id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.798 Rolnummer: A. 144779/XIV-17844 Zaak: Arrest 170798 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 11:52 Fiche Arrest nr 170.798 van 4 mei 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.798 van 4 mei 2007 in de zaak A. 144.779/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat Ch. VAN RISSEGHEM, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Auguste Rodinlaan 11 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 september 1970 en van Iraanse nationaliteit, op 1 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, d.d. 10 november 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-17.844-1/12 Gelet op de beschikking van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 april 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat T. NICLAES, die loco Advocaat C. VAN RISSEGHEM verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. DEWIL, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 24 december 2000 en verklaart zich vluchteling op 27 december
- 1.
- Op 5 juli 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 oktober 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger, verklaart uw land te hebben verlaten omwille van problemen op het werk. In de 9de maand van 1379 (Perzische tijdrekening, stemt overeen met november- december 2000 in Gregoriaanse kalender) heeft u uw land verlaten. Op 25/12/2000 bent u in België aangekomen waar u op 29/12/2000 asiel hebt gevraagd. U bent in het bezit van een kopie van de eerste bladzijde van uw boekje van burgerlijke stand. Tijdens uw studententijd kwam u twee keer in aanraking met de Iraanse autoriteiten. Op 1/02/1376 (21/04/1997) in volle verkiezingskoorts woonde u een voordracht bij van de heer Sahebi van Nehzat-é Azadi. Agenten kwamen de vergadering verstoren en er vielen raake klappen. U wist te ontkomen, maar vreesde herkend te zijn. Uiteindelijk werd u verder met rust gelaten in verband met dit incident. Een tweede incident had plaats in de 9de maand van 1377 (november -december 1998). U nam deel aan een discussiegroep in de universiteit naar aanleiding van de zelfmoord van één van uw medestudenten. In die periode begon de kritiek op Khatami en zijn niet-ingeloste beloftes stilaan vorm te krijgen. De Bassidji-studenten van de universiteit kwamen de discussiegroep verstoren. Achteraf werden alle aanwezigen op het matje geroepen en in het openbaar vernederd om een voorbeeld te stellen tegenover de andere studenten. Ook u werd uit de les geplukt en vernederd voor de ogen van uw medestudenten. U mocht uw studies afmaken, maar kon geen XIV-17.844-2/12 andere studie meer aanvatten. Bovenstaande incidenten vormen echter niet de reden van uw vertrek. Nadien was u tewerkgesteld bij een grote kippenkwekerij, die gefinancieerd werd met geld van de Bassidj-é Mostazafan (Mobilisatie van de verdrukten), Sepah-é Pasdaran (Korps van wachters) en twee banken. U had de verantwoordelijkheid over een 25-tal arbeiders en 200.000 kippen. De relatie tussen de directie en de arbeiders was ronduit slecht. U pakte het enigszins anders aan en wist goede contacten aan te knopen met de arbeiders. De directie was ook corrupt. De directie deed alsof ze nieuwe materialen aankocht voor de inrichting van de werkplaatsen of stallen. In werkelijkheid werden echter tweedehandsmaterialen aangekocht. Het verschil stopte de directie in eigen zak. U probeerde dit misbruik aan het licht te brengen bij het bezoek van een hogere verantwoordelijke. Hij bleek echter eveneens in de zaak betrokken te zijn. De directie wou extra accomodatie bouwen maar had daar onvoldoende geld voor beschikbaar. Bijgevolg werd de uitbetaling van de lonen van de arbeiders uitgesteld. Na twee maanden kwamen de arbeiders in opstand, ze wilden staken. U wist hen echter terug aan het werk te krijgen. Twee weken later hadden de arbeiders nog steeds hun loon niet ontvangen. Een tweede staking brak uit op 5/6/1379 (27/8/2000). De druk was hoog om de arbeiders terug aan het werk te krijgen, gezien het nakend bezoek van Khatami aan de regio en mogelijks ook aan het bedrijf. Uw oversten schoven die druk grotendeels in uw schoenen gezien uw goede betrekkingen met de arbeiders had en u uw overste voordien probeerde te verklikken wegens corruptie. Dit keer kon u de arbeiders echter niet motiveren om terug aan het werk te gaan. De Niru’ye Entazami (reguliere politie) kwam tussen. Uw arbeiders raakten slaags met de agenten en er vielen schoten. Eén van de arbeiders was gewond. De agenten trokken zich terug. U vreesde verantwoordelijk gesteld te worden voor de schietpartij, als baas van de afdeling en vluchtte alvorens de Niru’ye Entazami met meer manschappen terug zou keren. Uw ouders kregen intussen tot twee keer toe bezoek van agenten die naar u op zoek zijn. In België bent u sympathisant geworden van Hezbe Masrouteh (Constitutionele partij). U nam deel aan een aantal manifestaties in België. B. Motivering De door uw aangehaalde reden voor vervolging (vrees verantwoordelijk te worden gesteld voor de schietpartij op het werk met de Niru’ye Entazami) behoort niet tot deze (redenen van politieke of religieuze overtuiging, uw nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep) die de Verdragsluitende Staten in de Geneefse Vluchtelingenconventie vastlegden. De schietpartij is een zaak van gemeenrechtelijke aard dat als dusdanig buiten het toepassingsge- bied valt van de Vluchtelingenconventie. Het feit dat het bedrijf mede eigendom is van de Bassidj-é Mostazafan en de Sepah-é Pasdaren doet daarbij niet ter zake. Het conflict betrof duidelijk een economisch conflict met een eis tot uitbetaling van achterstallig loon. Het conflict liep uit de hand en draaide uit op een schietpartij. U nam echter zelf geen deel aan de staking of de schietpartij. Het is bijgevolg niet geloofwaardig dat u zou verantwoordelijk gesteld worden voor de staking noch voor de schietpartij. Gezien u getuige was van de gebeurtenissen is het begrijpelijk dat, indien de autoriteiten een onderzoek instelden, zij u in dit kader willen horen. Een dergelijk onderzoek kan niet worden beschouwd als een persoonlijk tegen u gerichte vervolging omwille van één van de criteria van de Conventie. Zelfs indien u (mede)aansprakelijk zou worden gesteld, door toedoen van uw oversten omwille van uw poging tot het aanklagen van hun corrupt gedrag, en u dus vervolging riskeert, houdt de reden van die vervolging nog steeds geen verband met één van de redenen voorzien in de Conventie gezien het dan een persoonlijke wraakactie zou betreffen. Nergens uit uw verklaringen valt af te leiden dat u om een van de redenen van de Conventie anders zou behandeld worden bij de daadwerkelijke juridische afhandeling van deze gemeenrechtelijke zaak. De twee incidenten tijdens uw studententijd vormden niet de aanleiding van uw vertrek. Klaarblijkelijk bleven de beide incidenten zonder noemenswaardige gevolgen, met uitzondering van de onmogelijkheid een andere studie aan te vatten. Dit gevolg kan echter niet een actuele vrees tot vervolging verantwoorden. Vandaar dat beide incidenten evenmin de ontvankelijkheid van uw asielaanvraag kunnen tot gevolg hebben. Uw sympathie voor Hezbe Masrouteh sinds uw verblijf in België kan evenmin een actuele vrees verantwoorden. Uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat sympathisanten bij een eventuele terugkeer naar Iran, niet voor enige gevolgen dienen te vrezen. De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. De kopie van de eerste bladzijde van uw boekje van burgerlijke stand en uw rijbewijs bevatten een aantal identiteitsgegevens. Het certificaat van de universiteit betreft uw opleiding. De kopie van uw stagecontract bevestigt dat u bij de kippenkwekerij heeft gewerkt van 5/1/1379 (25/3/1379) tot 5/3/1379 (26/5/2000) betreffen uw profesionele activiteiten in die periode. Gelet op het voorgaande kan voor u geen vermoeden tot een gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. C. Conclusie XIV-17.844-3/12 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvank- elijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat als volgt luidt: “Premier moyen pris du principe de la bonne administration et du principe général des droits de la défense et de l'article 1"' de la Convention de Genève, en ce que la décision attaquée ne tient pas compte d'éléments pertinents invoqués par la partie requérante dont chacun d'eux pris isolément peut à lui seul fonder une crainte de persécution prévue par la Convention de Genève et notamment: f) Monsieur XXX a exposé sa participation au parti royaliste Hezbe Masrouteh. g)Monsieur XXX a exposé longuement le contexte politique et économique dans lequel se déroulent les événements qui l'ont conduit à fuir son pays, à savoir d'un