id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.723 Rolnummer: A. 163943/X-12369 Zaak: Arrest 170723 - Plannen van aanleg - 03/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-15 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 19:50 Fiche Arrest nr 170.723 van 3 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Plannen van aanleg Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.723 van 3 mei 2007 in de zaak A. 163.943/X-12.
- In zake :
- Bartholomeus DE GROOF,
- Albert DEN OUDEN,
- Petrus TERLINGEN,
- Guido MERTENS,
- Roger MESTDAGH,
- Joannes MILJOEN,
- Maria FABRI,
- Hilde DE GROOF, die woonplaats kiezen bij advocaat J. DE LAT, kantoor houdende te 2200 HERENTALS, Lierseweg 238 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg 160
- de gemeente OUD-TURNHOUT, die woonpaats kiest bij advocaten L. SCHUERMANS en J. SURMONT, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, de Merodelei
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bartholomeus DE GROOF, Albert DEN OUDEN, Petrus TERLINGEN, Guido MERTENS, Roger MESTDAGH, Joannes MILJOEN, Maria FABRI en Hilde DE GROOF op 5 juli 2005 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 6 april 2005 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Engelstraat” van de gemeente Oud-Turnhout, en van de beslissing van 27 mei 2004 van de gemeente- raad van Oud-Turnhout houdende definitieve aanvaarding van dat zelfde bijzonder plan van aanleg; X-12.369-1/6 Gelet op het arrest nr. 153.771 van 16 januari 2006 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 13 februari 2006 ingediend door de tweede verwerende partij; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 14 februari 2006 ingediend door de eerste verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 7 februari 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 2 maart 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. DE LAT, die verschijnt voor de verzoekers, van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat G. SMAERS, die loco advocaten L. SCHUERMANS en J. SURMONT verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak reeds werden samengevat in het tussenarrest nr. 153.771, van 16 januari 2006; X-12.369-2/6
- Overwegende, wat de ontvankelijkheid van de vordering betreft, dat de tweede verwerende partij het belang van de verzoekende partijen betwist, in essentie bij gebrek aan hinder voor die partijen voortvloeiend uit de bestreden beslissingen; Overwegende dat de exceptie niet gegrond is, nu de verzoekende partijen wonen in de onmiddellijke omgeving van het kwestieuze plangebied, dit plan de uitbreiding van een bestaand feestzalencomplex mogelijk maakt, en die uitbreiding, zoals blijkt uit het hieronder gegrond bevonden middel, tot een toename van de hinder, veroorzaakt door parkeeroverlast, dreigt te leiden; 3.
- Overwegende, ten gronde, dat de verzoekende partijen in het vijfde onderdeel van het eerste middel het volgende aanvoeren: “Het aangevochten besluit schendt het beginsel van behoorlijk bestuur van de zorgvuldigheid in de besluitvorming doordat de gemeente en de minister, die het belang van het verkeersprobleem en het parkeerprobleem onderkend hebben (precies daarom wordt verwezen naar andere private parkings buiten het plangebied) onvoldoende voorzorgen hebben genomen om dit probleem op afdoende wijze te regelen. De parkeer- en verkeersproblemen moeten binnen de planomtrek worden geregeld door ofwel publieke parkings met voldoende capaciteit, ofwel private parkings door de exploitant van de feestzalen. Door dit niet te doen laten de gemeente en de minister een belangrijk aspect van het BPA ongeregeld binnen de planomtrek zelf. Zelfs indien men aanneemt dat verwezen mag worden naar buiten het plangebied gelegen parkings, dan moeten er voldoende garanties zijn dat deze parkings voldoende dicht bij de feestzalen gelegen zijn (dat is wandelafstand, anders gaan de gebruikers toch proberen wild te parkeren in de buurt van de feestzalen), voldoende capaciteit hebben, en in voldoende mate gegarandeerd is dat deze capaciteit ter beschikking staat van de gebruikers van de feestzalen. Aan geen van deze punten is voldaan. De gemeenten en de minister hebben onzorgvuldig gehandeld”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partijen hierop in hun memorie van antwoord repliceren dat het verkeers- en parkeerprobleem in de toelichting bij het b.p.a. onderkend werd, en dat een evenementenvervoersplan in de nodige maatregelen voorziet; 3.3.
