← België

Arrest 170816 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.816 Rolnummer: A. 154238/XIV-20279 Zaak: Arrest 170816 - Dienst Vreemdelingenzaken - 04/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-29 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.816 van 4 mei 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.816 van 4 mei 2007 in de zaak A. 154.238/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. SMEETS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Belgiëlei, 15B bus 10 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 2 november 1976 en van Joegoslavische nationaliteit, op 28 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 22 juni 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 28 juni 2004; Gelet op de beschikking van 19 augustus 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 8 maart 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 18 april 2007 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-20.279-1/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat F. SMEETS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. Op 12 juli 2002 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  4. Op 22 juni 2004 wordt de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij de gemeente Beersel op 12/07/2002 werd ingediend door: XXX nationaliteit: Bosnië-Herzegowina (Rep.) Geboren te Konjic op 02/11/1976 ex-kandidaat vluchteling adres: 1820 Steenokkerzeel in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en): De redenen waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden worden aanvaard. Het feit betrokkene naar eigen zeggen ene cursus Nederlands heeft gevolgd, waarvoor trouwens geen enkel wordt voorgelegd, en zich heeft ingeschreven voor een cursus Frans, goede contacten heeft gelegd met Belgen (hulpverleners, vrijwilligers en gewone burgers) en doe geïntegreerd is bij zijn medestudenten en werkwillig is, is op zich niet uitzonderlijk verantwoord niet dat de aanvraag tot regularisatie in België wordt ingediend. Betrokkene wist dat zijn verblijf van tijdelijke aard was en enkel werd toegestaan in het kader van de asielprocedure. Hij wist dat hij bij een eventuele negatieve beslissing het land diende te verlaten. De problemen in zijn land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen op 30/08/2001 door het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen en ter kennis gebracht op 03/09/
  5. Hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Dat betrokkene na deze dat geen gevolg heeft gegeven aan het bevel om het grondgebied te verlaten en illegaal in België is gebleven is zijn eigen keuze geweest. Een ingesteld beroep tegen de negatieve beslissing van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen bij de Raad van State maakt immers geen deel uit van de asielprocedure en werkt niet opschortend. XIV-20.279-2/12 Het medisch motief kan niet weerhouden worden. Dit probleem was reeds aanwezig bij betrokkene voor zijn aankomst in België. Verder legt betrokkene een document neer (dd. 06/05/2001 van het hospitaal Konjic waaruit blijkt dat de diagnose in zijn land van herkomst reeds werd gesteld en hij hiervoor ook werd behandeld, wat dan ook direct bewijst dat betrokkene bekwaam is een behandeling te financieren. Betrokkene laat ons ook een recent type medisch attest geworden. Hieruit blijkt dat de betrokkene niet verhindert is te reizen. Dat de nodige behandeling in zijn land van herkomst behandeld werd voor deze problemen. Bijgevolg kan er hem geen gunstig regime worden toegestaan. Betrokkene dient contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de vertegenwoordiging van zijn land in België teneinde zijn terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dient betrokkene dringend gevolg te geven aan het hem op 11/06/2001 afgeleverde bevel dringend het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”.