part son passé estudiantin et familial et d'autre part ce qui est beaucoup plus lourd de sens sa participation à une entreprise fortement politisée, la découverte que les dirigeants de celle-ci et les membres du conseil d'administration directement liés aux instances policières de son pays menaçaient de rejeter sur lui, les accusation de corruption qu'il avait eu le tort de dénoncer. h)Le contexte de la grève à laquelle il est amené à participer lequel se passe à quelques jours d'une visite présidentielle et les menaces de vengeance des individus corrompus qui lui indiquent sans équivoque que le conflit social pourrait être clairement teinté par leur propos d'une contestation politique. I)Le fait que le requérant a d'ores et déjà signalé les malversations de ses collègues et supérieurs hiérarchiques sans obtenir d'écho favorable et a au contraire découvert que même les membres du Conseil d'Administration représentant Sepah-é Pashtaran sont manifestement impliqués dans une fraude de grande envergure. j)Le C.G.R.A. ne relève aucune contradiction dans le récit circonstancié du requérant. Il n'est partant pas possible de respecter le principe de la bonne administration et celui des droits de la défense sans tenir compte du contexte politique et national évoqué par le requérant. La décision litigieuse ne repose manifestement pas sur une instruction circonstanciée tant de la situation individuelle de l'Iran que du contexte individuel exposé par le requérant.”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel: het beginsel van behoorlijk bestuur, de rechten van verdediging en het artikel 1 van de Conventie van Genève. Volgens verzoeker houdt de bestreden beslissing geen rekening met de door hem ingeroepen elementen. Verzoeker meent nochtans dat eik element op zich aanleiding geeft tot een gegronde vrees. Hij sympathiseerde immers met de partij Hezbe Masrouteh. Hij heeft een politiek actief verleden als student, hij klaagde de corruptie aan in net bedrijf waarin hij werkte, hij nam deel aan een staking kort voor een presidentieel bezoek en ontving bedreigingen. Verwerende partij wijst erop dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker toont niet aan dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met de door hem opgeworpen elementen,' daar zij allen blijken uit het feitenrelaas dat werd opgenomen in de bestreden beslissing. Verzoeker toont niet concreet aan hoe de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid te buiten zou zijn gegaan. Voorts merkt verweerder op dat de Commissaris-generaal ook in de ontvankelijkheidsfase over een bepaalde appreciatiemarge beschikt om te oordelen of de kandidaat vluchteling in XIV-17.844-4/12 kwestie gegevens aanbrengt waaruit blijkt dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Verzoeker toont in zijn verzoekschrift weliswaar aan dat hij het niet eens is met de appreciatie door de Commissaris- generaal, doch hij toont geenszins aan dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiemarge heeft overschreden door te oordelen dat de aanvraag van verzoeker onontvankelijk is. Verweerder benadrukt verder dat de Commissaris-generaal rekening heeft gehouden met de heersende toestand in verzoekers land van herkomst, maar dat verzoeker er niet in slaagt de individualisering van zijn vrees aan te tonen en evenmin het feit dat zijn vrees zou vallen onder één van de criteria van de Conventie van Genève, hetgeen een essentieel element is bij het beoordelen van een asielaanvraag. Betreffende de opgeworpen schending van de rechten van verdediging, antwoordt verweerder dat het dringend beroep bij het Commissariaat-generaal' tegen een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken een administratief en geen jurisdictioneel beroep is. Hieruit volgt dat de rechten van verdediging zoals ze gelden voor rechtscolleges, "niet zomaar kunnen worden getransponeerd naar de administratieve beroepen" (R.v.St., nr. 92.450 van 19 januari 2001, onuitg.), zoals het dringend beroep voor het Commissariaat-generaal. Verweerder antwoordt dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft. Meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure m.b.t. het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De Raad van State heeft in verband hiermee vastgesteld dat een rechtstreekse schending van artikel 1 van de Conventie van Genève niet nuttig kan worden ingeroepen wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 werd ingeroepen en vastgesteld door de Raad (R.v.St., nr. 80.749 van 08 juni 1999). Het eerste middel is ongegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van het beginsel van behoorlijk bestuur, meer bepaald de rechten van verdediging, en van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); 2.1.
- Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder voor wat de organisatie van de procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van Vreemdelingen (Vreemdeling- enwet); dat bijgevolg in voorliggend geval voornoemde schending van artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie niet dienstig kan worden aangevoerd, aangezien de verzoekende partij niet tegelijkertijd de schending inroept van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat dit onderdeel van het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aantoont hoe de rechten van verdediging werden geschonden; dat daarenboven de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; Overwegende dat de verzoekende partij zich voor het overige in het middel beperkt tot een herhaling van haar asielrelaas en de kritiek dat de Commissaris- XIV-17.844-5/12 generaal geen rekening heeft gehouden met de politieke context in Iran; dat de verzoekende partij geen concreet element aanbrengt ter staving van haar argumenten; dat, zoals uit de bespreking van het tweede middel zal blijken, de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld, en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat het eerste middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “Second moyen pris de la violation de la Loi relative à la motivation des actes administratifs, de l'article 1" de la Convention de Genève, de la Convention des Droits de l'Enfant en ce que le C.G.R.A. ne tient nullement compte ni de la situation individuelle de la requérante, ni du contexte politique iranien et se contente laconiquement d'en faire un problème de droit commun et de l'erreur manifeste d'appréciation, de l'excès de pouvoir. Le Commissaire Général se contente une fois de plus d'une argumentation laconique pour rejeter la demande du requérant Le C.G.R.A. organise sa motivation sur 3 éléments invoqués par le requérant comme si chacun d'eux était un problème distinct Pour rejeter sa demande. Ainsi, le requérant aurait vécu des problèmes politiques alors qu'il était étudiant lesquels peuvent être rejetés parce qu'ils ne sont plus d'actualité, il aurait vécu un problème de droit social lequel aurait dû se résoudre comme n'importe quel problème de droit commun devant une juridiction nationale, rien n'indiquant que le requérant ne serait pas simplement cité comme témoin par les autorités judiciaires et enfin il appartient à un parti royaliste dont le C.G.R.A. sait que ses membres ne subissent aucun problème en Iran. Cette argumentation qui coupe la vie d'un individu en plusieurs tronçons indépendants les uns des autres est tout à fait contraire à une analyse cohérente des faits soumis à l'appréciation du C.G.R.A. En effet, un individu tout spécialement dans le contexte iranien est l'objet d'un dossier qui le suivra toute sa vie. S'il est clair que des problèmes estudiantins n'impliquent pas de poursuites des années plus tard, il n'en reste pas moins qu'ils éclairent sous un jour fort peu favorable la personnalité du requérant. c)Il est donc indispensable d'analyser la situation du requérant au regard de son passé estudiantin, à peine de perdre de vue le contexte dans lequel il se place. d)S'il est clair que la participation en Belgique du requérant aux activités du parti royaliste ne lui a pas posé problème avant son départ d'Iran, on ne peut balayer cette appartenance aujourd'hui sur la seule et unique base d'un rapport unilatéral du C.G.R.A. reposant sur une visite officielle de 6 semaines en Iran dont on retrouve des bribes dans chaque dossier iranien. En effet, le C.G.R.A. brandit régulièrement un morceau de ce rapport unilatéral pour prétendre que les droits de l'homme sont désormais respectés en Iran et que les candidats réfugiés n'y rencontrent plus le moindre problème. Ce rapport unilatéral ne reprend pas les qualifications des visiteurs, ni leurs méthodes d'investigation, ni la manière dont ils ont reçu des informations. Dans la mesure où ledit document repose sur une visite officielle vraisemblablement