← België

Arrest 170802 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.802 Rolnummer: A. 130086/XIV-12848 Zaak: Arrest 170802 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 04/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-29 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.802 van 4 mei 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.802 van 4 mei 2007 in de zaak A. 130.086/XIV-12.

  1. In zake : XXX, wonende te 1070 ANDERLECHT, George Moreaustraat 88 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 13 augustus 1959 en van Russische nationaliteit, op 3 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 9 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 11 december 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, d.d. 19 januari 2007, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 april 2007 om 10.00 uur; XIV-12.848-1/9 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J.-P. DOCQUIR, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché E. DEWIL, die verschijnt voor de verwerende partij. Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 11 juni 2000 en verklaart zich vluchteling op 13 juni
  4. 1.
  5. Op 9 februari 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 12 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (..) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Russisch staatsburger van Ossetische origine, heeft op 8 juni 2000 het land verlaten en bent op 11 juni 2000 in België aangekomen, waar u op 13 juni 2000 een asielaanvraag indiende. U verklaart dat u tot 1996 woonde in Zuid-Ossetië. In 1992, tijdens het conflict in Zuid-Ossetië, vochten u en andere Osseten samen met de Tsjetsjenen tegen Georgië. Begin 1996, tijdens de eerste Tsjetsjeense oorlog, werd u opgeroepen om deel te nemen aan een Ossetische brigade om de Tsjetsjenen te helpen in de strijd. Uit vrees voor eventuele repercussies na uw weigering vertrok u met uw vrouw, die van Russische origine is, naar Kaliningrad, waar uw schoonfamilie woont. Uw schoonfamilie was u echter uitermate vijandig gezind. Uw schoonmoeder was een aanhangster van Zjirinovskij en uw schoonbroer, I. P., was de leider van de plaatselijke afdeling van RNE (Russische Nationale Eenheid) in Pravdinsk. Onder hun invloed werd ook uw vrouw steeds extremistischer. Uiteindelijk sloot ook uw vrouw zich aan bij RNE. De situatie werd onhoudbaar, zodat u op 2 september 1999 de scheiding aanvroeg en alleen op een appartement ging wonen in Pravdinsk. Ook de algemene houding van XIV-12.848-2/9 de bevolking was zeer vijandig omwille van uw origine. U werd meerdere malen bedreigd en geslagen door nationalisten. Na de terroristische aanslagen in september 1999 werd u vaak gecontroleerd door de politie. De wijkagent, S. T., die ook een vriend van uw schoonbroer was, voerde eens een huiszoeking uit omdat u verdacht werd van terrorisme. Op 15 september 1999 werd u op straat aangevallen en bedreigd door vier mannen, waaronder uw schoonbroer en de wijkagent in burger. De volgende dag ging u naar de procureur om klacht in te dienen, doch deze verscheurde uw verklaring en bedreigde u. Later vernam u dat de wijkagent, S. T., de schoonzoon was van de procureur. Op 17 september 1999 bent u officieel gescheiden voor de rechtbank. Op 5 oktober 1999 vielen uw ex-vrouw, uw schoonbroer en twee andere RNE-leden uw appartement binnen. U werd bedreigd en zwaar geslagen. Ondanks de tegenwerking van de wijkagent slaagde u erin klacht neer te leggen tegen uw aanvallers. Daarna werd u voortdurend lastiggevallen door de politie en dook u onder. U werd gezocht door de politie en door RNE. Op 15 november 1999 werd u ontslagen. Op 16 november 1999 kreeg u bezoek van een rechercheur die zei dat hij uw zaak zou onderzoeken. Wel raadde hij u aan uw klacht in te trekken. Op 17 november 1999 verhuisde u naar Kaliningrad. Ook daar werd u door een wijkagent lastig gevallen. Op 18 januari 2000 kwam uw zaak voor de rechtbank in Pravdinsk. Het proces was slechts een formaliteit en uw belagers werden onschuldig bevonden. Na de rechtzaak werd u door de rechter en de politie bedreigd. Terug in Kaliningrad werd u opnieuw door leven van RNE en door de politie belaagd. Op 2 juni 2000 moest u voor een administratieve formaliteit terug naar het huis van uw schoonfamilie omdat uw tijdelijke registratie afgelopen was. Toen u daar aankwam werd u door de politie opgepakt omdat uw registratie ten einde was en omdat uw vrouw u ervan beschuldigde dat u haar geslagen had. Op 3 juni 2000 werd u vrijgelaten na een uitreisverbod ondertekend te hebben. Op 7 juni 2000 ontving u een convocatie van de administratieve commissie. Op 8 juni 2000 heeft u het land verlaten. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat verscheidene fundamentele elementen van uw asielrelaas tegenstrijdig zijn met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd). Het betreft meer bepaald de gegevens die u aanbrengt over de twee spilfiguren in de vervolging die tegen u zou ingesteld zijn. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat I. P., uw schoonbroer, de leider was van RNE in de Pravdinsk-regio (CGVS, p.6). Dit wordt echter tegengesproken door de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Verder verklaarde u dat RNE in de Pravdinsk-regio zeer succesvol is en dat de organisatie er vele leden heeft, waaronder vele politiemannen (CGVS, p.6). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt echter dat RNE in Pravdinsk minder dan tien leden telt, niet actief is en enkel kranten verdeelt. Daarnaast beweerde u dat S. T., een vriend van I. P. en tevens lid van RNE, ook wijkagent was in de Pravdinsk-regio, de graad van eerste luitenant had en ook nog eens de schoonzoon van de procureur was (CGVS, p.4, 7,8). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat S. T. nooit bij de politie van Pravdinsk gewerkt heeft. Gezien deze elementen een fundamenteel deel uitmaken van de kern van uw asielrelaas kan er geen geloof meer gehecht worden aan uw verdere verklaringen. Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt ook dat in de Kaliningrad-regio geen sprake is van een systematische vervolging van etnische minderheden door de autoriteiten en dat RNE er als beweging weinig actief is (informatie in bijlage in het administratief dossier), dit in tegenstelling tot het klimaat dat u schetst. Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (kopie geboorteakte, rijbewijs, attest medisch-gerechtelijke expertise, kopie echtscheidingsakte, convocatie bij de rechtbank, convocatie voor administratieve commissie, kopie diploma, certificaat van gedwongen migratie, uittreksel uit een boek over maffia) zijn niet van die aard dat zijn bovenstaande tegenstrijdigheden kunnen verklaren of ontkrachten en wijzigen hetgeen hiervoor uiteengezet werd niet. (...)”.
  7. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: XIV-12.848-3/9 “Enig middel Schending van artikel 62 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van de manifeste vergissing in appreciatie (+ principes de bonne administration et de prudence). Doordat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen de vermelding vereist in de akte van de juridische feitelijke overweginge die afdoende, precies en wettelijk toegelaten zijn, Dat deze wettigheidscontrole de controle van de juistheid van de feitelijke motieven waarop deze beslissing gebaseerd is, inhoudt Terwijl de motivering die aangehaald wordt door de Diensten van de Minister Van Binnenlandse Zaken niet conform is aan de werkelijkheid Fundamentele grote problemen met dit beslissing : ‘Vooreerst dient te worden opgemerkt dat verscheidene fundamentele elementen van uw asielrelaas tegenstrijdig zijn met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (waarvan een kopie bij het administratiefdossier is gevoegd). Het betreft meer bepaald de gegevens die u aanbrengt over de twee spilfiguren in de vervolging die tegen u zou ingesteld zijn. Zo verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat I. P., uw schoonbroer, de leider was van RNE in de Pravdinskregio (C. GVS, p. 6). Dit wordt echter tegengesproken door de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Verder verklaarde u dat RNE in de Pravdinsk-regio zeer succesvol is en dat de organisatie er vele leden heeft, waaronder vele politiemannen (CGPW, p. 6). Uit de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt echter dat RNE in Pravdinsk minder dan tien leden telt, niet actief is en enkel kranten verdeelt. Daarnaast beweerde u dat S. T., een vriend van I. P. en tevens lid van RNE. oak wijkagent was in de Pravdinsk-regio, de graad van eerste luiten an t had en ook nog eens de schoonzoon van de procureur was (CGVS, p. 4, 7,8). