id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.576 Rolnummer: A. 87754/VII-19860 Zaak: Arrest 170576 - Milieuvergunningen - 26/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-08 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:39 Fiche Arrest nr 170.576 van 26 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.576 van 26 april 2007 in de zaak A. 87.754/VII-19.
- In zake : Karel PISHOUDT, die woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te BRUSSEL, Antoine Dansaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Karel PISHOUDT op 8 november 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 7 september 1999 waarbij het beroep van Karel PISHOUDT en Marie-Jeanne BOGAERT ingesteld tegen de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge van 29 juni 1999 inzake de melding van verandering van een bestaande inrichting ingediend door J. GOEN, gelegen aan het Driespad 1 te Tielt-Winge, onontvankelijk wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-19.860-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor verzoeker, en van advocaat K. LARDENOIT die, loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- J. GOEN heeft op 25 september 1990 overeenkomstig artikel 25 van het A.R.A.B. vergunningsaangifte gedaan voor een inrichting klasse 2, gelegen te Sint-Joris-Winge, Driespad 3 (sectie D, nrs. 50n en 50p), en omvattende een stal- opslagplaats voor mest, een totaal vermogen aan elektromotoren van 5 kW, 9 grote zoogdieren, 150 gespeende varkens vanaf 10 weken, en de opslag van 220 m³ dierlijke mest. Deze aangifte werd op 1 oktober1990 in ontvangst genomen door het gemeentebestuur, zonder dat daarvan formeel akte werd genomen. 1.
- In juni 1999 doet verzoeker aan het gemeentebestuur melding inzake de verandering van een vergunde inrichting, gelegen aan het Driespad 1, te Tielt-Winge, Sectie D, nrs. 50n, 50p, 52g, 44m, 62f, met als voorwerp : - stalling van voertuigen, - houden van een brandstoftank bovengronds, - lozen van normaal huishoudelijk afvalwater, - lozen van bedrijfsafvalwater na doorstroming in septische put of vetvanger. Het betreft klasse 3-rubrieken. VII-19.860-2/8 Op 24 juni 1999 levert het gemeentebestuur daarvoor een ontvangstbewijs af. 1.
- Op 29 juni 1999 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge akte van deze melding. 1.
- Met een op 31 augustus 1999 gedateerd beroepschrift dient verzoeker, samen met zijn echtgenote, tegen deze akteneming beroep in bij de verwerende partij. 1.
- Op 7 september 1999 beslist de gemachtigde ambtenaar namens de verwerende partij dat het beroepschrift onontvankelijk is. Dit is het bestreden besluit, dat luidt als volgt : "Het beroep is onontvankelijk. Aan uw verzoek om de bovengenoemde aktename te vernietigen kan in het kader van de milieuwetgeving niet worden voldaan. Uit het onderzoek van het beroepschrift blijkt dat de melding van de exploitant betrekking heeft op stalling van voertuigen, een brandstoftank voor voertuigen, lozen van huishoudelijk afvalwater en lozen van afvalwater van het wassen van dieren. Deze meldingen behoren tot de indelingscategorie van de derde klasse. Het lozen van afvalwater afkomstig van het wassen van dieren is zelfs niet ingedeeld. Het bedrijf van J. GOEN is rechtsgeldig vergund als een klasse 2-inrichting. Het toevoegen van hinderlijke inrichtingen van de indelingscategorie klasse 3 aan de bestaande inrichting van tweede klasse valt onder de bevoegdheid van het College van burgemeester en schepenen om er akte van te nemen. Uit uw geschrift blijkt dat dit is gebeurd. De exploitant is hierdoor in regel. Het gaat over louter klasse 3-inrichtingen die beschouwd worden samen met de bestaande klasse 2-inrichting als milieutechnische eenheid. Milieutechnisch kan eigenlijk een klasse 3-melding niet geweigerd worden. Overeenkomstig het uitvoeringsbesluit Vlarem I is hiertegen geen beroep mogelijk. De burgemeester wordt wel geacht de aktename bekend te maken. De meldingsprocedure hierover is bepaald in hoofdstuk II: De Melding - Klasse 3-inrichtingen, VLAREM I".