  6. Over de gegrondheid van de zaak. 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat luidt als volgt: “EERSTE MIDDEL: schending van artikel 9,3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 3 van het EVRM, en van het algemeen rechtsbeginsel dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn (de materiële motiveringsplicht) Doordat de bestreden beslissing de aanvraag van verzoeker om een machtiging tot verblijf te bekomen als onontvankelijk beoordeelt op grond van ondermeer de volgende reden: ‘het medisch motief kan niet weerhouden worden. Dit probleem was reeds aanwezig bij betrokkene voor zijn aankomst in België. Verder legt betrokkene een document neer (dd. 06/05/2001) van het hospitaal Konjic waaruit blijkt dat de diagnose in zijn land van herkomst reeds werd gesteld en hij hiervoor ook word behandeld, wat dan ook direct bewijst dat betrokkene bekwaam is een behandeling te financieren. Betrokkene laat ons ook een recent type medisch attest geworden. Hieruit blijkt dat betrokkene niet verhinderd is te reizen. Dat de nodige behandeling in zijn land van herkomst niet voorhanden zou zijn kan worden weerlegd aangezien betrokkene in het verleden reeds in zijn land van herkomst behandeld werd voor deze problemen.’ Terwijl: eerste onderdeel van het eerste middel: artikel 9,3 en het motiveringsbeginsel worden geschonden omdat uit de motivering van de bestreden beslissing niet blijkt

(1)waarom het basismotief van verzoeker, zoals uiteengezet en gedocumenteerd in de initiële aanvraag en in de op 10 mei 2004 bezorgde nieuwe stukken, meer bepaald waarom ingeval van gedwongen terugkeer de psychiatrische problemen van verzoeker ‘alleen maar erger’ zouden worden en om die reden alleen al een buitengewone omstandigheid uitmaken in de zin van art. 9, 3 Vreemdelingenwet, niet ter sprake komt en evenmin wordt weerlegd en
(2)waarom de Minister het niet opportuun oordeelde, ondanks de talrijke en gedetailleerde medische verslagen, door een psychiater of geneesheer-deskundige te laten onderzoeken of het voormelde basismotief van verzoeker voldoende bewezen en ernstig genoeg is om als een ‘buitengewone omstandigheid’ in de zin van art. 9,3 Vreemdelingenwet te kunnen gelden. Tweede onderdeel van het eerste middel: de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening houdt met de nieuwe feiten en nieuwe stukken die d.m.v. een aangetekende brief van 10 mei 2004 aan de Cel 9,3 van de Dienst Vreemdelingenzaken werden meegedeeld. Nochtens betreffen deze nieuwe feiten en nieuwe stukken ondermeer medische verslagen en attesten betreffende de psychologische en psychiatrische problemen van verzoeker en het verloop van de behandeling daarvan (door nog steeds zware medicatie, nog steeds te onderhouden ambulante psychiatrische behandeling, en recent een opname van 12 januari 2004 tot 27 februari 2004 in het neuro-psychiatrisch ziekenhuis Sanatia te Brussel). Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hieromtrent het volgende repliceert: XIV-20.279-3/12 “2.1. Eerste middel: schending van art.9, § 3 van de vreemdelingenwet, van art. 3 E.V.R.M. en van de materiële motiveringsplicht Verzoeker acht in zijn eerste middel artikel 9, § 3 van de wet van 15.12.1980 en artikel 3 van het EVRM geschonden omwille van het geit dat in de bestreden beslissing het ‘basismotief’ van verzoeker ‘niet ter sprake komt en evenmin wordt weerlegd’. Dit ‘basismotief’ houdt in dat ‘ingeval van gedwongen terugkeer de psychiatrische problemen van verzoeker ‘alleen maar erger’ zouden worden en om die reden alleen al een buitengewone omstandigheid uitmaken in de zin van art. 9,3 Vreemdelingenwet’. Tevens acht verzoeker voormelde artikelen geschonden omdat geen psychiater of geneesheerdeskundige werd aangesteld om hem te onderzoeken en tenslotte werpt verzoeker ook op dat ‘de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening houdt met de nieuwe feiten en nieuwe stukken die d.m.v. een aangetekende brief van 10 mei 2004 aan de Cel 9, 3 van de Dienst Vreemdelingenzaken werden meegedeeld’. Verwerende partij merkt op dat de bestreden beslissing werd genomen na onderzoek van alle door verzoekende partij aangebrachte elementen. Zij heeft wel degelijk afdoende geantwoord op de medische overwegingen die verzoeker in zijn aanvraag opsomt, nu uit de bestreden beslissing blijkt dat het medisch motief niet kan weerhouden worden, aangezien: - dit probleem reeds aanwezig was bij betrokkene voor zijn aankomst in België, - hij in zijn land van herkomst reeds werd behandeld, hetgeen zowel aantoont dat hij over de nodige middelen beschikt om de behandeling