tweede middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij met de stelling dat het “onredelijk zou zijn om vertoger thans opnieuw naar India te sturen”omdat zij zich in België heeft aangepast en Nederlands heeft geleerd, niet aannemelijk maakt dat de motieven van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk zijn; dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn beoordeling van de opportuniteit van het bestreden beslissing in de plaats te stellen van de beoordeling door de verwerende partij; dat het tweede middel ook in die mate ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. XIV-27.528-4/5 Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig april tweeduizend en zeven, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-27.528-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.495 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.