id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.815 Rolnummer: A. 151053/XIV-19393 Zaak: Arrest 170815 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-30 10:07 Fiche Arrest nr 170.815 van 4 mei 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.815 van 4 mei 2007 in de zaak A. 151.053/XIV-19.
- In zake : XXX, wonende te 3010 LEUVEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 29 juni 1966 en van Oegandese nationaliteit, op 23 april 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 april 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijde- ring van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 22 april 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 april 2007 om 10.00 uur; XIV-19.393-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. POUNDE, die loco Advocaat M. NIYONZIMA verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 9 maart 2004 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 14 april 2004 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) De aanvraag om machtiging tot verblijf, ingediend op 9/3/2004 bij de burgemeester van Leuven door XXX geboren te Amuria op 29/06/1966, onderdaan van uganda, in toepassing van art 9 § 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, is onontvankelijk. MOTIVERING: De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9 § 3 zij bij deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het samenleven met een Belgische onderdaan, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Uit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden. Een tijdelijke scheiding van de partner verhindert betrokkene niet om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst. Bijgevolg diende de vreemdeling: (...) • gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, hem betekend op 9/3/
- (...).”.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Middel: schending van de wet over de motivering van administratieve akten van 29.07.
- De beslissing van de dienst vreemdelingenzaken houdt in haar motivering geen rekening met twee elementen die door verzoekster in haar aanvraag waren vermeld: de onveiligheid in XIV-19.393-2/7 Uganda (feitelijk element) en de omzendbrief van 30.09.1997 inzake verblijfsvergunning ingevolge duurzame verhouding (juridisch element). De dienst van Vreemdelingenzaken heeft de aanvraag van Mevrouw XXX geweigerd zonder rekening houden met de onveiligheid in UGANDA die in haar aanvraag van regularisatie werd ingeroepen. ARTIKEL 3 van de bedoelde wet vereist een juridisch en feitelijke motivering. De desbetreffende beslissing werd genomen als antwoord op een aanvraag tot regularisatie op basis van artikel 9, al 3 van de wet van 15.12.1980 op de vreemdelingen en de omzendbrief van 30.09.1997 inzake verblijfsvergunning ingevolge duurzame verhouding. In deze aanvraag had verzoekster onder meer gesteld dat ze een duurzame relatie sinds maart 2003 met de Heer P. D., bediende, onderhoudt. Ze leven samen en hij beschikt over voldoende financiële middelen om de levenkosten van de verzoekster te dragen. In de bijlagen van de aanvraag van regularisatie van de verzoekster waren ook persmedede- lingen in verband met de onveiligheid in het land van herkomst bijgevoegd. Deze persmedede- lingen tonen aan dat de toestand in haar land van herkomst de jongste tijd verslechterd is. De onveiligheid in UGANDA is een buitengewone omstandigheid die de aanvraag in België rechtvaardigt. Dit belangrijk element wordt niet eens vermeld in de motivering van de dienst vreemdelingenzaken. Ook wordt de verwijzing in de aanvraag naar de omzendbrief van 30.09.1997 inzake verblijfsvergunning ingevolge duurzame verhouding niet eens vermeld in de motivering van de dienst vreemdelingenzaken.”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota niet ingaat op het middel; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in casu aanvoert dat de bestreden beslissing geen rekening houdt met twee elementen die in haar aanvraag waren vermeld met name: “de onveiligheid in Uganda (feitelijk element) en de omzendbrief van 30.09.1997 inzake verblijfsvergunning ingevolge duurzame verhouding (juridisch element)”; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van deze aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die XIV-19.393-3/7 correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.
- Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; XIV-19.393-4/7 dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werden aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - de motieven die betrokkene inroept te weten: het samenleven met een Belgische onderdaan, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; - uit illegaal verblijf kunnen geen rechten geput worden; - een tijdelijke scheiding van de partner verhindert betrokkene niet om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert dat in de bijlagen bij haar aanvraag “persmededelingen in verband met de onveiligheid in het land van herkomst (waren) bijgevoegd” en dat deze aantonen “dat de toestand in haar land van herkomst de jongste tijd verslechterd is”; Overwegende dat er echter dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij, behoudens de twee krantenartikels in bijlage waarnaar ze verwijst, in haar aanvraag om machtiging tot verblijf niets heeft aangehaald omtrent de onveilige situatie in Oeganda en hoe dit het indienen van de aanvraag in haar land van herkomst zou belemmeren; dat bijgevolg de minister van Binnenlandse Zaken dan ook niet kan worden verweten hierop niet te zijn ingegaan in de bestreden beslissing; Overwegende dat waar de verzoekende partij aanvoert dat zij een duurzame relatie heeft met de Heer Patrick Detraux, dient te worden opgemerkt dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken hiermee wel rekening hield, doch oordeelde dat “het samenleven met een Belgische onderdaan, (...) geen buitengewone omstandigheden (vormen) die de aanvraag in België kan rechtvaardigen”; dat hieraan door de minister van Binnenlandse Zaken nog wordt toegevoegd dat “een tijdelijke scheiding van XIV-19.393-5/7 de partner (betrokkene) niet (verhindert) om de aanvraag in te dienen in het land van herkomst”; Overwegende dat de verzoekende partij voorts nog aanvoert dat de bestreden beslissing niets vermeldt over “de omzendbrief van 30.09.1997 inzake verblijfsvergunning ingevolge duurzame verhouding”; Overwegende dat er echter dient op te worden gewezen dat deze door de verzoekende partij aangehaalde omzendbrief, welke het karakter (interpretatief, indicatief of verordenend) ervan ook moge zijn, sowieso geen afbreuk kan doen aan hetgeen is bepaald in artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat haar samenwoonst, het voorwerp van de omzendbrief, zoals hoger aangehaald, wel degelijk werd beantwoord in de bestreden beslissing; Overwegende dat de in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk de determinerende motieven aangeeft op grond waarvan tot de onontvankelijkheid van de aanvraag wordt besloten; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de juridische grondslag, met name artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en naar het feit dat de door de verzoekende partij ingeroepen redenen geen buitengewone omstandigheden zijn; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken op al deze elementen uitdrukkelijk is ingegaan; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op grond van welke juridische en feitelijke gegevens de bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat de verzoekende partij een schending van de door haar aangehaalde bepalingen dienvolgens geenszins aannemelijk maakt; dat het enig middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot XIV-19.393-6/7 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en zeven , door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-19.393-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.