te financieren als dat de behandeling in zijn land van herkomst voorhanden is; - uit een medisch attest dat betrokkene zelf voorlegt blijkt dat hij in staat is om te reizen. Verwerende partij mocht dan ook uit de haar beschikbare informatie terecht besluiten dat de gezondheidstoestand van verzoeker niet kan aangenomen worden als een buitengewone omstandigheid ter rechtvaardiging van de aanvraag op basis van artikel 9,3' van de wet van 15.12.1980 in België. Gelet op het voorgaande staat het vast dat verwerende partij; bij het nemen van de bestreden beslissing, meende over voldoende informatie te beschikken (gelet op het omvangrijk aantal medische attesten die verzoeker voorlegde) om met kennis van zaken te kunnen oordelen over verzoekers aanvraag en dat zij het derhalve niet opportuun achtte een geneesheerdeskundige aan te stellen. Verwerende partij wijst erop dat zij haar beslissing, voor wat betreft de medische motieven, hoofdzakelijk gegrond heeft op de stukken die verzoeker zelf aanbrengt en dat verzoeker dan ook niet ernstig kan beweren dat verwerende partij een geneesheer had moeten aanstellen. Verwerende partij besluit dat de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken- gelet op de specifieke elementen die verzoekers concrete situatie kenmerken en geheel conform de ter zake relevante rechtsregels, terecht heeft geoordeeld dat geen uitzonderlijke omstandigheden werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag niet kan indienen via de gewone procedure. Verzoekers ongestaafde kritiek als zou verwerende partij geen rekening hebben gehouden niet de nieuwe feiten en stukken die bij bij brief van 10 mei 2004 toezond, kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Immers, deze 'nieuwe feiten en stukken' zijn medische verslagen en attesten m.b.t. de gezondheidstoestand van verzoeker. en de verwerende partij heeft, zoals reeds uiteengezet, de medische aspecten voldoende onderzocht en is op basis van de haar beschikbare informatie tot de bestreden beslissing gekomen. Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat aan de materiële motiveringsplicht werd voldaan. Betreffende de opgeworpen schending van artikel 3 EVRM stelt verwerende partij vast dat verzoeker in zijn eerste middel nalaat te verduidelijken op welke wijze de bestreden beslissing het voornoemd artikel schendt. Verwerende partij acht het eerste middel in die mate dan ook onontvankelijk en verwijst verder naar haar repliek op het tweede middel van verzoeker. Verzoekers eerste middel kan niet aangenomen worden.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “betreffende het EERSTE MIDDEL : schending van artikel 9, 3 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 3 van het EVRM, en van het algemeen rechtsbeginsel dat iedere bestuurshandeling moet worden gedragen door motieven die in rechte en in feite aanvaardbaar zijn (de zgn. materiële motiveringsplicht) Betreffende het eerste onderdeel van het eerste middel: XIV-20.279-4/12 Verweerder formuleert geen enkel verweer aangaande het middel (eerste onderdeel,
(1)dat een gebrekkige motivering aanduidt omwille van het onbesproken laten van het basismotief van verzoeker (nl. het gegeven en de redenen waarom ingeval van gedwongen terugkeer de psychiatrische problemen van verzoeker alleen maar erger zouden worden). Verweerder formuleert als verweer aangaande het middel (eerste onderdeel,
(2)dat een gebrekkige motivering aanduidt omwille van het niet aanduiden van een geneesheerdeskundige en het niet vermelden van de redenen waarom er geen geneesheer-deskundige moest worden aangeduid, dat hij het niet opportuun achtte om dat laatste te doen omdat hij blijkbaar zichzelf voldoende deskundig achtte om zélf de medische aspecten te onderzoeken (!) zonder hiervoor beroep te moeten doen op een deskundige om te kunnen oordelen over de talrijke en omstandige psychiatrische verslagen van de artsen van verzoeker. Met andere woorden: de Dienst Vreemdelingenzaken acht dus zichzelf voldoende competent om niet kennis van zaken en zonder enige medische deskundige bijstand een deskundig en verantwoord oordeel te kunnen vellen dat ingaat tegen de beoordeling en de conclusies van de psychiaters-deskundigen die verzoeker in behandeling hebben ! Betreffende het tweede onderdeel van het eerste middel: Verweerder poneert ‘dat de bestreden beslissing werd genomen na onderzoek van alle door verzoekende partij aangebrachte elementen’. Verzoeker stelt hier tegenover: Dat de bestreden beslissing met een aantal cruciale en recente elementen géén rekening heeft gehouden omdat uit de beslissing zelf duidelijk blijkt dat enkel werd rekening gehouden met elementen die samen met de initiële aanvraag (van 12 juli 2002) werden meegedeeld, en niét met de zeven nieuwe stukken betreffende de medische problematiek (meegedeeld als bijlagen bij een aangetekende brief van 10 mei 2004). Verzoeker handhaaft dan ook onverkort zijn eerste middel.”; 2.1.