← België

Arrest 170824 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.824 Rolnummer: A. 176428/X-13003 Zaak: Arrest 170824 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-23 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.824 van 7 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.824 van 7 mei 2007 in de zaak A. 176.428/X-13.003. In zake : 1. Guido NIJS, 2. Sylvia LUDWIG, 3. Richard CUSTERS, 4. Jaqueline TIMP, 5. Jos VASTMANS, 6. Elza SWENNEN, 7. Michel GEYENS, 8. Elly RUTTEN, 9. Roeland CAMP, 10. Annemie VAESEN, 11. Sylvain PEETERS, 12. Jaques HOUBEN, 13. Cora MONFORT, 14. Paul FLIPKENS, 15. Marietta CREMERS, 16. Jaques VERHEYEN, 17. Marc JONKERS, 18. Mevrouw VERHEYEN, 19. Rik SCHRIJVERS, 20. Jef SWENNEN, 21. Josée BUNTINX, 22. Jos CROIMANS, 23. Pierre GERITS, 24. Roger PAREYN, die woonplaats kiezen bij advocaat K. VAES, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 197 tegen : 1. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5, 2. de Deputatie van de provincieraad van LIMBURG. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Guido NIJS, Sylvia LUDWIG, Richard CUSTERS, Jaqueline TIMP, Jos VASTMANS, Elza SWENNEN, Michel GEYENS, Elly RUTTEN, Roeland CAMP, Annemie VAESEN, Sylvain PEETERS, Jaques HOUBEN, Cora MONTFORT, Paul FLIPKENS, Marietta CREMERS, Jaques VERHEYEN, Marc JONKERS, Mevrouw VERHEYEN, Rik SCHRIJVERS, X-13.003-1/18 Jef SWENNEN, Josée BUNTINX, Jos CROIMANS, Pierre GERITS en Roger PAREYN op 4 september 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van: 1. het besluit van 19 april 2006 van de provincieraad van Limburg houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan, en, 2. het besluit van 19 juni 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot goedkeuring van bovenvermeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, met uitsluiting van de met blauwe rand omlijnde delen van de stedenbouwkundige voorschriften; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. VAES, die verschijnt voor de verzoekers, van advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat T. ROOSEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; X-13.003-2/18 Overwegende dat de feiten die van belang zijn voor de zaak kunnen worden samengevat als volgt: Verzoekende partijen zijn bewoners van het gehucht Waterloos te Maaseik (Neeroeteren). Hun woningen zijn gelegen nabij het motorcrosscircuit aldaar dat wordt uitgebaat door de vzw Motorclub Maasland Neeroeteren. Dit motorcrosscircuit is gelegen op de terreinen van een voormalige zand- en grindgroeve op de grens van de stad Maaseik en de gemeente Meeuwen-Gruitrode, ten westen van de Zuid-Willemsvaart en de kern van Neeroeteren. Alhoewel de groeve reeds lang vóór de opmaak van het gewestplan bestond en het terrein kort na de beëindiging van de exploitatie voor motorcross in gebruik werd genomen, werd dit gebied volgens het gewestplan Limburgs Maasland, vastgesteld bij koninklijk besluit van 1 september 1980, bestemd tot natuurgebied. Het grenst ten noorden en ten zuiden aan een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, en ten oosten aan een landelijk woongebied, waar verzoekende partijen woonachtig zijn. De vzw Motorclub Maasland Neeroeteren beschikt over een vergunning tot exploitatie voor 3 jaar, eindigend op 19 januari 2008. De zich binnen het plangebied bevindende bouwvolumes en/of constructies en uitgevoerde reliëfwijzigingen blijken niet behoorlijk te zijn vergund. Bij beslissing van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 wordt bepaald dat de provincie Limburg minimum drie en maximum vier terreinen voor grondgebonden, gemotoriseerde sporten mag selecteren en wordt hiervoor een afwegingskader omschreven. Na onderzoek, analyse en afweging worden door het provincie- bestuur op 27 januari 2003 vier locaties voor permanente omlopen met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten, waaronder het crossterrein te Waterloos, voorgelegd aan de hiervoor opgerichte Technische Werkgroep Gemotoriseerde Sporten Vlaanderen. Deze technische werkgroep formuleert op 4 april 2003 een advies