id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.823 Rolnummer: A. 182926/XII-5094 Zaak: Arrest 170823 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 04/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-11 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.823 van 4 mei 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.823 van 4 mei 2007 in de zaak A. 182.926/XII-
- In zake :
- Bram HERMANS,
- Rien VANDENBERGHE, die woonplaats kiezen bij advocaat W. Van Der Donckt, kantoor houdende te Mechelen, Schuttersvest 21 tegen :
- de BURGEMEESTER VAN SINT-GENESIUS-RODE,
- de GEMEENTE SINT-GENESIUS-RODE, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Deltour, kantoor houdende te Brussel, Keizerslaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Bram Hermans en Rien Vandenberghe op 3 mei 2007 hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 2 mei 2007 van de burgemeester van Sint-Genesius-Rode waarbij aan het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond wordt verboden om op 6 mei 2007 de betoging “2007: staatsvorming, mars voor onze onafhankelijkheid” te houden op het grondgebied van de gemeente; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beslissing van 3 mei 2007 waarbij de waarnemend kamervoorzitter de terechtzitting bepaalt op 3 mei 2007, om 15.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. Van Der Donckt, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat B. Deltour, die verschijnt voor de verwerende partijen; XII-5094-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
- Met een brief van 9 januari 2007 kondigen Bram Hermans en Rien Vandenberghe namens het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond (hierna: K.V.H.V.) aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint- Genesius-Rode aan dat het K.V.H.V. zich heeft voorgenomen op 6 mei 2007 te betogen op het grondgebied van de gemeente, onder het motto “2007: staatsvorming, mars voor onze onafhankelijkheid”. Op 4 april 2007 deelt de burgemeester aan het K.V.H.V. mee dat het niet mogelijk is toelating tot het organiseren van de betoging te verlenen, “[r]ekening houdend met de sperperiode die van kracht is naar aanleiding van de federale wetgevende verkiezingen van 10 juni 2007”. Verzoekers stellen tegen de weigering op 27 april 2007 bij de Raad van State een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in. Het besluit wordt op 2 mei 2007 door de burgemeester ingetrokken omdat het “wellicht enige formele verduidelijking verdient”. Die verduidelijking beoogt de burgemeester te brengen met het bestreden besluit van 2 mei 2007, waarin aan het K.V.H.V. opnieuw wordt verboden de betoging op 6 mei 2007 te laten houden, en het bevel wordt gegeven om zijn leden en sympathisanten van dit verbod te verwittigen. De ontvankelijkheid
- Volgens verwerende partijen beschikken verzoekers niet over het vereiste belang omdat zij niet zelf de organisator van de betoging zijn, maar het K.V.H.V., aan wie “dan ook” het bestreden besluit is gericht. XII-5094-2/7
- Verwijzend naar de intentie van het K.V.H.V. -in de brief van 9 januari 2007- om op 6 mei 2007 in Sint-Genesius-Rode te betogen, heeft de burgemeester de feitelijke vereniging op 2 mei 2007 tot de directe geadresseerde gemaakt van het verbod om de betoging te laten houden, en van het bevel om de leden en sympathisanten van dit verbod te verwittigen. De erkenning van het K.V.H.V. die daaruit blijkt, lijkt alleszins in de huidige stand van procedure noodzakelijk mee te brengen dat de vereniging ontvankelijk tegen de beslissing van 2 mei 2007 mag en kan opkomen. In zoverre te dezen Bram Hermans en Rien Vandenberghe optreden voor het K.V.H.V., in hun respectieve hoedanigheid van “praeses” en “ab- actis” “K.V.H.V. 2006-2007”, blijkt niet dat zij daartoe niet gerechtigd zijn. Vastgesteld wordt in dit verband dat ook reeds de aankondiging door het K.V.H.V., in de brief van 9 januari 2007, uitging van de betrokkenen, in hun genoemde hoedanigheid. De exceptie wordt verworpen. De grondvoorwaarden voor de schorsing
- Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is.