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van het E.V.R.M., en van de materiële motiveringsplicht; 2.1.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken in een eerste onderdeel van dat middel verwijt geen rekening te hebben gehouden met het door haar in haar aanvraag aangehaalde argument dat “ingeval van gedwongen terugkeer (zijn) psychiatrische problemen (...) ‘alleen maar erger’ zouden worden en om die reden alleen al een buitengewone omstandigheid uitmaken”; Overwegende dat er op dient te worden gewezen dat artikel 9, tweede lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat deze buitengewone omstandigheden niet mogen worden verward met de argumenten die worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; Overwegende dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt, met name wat de regelmatigheid of de ontvank- XIV-20.279-5/12 elijkheid van de aanvraag betreft en wat de gegrondheid van de aanvraag betreft; dat betreffende de gegrondheid, de minister over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt; dat vooraleer echter te onderzoeken of er voldoende grond was om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de minister van Binnenlandse Zaken moest nagaan of de aanvraag wel regelmatig was ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat uit de stukken 60 en 69 van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij in haar aanvraag wees op haar psychische problemen; dat de verzoekende partij ter staving van haar psychische problemen eveneens een aantal medische attesten bij de aanvraag, voegde; dat in de door haar op 10 mei 2004 neergelegde aanvulling bij haar aanvraag, de verzoekende partij, zoals zij thans stelt in haar verzoekschrift, inderdaad aanvoerde dat zij vreest te moeten terugkeren naar Bosnië en dat hierdoor haar psychische toestand “er alleen maar erger op (zou) worden”; dat echter dient te worden opgemerkt dat de verzoekende partij zich hieromtrent heeft beperkt tot een blote bewering die nergens wordt bevestigd in de door haar neergelegde medische attesten; dat nergens in de door haar neergelegde medische attesten door een geneesheer uitdrukkelijk wordt gesteld dat een terugkeer naar het land van herkomst nefast zou zijn voor haar psychische problemen; dat in het door haar neergelegde en op 10 mei 2004 door Dr. Verhaeghe opgestelde type medisch attest weliswaar wordt gesteld dat het “wenselijk” is dat patiënt niet naar haar land van herkomst terugkeert en dat een terugkeer “wellicht” schadelijk zal zijn voor haar gezondheidstoestand, doch dergelijke beweringen zijn te vaag, rekening houdend met de hierboven geschetste draagwijdte van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, en meer in het bijzonder met de uit dit artikel voortvloeiende verplichting voor de vreemdeling om de buitengewone omstandigheden “klaar en duidelijk” uiteen te zetten; Overwegende dat de minister van Binnenlandse Zaken zich in de bestreden beslissing bijgevolg beperkt tot een algemene beoordeling van de door de verzoekende partij aangevoerde medische argumenten; dat het bestuur, in tegenstelling tot een rechtscollege, in het kader van de motiveringsplicht, immers niet is gehouden een antwoord te geven op de diverse feitelijke en juridische argumenten die een belanghebbende naar voren brengt, zodat niet systematisch moet worden geantwoord op de verschillende argumenten aangevoerd in de aanvraag; dat het volstaat dat uit de motivering impliciet of expliciet blijkt dat deze argumenten in de besluitvorming werden betrokken en dat hieruit minstens impliciet kan afgeleid worden waarom de argumenten in het algemeen niet werden aanvaard; dat de minister van Binnenlandse Zaken, gezien hij het medisch probleem van de verzoekende partij niet betwist, met andere woorden louter diende na te gaan of de XIV-20.279-6/12 verzoekende partij kan worden behandeld in het land van herkomst en of haar medische toestand het toelaat zich naar dit land te verplaatsen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken deze oefening wel degelijk heeft gedaan; dat de minister van Binnenlandse Zaken bijgevolg, en in tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, niet hoefde over te gaan tot de aanstelling van een geneesheer-deskundige; 2.1.