- De ontvankelijkheid 2.
- In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij de volgende exceptie op : "Wel blijft er inhoudelijk een probleem, nu (zie verder bij de behandeling der middelen) terecht vastgesteld werd dat de aktename door de Bestendige Deputatie enkel een vaststelling is, en dat volgens de vaste rechtspraak van uw Raad een dergelijke handeling, gesteld door het gemeentebestuur, niet beschouwd kan worden als een administratieve rechtshandeling in de zin van art.14 eerste lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (...). VII-19.860-3/8 Het is dan ook duidelijk dat verzoekende partij geen belang kan hebben bij de huidige vordering, nu de oorspronkelijke 'beslissing', waartegen beroep, geen aanvechtbare administratieve rechtshandeling is, en een verbod tot exploitatie alzo niet kan voortvloeien uit de weigering, maar mogelijk enkel uit de algemene en sectorale milieuvoorwaarden, die al dan niet door deze betrokken uitbater nageleefd worden. De vraag is tevens of een niet-ontvankelijk beroep tegen een ook niet voor Uw Raad aanvechtbare rechtshandeling op zichzelf wel ontvankelijk kan zijn". 2.
- Zoals verzoeker terecht aanhaalt betreft de opgeworpen exceptie de aanvechtbaarheid van de aktename en is deze "precies het voorwerp van discussie, zoals blijkt uit de inhoud van het enig middel zoals door de verzoekende partij omschreven". Het onderzoek van de exceptie hangt bijgevolg samen met het onderzoek van de grond van de zaak, zodat de exceptie niet beslecht kan worden zonder het onderzoek van de grond van de zaak.
- Ten gronde 3.
- In een eerste middel wordt de schending aangevoerd van artikel 23, § 1, en artikel 24, 4/, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning en van artikel 49, § 1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), "doordat het bestreden besluit het beroep van de verzoekende partij onontvankelijk verklaart omdat er geen beroepsmogelijkheid zou bestaan terwijl art. 49 §1, 4/ VLAREM I uitdrukkelijk voorziet dat elke natuurlijke persoon die hinder ondervindt van de inrichting beroep kan instellen tegen elke beslissing in eerste aanleg over een milieuvergunningsaanvraag bedoeld in art. 6 §1, 3/ VLAREM I, meer bepaald art. 6§ 1, 3/, c) zijnde een vergunnings- aanvraag voor het veranderen van een vergunde inrichting van klasse 2 (...) of - in ondergeschikte orde - terwijl art. 6quater §4 VLAREM I (zoals gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering dd. 12.01.1999) voorziet dat de aktename van de mededeling van een kleine verandering bedoeld in art. 6bis §3 wel vatbaar is voor beroep conform art. 49 VLAREM I". Verzoeker licht het middel -in essentie- als volgt toe : "(...) De bestaande inrichting is een klasse 2-inrichting, waarbij in essentie twee aspecten veranderd worden :
- er worden 3 percelen toegevoegd aan de 2 percelen waarvoor reeds een vergunning bestond
- er worden een aantal 'rubrieken' van klasse 3 toegevoegd aan de bestaande klasse 2-inrichting VII-19.860-4/8 (...) In huidig geval is er wel sprake van het vergroten in oppervlakte, zodat men de verandering kan beschouwen als een uitbreiding of een toevoeging al naargelang het vergroten geschiedt op percelen waarop de geldende vergunning al dan niet betrekking heeft. Zoals gezegd wordt er door de heer GOEN melding gemaakt van 3 nieuwe kadastrale percelen, nl. 52g, 44m en 62f, waarop de geldende vergunning voor de bestaande klasse 2-inrichting dd. 01.10.1990 geen betrekking heeft. (...) (...) ongeacht of er voor de verandering van de inrichting in casu een milieuvergunningsaanvraag dan wel een mededeling van een kleine verandering moest worden gedaan, in beide gevallen is er beroep mogelijk tegen de beslissing die de in eerste aanleg bevoegde overheid heeft getroffen (...)". 3.