waarin wordt gesteld dat elk van de voorgestelde terreinen kan doorgroeien tot een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten. X-13.003-3/18 In het provinciaal ruimtelijk structuurplan Limburg, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 12 februari 2003, worden de vier terreinen voor gemotoriseerde sporten aangeduid als toeristisch-recreatieve voorzieningen van provinciaal niveau. Het terrein voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik wordt geselecteerd als “toeristisch recreatief knooppunt type IIb” in functie van hoogdynamische recreatieve voorzieningen (bindende bepaling 20). De provincie verbindt zich ertoe een ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken voor dit gebied, en dit in overleg met de betrokken gemeenten en belanghebbende partijen (bindende bepaling 42). Bij beslissing van 23 december 2005 van de Vlaamse regering wordt de selectie van de vier terreinen in Limburg als permanente motorcrossterreinen bevestigd. Ondertussen wordt op 15 maart 2005 n.a.v. het voorontwerp provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (hierna: PRUP) “Waterloos” een plenaire vergadering gehouden. Bij besluit van 15 juni 2005 van de provincieraad van Limburg wordt het ontwerp van PRUP “voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten ‘Waterloos’ te Maaseik” voorlopig vastgesteld. Het gaat om de bevestiging van het bestaande motorcrossterrein met bijhorende infrastructuur. Naast het voornaamste gebruik als motorcrossterrein kunnen nog diverse gemotoriseerde sporten op het terrein plaats vinden. Het ontwerp PRUP wordt onderworpen aan een openbaar onderzoek van 2 augustus 2005 tot 30 september 2005, ter gelegenheid waarvan 11 ontvankelijke bezwaren worden ingediend, o.a. door een aantal van de verzoekende partijen en door de Belangenvereniging Leefbaar Waterloos. Op 4 oktober 2005 wordt door de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening advies verstrekt over het ontwerp PRUP. Hierbij wordt een algemeen voorbehoud geformuleerd omwille van het ontbreken van gegevens over maatregelen noodzakelijk voor het beperken van de impact op het leefmilieu: X-13.003-4/18 “(...) Overwegende dat uit het ontwerpplan niet blijkt dat voldoende onderzocht is welke maatregelen noodzakelijk zijn om de impact op het leefmilieu te beperken, zoals bvb. de maatregelen voor het tegengaan van geluidsoverlast; dat het op dit ogenblik derhalve niet mogelijk is het ontwerpplan te adviseren omwille van het ontbreken van deze beoordeling; dat derhalve een algemeen voorbehoud dient te worden gemaakt bij het ontwerpplan (...)”. Op 11 januari 2006 wordt door de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening (hierna: PROCORO) advies verleend: “De PROCORO stelt voor maximaal gebruik te maken van de decretaal voorziene mogelijkheid tot termijnverlenging vooraleer dit PRUP definitief vast te stellen, waarbij: - de mogelijkheid gebruikt wordt rekening te houden met de resultaten van het project-M.E.R. dat momenteel opgesteld wordt en te beslissen de eventueel voorgestelde milderende maatregelen die beter in een uitvoeringsplan dan in de latere vergunningen opgenomen worden, alsnog in het PRUP mee te nemen; - in het verordenend deel van de stedenbouwkundige voorschriften elke verwijzing naar het toelichtend deel betreffende de geselecteerde sporttakken geschrapt wordt en in de algemene bepalingen van de stedenbouwkundige voorschriften, in artikel 3 betreffende de gehanteerde begrippen, de omschrijving ‘... zijn gemotoriseerde sporten die buiten op al dan niet verharde terreinen beoefend worden’ vervangen wordt door ‘... zijn gemotoriseerde sporten die buiten, op volledig of gedeeltelijk onverharde terreinen beoefend worden’; - in de toelichtingsnota bij het PRUP in het hoofdstuk betreffende de conceptelementen de term ‘bijkomende grondwal’ vervangen worden door ‘geluidswerende maatregelen (...)”