id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.575 Rolnummer: A. 81520/VII-17489 Zaak: Arrest 170575 - Milieuvergunningen - 26/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:39 Fiche Arrest nr 170.575 van 26 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.575 van 26 april 2007 in de zaak A. 81.520/VII-17.489 In zake : de n.v. MAX PELS, die woonplaats kiest bij advocaat J. RAETS, kantoor houdende te 3830 WELLEN, Bosstraat 6 B tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. MAX PELS op 11 december 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 oktober 1998 waarbij het beroep dat omwonenden hebben ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken van 22 april 1998, houdende het verlenen aan de verzoekende partij van de vergunning voor het veranderen van een inrichting waar bouwmaterialen en betonproducten worden vervaardigd, gelegen aan de Steenweg 109 te Alken, gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan de verzoekende partij de gevraagde vergunning wordt geweigerd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 15 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-17.489-1/12 Gelet op de beschikking van 9 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. RAETS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van bestuurssecretaris I. WILLEMS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- De verzoekende partij exploiteert te Alken een bedrijf waar betonproducten worden geproduceerd. 1.
- De inrichting is volgens het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgestelde gewestplan Hasselt-Genk deels gelegen in een KMO-zone, deels gelegen in een woongebied met landelijk karakter en deels gelegen in agrarisch gebied. In een straal van 100 meter zijn er een 10-tal woningen vreemd aan het bedrijf. 1.
- Met betrekking tot deze inrichting zijn in het verleden verschillende vergunningen verleend: op 7 juni 1984 verleende het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken een vergunning voor dertig jaar en op 19 mei 1993 verleende het college een vergunning voor de uitbreiding van de bestaande inrichting. Deze uitbreiding werd echter niet uitgevoerd zoals voorzien door laatstgenoemde vergunning. 1.
- Op 11 februari 1998 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken een aanvraag in voor een uitbreiding van de bestaande vergunde inrichting met een bijkomende productieloods. VII-17.489-2/12 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden twee bezwaarschriften ingediend. 1.
- Op 22 april 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde milieuvergunning voor een termijn die eindigt op 9 november
- 1.
- Op 29 mei 1998 stellen verschillende omwonenden tegen deze beslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg. Zij stellen dat zij een toename in de geluidsoverlast zullen ondervinden door de kwestieuze uitbreiding van de productiecapaciteit van het bedrijf. 1.
- Op 17 augustus 1998 brengt de Provinciale Milieuvergunnings- commissie een ongunstig advies uit. 1.
- De bestendige deputatie beslist op 16 september 1998 om de behandelingstermijn van het beroep met één maand te verlengen. 1.
- Op 7 oktober 1998 worden de omwonenden-beroepsindieners uitgenodigd voor een hoorzitting waarvan verslag wordt opgemaakt door de afdeling Milieu en Natuur. 1.