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat Sergej Tslkanov nooit bij de politie van Pravdinsk gewerkt heeft. Gezien deze elementen een fundamenteel deel uitmaken van de kern van uw asielrelaas kan er geen geloof meer gehecht worden aan uw verdere verklaringen. Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt ook dat in de Kalinlingrad-regio geen sprake is van een systematische vervolging van etnische minderheden door de autoriteiten en dat RNE er als beweging weinig actief is (informatie in bijlage in het administratief dossier), dit in tegenstelling tot het klimaat dat u schetst Gelet op het voorgaande kan wat u betreft geen vermoeden van gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28juli 1951, worden vastgesteld De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (kopie geboorteakte, rijbewijs, attest medisch-gerechtelijke expertise, kopie echtscheidingsakte, convocatie bij de rechtbank-, convocatie voor administratieve commissie, kopie diploma, certificaat van gedwongen migratie, uittreksel uit een boek over maffia) zijn niet van die aard dat zijn bovenstaande tegenstrijdigheden kunnen verklaren of ontkrachten en wijzigen hetgeen hiervoor uiteengezet werd niet.’ ARGUMENTS: 1-Aucune traduction n'a été effectuée du texte accompagnant le recours urgent. Il s'agit d'une anomalie importante car la Haute Cour administrative doit pouvoir évaluer un dossier complet avec tous les éléments pertinents du récit afin de vérifier si la décision a été prise légalement et correctement. 2- Valeur probante des informations CGRA mise en question: les information extraites du CEDOCA n'ont pas été signées par leurs auteurs et n'ont été obtenues que par l'intermédiaire du réseau internet. Au stade de la recevabilité d'une demande d'asile, il est particulièrement important de prendre des précautions élémentaires en matière de droit de la preuve, surtout lorsque les affirmations recueillies sont l'unique base du rejet de la demande. Des attestations non signées n'ont donc pas de valeur probante et doivent donc être écartées des débats ou à tout le moins être considérées comme nulles dans le cadre d'un argument unique de rejet. De plus, même si les déclarations de Monsieur B. étaient confirmées et signées, l’on peut légitimement se poser la question de la valeur d'une source unique qui a été privilégiée qui de plus provient du pouvoir en place. N'est-il pas logique de s'attendre a recevoir une réponse qui nie ou relativise les problèmes d'extrémisme et de nationalisme de la par d'un représentant officiel des autorités. Le bon professionnel de l'information humanitaire aurait essaye de recouper ses sources par au moins une organisation indépendante qui aurait pu connaître des problèmes avec les RNE. Le réflexe normal d'un parlementaire est prima facie de ne pas présenter une mauvaise image de son pays a l'étranger. Le scandale est bien connu de la quasi er a Moscou qui se sont aupres du Président Poutine que leur securite n’était plus assurée lorsque des attentats racistes se produisaient. La capitale de la Fédération de Russie n'est pas sûre quant à la securite policière envers des mouvements racistes anti-étrangers et l'on demande à un représentant du pouvoir si tout va bien, s’il contrôle bien la représentant du pouvoir si tout va bien, situation... Anomalies donc quant aux signatures, et quant au choix peu judicieux d'un membre de l’autorité. Les documents fournis par le candidat réfugiés n'ont pas été examinés avec toute l'attention nécessaire car ils évoquent un cas individuel. Or une documentation XIV-12.848-4/9 générale qui n'exclu pas des cas individuels de a elle seule a exclure un réfugie qui a droit persecution ne peut servir, a un examen individuel et impartial. 