- De voorwaarde van een ernstig middel. Verzoekers voeren in een enig middel de schending aan “van de motiveringsplicht juncto artikel 19 en 26 van de Grondwet, artikel 19 van het Internationale Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 10 van het EVRM [...] en art. 1 al. 2 van de Wet van 5/08/1992 op het Politieambt”. Onder meer wordt toegelicht dat het besluit niet motiveert, minstens niet concreet en niet afdoende, waarom de veiligheid door de betoging in het gedrang zou komen en waarom de ordediensten geen mogelijkheden zouden hebben de orde te handhaven, dat louter verwezen wordt naar het risico op tegenbetogingen, terwijl er daarvoor geen enkele aanvraag voorhanden is en niet XII-5094-3/7 wordt aangegeven waarom een tegenbetoging niet verboden wordt of waarom er niet tegen opgetreden kan worden.
- Verwerende partijen werpen in de nota tegen dat noch de Grondwet, noch de aangevoerde verdragsbepalingen het verbod van een betoging op de openbare weg onmogelijk maken, dat wel vereist is dat de overheid een dergelijk verbod terdege motiveert, dat er te dezen “meerdere objectieve en redelijke redenen” zijn om de betoging te verbieden, dat er ten eerste “een werkelijk risico van tegenmanifestatie” bestaat, namelijk een betoging door de Franstalige politieke partij FDF, dat ten tweede de politiemiddelen van de gemeente beperkt zijn, inzonderheid gelet op “haar institutionele status en de symboolwaarde die communautaire bewegingen haar dientengevolge toebedelen” en op een specifieke en hoge criminaliteitsgraad.
- De bestreden beslissing lijkt in essentie hierop te steunen, eensdeels, dat de aangekondigde betoging risicovol is en, anderdeels, dat de mankracht van het korps van de lokale politie te zeer beperkt is. Wat het eerste betreft wordt in het besluit uitgelegd dat in de aanloop naar de federale verkiezingen het communautaire en institutionele thema hoog op de agenda staat, dat de betoging dan ook een zeer ernstig risico op agitatie en openbare onrust inhoudt “mede doordat de opponenten aankondigen systematisch tegenmanifestaties te willen organiseren”, en dat de betoging kan leiden tot een escalatie van provocaties en incidenten die hoogstwaarschijnlijk gepaard zullen gaan met geweld. Aangaande de beperkte mankracht wordt geargumenteerd dat de politiezone slechts een dertigtal politieagenten ter beschikking heeft, dat het territorium van de gemeente zeer uitgestrekt is en veel invalswegen heeft en dat het politiekorps zich de jongste maanden ook nog met een ware plaag van inbraken en diefstallen met geweld geconfronteerd ziet.
- Op het eerste gezicht zijn geen van beide redenen toereikend om de beperking te verantwoorden die de bestreden beslissing aan de in het middel aangevoerde rechten en vrijheden stelt. Het motief met betrekking tot het gevaar voor agitatie en escalatie van incidenten, inzonderheid ten gevolge van tegenmanifestaties, komt in de huidige stand van de procedure als te algemeen en te weinig gestaafd voor. Het kan bezwaarlijk zo zijn dat, in het algemeen, het recht om een betoging te houden XII-5094-4/7 afhankelijk is van de instemming van de tegenstanders van de betoging - in die zin dat zij geen tegenacties overwegen. De loutere vrees voor tegenacties vermag dan ook niet een betogingsverbod te verantwoorden. Dat lijkt des te meer nog het geval te dezen waar, volgens de bestreden beslissing, de opponenten aankondigen “systematisch” tegenmanifestaties te willen organiseren. Overigens zijn de enige concrete gegevens in verband met mogelijke tegenmanifestaties in onderhavig geval, beperkt tot één krantenartikel van eind februari 2007, waarin wordt meegedeeld dat op 6 mei 2007 ook het FDF wil betogen, en tot de oproep van de vereniging “Belgische Unie-Union Belge” om een vlugschrift te afficheren of een Belgische vlag uit te hangen. Ook het motief met betrekking tot de beperkte mankracht van de lokale politie kan op het eerste gezicht niet overtuigen. Immers laat de burgemeester totaal onbesproken de mogelijkheid die zij heeft om, wanneer de middelen van de lokale politie niet volstaan, de federale politie te vorderen. Het stilzwijgen van de burgemeester hierover is des te meer opvallend waar er kennelijk effectief contacten met de federale politie zijn geweest en de bestreden beslissing zelfs formeel overweegt dat het bestreden verbod tot stand is gekomen “na een grondige evaluatie van de toestand met de Federale Politie”.