- Op 15 oktober 1998 wordt het beroep van de omwonenden door de bestendige deputatie gegrond verklaard, wordt de beroepen beslissing opgeheven en wordt de door de verzoekende partij gevraagde vergunning geweigerd. Dit is het bestreden besluit. Het besluit is onder meer als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat het volgens het verslag van de uitgevoerde geluidsmeting om een bestaande inrichting gaat, zodat de inrichting moet voldoen aan de akoestische voorschriften voor bestaande inrichtingen; dat echter, gelet op de definities in hoofdstuk 1.1 van Vlarem II het om een nieuwe inrichting gaat en dat de voorwaarden voor nieuwe inrichtingen van toepassing zijn; dat er volgens de gedane meting niet wordt voldaan aan deze voorwaarden; Overwegende dat een deel van het bedrijf niet werd opgericht conform de vroeger ingediende milieuvergunningsaanvraag; dat de geplande uitbreiding van het bedrijf de hinder voor de buurt nog zal verhogen; Overwegende dat de uitgevoerde geluidsmeting geen akoestisch onderzoek is en de geluidswerende maatregelen die voorgesteld werden onvoldoende zijn om het geluidsprobleem op te lossen; VII-17.489-3/12 Overwegende dat uit onderzoek van de zaak blijkt dat de opslag van de betonnen septische putten niet vergund werd; Overwegende dat het bovenvermelde stilzwijgend gunstig advies van de afdeling ROHM van AROHM niet meer in aanmerking moet genomen worden aangezien het advies tijdens de bespreking van dit dossier in de PMVC werd herzien; dat over deze aanvraag enkel nog ongunstige adviezen worden uitgebracht; Overwegende dat de tijdens het openbaar onderzoek ingediende bezwaren en opmerkingen en de argumenten van de beroepers m.b.t. de geluidshinder als gegrond worden beschouwd; Overwegende dat de door de aanvrager aangebrachte gegevens als volgt kunnen geëvalueerd worden : - het argument m.b.t. de onontvankelijkheid van het beroep wordt als ongegrond beschouwd; Artikel 23 §3 van het Milieuvergunningsdecreet van 28/06/1985 bepaalt uitdrukkelijk: ‘Het beroep moet worden ingediend bij aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de bestreden beslissing’. Artikel 49 §2 van Vlarem I bepaalt hieromtrent : ‘Het in §1 bedoelde beroep dient bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad ingediend bij ter post aangetekend schrijven binnen een termijn van dertig kalenderdagen voor de in §1, 4/ vermelde personen, na de dag dat tot de in artikel 31 bedoelde aanplakking van de bekendmaking is overgegaan’; dat in casu het beroepschrift aangetekend werd verstuurd op 29 mei 1998; dat aldus binnen de gestelde termijn van dertig dagen na de dag van aanplakking van de bekendmaking (29/04/1998) beroep werd ingesteld; - wat betreft de genomen maatregelen om de geluidshinder te beperken en de uitgevoerde geluidsmeting: Zoals hoger reeds vermeld worden de maatregelen geacht onvoldoende te zijn om het geluidsprobleem op te lossen; de geluidsmeting is slechts indicatief en niet representatief voor de algemene geluidsproductie afkomstig van de inrichting".
- De ontvankelijkheid 2.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een eerste exceptie op waarbij zij stelt dat het beroep van de verzoekende partij niet ontvankelijk is omdat het verzoekschrift werd ingesteld door haar advocaat, terwijl het bevoegde orgaan van de n.v. MAX PELS haar raadsman voorafgaandelijk diende te machtigen om dergelijk beroep te kunnen instellen. Deze exceptie mist feitelijke grondslag. Bij het verzoekschrift tot nietigverklaring is immers een, door drie bestuurders ondertekend, afschrift gevoegd van het verslag van 27 november 1998 van de vergadering van de raad van bestuur van de n.v. MAX PELS waarbij besloten wordt om beroep in te stellen. Voor het overige volgt uit artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dat een advocaat door het ondertekenen van het verzoekschrift wordt geacht de VII-17.489-4/12 bevoegde procesvertegenwoordiger van de verzoekende partij te zijn. De eerste exceptie is niet gegrond. 2.
- De verwerende partij werpt in de memorie van antwoord een tweede exceptie op waarbij zij stelt dat onderhavig beroep onontvankelijk is omdat de verzoekende partij heeft nagelaten in het verzoekschrift tot nietigverklaring het nummer van inschrijving in het handelsregister te vermelden, zoals vereist bij toenmalig geldende artikelen 41 en 42 van de wetten betreffende het handelsregister, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 20 juli
- In haar memorie van wederantwoord heeft de verzoekende partij melding gemaakt van haar nummer van inschrijving in het handelsregister. Uit de voormelde artikelen 41 en 42 van bovenvermelde wetten blijkt dat de niet- vermelding van het nummer van de inschrijving in het handelsregister in de gedinginleidende akte, in de loop van de procedure kan worden goedgemaakt. De oorspronkelijke tekortkoming werd te dezen rechtgezet, zodat de tweede exceptie niet gegrond is.
- De gegrondheid 3.1.