3- Le principe de droit du contradictoire ayant plein effet également en matière administrative, il est anormal que les informations recueillies l'aient été après l'audition et n'aient jamais été confrontées a la contradiction des parties. Cette prise d'information aurait pu se faire avant l'audition et cela aurait facilité le respect de la procédure de confronter le demandeur a ce type d'information (qui, pour rappel, non signées sont encore entachées d'un doute raisonnable.). L' arrêt CONKA rendu en février 2002 évoque dans ses attendus la position de l'Etat belge qui prétend que le CGRA est bel et bien une quasi-juridiction administrative. Cela n'implique pas dans le chef de la quasi-administration le respect des droits de la défense (non accepte actuellement par la jurisprudence du Conseil d’Etat) mais bien celui du contradictoire. D'ailleurs, depuis cet arrêt, la pratique du CGRA a évolué et il est devenu une pratique courante de confronter l'intéresse a ses propres déclarations anténeures (ce qui implique d'avoir lu le dossier OE avant l'audition au CGRA) et aux autres types d'information qui viendraient en contradiction avec le récit. Pourquoi cette méthodologie n'est-elle pas uniforme et n'a-t-elle pas été respectée dans le cas d'espèce. Il s'agit d'une discrimination, d' une différence de traitement non expliquée et non explicable par les preneurs de décisions administratives. Toch zegde de KV dat hij blijf zonder bescherming in zijn land. Dat CGVS een vergissing van appreciatie begaan heeft; Zodat de bestreden beslissing nietig dient te worden verklaard;”; 2.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt repliceert: “II. Onderzoek van de middelen In het enige middel beroept verzoeker zich op een schending van de motiveringsplicht zoals vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 en in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, op een manifeste vergissing in appreciatie en op een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en zorgvuldigheid. Met betrekking tot de formele motivering antwoordt verweerder dat de bestreden beslissing op een correcte wijze is gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoeker zelf aangevoerd tijdens zijn interview op het Commissariaat-generaal, bevat de bestreden beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. Met betrekking tot de materiële motivering antwoordt verweerder dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de Minister te bevestigen. Eén van die onontvankelijkheidsgronden is de ‘bedrieglijkheid’ ( artikel 52 §1 2/a waarnaar artikel 52 §2 2/ verwijst). Het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn. Volgens de rechtspraak van de Raad van State kan het bedrieglijk karakter ook worden vastgesteld indien men tegenstrijdigheden aantoont ten aanzien van gebeurtenissen die algemeen bekend zijn of tussen verschillende stukken uit het dossier. In casu oordeelde en verduidelijkte de Commissaris-generaal omstandig in de bestreden beslissing dat verzoekers verklaringen omtrent cruciale elementen van zijn vervolgingsrelaas niet strookten met objectieve informatie waarover de Commissaris-generaal beschikt. In het voorliggend verzoekschrift brengt verzoeker geen concrete en relevante elementen aan die deze vaststellingen weerleggen of ontkrachten. Een schending van de materiële motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen, werden kenbaar gemaakt en dragen de beslissing. Hierna wenst verweerder te antwoorden op de specifieke opmerkingen van verzoeker in het voorliggend verzoekschrift: - Inzake het feit dat het dringend beroepschrift niet vertaald werd, merkt verweerder op dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoeker op het einde van het gehoor voor het Commissariaat-generaal uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij alles wat hij in zijn dringend beroepschrift had geschreven, heeft kunnen vertellen ( zie CGVS gehoorverslag p. 15 : ‘Alle feiten van DB (vermeld) ? Ja, hier meer, DB kort). Uit de analyse van de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de Commissaris-generaal met alle door verzoeker opgeworpen elementen rekening heeft gehouden en heeft onderzocht. Verzoeker toont in het voorliggend verzoekschrift niet in concreto aan met welke door hem opgeworpen elementen geen rekening zou zijn gehouden door de Commissaris-generaal. - Inzake de bewijskracht van de via e-mail verkregen informatie, merkt