  3. Overwegende dat in een tweede onderdeel van het eerste middel de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken verwijt geen rekening te hebben gehouden met de op 10 mei 2004 ingediende aanvulling bij zijn aanvraag om machtiging tot verblijf; Overwegende dat de verzoekende partij er echter niet in slaagt haar kritiek met enig concreet element ook daadwerkelijk aan te tonen; dat integendeel, in de bestreden beslissing uitdrukkelijk wordt verwezen naar een “recent type medisch attest”, hetgeen enkel en alleen kan slaan op het op 10 mei 2004 door Dr. Verhaeghe opgestelde attest; dat hieruit alleen al blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk rekening heeft gehouden met de aanvulling d.d. 10 mei 2004; dat bovendien uit het feit dat in de bestreden beslissing niet uitdrukkelijk wordt ingegaan op de recente evolutie van haar psychische toestand, niet zomaar kan worden afgeleid dat de minister van Binnenlandse Zaken hiermee geen rekening zou hebben gehouden; dat zoals hierboven reeds aangegeven, de minister van Binnenlandse Zaken immers niet verplicht is om op elk door de verzoekende partij aangehaald feit of argument expliciet te antwoorden, zolang uit de bestreden beslissing maar blijkt dat hij rekening heeft gehouden met de aangevoerde argumenten in hun geheel; dat zulks in casu wel degelijk het geval is, aangezien de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk heeft geantwoord op de door de verzoekende partij aangehaalde medische problematiek; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat luidt als volgt: “TWEEDE MIDDEL: schending van artikel 3 van het EVRM en van de materiële motiveringsplicht Doordat de bestreden beslissing verzuimt om op enige wijze de belangen van verzoeker en van de Staat te toetsen aan artikel 3 E.V.R.M. dat bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Eerste onderdeel van het tweede middel: Nochtans is artikel 3 EVRM van openbare orde zodat de Minister ambtshalve zijn beslissing had moeten motiveren rekening houdend met de belangen die de fysieke integriteit van verzoeker beschermen. De beslissing schendt dan ook de materiële motiveringsplicht en artikel 3 EVRM en zij moet derhalve worden vernietigd. Tweede onderdeel van het tweede middel In de bestreden beslissing ontbreekt volledig iedere belangenafwending over de proportiona- liteit tussen meer bepaald de belangen van verzoeker (recht op bescherming van zijn fysieke integriteit) en de belangen van de Staat. De motivering van de bestreden beslissing is dan ook niet draagkrachtig omdat iedere belangenafwending dienaangaande ontbreekt.”; XIV-20.279-7/12 Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hieromtrent het volgende repliceert: “2.2 Tweede middel: schending van art. 3 E.V.R.M. en van de materiële motiveringsplicht De schending van artikel 3 E.V.R.M. zou er volgens verzoeker in bestaan dat ‘niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen’ en dat ‘artikel 3 EVRM van openbare orde is zodat de Minister ambtshalve zijn beslissing had moeten motiveren rekening houdend met de belangen die de fysieke integriteit van verzoeker beschermen’. De verwerende partij merkt vooreerst op dat aan het door verzoeker kennelijk bedoelde verdragsvoorschrift is voldaan wanneer de bestreden beslissing tot stand is gekomen met eerbiediging ervan, daar de verwerende partij de uit dit voorschrift voortvloeiende verplichting- en slechts kan waarborgen binnen het eigen grondgebied (R.v.St. nr. 338.133633, 19.12.1991, Arr. R.v.St. 1991, z.p.). Bovendien laat de verwerende partij gelden dat de bestreden beslissing verzoeker geenszins verplicht terug te keren naar Bosnië-Herzegovina, doch enkel de verplichting inhoudt tot het verlaten van het grondgebied van het Rijk (cf. R.v.St. nr. 50.187, 14.11.1994, en nr. 50.130, 9.11.