- Als eerste middel voert de verzoekende partij aan dat de verwerende partij het beroep van de omwonenden ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, daar het volgens haar buiten de termijn werd ingediend en het dossier bovendien onvolledig was. De verwerende partij repliceert hierop door te stellen dat het eerste middel niet ontvankelijk is omdat de verzoekende partij de rechtsregels die geacht worden te zijn geschonden, niet aanduidt. In haar memorie van wederantwoord laat de verzoekende partij gelden dat het "gehele gebeuren (...) beoordeeld (dient) te worden vanuit een feitelijke kontext (sic)" en dat in het verzoekschrift bij de uiteenzetting over "De grond van de zaak" wel degelijk wordt aangegeven "welke inbreuken er volgens haar zijn gepleegd en waarom". In haar laatste memorie voegt de verzoekende partij hieraan nog toe dat "het niet bijvoegen van de bij wet voorgeschreven dokumenten (...) de VII-17.489-5/12 onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg (heeft)" en "slechts als het dossier volledig is (...) het als ingediend (kan) worden beschouwd". 3.1.
- Het middel wordt voldoende duidelijk door de samenlezing van de verschillende onderdelen van het verzoekschrift. De verwerende partij ontwikkelt zelf een verweer op hetgeen kan worden begrepen uit het inleidend verzoekschrift. Artikel 49, §§1 en 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) bepalen dat tegen elke beslissing die in eerste aanleg door het college van burgemeester en schepenen is genomen inzake milieuvergunningen, beroep kan worden ingesteld "binnen een termijn van dertig kalenderdagen" die volgens artikel 49, §2, 2/, van Vlarem I ingaat "na de dag dat tot de in artikel 31 bedoelde aanplakking van de bekendmaking is overgegaan". Uit het administratief dossier blijkt dat de beroepen beslissing werd aangeplakt van 29 april 1998 tot 29 mei
- Het beroepschrift werd op 29 mei 1998 aangetekend verstuurd naar de verwerende partij en is dus ontegensprekelijk binnen de termijn van artikel 49 van Vlarem I ingediend. De vaststelling dat de beroepsindieners eerst op 9 juni 1998 hun verzoekschrift hebben vervolledigd met een voor eensluidend verklaard afschrift van het attest van bekendmaking van de beroepen beslissing, kan niet tot de onontvankelijkheid van het beroep leiden, omdat deze rechtzetting gebeurde op een ogenblik dat de termijn om beroep in te stellen nog lopende was. De kennisgeving van het administratief beroep op het ogenblik dat het nog voorlopig onontvankelijk was, in afwachting van het toezenden van het vereiste eensluidend verklaarde attest van bekendmaking van de beroepen beslissing, heeft er toe geleid dat de verzoekende partij haar verdediging kon organiseren in het kader van de administratieve beroepsprocedure, hetgeen zij heeft gedaan door met een schrijven van 8 juni 1998 te reageren op de inhoud van het ingediende beroepschrift en door enkele dagen later een uitdrukkelijk verzoek in te dienen om in het kader van de beroepsprocedure te worden gehoord. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- Onder het tweede middel brengt de verzoekende partij onder de hoofding "De grond van de zaak" een aantal uiteenlopende grieven samen. VII-17.489-6/12 Zij voert het volgende aan : "• Het moet opvallen dat zowel de adviserende organen als de bestendige deputatie op geen enkel ogenblik het voorwerp van de vergunning ttz. een nieuw op te richten loods hebben bestudeerd of beoordeeld. Alle adviezen en motieven hebben betrekking op een bestaande loods welke uiteraard niet ter zake dienend is. De facto & na abstractie van de motivatie welke betrekking heeft op de bestaande loods, is de beslissing niet gemotiveerd