. Bij besluit van 19 april 2006 van de provincieraad van Limburg wordt het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, inclusief de planologische compensatie te Dorne en bijhorend onteigeningsplan, definitief vastgesteld. Dit is het eerste bestreden besluit. Met betrekking tot het voorstel van de PROCORO om maximaal gebruik te maken van de mogelijkheid tot termijnverlenging overweegt het vaststellingsbesluit wat volgt: “Overwegende dat de provincieraad de beoordeling en het voorwaardelijk gunstig advies van de PROCORO van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte adviezen, opmerkingen en bezwaren en de argumentatie van de PROCORO niet bijtreedt voor wat betreft het voorstel om maximaal gebruik te maken van de decretaal toegekende mogelijkheid tot termijnverlenging waarbij X-13.003-5/18 de mogelijkheid gebruikt wordt rekening te houden met de resultaten van het project-M.E.R. dat momenteel opgesteld wordt en te beslissen de eventueel voorgestelde milderende maatregelen die beter in een uitvoeringsplan dan in de latere vergunningen opgenomen worden, alsnog in het PRUP mee (

  1. op)te nemen; dat de provincieraad van oordeel is dat uitstel van de definitieve vaststelling niet zinvol is aangezien het project-M.E.R. bijkomende metingen vereist die slechts bij de nieuwe start van het crossseizoen kunnen uitgevoerd worden, waardoor het project-M.E.R., zelfs bij maximale termijnverlenging van de definitieve vaststelling, niet tijdig afgerond zal zijn; dat de provincieraad daarentegen opteert om de algemene stedenbouwkundige voorschriften van het PRUP te verruimen zodat de uitvoering van alle werken, handelingen, voorzieningen en inrichtingen in functie van het beperken van negatieve milieueffecten ten aanzien van de omgeving waarvoor een stedenbouwkundige vergunning vereist is, mits landschappelijke inpassing, vergunbaar zijn binnen alle aan grondgebonden gemotoriseerde sporten gerelateerde zones”. Door de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap wordt op 30 mei 2006 met betrekking tot het standpunt van de provincieraad in verband met het project-M.E.R. volgend advies verleend: “(...) Deze benadering houdt in dat werken in functie van geluidsbeperking mogelijk zijn in de kernzone (art. 8), de verwevingszone (art. 9), de bosbuffer (art. 10) en de zone voor ondersteunende functies (art. 11). Dergelijke werken zijn dus overal mogelijk met uitzondering van het bosgebied. Op basis van de huidige beperkte kennis van de te nemen maatregelen lijkt de gekozen optie inhoudelijk verdedigbaar. Het voornaamste nadeel van de gekozen werkwijze is uiteraard dat in de huidige stand van het M.E.R. de concrete maatregelen nog niet gekend zijn zodat ook niet kan ingeschat worden of de uiteindelijke maatregelen gerealiseerd zullen kunnen worden binnen de in het plangebied voorziene ruimtes. Door de gekozen benadering wordt dus principieel niet tegemoet gekomen aan de opmerkingen in het advies van de Minister. Vermits de timing van de huidige procedure (goedkeuring R.U.P.) wellicht niet toelaat om kennis te nemen van de maatregelen in het goedgekeurde M.E.R. lijkt het aangewezen het R.U.P. goed te keuren en in het goedkeuringsbesluit op te nemen dat een herziening (hetzij een aanvulling van de stedenbouwkundige voorschriften, hetzij een uitbreiding van het plangebied) van het plan nodig zal zijn voor zover bepaalde maatregelen in het M.E.R. opgelegd worden waarvoor het R.U.P. (en eventueel de gewestplanbestemming) geen (vergunnings)basis zou (bieden). (...) Besluit Er werd ingegaan op enkele opmerkingen in het advies van de Minister van 4 oktober 2005, maar niet op de vraag om afstemming te verzekeren tussen M.E.R. en R.U.P. De provincieraad heeft er wel voor gezorgd dat de stedenbouwkundige voorschriften geen enkele vorm van milieumaatregel onmogelijk maken. Gezien de stand van het M.E.R. is dit een verdedigbare benadering en op dit ogenblik wellicht de enig mogelijke. Daarom wordt voorgesteld in het goedkeurings- besluit op te nemen dat een herziening (hetzij een aanvulling van de steden- bouwkundige voorschriften, hetzij een uitbreiding van het plangebied) van het plan noodzakelijk kan zijn indien dit noodzakelijk is om die maatregelen opgelegd in het M.E.R. te kunnen uitvoeren”. X-13.003-6/18 