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). Verwerende partij merkt bovendien op dat verzoeker in zijn tweede middel niet verduidelijkt waaruit de schending van artikel 3 E.V.R.M. concreet zou bestaan. Indien verzoeker meent dat deze schending bestaat in het feit dat hij diverse medische aandoeningen heeft die volgens hem niet kunnen behandeld worden of zouden kunnen verergeren, verwijst verwerende partij naar haar repliek op het eerste middel. Verzoeker gaat er bovendien geheel ten onrechte van uit dat de gemachtigde van de Minister ambtshalve zijn beslissing diende te motiveren op basis van artikel 3 E.V.R.M. Verwerende partij stelt dat in casu artikel 3 E.V.R.M. niet aan de orde is en dat er geen enkele reden voorhanden is waarom de bestreden beslissing diende in te gaan op voornoemd artikel. Waar verzoeker stelt dat er in de bestreden beslissing geen afweging werd gemaakt tussen de belangen van de Belgische Staat en deze van verzoeker, merkt verwerende partij op dat uit de lezing van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat deze belangenafweging wel degelijk werd gemaakt. Ten eerste werd geheel verzoekers dossier grondig onderzocht, waarna er duidelijk diende besloten te worden dat er geen uitzonderlijke omstandigheden voorhanden waren, inclusief verzoekers medische situatie. Ten tweede diende er vastgesteld te worden dat verzoeker geen elementen aanbracht tot staving van zijn cursus Nederlands, dat zijn overwegingen met betrekking tot zijn integratie niet uitzonderlijk zijn en dat zijn asielaanvraag werd afgewezen. Bovendien is er geen enkel element voorhanden om te stellen dat het eventuele terugleiden van verzoeker een schending van art. 3 E.V.R.M. zou kunnen uitmaken, er zijn namelijk geen ernstige en duidelijke redenen voorhanden om te veronderstellen dat de betrokkene een risico loopt op folteringen, onmenselijke of vernederende handelingen. Verwerende partij is de mening toegedaan dat ook verzoekers tweede middel geenszins kan aangenomen worden.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daaraan toevoegt: “betreffende het TWEEDE MIDDEL : schending van artikel 3 van het EVRM en van de materiële motiveringsplicht Artikel 3 EVRM is wel degelijk in het geding omdat ingeval van terugleiding
(1)er noodzakelijkerwijze onmiddellijk een einde komt aan de medische opvolging en therapie die verzoeker thans geniet in België en
(2)verzoeker voor geen enkel ander land een geldige inreis- en verblijfstitel heeft en ook niet kan bekomen, een gegeven waarvan de Minister zich zeer goed bewust is. Verzoeker kan niet terug naar zijn land omdat hij in zijn dorp zal worden geconfronteerd met de beulen die hem in het concentratiekamp hebben mishandeld en die hiervoor nog steeds ongestraft rondlopen. In de psychiatrische verslagen wordt dit element dan ook aangeduid als voornaamste reden waarom een psychiatrische behandeling in het land van herkomst geen kans op slagen heeft. In die omstandigheden maakt dan ook het terugleiden naar zijn land van herkomst voor verzoeker een onmenselijke behandeling uit, omdat volgens de niet-weerlegde opinie van de XIV-20.279-8/12 psychiaters-deskundigen een psychiatrische behandeling geen kans op slagen heeft en de zeer ernstige psychische problemen van verzoeker alginds alleen maar erger zullen worden. (‘niet weerlegde opinie’ : zoals hoger aangegeven heeft Dienst Vreemdelingenzaken de psychiatrische problematiek zelf onderzocht, zonder enige deskundige bijstand (!!!), en werd er duidelijk geen rekening gehouden met de op 10 mei 2004 meegedeelde zeven nieuwe stukken).”; 2.2.