organisée avec l'accord du gouvernement iranien, pour une très courte période on imagine fort mal comment les rapporteurs ont pu rapporter des informations fiables. En ce qui concerne les Monarchistes, le rapport relève que ceux-ci ne sont plus officielle- ment actifs en Iran mais plutôt à l'étranger. Le rapport postule également que ceux qui organisent des activités en secret n'ont pas le moindre problème... Ce rapport permet au C.G.R.A. de balayer en un clin d'oeil le fait que Monsieur Shadmand pourrait risquer des ennuis en cas de retour dans son pays d'origine. Or, on ne peut sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation indiquer qu'aucun militant connu ne se trouve en Iran et postuler que le retour de l'un d'entre eux ne poserait aucun problème et ce d'autant moins que d'autres sources et non des moindres continuent à s'inquiéter du sort des opposants politiques en Iran. Ainsi le rapport du Représentant spécial de la Commission des Droits de l'Homme de l'ONU postule dans son rapport du 16 janvier 02 au Conseil économique et social de l'ONU que les procès des opposants politiques se passent dans des conditions tout à fait désastreuses sur le plan des droits de la défense. Il insiste aux points 54 et suivants de son rapport sur le fait que XIV-17.844-6/12 les procédures se passent à huis clos, que les avocats n'ont pas accès aux dossiers, que les prévenus sont détenus au secret dans des conditions lamentables quant à l'hygiène et la santé, qu'ils sont victimes de traitements inhumains et dégradants, de tortures... Or le rapporteur de l'ONU a passé de nombreux mois en Iran et a pu s'entretenir avec un nombre impressionnant d'interlocuteurs. Le C.G.R.A. ne peut en conséquence sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation s'appuyer sur un rapport unilatéral postulant qu'il n'y a pas à sa connaissance d'opposants monarchistes activistes en Iran pour assurer que Monsieur XXX ne risque rien en rentrant au pays en raison de son activité politique en Belgique. c) En ce qui concerne la participation du requérant à la grève au sein de son entreprise, on ne peut davantage sans commettre d'erreur manifeste d'appréciation se cantonner au fait qu'il s'agirait d'un problème de droit social pur et dur, d'un problème de droit commun vis à vis duquel le requérant pourrait sans risque se présenter comme témoin au tribunal. En effet le requérant a exposé une série d'arguments auxquels le C.G.R.A. ne répond pas et notamment : La compromission de ses chefs 7)La participation financière d'un puissant organe policier et la compromission de certains de ses membres 8)La haine de ses chefs et les menaces de lui faire porter le chapeau tant par rapport à la corruption que par rapport à l'émeute en politisant fictivement l'action, 9)La proche visite du Président Khatami 10) La mort ou la blessure d'un policier. Or si l'on replace tous ces éléments dans le contexte iranien, on ne voit pas comment le requérant aurait au minimum fait l'objet d'une détention préventive arbitraire. Et l'on sait à l'heure actuelle notamment par le rapport précité de l'ONU que l'Iran pratique encore et toujours la détention au secret, que les prisons sont surpeuplées et ne présentent aucune garantie contre la torture, les traitements inhumains et dégradants, les conditions d'hygiène les plus élémentaires. Le Rapporteur explique également longuement aux points 38 et suivants de son rapport que bons nombres de juges continuent à bafouer le respect des droits de l'homme et de la défense, notamment la liberté d'expression, que les avocats font l'objet de pression lorsqu'ils défendent des clients peu populaires aux yeux de l'élite, que les prisonniers sont torturés sans bénéficier de soins médicaux appropriés. Or il résulte clairement du récit du requérant qu'il se trouvait dans toutes les conditions permettant une longue détention pour raisons politiques. Dans la mesure où le C.G.R.A. n'a pas relevé la moindre contradiction dans le récit clair et cohérant du requérant, l'autorité administrative ne pouvait prendre la décision entreprise sans commettre au stade de la recevabilité une erreur manifeste d'appréciation. Par ailleurs en s'appuyant sur un rapport aussi unilatéral que laconique, non soumis à la contradictoirité du requérant, le C.G.R.A. commet sans conteste une erreur manifeste d'appréciation. La décision litigieuse doit partant être annulée.