- Overwegende dat het middelonderdeel in het tussenarrest nr. 153.771 ernstig werd bevonden: X-12.369-3/6 “Overwegende dat uit artikel 14, eerste lid, 2/ en 4/, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, volgt dat een bijzonder plan van aanleg ertoe strekt voor het ganse beheersingsgebied ervan een gedetailleerde bestemming vast te stellen, met inbegrip van de voorschriften betreffende de plaatsing, de grootte en de welstand van de gebouwen en afsluitingen, de binnenplaatsen en tuinen; Overwegende dat de vaststelling van de stedenbouwkundige voorschriften van een bijzonder plan van aanleg dient te steunen op een beoordeling van de goede plaatselijke ordening; dat het bijzonder plan van aanleg alle elementen moet bevatten die het mogelijk moeten maken om de gedetailleerde bestemming van het gebied te realiseren; Overwegende dat de bevoegde overheden voor de concrete inrichting van het betrokken gebied in voorkomend geval de belangen van de onderscheiden eigenaars, zoals die tijdens het openbaar onderzoek aan het licht zijn gekomen, dienen af te wegen tegen het algemeen belang; dat, indien de gemeenteraad vaststelt dat een ontworpen bijzonder plan van aanleg ernstige problemen doet rijzen vanuit het oogpunt van de hinder voor bepaalde eigenaars, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om de hinder binnen aanvaardbare grenzen te houden; dat het aan de minister staat om zich ervan te vergewissen dat het aan hem voorgelegde plan aan dat vereiste voldoet; dat de genoemde overheden aan de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekortkomen, indien zij wel vaststellen dat het plan aanleiding kan geven tot het ontstaan van hinder, doch nalaten daarvoor op een rechtszekere manier een oplossing te bieden; Overwegende dat de gemeenteraad te dezen uitdrukkelijk verwijst naar het advies van de GECORO, waarin onder meer gewezen wordt op "geluids- en parkeeroverlast" ten gevolge van de uitbreiding van het feestzalencomplex die door het bijzonder plan van aanleg mogelijk wordt gemaakt, en waarin aangedrongen wordt op het nemen van de noodzakelijke maatregelen ter beperking van die overlast; dat de gemeenteraad van oordeel is dat de nodige maatregelen ter beperking van geluids- en verkeersoverlast genomen worden, met name door de expliciete opname van de bepalingen van het evenementen- vervoersplan in het bijzonder plan van aanleg, waardoor de verkeersoverlast tot een minimum kan worden beperkt; dat de gemeenteraad voorts oordeelt dat bijzondere voorwaarden opgelegd kunnen worden door de vergunning- verlenende overheden, en dat op de naleving van de vergunningen toezicht uitgeoefend kan worden door de daartoe bevoegde overheden; dat de minister overweegt dat de gemeente, naast de ontsluiting van het plangebied via de aanpalende Nieuwe Staatsbaan, bijkomend voorziet in een aantal maatregelen voor het beperken van de hinder voor het aanpalende woonpark, gericht op het beperken van de verkeershinder en het waarborgen van extra uitwijkings- parkings, maar dat die maatregelen niet in het bijzonder plan van aanleg vastgesteld kunnen worden; Overwegende dat uit het voorgaande blijkt dat de verweerders zich bewust zijn van het bestaan van een probleem inzake geluids- en verkeersoverlast en van de noodzaak om maatregelen te nemen ter beperking van die overlast; dat zij evenwel van oordeel zijn dat het bedoelde probleem niet opgelost hoeft te worden, of niet opgelost kan worden, in het bijzonder plan van aanleg zelf; dat zij zich ertoe beperken te verwijzen naar het evenementenplan dat de huidige exploitant van de feestzaal voornemens is naar aanleiding van een uitbreiding van de feestzaal ten uitvoer te leggen, alsmede naar de voorwaarden die opgelegd kunnen worden in de vergunningen die de exploitant alsdan zal moeten aanvragen; dat de vaststelling van de noodzakelijke voorschriften voor de realisatie van de bestemming van het plangebied aldus gedeeltelijk wordt onttrokken aan het besluitvormingsproces dat door de decreetgever voor een bijzonder plan van aanleg is geconcipieerd, en verschoven wordt naar het X-12.369-4/6 ogenblik waarop de exploitant van de feestzaal een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning zal indienen; dat de beoordeling van de goede plaatselijke ordening aldus gedeeltelijk lijkt te worden overgelaten aan de vergunningverlenende overheid, terwijl deze beoordeling juist vooraf dient te gaan aan de vaststelling van de stedenbouwkundige voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; dat het in het plan van aanleg gevolgde procédé tot gevolg lijkt te hebben dat de betrokken belanghebbenden, waarvan erkend wordt dat zij hinder kunnen ondervinden ten gevolge van de mogelijk gemaakte uitbreiding van het feestzalencomplex, in het ongewisse gelaten worden over de uiteindelijke concrete inrichting van het betrokken gebied; dat het bijzonder plan van aanleg zich niet op definitieve wijze lijkt uit te spreken over het bestaan van maatregelen die de hinder voor de belanghebbenden binnen aanvaardbare perken kunnen houden, laat staan dat het zulke maatregelen ook effectief als dwingende voorschriften oplegt; dat het bijzonder plan van aanleg aldus niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand lijkt te zijn gekomen; Overwegende dat het eerste middel in zijn vijfde onderdeel ernstig is”; 3.3.
- Overwegende dat de verwerende partijen, noch in hun memorie van antwoord, noch in hun laatste memorie na het auditoraatsverslag waarin tot de gegrondheid van het middel wordt besloten op grond van de motieven vervat in het schorsingsarrest, enig nieuw argument doen gelden; Overwegende dat de Raad van State, na onderzoek van de gegrondheid van het middelonderdeel, tot de bevinding komt dat het middel gegrond is om de redenen die in het schorsingsarrest tot het ernstig bevinden van het middel hebben geleid, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden het besluit van 6 april 2005 van de de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening, houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg “Engelstraat” van de gemeente Oud- Turnhout, en de beslissing van 27 mei 2004 van de gemeenteraad van Oud-Turnhout houdende definitieve aanvaarding van dat zelfde bijzonder plan van aanleg. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het eerste vernietigde besluit. X-12.369-5/6 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 2.800 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.369-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.723 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.153.771 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div