  1. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van het E.V.R.M. en van de materiële motiveringsplicht; dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat de minister van Binnenlandse Zaken “verzuimt om op enige wijze de belangen van verzoeker en van de Staat te toetsen aan artikel 3 E.V.R.M. dat bepaalt dat niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen”; 2.2.
  2. Overwegende dat waar de verzoekende partij een inbreuk op artikel 3 van het E.V.R.M. aanvoert, dient te worden opgemerkt dat deze bepaling eist dat de verzoekende partij doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat in het land waarnaar ze mag worden teruggeleid, zij een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling; dat immers de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; dat degene die aanvoert dat hij een dergelijk risico loopt zijn beweringen moet staven met een begin van bewijs; dat inzonderheid een blote bewering of een eenvoudige vrees voor onmenselijke behandeling op zich niet volstaat om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd; dat uit de bespreking van het eerste middel immers reeds is gebleken dat de verzoekende partij er niet in slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de motivering van de bestreden beslissing, en dat zij er met andere woorden niet in slaagt aan te tonen dat het kennelijk onredelijk is van de minister van Binnenlandse Zaken, om te stellen dat ze in staat is om te reizen naar haar land van herkomst en dat het voor haar ook daar mogelijk is haar psychische problemen te laten behandelen; dat de verzoekende partij de kennelijke onredelijkheid van de overwegingen van de minister van Binnenlandse Zaken in het tweede middel evenmin aantoont; dat in tegenstelling tot hetgeen zij beweert, immers nergens in de neergelegde medische attesten uitdrukkelijk door de geneesheren wordt gesteld dat een confrontatie met haar beulen uit de Balkanoorlog “de voornaamste reden (is) waarom een psychiatrische behandeling in het land van herkomst geen kans op slagen heeft”; dat de verzoekende partij evenmin aantoont dat ze een ernstig en reëel risico loopt te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling en bijgevolg op generlei wijze aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel 3 van het E.V.R.M.; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-20.279-9/12 2.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat luidt als volgt: “DERDE MIDDEL: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van de verdediging - afwezigheid van een medische expertise verricht door een onafhankelijke geneesheer - afwezigheid van een tegensprekelijk verloop van de medische expertise Het is een courante praktijk dat voor het onderzoek van een aanvraag tot verblijfsregularisa- tie gegrond op ernstige medische redenen er door de Minister een arts als deskundige wordt aangesteld. In casu gaat het onbetwistbaar om een zeer ernstige medische problematiek. Het wordt niet betwist dat er reeds een ernstig medisch probleem was dat in het land van herkomst moest behandeld worden. Het kan evenmin worden betwist dat sedert zijn verblijf in België het ernstig medisch probleem van verzoeker moest blijven behandeld worden. De bestreden beslissing gaat echter volledig voorbij aan het uitvoerig gedocumenteerde en beargumenteerde gegeven dat er een onmogelijkheid is van terugkeer om menigvuldige redenen, waaronder zuiver medische redenen. Niettemin vond de Minister het blijkbaar zelfs niet het overwegen waard om een geneesheer- deskundige aan te stellen - laat staan om verzoeker door deze deskundige te laten onderzoeken, laat staan om een tegensprekelijke expertise dienaangaande toe te laten. Om deze redenen meent verzoeker dat de bestreden beslissing op ongeldige of minstens onzorgvuldig voorbereide wijze is tot stand gekomen alsook dat - ondergeschikt - zijn rechten van verdediging werden geschonden, en dat derhalve de bestreden beslissing moet worden vernietigd.”; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord hieromtrent het