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Tweede middel: schending van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, artikel 1 van de Conventie van Genève, schending van de conventie van de rechten van het kind, manifeste appreciatiefout. Verzoeker meent dat zijn leven in drie stukken wordt gedeeld door de Commissarisgeneraal, dit gaat in tegen een coherente analyse van de feiten die aan de Commissaris-generaal werden voorgelegd. In Iran immers volgt een dossier een persoon levenslang. Zijn politiek verleden als student stelt hem nog steeds in een zeer slecht daglicht. Zijn sympathie voor de royalistische partij kan niet zomaar van de kaart geveegd worden, op grond van een eenzijdig rapport op basis van een officieel bezoek van het Commissariaat-generaal van zes weken. Verzoeker haalt zelf een rapport aan van de Commissie voor de Mensenrechten van de UNO. Verzoeker meent concluderend dat de Commissaris-generaal niet kan oordelen op basis van zijn eigen rapport dat verzoeker als royalist geen gevaar loopt om naar Iran terug te gaan. Wat betreft zijn deelname aan de staking, merkt verzoeker op dat de Commissaris-generaal met veel elementen geen rekening heeft gehouden, waardoor er niet kan aangenomen worden dat verzoeker enkel het slachtoffer zou worden van een preventieve arbitraire arrestatie. Hij riskeerde veeleer een lange detentie voor politieke redenen. Verweerder wenst ten eerste op te merken dat hij zich afvraagt hoe de bestreden beslissing de conventie van de rechten van het kind zou kunnen geschonden hebben, gezien het feit dat verzoeker helemaal niet meer minderjarig is. Dit onderdeel mist feitelijke en juridische grondslag. XIV-17.844-7/12 Verweerder merkt ten tweede op dat verzoeker geenszins aantoont dat de informatie waarop de Commissaris-generaal zich baseert onjuist zou zijn. Bovendien merkt verweerder op dat de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, gebaseerd is op verklaringen van verschillende onafhankelijke, betrouwbare en objectieve bronnen ter plaatse, zodat de opmerkingen die verzoeker aanvoert niet vermag afbreuk te doen aan de geloofwaardigheid van de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Gelet op de marginale toetsing door de Raad is het ook niet afdoende vragen te formuleren omtrent de objectiviteit van de door de Commissaris-generaal aangehaalde objectieve elementen zonder op ondubbelzinnige wijze en met concrete elementen een concrete fout aan te tonen. De Commissaris-generaal beschikt als administratieve overheid over het vermoeden van wettelijkheid, zeker voor wat betreft de objectieve informatie die hij in het kader van zijn opdracht op een wettelijk voorgeschreven en totaal onafhankelijke wijze verzamelt. De opmerking dat de Commissaris-generaal geen rekening zou gehouden hebben met het verleden van verzoeker is niet correct, daar duidelijk uit de bestreden beslissing dat hierover geoordeeld wordt dat deze incidenten niet als zwaarwichtig noch als persoonsgericht te beschouwen waren. Het enige gevolg (geen nieuwe studies kunnen aanvatten) kan niet beschouwd worden als aanleidinggevend tot een gegronde vrees voor vervolging. Vervolgens merkt verweerder ook op dat verzoeker nog steeds niet verduidelijkt dat hij om één van de redenen van de Conventie van Genève anders zou behandeld worden bij de juridische afhandeling van deze gemeenrechtelijk zaak. Verzoeker nam immers zelf geen deel aan de schietpartij, noch aan de staking. Dat de Commissaris-generaal zijn appreciatiebevoegdheid te buiten zou zijn gegaan in de bestreden beslissing, is dan ook niet aannemelijk. De beslissing werd afdoende gemotiveerd. Verweerder herhaalt dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft. Meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure m.b.t. het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag, werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. De Raad van State heeft in verband hiermee vastgesteld dat een rechtstreekse schending van artikel 1 van de Conventie van Genève niet nuttig kan worden ingeroepen wanneer niet tegelijkertijd de schending van artikel 52 werd ingeroepen en vastgesteld door de Raad (R.v.St., nr. 80.749 van 08 juni 1999). Het tweede middel is ongegrond.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 1 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van het Verdrag inzake de rechten van het kind, aangenomen te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij wet van 25 november 1991; dat zij tevens aanvoert dat er sprake is van een manifeste appreciatiefout en van machtsoverschrijding, omdat de Commissaris-generaal geen rekening houdt met de individuele situatie van de verzoekende partij, noch met de politieke context in Iran; 2.2.