Bij besluit van 19 juni 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening wordt het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Waterloos” in Maaseik van de provincie Limburg, bestaande uit een bestemmingsplan met bijhorende stedenbouwkundige voorschriften en een weergave van de bestaande en juridische toestand en het bijhorende onteigeningsplan goedgekeurd, met uitsluiting van de met een blauwe rand omlijnde delen van de stedenbouwkundige voorschriften. Artikel 2 bepaalt dat het algemeen nut de onteigening van de onroerende goederen, aangegeven op het onteigenings- plan, vordert. Artikel 3 verleent de gemeente Maaseik machtiging tot onteigening. Dit is het tweede bestreden besluit. In dit besluit wordt onder meer overwogen wat volgt: “(...) Overwegende dat de provincieraad het advies van de PROCORO niet volgt waar de commissie voorstelt om maximaal gebruik te maken van de decretaal mogelijke termijnverlenging met het oog op een afstemming met de resultaten van het project-M.E.R.; dat het project-M.E.R. in opmaak is; dat de decretaal voorziene termijnen van de goedkeuringsprocedure dusdanig zijn dat de resultaten van het M.E.R. niet kunnen afgewacht worden; dat in de stedenbouwkundige voorschriften algemene bepalingen zijn opgenomen die eventuele maatregelen voor het milderen van de milieuhinder en in het bijzonder de geluidshinder naar de omgeving en de omgevende woningen mogelijk maken; dat de provincie desgevallend zal moeten overgaan tot een herziening of uitbreiding van het plangebied indien de huidige stedenbouw- kundige voorschriften de in het M.E.R. opgenomen maatregelen om milieu- hinder naar de omgeving (te milderen) onmogelijk zouden maken (...)”. Het goedkeuringsbesluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 juli 2006. Ondertussen hebben de verzoekers bij de rechter in kort geding een vordering ingesteld, met het oog op de voorlopige stopzetting van de exploitatie van het motorcrosscircuit. Bij beschikking van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren van 3 april 2006 wordt aan de exploitant verbod opgelegd om het motorcircuit open te stellen en te exploiteren, “in afwachting van de regularisatie van het circuit en het nemen van de nodige maatregelen om de overlast voor de omwonenden te beperken tot een aanvaardbaar niveau”. Bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 4 oktober 2006 wordt het exploitatieverbod evenwel opgeheven, wegens ontstentenis van hoogdringendheid. X-13.003-7/18 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat de verzoekers in een eerste onderdeel van het vijfde middel de schending aanvoeren van het zorgvuldigheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht, inzonderheid “onzorgvuldige voorbereiding”, Doordat de bestreden beslissing nalaat -door niet te wachten op het desnoods voorlopig rapport van de MER-studie die in opdracht van MC Maasland Neeroeteren werd uitgevoerd- om na te gaan of de algemene geluids- normen überhaupt wel kunnen worden gerespecteerd in het kader van de beoogde exploitatie van het circuit in het plangebied, Terwijl het project-MER dat in uitvoering was hangende de besluitvorming voor de bestreden beslissing uitwijst dat deze algemene voorwaarden inzake geluid niet worden nageleefd en zelfs mits het nemen van bijkomende maatregelen ook in de toekomst niet of nauwelijks zullen kunnen nageleefd worden, Zodat de bestreden beslissing niet steunt op een correcte feiten- vinding en met miskenning van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht tot stand is gekomen; Overwegende dat verzoekende partijen dit onderdeel van het middel toelichten als volgt: “Bij het totstandkomen van hun beslissingen zijn verweerders verplicht de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen teneinde tot een correcte feiten- vinding te komen (...). Zowel in de voorbereiding ervan, als bij het nemen van de beslissing zelf, dienen verweerders zorgvuldig, redelijk en bedachtzaam te werk te gaan. Verweerders zijn aan deze verplichting tekort gekomen. De materiële motiveringsplicht is de vereiste van deugdelijke