- De bestreden beslissing maakt niet afdoende aannemelijk dat op 6 mei 2007 de materiële ordehandhaving op het grondgebied van de gemeente slechts naar behoren kan verzekerd worden door de betoging van K.V.H.V. te verbieden en aldus de in het middel aangevoerde rechten en vrijheid te beperken. Het middel is ernstig.
- De voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Verzoekers voeren als nadeel aan dat de bestreden beslissing het onmogelijk maakt om een geplande en bekendgemaakte vergadering te houden, dat leden en sympathisanten vanuit heel Vlaanderen op zondag 6 mei 2007 aanwezig zullen zijn, dat aanzienlijke kosten zijn gemaakt voor het drukken van affiches, pamfletten, het reserveren van minstens 20 autobussen, dat er intense aankondigingen zijn gebeurd, dat het niet kunnen doorgaan van de manifestatie tot gezichtsverlies lijdt.
- Anders dan de verwerende partijen menen, komt de uiteenzetting van het nadeel voldoende concreet en precies voor. Anders ook dan verwerende partijen in de nota betogen, zijn de organisatoren niet voorbarig geweest door reeds XII-5094-5/7 publiciteit te hebben gevoerd en bussen te hebben besteld niettegenstaande de toelating voor de manifestatie nog niet verkregen was. Naar uit de pleidooien ter terechtzitting immers blijkt, was voor de organisatie van de betoging geen toelating vereist en kon de melding van 9 januari 2007 aan het college van burgemeester en schepenen volstaan. Dat de bestreden beslissing geen persoonlijk nadeel toebrengt aan Bram Hermans en Rien Vandenberghe, lijkt niet terzake te doen, nu hoger is vastgesteld, tenminste voorlopig, dat zij zijn opgetreden voor het K.V.H.V. en daartoe ook gerechtigd waren. Het aangevoerde nadeel is, in zijn geheel beschouwd, als ernstig én moeilijk herstelbaar te aanzien.
- De voorwaarde van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoekers zetten uiteen dat een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure te laat dreigt te komen en dat zij onmiddellijk het nodige hebben gedaan om de vordering in te stellen.
- Verwerende partijen betwisten de uiterst dringende noodzakelijkheid omdat verzoekers tegen het eerste verbod -het verbod van 4 april 2007- pas drie weken nadien bij de Raad van State een verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid hebben ingediend en omdat zij slechts op 26 april 2007 het exacte parcours van hun vooropgezette manifestatie hebben meegedeeld.
- De bestreden beslissing is 2 mei 2007 gedateerd en verbiedt een betoging die op 6 mei 2007 moet doorgaan. De onderhavige vordering werd daags nadien, op 3 mei 2007, ingesteld. De vordering is bijgevolg intrinsiek dringend en verzoekers hebben zich daar ook naar gedragen. De kritiek van verwerende partijen vermag niet te beletten dat eveneens aan de derde cumulatieve grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan. Thans is niet een vordering tegen het besluit van 4 april 2007 van de burgemeester aan de orde, maar een vordering tegen haar besluit van 2 mei
- Bovendien werd het besluit van 4 april 2007 zelf maar genomen drie maanden na de aankondiging van de betoging. Voorts is het intussen door de burgemeester ingetrokken geworden, zodat het geacht moet worden nooit te hebben bestaan. De reden daarvoor was niet dat de organisatoren hadden nagelaten “de volledige toedracht van hun opzet” en XII-5094-6/7 namelijk het precieze traject van de betoging mee te delen, maar dat het besluit onvoldoende formeel gemotiveerd was. Het is een tekortkoming waaraan verzoekers part noch deel hebben. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De beslissing van 2 mei 2007 van de burgemeester van de Sint- Genesius-Rode waarbij aan het Katholiek Vlaams Hoogstudenten Verbond wordt verboden om op 6 mei 2007 de betoging “2007: staatsvorming, mars voor onze onafhankelijkheid” te houden op het grondgebied van de gemeente, wordt in haar tenuitvoerlegging geschorst. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier mei 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5094-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.823 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.118 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div