- De verwerende partij betwist in essentie dat het te dezen zou gaan om een vergunningsplichtige verandering van de oorspronkelijke inrichting. Zij betoogt dat het gaat om een verandering die slechts aan de bevoegde overheid moet worden meegedeeld en dat de weigering van akteneming geen voor vernietiging vatbare beslissing is. In haar laatste memorie beweert zij dat het hier niet gaat om een schending van artikel 49, §1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) en maakt zij voorbehoud in verband met de ontvankelijkheid en stelt zij dat zij de rechtspraak van de Raad van State heeft gevolgd om tot de conclusie te komen dat het beroepen besluit geen administratieve rechtshandeling was. 3.
- J. GOEN beschikt over een vergunning voor een inrichting ingedeeld in klasse 2 en hij heeft een verandering gemeld met betrekking tot die inrichting. Dit blijkt uit het ontvangstbewijs van melding dat hem overhandigd werd door het gemeentebestuur. Daarop wordt duidelijk vermeld dat het voorwerp van de melding "een verandering van een vergunde inrichting" betreft. Ook in het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge wordt vermeld dat de melding een verandering van een vergunde inrichting betreft. Uit de samenlezing van artikel 2, §1, eerste lid, (hoofdstuk II) en van artikel 5, §1, (hoofdstuk III) van Vlarem I blijkt duidelijk dat het hoofdstuk II van Vlarem I betrekking heeft op inrichtingen die uitsluitend in klasse 3 zijn ingedeeld. Artikel 2, §1, eerste lid, luidt immers als volgt : VII-19.860-5/8 "Niemand mag, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die behoort of na de geplande verandering blijft behoren tot de derde klasse exploiteren of veranderen". Artikel 5, §1, luidt als volgt : "Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een als hinderlijk ingedeelde inrichting die behoort tot de eerste of de tweede klasse, exploiteren". Het bestreden besluit en de repliek van de verwerende partij vertrekken van het uitgangspunt dat op de te dezen gedane melding het hoofdstuk II van Vlarem I van toepassing is. Dit uitgangspunt is niet correct, aangezien het voorwerp van de melding ontegensprekelijk de verandering van een (klasse 2) vergunde inrichting is. Hoofdstuk II is niet van toepassing, vermits dit enkel slaat op inrichtingen die uitsluitend in klasse 3 zijn ingedeeld (en dit blijven), hetgeen te dezen niet het geval is. De rechtspraak van de Raad van State waarnaar de verwerende partij verwijst heeft ook enkel betrekking op inrichtingen die uitsluitend in klasse 3 zijn ingedeeld. Luidens artikel 49, §1, 4/, van Vlarem I kan beroep worden ingediend door iedere natuurlijke persoon die rechtstreeks hinder kan ondervinden ingevolge de exploitatie van een inrichting tegen (o.m.) de door het college van burgemeester en schepenen gedane aktename zoals bedoeld in artikel 6quater, §
- Artikel 6quater, §4 bepaalt dat de aktename van een mededeling van een kleine verandering, zoals bedoeld in artikel 6bis, §3, vatbaar is voor beroep. Het middel is dan ook gegrond in de mate dat het de schending aanvoert van artikel 49, §1, 4/, van Vlarem I, vermits de met het administratief beroep bestreden aktename (minstens) een (kleine) verandering van een vergunde inrichting klasse 2 als voorwerp heeft en vermits tegen een dergelijk aktename beroep openstaat overeenkomstig artikel 49, §1, 4,/ van Vlarem I, VII-19.860-6/8 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 7 september 1999 waarbij het beroep van Karel PISHOUDT en Marie-Jeanne BOGAERT ingesteld tegen de akteneming door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Tielt-Winge van 29 juni 1999 inzake de melding van verandering van een bestaande inrichting ingediend door J. GOEN, gelegen aan het Driespad 1 te Tielt-Winge, onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, VII-19.860-7/8 E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-19.860-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.576 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div