motieven, en houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling op motieven moet steunen waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen genomen worden (...). Verweerders zijn op de hoogte van de controverse rond het circuit, voorwerp van het plangebied, en meer bepaald van het bestaan van een bovenmatige geluids- en geurhinder voor de omwonenden, waaronder verzoekers. Op het ogenblik van de vaststelling van het ontwerp-PRUP waren er reeds vaststellingen door de Milieu-inspectie, dat de geluidsnormen werden overschreden (...). Voor het overige waren er maar weinig gegevens voorhanden omtrent de effectieve geluidsemissie van het circuit. Evenmin bestond er een degelijk onderzoek naar de hinder voor de omwonenden en de X-13.003-8/18 effecten hiervan op langere termijn. Wel waren er verschillende indicaties met betrekking tot de ernst van de hinder. Tweede verweerder legde daarom - als vergunningverlenende overheid - aan de exploitant van het circuit, MC Maasland Neeroeteren, in de laatste - weze het onwettige - vergunning op om een MER-studie te laten uitvoeren (...). De Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordering drong er in haar advies d.d. 11 januari 2006 op aan om de resultaten van deze studie af te wachten alvorens een definitief PRUP vast te leggen (...) : ‘De PROCORO stelt voor maximaal gebruik te maken van de decretaal voorziene mogelijkheid tot termijnverlenging vooraleer dit PRUP definitief vast te stellen, waarbij: - de mogelijkheid gebruikt wordt rekening te houden met de resultaten van het project-MER dat momenteel opgesteld wordt en te beslissen de eventueel voorgestelde milderende maatregelen die beter in een uitvoeringsplan dan in de latere vergunningen opgenomen worden, alsnog in het PRUP mee te nemen;...’ Ter gelegenheid van de vergadering van de cel MER op 21 december 2006 werd deze werkwijze overigens toegezegd door tweede verweerster (...). Niettegenstaande deze duidelijke beloftes en adviezen, ging tweede verweerster op 19 april 2006, en voor de indiening van het voorlopig MER, over tot definitieve vaststelling van het PRUP (...). Ook eerste verweerder greep niet in en ging over tot goedkeuring middels de bestreden beslissing, op 19 juni 2006 (...). Deze werkwijze is strijdig met het adagium ‘patere legem quam ipse fecisti’. Inmiddels werd het voorlopig project-MER ingediend (...). Onder voorbehoud van de bezwaren die verzoekers nog zullen formuleren ten aanzien van dit MER, stellen verzoekers alleszins vast dat de bevindingen in de discipline geluid en geurhinder van aard zijn de bestemmingswijziging van het gebied van natuur- naar recreatiegebied in vraag te stellen. In geen geval kan het gebied in aanmerking komen voor de verdere exploitatie van lawaaisporten. In het project-MER worden de vastgestelde geluidswaarden getoetst aan de richtwaarden van Vlarem II, zowel voor bestaande als voor nieuwe inrichtingen (...) : ‘De richtwaarde voor een bestaande inrichting bedraagt overdag 45 dB(A). De grenswaarde voor een nieuwe inrichting bedraag 40 dB(A) (richtwaarde - 5 dB(A)). De specifieke bijdrage van de activiteiten van de motorcross tijdens oefeningen bedraagt momenteel bijna 60 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen. Tijdens de Paastrofee (wedstrijd) bedroeg het L Aeq.lh, een maat voor het specifiek geluidsniveau, 70 dB(A) aan de meest nabijgelegen woningen.’ In vergelijking met de richtwaarden voor bestaande inrichtingen wordt vervolgens een overschrijding met 15 tot 25 dB(A) vastgesteld. In vergelijking met de richtwaarde voor nieuwe inrichtingen bedraagt de vastgestelde overschrijding 20 tot 30 dB(A). In beide gevallen wordt gesteld dat ‘sanering’ ‘verplicht’ zou zijn. Vervolgens worden een aantal bijkomende ‘milderingsmaatregelen’ uitgewerkt. Het effect van maximale afscherming wordt vervolgens geëvalueerd in ‘5.9 Conclusie’ van het voorlopig project-MER: ‘(...) De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grenswaarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten. (...)’ Het niet afwachten van de resultaten van het MER, laat staan het niet zelf doen opstellen van een plan-MER, is des te onzorgvuldiger nu de omzetting van de SEA-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's d.d. 27 juni X-13.003-9/18 2001 aanleiding gaf tot hoofdstuk II art. 4.2.A e.v, in het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, dat voorziet in het uitwerken van een MER-plicht voor plannen en programma's. Nergens blijkt bovendien dat verweerders zich op een andere wijze vergewist hebben van de ernst van de geluids-, geur- en stofhinder die het circuit veroorzaakt, noch blijkt dat verweerders onderzocht hebben of er überhaupt maatregelen mogelijk zijn om deze hinder weg te nemen, en of dergelijke maatregelen haalbaar zouden zijn. Nochtans hadden verweerders kennis van de veelvuldige klachten die in de verschillende stukken van het administratief dossier worden vermeld. Uit deze vaststellingen blijkt dat verweerders niet met kennis van zaken tot de bestreden beslissing zijn gekomen, en derhalve het zorgvuldigheidsbeginsel met de voeten hebben getreden. Tegelijk staat vast dat de bestreden beslissing derhalve niet steunt op deugdelijke, pertinente, relevante en draagkrachtige motieven zodat de materiële motiveringsplicht geschonden is. (...)”; Overwegende dat de verzoekers samengevat aanvoeren dat de verwerende partijen hebben nagelaten te onderzoeken of de algemene geluidsnormen wel kunnen worden gerespecteerd met het oog op de exploitatie van het circuit door noch te wachten op het desnoods voorlopig rapport van de M.E.R.- studie, noch zich op een andere wijze te hebben vergewist van de ernst van de geluids-, geur- en stofhinder die het circuit veroorzaakt en de haalbaarheid van maatregelen om deze hinder weg te nemen, terwijl zij nochtans kennis hadden van de veelvuldige klachten ter zake. Overwegende dat uit de hiervóór vermelde feitenuiteenzetting blijkt dat de verwerende partijen zich terdege ervan bewust zijn dat de exploitatie van de beoogde permanente omloop voor grondgebonden gemotoriseerde sporten een negatieve impact heeft op het leefmilieu, in het bijzonder wat de geluidsoverlast betreft; Overwegende dat uit de toelichtingsnota bij het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan blijkt dat de “visie” ervan is het verkrijgen van “een kwalitatief multifunctioneel permanente omloop voor grondgebonden gemotoriseerde sporten en dit in functie van de draagkracht van de omgeving, zijnde zowel het woonlint Waterloos als de aanliggende natuurwaarde”, en dit door “optimalisatie van de buffers en dit zowel landschappelijk als in functie van geluid, (...)”, zijnde de “doelstellingen” ervan; Overwegende, zoals blijkt uit de hogervermelde feitenuiteen- zetting, dat zowel de bevoegde minister in zijn advies van 4 oktober 2005, als de X-13.003-10/18 provinciale commissie ruimtelijke ordening in haar advies van 11 januari 2006 aandringen op een afstemming van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op het project-M.E.R.; Overwegende dat de provincieraad van Limburg het evenwel in zijn vaststellingsbesluit van 19 april 2006 “niet zinvol” acht de resultaten van het project-M.E.R. af te wachten “aangezien het project-M.E.R. bijkomende metingen vereist die slechts bij de nieuwe start van het crossseizoen kunnen uitgevoerd worden, waardoor het project-M.E.R., zelfs bij maximale termijnverlenging van de definitieve vaststelling, niet tijdig afgerond zal zijn”; dat de provincieraad er daarentegen voor opteert om de algemene stedenbouwkundige voorschriften van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan te verruimen; dat de Afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap in haar advies van 30 mei 2006 erkent dat “op basis van de huidige beperkte kennis van de te nemen maatregelen” de gekozen optie inhoudelijk te verdedigen valt, maar dat zij daar onmiddellijk aan toevoegt dat “het voornaamste nadeel van de gekozen werkwijze (...) uiteraard (