- Overwegende dat wat de aangevoerde schending van artikel 1 van de Vluchtelingenconventie betreft, wordt verwezen naar de bespreking van het eerste middel; Overwegende dat de verzoekende partij niet aanduidt welke bepaling van het Kinderrechtenverdrag zij geschonden acht; dat dit onderdeel van het middel bijgevolg niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de XIV-17.844-8/12 beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - de door de verzoekende partij aangehaalde reden voor vervolging (vrees verantwoordelijk te worden gesteld voor de schietpartij op het werk met de Niru’ye Entazami) behoort niet tot redenen van politieke of religieuze overtuiging, nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep, die de Verdragsluitende Staten in de Geneefse Vluchtelingenconventie vastlegden; de schietpartij is een zaak van gemeenrechtelijke aard die als dusdanig buiten het toepassingsgebied valt van de Vluchtelingenconventie; het feit dat het bedrijf medeëigendom is van de Bassidj-é Mostazafan en de Sepah-é Pasdaren doet daarbij niet ter zake; het conflict betrof duidelijk een economisch conflict met een eis tot uitbetaling van achterstallig loon; het conflict liep uit de hand en draaide uit op een schietpartij, de verzoekende partij nam echter zelf geen deel aan de staking of de schietpartij; het is bijgevolg niet geloofwaardig dat zij verantwoordelijk gesteld zou worden voor de staking of voor de schietpartij; omdat ze getuige was van de gebeurtenissen is het begrijpelijk dat, indien de autoriteiten een onderzoek instelden, zij haar in dit kader willen horen; een dergelijk onderzoek kan niet worden beschouwd als een persoonlijk tegen haar gerichte vervolging omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie; - zelfs indien zij (mede)aansprakelijk zou worden gesteld, door toedoen van haar oversten omwille van haar poging tot het aanklagen van hun corrupt gedrag, en ze dus vervolging riskeert, houdt de reden van die vervolging nog steeds geen verband met één van de redenen voorzien in de Conventie gezien het dan een persoonlijke wraakactie zou betreffen; nergens uit haar verklaringen valt af te leiden dat zij om een van de redenen van de Conventie anders zou behandeld worden bij de daadwerkelijke juridische afhandeling van deze gemeenrechte- lijke zaak; - de twee incidenten tijdens haar studententijd vormden niet de aanleiding van haar vertrek; klaarblijkelijk bleven de beide incidenten zonder noemenswaardige gevolgen, met uitzondering van de onmogelijkheid een andere studie aan te vatten; dit gevolg kan echter niet een actuele vrees tot vervolging verantwoorden; vandaar dat beide incidenten evenmin de ontvankelijkheid van haar asielaanvraag kunnen tot gevolg hebben; XIV-17.844-9/12 - haar sympathie voor Hezbe Masrouteh sinds haar verblijf in België kan evenmin een actuele vrees verantwoorden; uit de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat sympathisanten bij een eventuele terugkeer naar Iran, niet voor enige gevolgen dienen te vrezen; - de door haar voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen; de kopie van de eerste bladzijde van haar boekje van burgerlijke stand en haar rijbewijs bevatten een aantal identiteitsgegevens; het certificaat van de universiteit betreft haar opleiding; de kopie van haar stagecontract bevestigt dat ze bij de kippenkwekerij heeft gewerkt van 5/1/1379 (25/3/1379) tot 5/3/1379 (26/5/2000) en betreft haar professionele activiteiten in die periode; - gelet op het voorgaande kan voor haar geen vermoeden tot een gegronde vrees voor vervolging, zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie worden vastgesteld; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat de Commissaris- generaal drie door haar aangevoerde elementen als drie aparte problemen beschouwt om de asielaanvraag te verwerpen; dat de bestreden beslissing evenwel dient te worden gelezen als een geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat de Commissaris-generaal heeft onderzocht of de aangevoerde