nu er dan niets meer overblijft. Ook alle adviezen waarop de BD haar beslissing heeft gesteund ondergaan hetzelfde lot. De facto is er geen motivatie welke betrekking heeft op het voorwerp van de vergunning zelf. • De bestendige deputatie heeft haar bevoegdheid overschreden door zich uit te laten over de bestaande toestand en door een bestaande situatie exclusief aan te wenden ter beoordeling van een nieuwe vergunning waarvoor objectief gezien alle voorwaarden waren vervuld en een positief resultaat voor de hand lag. • De Bestendige Deputatie heeft de voorgeschreven procedure miskent en de rechten van de verdediging geschonden door verzoekster niet in te lichten over haar beslissing om een tweede hoorzitting te houden. Tevens omwille van het feit dat zij naliet verzoekster in de mogelijkheid te stellen haar verweer te voeren omtrent hetgeen op deze zitting is gezegd en voorgelegd. De inhoud en de stukken zijn subjectief en verdienden precisering. Verzoekster kreeg de kans hiertoe niet. • De Bestendige Deputatie heeft haar macht afgewend door een verlenging van behandelingstermijn goed te keuren omwille van het feit - zo bleek achteraf - dat men een tweede hoorzitting wilde houden en men de gevolgen van overschrijding van termijn wilden voorkomen. Enig weerhoudbaar motief is niet voorhanden. De bij wet voorgeschreven termijnen zijn bindend en kunnen slechts in welbepaalde omstandigheden worden aangepast. Deze welbepaalde omstandigheden waren hier niet aanwezig zodat de BD haar macht ten onrechte heeft afgewend. • Ook hier werden de rechten van verdediging geschonden doordat verzoekster niet in kennis werd gesteld van de precieze toedracht van deze beslissing. De BD schoot hier tekort in haar zorgvuldigheidsplicht. Zij had verzoekster in de gelegenheid moeten stellen én kennis te nemen van het resultaat van deze hoorzitting én hierop te kunnen reageren hetgeen ze naliet te doen. • Het bedrijf van verzoekster is in 1932 opgericht. Het stelt tientalle mensen tewerk. Het is grotendeels gelegen in een KMO-zone (de nieuwe loods werd volledig in de KMO zone gepland). Het bedrijf beschikt over alle noodzakelijke vergunningen voor de beoogde exploitatie ter plaatse. Het economisch belang van de nieuwe loods is enorm en determinerend voor de economische instandhouding van de activiteiten en de werkgelegenheid. Dit belang weegt meer dan op tegen de verzuchtingen van drie buurtbewoners welke zich recent ter plaatse hebben gevestigd en wiens verzuchting niet wordt gedeeld door nog tientalle andere families in de onmiddellijke omgeving. Bij de afweging van de respectievelijke belangen had men logischerwijze voor deze van verzoekster moeten kiezen. • Tevens wordt de fair play & het gelijkheids- & redelijkheidsbeginsel tussen burgers geschonden nu verzoekster niet in kennis werd gesteld van de ware toedracht van de beslissing tot verlenging van de behandeling. Tevens omdat verzoekster niet werd verwittigd van de nieuwe hoorzitting noch van het resultaat ervan. Verzoekster had de kans op repliek moeten krijgen. • De organen welke de BD hebben geadviseerd hebben zich hoofdzakelijk gesteund op de verzuchtingen van de beroepers en de bestaande toestand. Enig zinnig of tegensprekelijk onderzoek is niet gebeurd. Nochtans heeft de VII-17.489-7/12 BD zich op deze arbitraire adviezen gesteund om tot een beslissing te komen hetgeen een inbreuk uitmaakt op de zorgvuldigheidsplicht van het bestuur". In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij op de door de verzoekende partij aangevoerde schending van de rechten van verdediging omdat zij niet werd ingelicht over het houden van een tweede hoorzitting en zij hieromtrent geen verweer heeft