id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 26 april 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.577 Rolnummer: A. 88724/VII-20182 Zaak: Arrest 170577 - Milieuvergunningen - 26/04/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 06:39 Fiche Arrest nr 170.577 van 26 april 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.577 van 26 april 2007 in de zaak A. 88.724/VII-20.
- In zake : Arno HOUBAR, die woonplaats kiest bij advocaat Z. MISKOVIC, kantoor houdende te LANAKEN, Koning Albertlaan 73 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kolonel Dusartplein 34, bus
- tussenkomende partij : Arnoul BALDEWIJNS, wonende te SINT-TRUIDEN, Luikersteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Arno HOUBAR op 23 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 14 oktober 1999 waarbij het beroep van Arnoul BALDEWIJNS ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 15 april 1999, houdende weigering van de vergunning voor het verder exploiteren en veranderen van een pluimveebedrijf voor 50.000 braadkippen, gelegen aan de Kruisstraat 47 te Alken, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en aan Arnoul BALDEWIJNS de vergunning wordt verleend voor het exploiteren van een pluimveebedrijf met 28.400 slachtkuikens en aanhorigheden; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 2 maart 2000, ingediend door Arnoul BALDEWIJNS; Gelet op de beschikking van 15 maart 2000 die de tussenkomst van Arnoul BALDEWIJNS toelaat; VII-20.182-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 5 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien het verzoekschrift tot voortzetting van verzoeker; Gelet op de beschikking van 26 februari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 maart 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VANDEPUT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten 1.
- Op 24 december 1998 dient de tussenkomende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een aanvraag in waarbij de hernieuwing wordt gevraagd van een sinds 8 november 1997 verstreken vergunning voor het exploiteren van een pluimveebedrijf voor 50.000 kippen, gelegen aan de Kruisstraat 47 te Alken. Tevens vraagt de exploitant een vergunning voor de verandering van de inrichting door vervanging van twee bestaande stallen, door één nieuwe stal voor 15.000 braadkippen. 1.
- Volgens het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 goedgekeurde gewestplan Hasselt-Genk, is de kwestieuze inrichting gelegen in woongebied met landelijk karakter en gelegen op een afstand van 1.200 meter van een woongebied VII-20.182-2/8 dat geen woongebied met landelijk karakter is en op een afstand van 1.300 meter van een woonuitbreidingsgebied. 1.
- In het kader van de vergunningsaanvraag wordt een milieueffectrapport (M.E.R.) opgesteld dat op 15 juli 1998 conform wordt verklaard aan de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen (het M.E.R.-besluit). 1.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek worden drie bezwaren ingediend, waarvan één collectief bezwaarschrift. 1.
- Bij beslissing van 15 april 1999 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg de gevraagde milieuvergunning. 1.
- Op 8 mei 1999 stelt de tussenkomende partij tegen deze weigeringsbeslissing beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw. 1.
- Na het inwinnen van de nodige adviezen, wordt op 14 oktober 1999 het ministerieel besluit genomen. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de beroepen beslissing wordt opgeheven en de vergunning wordt verleend aan de tussenkomende partij voor het exploiteren van een pluimveebedrijf bestaande uit 28.400 slachtkuikens en aanhorigheden. Volgende bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd : 1- de aangepaste inrichtingsplannen dienen overgemaakt te worden aan de vergunningverlenende overheid, de afdelingen Milieuvergunningen en Milieu- inspectie van Aminal, het gemeentebestuur en de Vlaamse Landmaatschappij, 2- de preventieve en milderende maatregelen vermeld op pagina 94 van het M.E.R. worden uitgevoerd volgens de opgegeven timing. 1.
- Dit is het bestreden besluit.
- De ontvankelijkheid De raadsman van de verwerende partij heeft ter terechtzitting afstand gedaan van de enige exceptie. VII-20.182-3/8
- De gegrondheid 3.1.
