id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.722 Rolnummer: A. 61487/X-9675 Zaak: Arrest 170722 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 03/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-16 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:39 Fiche Arrest nr 170.722 van 3 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.722 van 3 mei 2007 in de zaak A. 61.487/X-
- In zake : Quentin ROBERTI de WINGHE, die woonplaats kiest bij advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Quentin ROBERTI de WINGHE op 22 december 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 oktober 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 10 november 1992 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het oprichten van een eengezinswoning op een perceel gelegen te Neerijse- Huldenberg, Koestraat, kadastraal bekend Sectie D, nr. 343/a; Gelet op het arrest nr. 53.130 van 4 mei 1995 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-9675-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 13 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDEN BERGHE, die loco advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat M. VAN DIEVOET, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak werden uiteengezet in het tussenarrest nr. 53.130, van 4 mei 1995; 2.1.
- Overwegende, wat de grond van de zaak betreft, dat de verzoeker onder meer het volgende middel aanvoert: “Vijfde middel genomen uit de schending van artikel 50, laatste lid van de stedebouwwet en uit de schending van het continuïteitsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Doordat aan beroeper de bouwvergunning wordt geweigerd omdat de weg waaraan het perceel zich bevindt niet te beschouwen zou zijn als een voldoende uitgeruste weg. Terwijl in de bestreden beslissing zelf erkend wordt dat aan dezelfde Koestraat nog een woning aanwezig is, en dat deze woning over alle nodige nutsvoorzieningen beschikt. En terwijl in de rechtspraak reeds geoordeeld werd dat ondanks een gebrekkige verharding met boskiezel, de overheid kan oordelen dat een perceel toch gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden (...). En terwijl het feit dat nog een andere woning in dezelfde straat gelegen is op zich reeds aantoont dat het gaat om een uitgeruste weg waarlangs potentiële bouwgronden gelegen zijn. En terwijl bijvoorbeeld de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij brief dd. 25 februari 1992 nog medegedeeld heeft dat vanaf de bestaande woning op huisnummer 1 de waterleiding eenvoudig kon doorgetrokken worden (...). X-9675-2/6 En terwijl in een niet-stedelijk milieu de afwezigheid van bepaalde nuts- voorzieningen hoedanook irrelevant is voor de vraagstelling of een perceel als bouwgrond kan beschouwd worden (...).”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar het voormelde tussenarrest, waarin dit middel als niet ernstig werd afgewezen; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van weder- antwoord dupliceert: “(...) Vooreerst wenst beroeper te benadrukken dat het hem voorkomt dat het argument met betrekking tot de uitrusting van de weg door de minister slechts als motief ten overvloede en derhalve als overbodig en overtollig motief is aangewend. Daarop wijst reeds de plaats van de desbetreffende argumentatie in het besluit, namelijk helemaal op het eind na de lange uitweidingen over de verenigbaarheid met de plannen van aanleg. Voorts wenst beroeper ook de aandacht te vestigen op het feit dat het middel genomen is uit de schending van twee verschillende normen die samen moeten gelezen worden, namelijk de schending van artikel 50, laatste lid van de stedebouwwet enerzijds en de schending van het continuïteitsbeginsel anderzijds. In essentie betoogt beroeper dat het onmogelijk is dat de minister de Koestraat als onvoldoende uitgerust bestempelt, en tegelijkertijd in de bestreden beslissing erkent dat aan dezelfde Koestraat nog een woning aanwezig is, en dat deze woning over alle nodige nutsvoorzieningen beschikt. In dit opzicht is de redenering van de minister inderdaad niet correct, minstens inkonsekwent. Overigens werd ook in de rechtspraak reeds geoordeeld dat ondanks een gebrekkige verharding met boskiezel, de overheid kan oordelen dat een perceel toch gelegen is aan een voldoende uitgeruste weg, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden (...). Het feit dat nog een andere woning in dezelfde straat gelegen is, toont op zich reeds aan dat het gaat om een uitgeruste weg waarlangs potentiële bouwgronden gelegen zijn. Wat betreft de nutsvoorzieningen, heeft bijvoorbeeld de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening bij brief dd. 25 februari 1992 nog medegedeeld dat vanaf de bestaande woning op huisnummer 1 de waterleiding eenvoudig kon doorgetrokken worden (...). In een niet-stedelijk milieu is de afwezigheid van bepaalde nutsvoor- zieningen hoedanook irrelevant voor de vraagstelling of een perceel als bouwgrond kan beschouwd worden (...). Het middel is gegrond”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog doet gelden: X-9675-3/6 “Met betrekking tot het vijfde middel wordt in het Auditoraatsverslag gesteld dat van enige foute motivering geen sprake kan