kunnen voeren. Zij stelt dat de verzoekende partij "haar verweermiddelen schriftelijk (had) overgemaakt" aan de bestendige deputatie, zodat deze "het standpunt van verzoekende partij tot in detail kende" en dat "de noodzaak om verzoekende partij nogmaals te horen niet alleen wettelijk niet vereist was, maar bovendien in feite volstrekt overbodig was". Wat betreft de beweerde machtsafwending en de schending van de rechten van verdediging, stelt de verwerende partij dat het niet onredelijk is om de behandelingstermijn met één maand te verlengen om in te gaan op het verzoek van de beroepsindieners om gehoord te worden. Voorts stelt de verwerende partij dat het besluit van 16 september 1998 van de bestendige deputatie slechts een "voorbereidend besluit" is en het niet gaat over een rechtshandeling, "zodat de wetgeving inzake motivering van bestuurshandelingen er niet op van toepassing is" en er evenmin sprake kan zijn van enige schending van de zorgvuldigheidsplicht of van het fairplay-, het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel. De verzoekende partij reageert in haar memorie van wederantwoord op de argumenten van de verwerende partij door te stellen dat er met betrekking tot de beweerde geluidsoverlast "op geen enkele tegensprekelijke wijze ooit een vaststelling van overlast is gedaan" en dat zij "zeker (had) gevraagd een tweede keer gehoord te worden" indien zij op de hoogte zou geweest zijn van de argumenten en de feiten die tijdens de hoorzitting van de beroepsindieners aan bod waren gekomen. Zij voegt hier ten slotte aan toe dat de verwerende partij er niet in slaagt "een aanvaardbare reden op te geven voor het verlengen van de behandelingstermijn van het beroep" en dat er "slechts in uitzonderlijke gevallen (...) gebruik gemaakt (kan) worden van de mogelijkheid tot verlenging van de behandelingstermijn". 3.2.2.
- Over de beoordeling van de aanvraag in het licht van het voorwerp ervan. In haar laatste memorie reageert de verzoekende partij op het auditoraatsverslag door te stellen dat "Lisec, een onafhankelijk bureau, ter plaatse VII-17.489-8/12 metingen heeft gedaan" en dat er met betrekking tot de geluidshinder die de omwonenden beweren te ondervinden "geen enkele overschrijding werd waargenomen". Het verslag omtrent de geluidshinder, waarvan de verzoekende partij in de laatste memorie gewag maakt, dateert van 23 maart 1998 en werd aan de beoordeling van de verwerende partij voorgelegd, zoals blijkt uit de brief die de verzoekende partij aan de bestendige deputatie verstuurde op 8 juni
- De vergunningsaanvraag die tot de bestreden weigeringsbeslissing heeft geleid, heeft als voorwerp het uitbreiden van een bestaande vergunde inrichting met een bijkomende productieloods. Uit het bestreden besluit blijkt dat de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de uitbreiding van de activiteiten ter plaatse zou leiden tot een onaanvaardbare toename van de geluidshinder voor de onmiddellijk omwonenden van de inrichting. Wanneer aan de vergunningverlenende overheid een aanvraag tot uitbreiding van een bestaande inrichting wordt voorgelegd, moet zij voor de beoordeling van de hinderlijkheid uitgaan van de hinder van de ganse inrichting, inclusief de reeds bestaande hinder, en niet louter van de hinder die toegeschreven kan worden aan de onderdelen die het voorwerp van de gevraagde uitbreiding uitmaken. De verwerende partij mag dus, zoals thans het geval is, rekening houden met de hinder die teweeggebracht wordt door de reeds bestaande exploitatie. De verzoekende partij toont verder niet aan dat de motivering van het bestreden besluit kennelijk onredelijk zou zijn. Het eerste onderdeel is niet gegrond. 3.2.2.