- In een eerste middel roept verzoeker de schending in van artikel 3.8., b), van het M.E.R.-besluit dat stelt dat een M.E.R. vereist is voor bedrijven met een stalruimte van 50.000 stuks pluimvee, en dat gelegen is op minder dan 300 meter van een woongebied of op minder dan 500 meter van een drinkwaterwinning. Verzoeker stelt hieromtrent het volgende : "Dat uit de rechtspraak van de Raad van State is gebleken dat (tot artikel 3.8., b), van het M.E.R.-besluit) ook de woongebieden met een landelijk karakter behoren. Dat de exploitatie van de heer Baldewijns gelegen is in een woongebied met landelijk karakter. Dat in casu de afstandsregels eveneens dienen te worden gerespecteerd. Dat het Mer rapport voorbij gaat aan het feit dat de gestelde afstandregels eveneens gelden voor de woongebieden met landelijk karakter. (...) Ten onrechte wordt het dichtstbijgelegen gebied gesitueerd op een afstand van 1.200 meter". 3.1.
- De verwerende partij repliceert hierop in de memorie van antwoord door te stellen dat "de kritiek van (verzoeker) zich toe(spitst) op de inhoud van het M.E.R. en niet op deze van de beslissing van concluante". Samen met de tussenkomende partij stelt zij verder dat over de vergunningsaanvraag te dezen een M.E.R. werd opgesteld, zodat niet kan worden ingezien hoe de aangehaalde bepaling van het M.E.R.-besluit zou zijn geschonden. 3.1.
- De verwerende en de tussenkomende partij stellen terecht dat in artikel 3 van het M.E.R.-besluit de inrichtingen worden opgesomd waarvoor een M.E.R. wordt vereist. Artikel 3.8., b), van voornoemd besluit legt dergelijke verplichting op voor de exploitatie van pluimveebedrijven met een stalruimte voor meer dan "40.000 stuks wanneer het bedrijf gelegen is in een agrarisch gebied : - ofwel op minder dan 300 meter van een woongebied; - ofwel op minder dan 500 meter van een drinkwaterwinning". Te dezen betwist verzoeker niet dat de tussenkomende partij vóór het verlenen van het bestreden besluit een M.E.R. heeft laten opstellen, dat op 15 juli 1998 conform werd verklaard aan de bepalingen van het M.E.R.-besluit. Artikel 3 van het M.E.R.-besluit legt louter de verplichting op om een M.E.R. op te stellen en legt geenszins een dwingende afstands- of verbodsregel op met betrekking tot de ligging van de inrichting die het voorwerp vormt van het M.E.R.. VII-20.182-4/8 Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van artikel 5.9.5.
- van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), omdat volgens hem het M.E.R. geen melding heeft gemaakt van de waarderingspunten die werden gehanteerd. Verder stelt verzoeker dat "onvoldoende de geur-, (verkeers-), en lawaaihinder welke de exploitatie zal veroorzaken (...) werd onderzocht" en "nergens in het Mer wordt aangetoond hoe de bestrijding van het ongedierte zal worden aangepakt". 3.2.
- De verwerende partij en de tussenkomende partij antwoorden hierop dat de vermelding van de waarderingspunten om toepassing te maken van artikel 5.9.5.
- van Vlarem II te dezen irrelevant is. De verwerende partij voegt hieraan toe dat het bestreden besluit "een correcte toepassing (heeft) gemaakt van voormeld artikel", wat bovendien niet wordt weerlegd door verzoeker. Ten slotte merkt de verwerende partij op dat "gezien de ligging van de eigendommen van (verzoeker) in agrarisch gebied en woongebied met landelijk karakter (...) er trouwens abnormale hinder (dient) te worden aangetoond". 3.2.
- In het bestreden besluit wordt ervan uitgegaan dat de kwestieuze inrichting gelegen is in agrarisch gebied. Verzoeker stelt weliswaar dat de inrichting zou zijn gelegen in woongebied met landelijk karakter, maar staaft deze bewering niet met concrete elementen. Deze bewering wordt bovendien tegengesproken door het voorwerp van de aanvraag. Deze bevat immers een luik "verandering", waarbij de twee bestaande stallen, die gedeeltelijk in woongebied met landelijk karakter liggen, zullen worden vervangen door één nieuwe stal, die volledig in agrarisch gebied zou komen te liggen. De vergunningverlenende overheid heeft dus correct gehandeld door de vergunningsaanvraag te toetsen aan de afstandregels van paragraaf 5 van voornoemde Vlarem II-bepaling. Deze bepaling legt geen afstandsregels op ten opzichte van de in agrarisch gebied aanwezige residentiële bewoning. Daarenboven gelden er ook geen dwingende minimumafstanden tussen de stallen in agrarisch gebied en de nabijgelegen woongebieden met landelijk karakter. Bijgevolg is het aspect van het aantal waarderingspunten dat aan de bestrokken stallen moet worden toegekend niet relevant. Verzoeker stelt verder dat in het bestreden besluit geen of minstens onvoldoende rekening werd gehouden met de verkeers-, geluids-, en VII-20.182-5/8 geurhinder, alsook met de overlast van ongedierte die met de exploitatie van de inrichting gepaard zou gaan. Deze grieven hebben geen uitstaans met de beweerde schending van artikel 5.9.5.