verweerder op dat de Raad van State het gebruik van zulke informatie aanvaardt. Zo oordeelde de nederlandstalige kamer van de Raad van State in het arrest Nr. 111.951 van 28 oktober 2002 dat ‘verzoekers XIV-12.848-5/9 geen elementen aanbrengen die erop wijzen dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig is geweest ; dat het feit dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich richtte tot het Duits-Russische centrum (per telefoon en per fax) en de e-mail berichten van de contactpersoon van het Duits-Russisch centrum ( ... ), aanhaalt niet kennelijk onredelijk zijn, dat verzoekers in de uiteenzetting geen concrete gegevens aanbrengen waaruit zou kunnen blijken dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangehaalde informatie onjuist zou zijn’. Ook in het arrest Nr. 108.856 van 04 juli 2002 aanvaardde de Raad van State het gebruik van informatie die via telefoon en e-mail werd verkregen en oordeelde dat deze informatie ‘een weerslag vormt van het oordeel van tal van binnen- en buitenlandse observatoren inzake de mogelijke vervolging van gemengde koppels in Armenië ; dat dergelijke informatiebron objectief is en mag gebruikt worden door het Commissariaat-generaal; dat op de informatie die de bron inhoudt, verzoekster weinig heeft aan te merken. In casu brengt verzoeker in het voorliggend verzoekschrift geen concrete gegevens aan die de in de bestreden beslissing aangehaalde informatie weerlegt of ontkracht. Verzoeker beweert enkel dat de contactpersoon die de informatie heeft verstrekt, geen juist beeld zal weergeven van het reële extremisme en nationalisme in zijn land vermits hij zelf tot de Russische autoriteiten behoort. Verweerder merkt op dat dit een louter blote bewering van verzoeker is die door geen enkel concreet gegeven wordt ondersteund. Bovendien merkt verzoeker op dat de door de Heer B. (Chairman of the Kaliningrad Duma Committee for Law, Order and Security, International and lnterethnic Relations) verstrekte informatie fundamentele elementen van verzoekers asielrelaas weerleggen, meer bepaald de gegevens omtrent spilfiguren in zijn vervolgingsrelaas. Verzoeker brengt voor deze vastgestelde tegenstrijdigheden geen enkele plausibele verklaring. - Inzake verzoekers bewering als zouden zijn documenten niet individueel zijn onderzocht, antwoordt verweerder dat uit de analyse van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat alle door verzoeker neergelegde documenten in overweging zijn genomen. - Inzake het feit dat verzoeker nooit geconfronteerd is geweest met de in de bestreden beslissing aangehaalde informatie, merkt verweerder op dat de asielprocedure voor het Commissariaat-generaal een administratieve en geen jurisdictionele procedure is waardoor het tegensprekelijk debat niet moet plaatsvinden en de Commissaris-generaal geen wettelijke verplichting heeft om de kandidaat-vluchteling attent te maken op of te confronteren met de voor hem nadelige elementen van het dossier ( R.v.St. Nr. 108.469 van 26 juni 2002 ; R.v.St. Nr. 101.239 van 28 november 2001). Het enige middel is niet gegrond.”; 2.
  10. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van de beginselen van behoorlijk bestuur; dat zij aanvoert dat er sprake is van een manifeste appreciatiefout; dat de verzoekende partij aanvoert dat de tekst die zij bij het dringend beroep had gevoegd, niet vertaald werd; dat de informatie van CEDOCA niet ondertekend werd door de auteurs ervan en werd verkregen via het internet, zodat deze informatie geen bewijswaarde heeft en niet als enig argument kan dienen om de asielaanvraag te verwerpen; dat zij tenslotte aanvoert dat het een schending uitmaakt van het recht op tegenspraak dat de documenten waarop de beslissing steunt, in het dossier werden gevoegd ná het verhoor zodat deze niet werden meegedeeld aan de verzoekende partij; dat de praktijk van het Commissariaat-generaal na het arrest CONKA van februari 2002 is gewijzigd en dat de asielzoekers nu wel worden geconfronteerd met hun vroegere verklaringen of met informatie die niet strookt met hun verklaringen; dat dit bij de XIV-12.848-6/9 verzoekende partij niet het geval was, zodat er een discriminatie is en een verschil in behandeling van asielzoekers; 2.