- Het horen van de beroepsindieners door de bestendige deputatie en de schending van de rechten van verdediging. Uit het administratief dossier blijkt dat de bestendige deputatie zelf de beroepsindieners op hun verzoek heeft gehoord, terwijl de verzoekende partij, die daarom niet had verzocht, niet op de hoorzitting werd uitgenodigd. Het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet) en zijn uitvoeringsbesluiten bepalen niet dat belanghebbenden op hun verzoek door de bestendige deputatie moeten worden gehoord. Hieruit volgt echter niet dat de bestendige deputatie onwettig handelt wanneer ze, zoals te dezen het geval is, in het kader van de beoordeling van een VII-17.489-9/12 vergunningsaanvraag het toch raadzaam acht om op een verzoek om gehoord te worden in te gaan. In principe moet, met het oog op de gelijke behandeling van de betrokken partijen, aan de aanvrager van de vergunning de kans worden gegeven om te reageren op verklaringen die de beroepsindieners hebben afgelegd tijdens de hoorzitting, ten minste wanneer uit de gegeven omstandigheden blijkt dat de beslissing over de vergunningsaanvraag steunt op die verklaringen en die verklaringen als een nieuw en negatief element worden beschouwd. Te dezen is hiervan geen sprake, daar de vergunningsaanvraag van de verzoekende partij werd geweigerd om redenen van geluidsoverlast en niet om andere redenen die voor het eerst tijdens de hoorzitting voor de bestendige deputatie werden uiteengezet. Tenslotte heeft de verwerende partij zich bij het nemen van het bestreden besluit aangesloten bij de uitgebrachte adviezen, die te dezen alle ongunstig waren omwille van de geluidshinder. Het tweede onderdeel is niet gegrond. 3.2.2.
- Over de verlenging van de beslissingstermijn en de beweerde machtsafwending en machtsoverschrijding. Het behoort niet tot het wezen van de milieuvergunningsplicht dat de particuliere belangen van de exploitant van een hinderlijke inrichting boven het belang dat de omwonenden hebben bij een rustige leefomgeving en een gezond leefmilieu gesteld moeten worden. Wanneer de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat de door de exploitatie veroorzaakte hinder voor mens en leefmilieu niet binnen aanvaardbare perken blijft, handelt zij correct door de vergunning te weigeren, ongeacht de economische gevolgen die de weigering teweegbrengt voor de aanvrager van de vergunning. Bovendien kadert het horen van de beroepsindieners, hoewel niet wettelijk voorzien, in de afwikkeling van de beroepsprocedure, waarbij de beoordelende overheid er alle belang bij heeft dat zij een duidelijk inzicht verwerft in de precieze omstandigheden van de zaak. Er kan slechts sprake zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid welke haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofde oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling. De beschouwingen die de verzoekende partij naar voor VII-17.489-10/12 brengt tonen niet aan dat er sprake zou zijn van machtsafwending. Voorts kan de bewering van de verzoekende partij dat er sprake is van machtsoverschrijding niet worden bijgetreden, nu de verlenging van de behandelingstermijn met één maand niet onredelijk is en de bestendige deputatie haar bevoegdheid niet te buiten is gegaan. Het derde onderdeel is niet gegrond. 3.2.2.
- De schending van het fairplay-, het gelijkheids- en het redelijkheidsbeginsel. Met het enkele feit dat een beoordeling ongunstig uitvalt voor de aanvrager van de vergunning, is nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel aangetoond. Voorts is het niet kennelijk onredelijk een milieuvergunning tot uitbreiding van een bestaande inrichting te weigeren op grond van het motief dat de toename van vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse zou leiden tot onaanvaardbare hinder voor de omwonenden. Het vierde onderdeel is niet gegrond. 3.2.2.
- De "kritiek op de adviezen". In het ongunstig advies van de Provinciale Milieuvergunningscommissie van 17 augustus 1998, waarop de verwerende partij zich in belangrijke mate steunt, wordt wel degelijk aandacht besteed aan de standpunten die de verzoekende partij tijdens de beroepsprocedure heeft laten gelden. Het is niet omdat die standpunten geen bijval krijgen in het bestreden besluit, dat er sprake is van een eenzijdige behandeling van het dossier of van een "arbitraire" besluitvorming. De verzoekende partij brengt geen elementen aan die het tegendeel zouden bewijzen. Het vijfde onderdeel is niet gegrond.
- Het verzoekschrift tot nietigverklaring werd gezegeld ten belope van 7.500 BEF. Het teveel gekweten recht ten belope van 500 BEF dient te worden terugbetaald aan de verzoekende partij, VII-17.489-11/12 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Artikel
- De teveel betaalde fiscale zegels, ten bedrage van 12,39 euro, dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-17.489-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.575 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div