zijn, daar de aanwezigheid van een vergunde woning aan een weg geenszins aantoont dat deze weg heden nog als een voldoende uitgeruste weg dient beschouwd te worden, noch dat er sprake zou zijn van een schending van het continuïteitsbeginsel. De vraag naar de al dan niet voldoende uitrusting van de weg dient volgens het Auditoraatsverslag immers beoordeeld te worden in functie van de weg zoals die (zich) op dat ogenblik voordoet ten opzichte van dat welbepaald perceel. Een zelfde weg is immers niet steeds over de hele lengte op dezelfde wijze uitgerust. Bovendien is de invulling van het begrip ‘uitgeruste weg’ afhankelijk van het ogenblik waarop hierover geoordeeld dient te worden. Rekening houdend met nieuwe technologieën kunnen in de loop der jaren de eisen gesteld aan de wegverharding en aan de uitrusting met nutsvoorzieningen wijzigen. Beroeper wees reeds eerder op het bestaan van een woning in de Koestraat. Men mag er van uitgaan dat er vóór de bouwaanvraag van deze woning totaal geen voorzieningen aanwezig waren. Toch volstond het voor de gemachtigde ambtenaar dat er afsluitingen werden voorzien van maximum 50 cm. hoogte, met palen en draad (zie advies gemachtigde ambtenaar 203/AB/224 dd. 1 oktober 1968) om een gunstig advies af te leveren. Blijkbaar zorgde het compleet ontbreken van enige voorziening voor geen enkel bezwaar, dit terwijl voor beroeper het zou volstaan de reeds bestaande leidingen van de nutsvoor- zieningen door te trekken en het Vlaams Gewest pertinent weigert de nodige bouwvergunning af te leveren voor een eengezinswoning. Gezien de eerdere bouwtoelating voor de andere woning zonder substantiële voorwaarden kan ook het Auditoraatsverslag op geen enkele manier weerleggen dat de redenering van de minister inderdaad niet correct, minstens inconsequent is. De opmerking van het Auditoraatsverslag over het ogenblik waarop de uitrusting van de weg ten aanzien van dat welbepaald perceel dient beoordeeld snijdt geen hout, precies gezien het feit dat ook voor de andere woning geen eisen werden gesteld op het vlak van de uitrusting van de weg”; 2.2.
- Overwegende dat artikel 50, derde lid, van de Stedenbouwwet bepaalt dat de vergunning kan worden geweigerd voor het bouwen op een stuk grond, gelegen aan een weg die, gelet op de plaatselijke toestand, onvoldoende is uitgerust; dat de Raad van State bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht zijn beoordeling over de goede ruimtelijke ordening niet in de plaats vermag te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid en alleen vermag na te gaan of die overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het bestreden besluit is kunnen komen; dat de door de verzoeker aangevoerde argumenten geen enkel concreet element bevatten met betrekking tot het voldoende uitgerust zijn van de weg waaraan het te bebouwen perceel is gelegen; dat de juistheid van de feitelijke gegevens waarop de minister zijn beoordeling heeft gesteund evenmin wordt betwist; dat niet blijkt dat de minister bij het nemen van de bestreden beslissing de perken van de hem door de wet toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden; dat de argumentatie van de verzoeker dat “het onmogelijk is dat de X-9675-4/6 minister de Koestraat als onvoldoende uitgerust bestempelt, en tegelijkertijd in de bestreden beslissing erkent dat aan dezelfde Koestraat nog een woning aanwezig is, en dat deze woning over alle nodige nutsvoorzieningen beschikt”, niet kan worden aangenomen; dat het loutere feit dat in de betrokken straat eerder een bouw- vergunning werd verleend, op zichzelf niet aantoont dat de desbetreffende weg in zijn geheel als voldoende uitgerust moet worden beschouwd, noch dat het “continuïteitsbeginsel” zou zijn geschonden; dat het middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoeker verder in een eerste middel nog de schending aanvoert van de artikelen 2, § 1, 14, derde lid, en 43, derde lid ,van de Stedenbouwwet, in een tweede middel de schending van artikel 12, 1/, van dezelfde wet, van het redelijkheids- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in een derde middel de schending van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, van het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en van de verworven rechten van de verzoeker, en in een vierde middel de schending van het redelijkheids-, het continuïteits- en het vertrouwensbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het bestreden besluit is gesteund op een motief dat prima facie volstaat om de weigering van de bouwvergunning te verantwoorden; dat derhalve het weigeringsmotief gesteund op artikel 50 van de Stedenbouwwet het bestreden besluit wettig kan dragen; dat het eerste, tweede, derde en vierde middel betrekking hebben op overtollige motieven van de bestreden beslissing, ook al zijn die motieven in de bestreden beslissing vermeld vóór het wettig bevonden motief; dat het eerste, tweede, derde en vierde middel niet dienend en derhalve niet ontvankelijk zijn, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-9675-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-9675-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.722 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div