volgende repliceert: “2.3 Derde middel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de rechten van verdediging, afwezigheid van een medische expertise, afwezigheid van een tegensprekelijk verloop van de medische expertise Inzake de kritiek van verzoeker m.b.t. de medische expertise wenst verwerende par-tij vooreerst op te merken dat in haar repliek op het eerste middel van verzoeker reeds werd uiteengezet waarom verwerende partij terecht heeft geoordeeld geen medisch expert te moeten aanstellen. Verwerende partij meent tevens dat verzoeker geenszins ernstig is, wanneer hij stelt dat er geen ‘tegensprekelijk verloop van de medische expertise’ was. Nu vaststaat dat verweerder zich, bij het nemen van de bestreden beslissing, heeft laten leiden door de stukken aangebracht door verzoekende partij, kan men niet ernstig voorhouden dat er geen tegenspraak is geweest! Uit de beslissing blijkt duidelijk dat verwerende partij rekening heeft gehouden met de door verzoeker aangebrachte elementen en zij haar beslissing zelfs deels steunt op deze elementen. Er kan dan ook geenszins sprake zijn van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, noch van de rechten van verdediging, nu vaststaat dat verzoekers argumenten en stukken ruim aan bod zijn gekomen bij de beoordeling van zijn aanvraag. Het feit dat verzoeker gegevens voorlegt waaruit volgens hem blijkt dat de situatie in het land van herkomst niet ideaal is en zelfs beter zou kunnen, wil niet zeggen dat verzoeker niet de nodige medische zorgen en opvolging in zijn land van herkomst kan genieten. De verwerende partij is dan ook de mening toegedaan dat verzoekers derde middel niet kan aangenomen worden.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord daaraan toevoegt: “betreffende het DERDE MIDDEL ~ schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van de verdediging - medische expertise niet verricht door een onafhankelijke geneesheer - afwezigheid van een tegensprekelijk verloop van de medische expertise Een zeer merkwaardige opvatting over wat volgens de Dienst Vreemdelingenzaken kan doorgaan voor een ‘tegensprekelijk verloop van een medische expertise’ komt hier naar voren. Ten eerste acht de DVZ zichzelf competent genoeg om bij zichzelf te rade te gaan alsof men te rade is gegaan bij een medisch deskundige. XIV-20.279-10/12 Ten tweede meent de DVZ zichzelf voldoende medisch geschoold om zonder enige medisch- deskundige bijstand (van derden) te kunnen oordelen over attesten van psychiaters. Ten derde stelt de DVZ een tegensprekelijk onderzoek gelijk met het ontvangen en lezen van medische attesten en het nemen van een beslissing, zonder enig medisch onderzoek van de persoon van verzoeker, zonder voorverslag en zonder mogelijkheid voor de behandelende psychiaters van verzoekers om hun bemerkingen te formuleren (wat deze laatsten zeker zouden hebben gedaan omdat het basismotief, nl. de redenen waarom een terugkeer de psychische problemen zal verergeren, kompleet onbesproken blijft). In die omstandigheden blijven volhouden dat er tegenspraak is geweest bevestigt vooral dat DVZ niet beseft in welke mate het zorgvuldigheidsbeginsel hier werd geschonden.”; 2.3.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de rechten van verdediging; dat de verzoekende partij in casu de minister van Binnenlandse Zaken verwijt geen geneesheer- deskundige te hebben aangesteld en geen “tegensprekelijke expertise” betreffende haar medische toestand te hebben laten uitvoeren; 2.3.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij met andere woorden de kritiek die zij reeds heeft geuit in het tweede onderdeel van haar eerste middel herhaalt; dat er dan ook kan worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van dit tweede onderdeel van het eerste middel; dat het derde middel evenmin gegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-20.279-11/12 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-20.279-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.816 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.