  12. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvragen van de verzoekende partij op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu heeft besloten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de verzoekende partij omdat verscheidene fundamentele elementen van haar relaas tegenstrijdig zijn met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, zodat geen geloof kan worden gehecht aan haar verklaringen, en omdat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt dat in de Kaliningrad-regio geen sprake is van systematische vervolging van etnische minderheden door de autoriteiten en dat RNE er als beweging weinig actief is, in tegenstelling tot het klimaat dat de verzoekende partij schetst; Overwegende dat de Commissaris-generaal door geen enkele wettelijke bepaling wordt verplicht om anderstalige geschreven stukken die door de asielaanvrager worden ingediend, in de taal van de procedure om te zetten; dat van een kandidaat- vluchteling kan worden verwacht dat hij de door hem neergelegde stukken, opgesteld in een vreemde taal, laat vertalen of zelf toelicht tijdens het interview via de aanwezige tolk; dat het voor de diensten van het Commissariaat-generaal niet mogelijk is om in te staan voor de vertaling van stukken die niet in één van de drie landstalen zijn opgesteld; dat de verzoekende partij de kans heeft gekregen om haar asielrelaas en de motieven voor het dringend beroep op mondelinge wijze uiteen te zetten; dat uit het verhoorverslag van het XIV-12.848-7/9 Commissariaat-generaal blijkt dat haar op het einde van dit verhoor werd gevraagd of zij alles had verteld en of zij alle feiten van haar dringend beroep had opgegeven; dat zij hierop bevestigend antwoordde en stelde dat zij meer had verteld tijdens het interview en dat haar dringend beroep korter was; Overwegende dat de Commissaris-generaal gemachtigd is om objectieve gegevens in aanmerking te nemen ter beoordeling van het vluchtmotief en om hiervoor informatie te verzamelen; dat de gebruikte documentatie in de bestreden beslissing wordt vermeld en in het administratief dossier is gevoegd, zodat de verzoekende partij deze informatie kon nagaan; dat zij dienvolgens de kans had om deze informatie inhoudelijk te weerleggen in het verzoekschrift; dat, wat de bewijswaarde van deze informatie betreft, de verzoekende partij er algemene kritiek op uit, maar nalaat om deze informatie inhoudelijk te weerleggen; dat de verzoekende partij er niet in slaagt om de wettigheid van de motieven, gebaseerd op deze informatie, op goede gronden te betwisten; Overwegende dat de verzoekende partij de informatie kon raadplegen, weliswaar pas na de kennisneming van de bestreden beslissing; dat de verzoekende partij door middel van haar verzoekschrift bij de Raad van State deze informatie kan betwisten; dat het dringend beroep bij het Commissariaat-generaal geen jurisdictionele procedure is, maar een administratieve, waar de rechten van de verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat op het moment van de bestreden beslissing, de Commissaris-generaal niet was verplicht om de verzoekende partij te confronteren met eventuele tegenstrijdigheden in haar relaas, of met informatie die in tegenstrijd is met haar verklaringen; dat de verzoekende partij niet aantoont op welke wijze zij in haar belangen zou zijn geschaad door het feit dat zij niet met deze informatie werd geconfronteerd; dat de verzoekende partij niet met concrete gegevens aantoont dat zij, op het moment van het nemen van de bestreden beslissing, op een andere wijze behandeld zou zijn dan de andere kandidaat-vluchtelingen; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag individueel onderzoekt; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de door de verzoekende partij aangevoerde grieven geenszins aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal niet in alle redelijkheid tot de bestreden beslissing is gekomen; dat het enig middel ongegrond is;
  13. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.848-8/9 BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-12.848-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.802 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.