elementen verband houden met de criteria van de Vluchteling- enconventie of met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat hij in casu voor elk van de aangevoerde elementen heeft gemotiveerd waarom ze geen verband houden met voornoemde criteria; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de Commissaris-generaal in onredelijkheid tot deze conclusie zou zijn gekomen; Overwegende dat het louter betwisten dat de vrees om verantwoordelijk te worden gehouden voor een schietpartij op het werk, niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie valt of onder andere criteria die de toekenning van asiel wettigen, geen afbreuk doet aan de vaststellingen van de bestreden beslissing; dat, wat de conclusie inzake de gebeurtenissen uit haar studententijd betreft, namelijk dat dit geen actuele vrees voor vervolging kan verantwoorden en niet de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als gevolg kan hebben, de verzoekende partij opnieuw enkel deze conclusie betwist, maar dat zij niet met concrete gegevens aantoont dat deze vaststelling van de Commissaris-generaal niet correct of kennelijk onredelijk zou zijn; dat betreffende haar kritiek op het motief in verband met de constitutionele partij, namelijk dat de Commissaris-generaal zich louter steunt op eenzijdige documentatie verkregen tijdens een zes weken durend bezoek aan Iran, erop wordt gewezen dat Cedoca een onafhankelijke en officiële Belgische documentatie- en onderzoeksdienst is, die in casu tot de conclusie is gekomen dat de constitutionele partij Hezbe Masrouteh in Iran weinig gekend is en niet wordt gezien als een oppositiegroepering van betekenis; dat de verwijzing van de verzoekende partij naar een VN-rapport dat handelt over politieke opposanten waartegen een proces wordt gevoerd in Iran, hieraan geen afbreuk doet en de bevindingen van het rapport en van de bestreden beslissing niet weerlegt; XIV-17.844-10/12 Overwegende dat de verzoekende partij ten slotte aanvoert dat het een manifeste appreciatiefout uitmaakt en van machtsoverschrijding getuigt om de problemen met betrekking tot de staking te catalogeren als louter sociale en gemeenrechtelijke problemen; dat de Commissaris-generaal in het kader van het dringend beroep onderzoekt of er redelijkerwijze van uitgegaan mag worden dat de feiten die de asielzoeker naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en bovendien niet tegenstrijdig zijn met zijn eigen eerdere verklaringen of objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de gegevens die worden verstrekt door de asielzoeker op hun geloofwaardigheid worden beoordeeld; dat indien mocht blijken dat de verstrekte gegevens niet redelijkerwijze onder de criteria van de Vluchtelingenconventie te brengen zijn, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat, om tot de vaststellingen in de bestreden beslissing te komen, er een dergelijk onderzoek nodig was; dat de conclusie van de Commissaris-generaal in het kader van dit onderzoek in casu niet kan worden beschouwd als machtsoverschrijding; dat de verzoekende partij aanvoert dat de Commissaris-generaal geen rekening heeft gehouden met bepaalde argumenten die zij naar voor heeft gebracht in haar verklaringen en dat zij deze argumenten aan de Raad van State voorlegt; dat zij met haar betoog in wezen aan de Raad van State lijkt te vragen om de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal zich heeft gesteund op de verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd en waarvan de schriftelijke weergave zich in het dossier bevindt; dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat hij in casu alle pertinente gegevens is nagegaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissingen te kunnen nemen; dat hij in voorliggend geval heeft geoordeeld dat in hoofde van de verzoekende partij geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie kan worden vastgesteld; dat een manifeste appreciatie- fout niet kan worden aangenomen; dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de door de verzoekende partij aangevoerde grieven geenszins aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal niet in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot XIV-17.844-11/12 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-17.844-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.798 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div