- van Vlarem II. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.
- In het derde middel roept verzoeker de schending in van artikel 5.9.5.
- van Vlarem II, omdat het bestreden besluit gegrond is op onjuiste gegevens, nu de vergunningverlenende overheid geen kennis heeft gekregen van de waarderingspunten en de "bij het Mer rapport gebruikte terminologie (...) in de voorwaardelijke wijze (is) gesteld". 3.3.
- In de memorie van antwoord weerlegt de verwerende partij dit middel door te stellen dat zij "geen kennis nodig (had) van de waarderingspunten teneinde de minimumafstandsregel te kunnen berekenen" en zij zich "niet (heeft) gebaseerd op onjuiste gegevens en er dan ook geen sprake (is) van enige schending van art. 5.9.5.
- Vlarem II". De tussenkomende partij voegt hieraan toe dat het bepalen van de waarderingspunten van haar pluimveestallen geen enkele relevantie heeft. 3.3.
- Voor de bespreking van dit middel kan worden volstaan met een verwijzing naar het onderzoek van het tweede middel waarin reeds werd aangetoond dat een discussie omtrent de waarderingspunten die aan de vergunde inrichting moeten worden toegekend, elke relevantie ontbeert. Het derde middel is niet gegrond. 3.4.
- Verzoeker voert in een vierde middel de schending aan van het continuïteits- en rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hij stelt dat het bestreden besluit "op generlei wijze rekening (heeft) gehouden met de omgeving waarbinnen de exploitatie zal worden uitgeoefend", dat "reeds in het verleden werd vastgesteld dat (de tussenkomende partij) zich in het geheel niet stoorde aan het feit niet in het bezit te zijn van een milieuvergunning" en dat "onvoldoende antwoord (wordt gegeven) op de bepalingen waaraan (de tussenkomende partij) zich dient te houden alvorens een eventuele uitbating te kunnen starten". VII-20.182-6/8 3.4.
- De verwerende partij repliceert hierop door te stellen dat er "geen enkele verplichting (bestaat) om de inhoud van deze voorwaarden op te nemen in de bestreden beslissing" en dat het feit dat de tussenkomende partij in het verleden enige overtreding zou hebben begaan, haar niet verplicht om bijkomende voorwaarden op te leggen. De tussenkomende partij stelt ten slotte dat uit de toetsing van de vergunningsaanvraag aan de geldende afstandsregels volgt dat wel degelijk rekening werd gehouden met de omgeving van de kwestieuze inrichting. 3.4.
- In het bestreden besluit worden bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd waarover allerminst onduidelijkheid kan bestaan. De andere voorwaarden betreffen de algemene en sectorale bepalingen van Vlarem II. Aangezien de in artikel 43, §1, van Vlarem I bedoelde voorwaarden in principe automatisch van toepassing zijn, moeten zij niet uitdrukkelijk in elke individuele vergunning worden hernomen. In de mate dat verzoeker in dit middel zijn vrees uitdrukt dat de tussenkomende partij niet zal voldoen aan de opgelegde exploitatievoorwaarden, raakt zulks niet de wettigheid van het bestreden besluit, maar de uitvoering en handhaving ervan. Verzoeker bewijst niet dat de opgelegde voorwaarden kennelijk onredelijk zijn. Bijgevolg komt het niet toe aan de Raad van State om zijn oordeel in de plaats te stellen van de vergunningverlenende overheid en uitspraak te doen over de draagwijdte van de opgelegde exploitatievoorwaarden. Het vierde middel is niet gegrond, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.182-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zesentwintig april tweeduizend en zeven, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de H. E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. C. BAMPS, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-20.182-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.577 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div