  2. is)dat in de huidige stand van het M.E.R. de concrete maatregelen nog niet gekend zijn zodat ook niet kan ingeschat worden of de uiteindelijke maatregelen gerealiseerd zullen kunnen worden binnen de in het plangebied voorziene ruimtes”, en besluit dat “door de gekozen benadering (...) dus principieel niet (wordt) tegemoet gekomen aan de opmerkingen in het advies van de Minister (maar dat) vermits de timing van de huidige procedure (goedkeuring R.U.P.) wellicht niet toelaat om kennis te nemen van de maatregelen in het goedgekeurde M.E.R. (...), het aangewezen (lijkt) het R.U.P. goed te keuren en in het goedkeuringsbesluit op te nemen dat een herziening (hetzij een aanvulling van de stedenbouwkundige voorschriften, hetzij een uitbreiding van het plangebied) van het plan nodig zal zijn voor zover bepaalde maatregelen in het M.E.R. opgelegd worden waarvoor het R.U.P. (en eventueel de gewestplanbestemming) geen (vergunnings)basis zou (bieden)”; dat ook in het goedkeuringsbesluit van 19 juni 2006 omtrent de door de provincieraad gevolgde werkwijze wordt gesteld “dat de provincie desgevallend zal moeten overgaan tot een herziening of uitbreiding van het plangebied indien de huidige stedenbouwkundige voorschriften de in het MER opgenomen maatregelen om milieuhinder naar de omgeving (te milderen) onmogelijk zouden maken”; Overwegende dat een voldoende kennis van de impact van de exploitatie van het circuit op het leefmilieu op het eerste gezicht een noodzakelijke X-13.003-11/18 voorwaarde is om maatregelen te kunnen nemen om deze impact binnen aanvaard- bare grenzen te beperken, en dus een essentieël gegeven is om tot een zorgvuldige besluitvorming te kunnen komen; dat evenwel in casu om reden van het respecteren van de decretaal opgelegde termijnen voor het vaststellen, respectievelijk goed- keuren van het plan is beslist niet te wachten op de resultaten van het project-MER, maar over te gaan tot een verruiming van de algemene stedenbouwkundige voorschriften, hoewel, zoals de Afdeling Ruimtelijke Planning terecht stelt, “in de huidige stand van het M.E.R. de concrete maatregelen nog niet gekend zijn zodat ook niet kan ingeschat worden of de uiteindelijke maatregelen gerealiseerd zullen kunnen worden binnen de in het plangebied voorziene ruimtes”; dat ook in het bestreden goedkeuringsbesluit wordt gesteld dat “de provincie desgevallend zal moeten overgaan tot een herziening of uitbreiding van het plangebied indien de huidige stedenbouwkundige voorschriften de in het M.E.R. opgenomen maatregelen om milieuhinder naar de omgeving (te milderen) onmogelijk zouden maken”; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de bevoegde overheden erkennen dat het betrokken ruimtelijk uitvoeringsplan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat maatregelen noodzakelijk zijn om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; Overwegende dat, indien de provincieraad vaststelt dat een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ernstige problemen doet rijzen met betrekking tot de impact van de voorziene bestemmingen op het leefmilieu, hij in het betrokken plan zelf de nodige voorschriften dient op te nemen om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden; dat het aan de bevoegde minister staat om zich ervan te vergewissen of het aan hem ter goedkeuring voorlegde plan aan die vereiste voldoet; dat de genoemde overheden aan de op hen rustende zorgvuldigheidsplicht tekortkomen, indien zij wel vaststellen dat het plan een niet te verwaarlozen impact heeft op het leefmilieu, en dat om deze impact binnen aanvaardbare grenzen te houden het nemen van passende maatregelen noodzakelijk is, doch nalaten in het plan zelf op een rechtszekere manier in deze maatregelen te voorzien of deze mogelijk te maken; Overwegende dat dit laatste in casu op het eerste gezicht het geval is; dat immers niet op een rechtszekere manier een oplossing wordt geboden aan het ook door de bevoegde overheid erkende probleem van de impact van het betrokken plan op het leefmilieu, doch de oplossing hieromtrent integendeel wordt X-13.003-12/18 vooruitgeschoven naar later nog te nemen beslissingen ter realisatie van de in dat plan voorziene bestemmingen, mogelijks zelfs door een herziening van het plan; dat de omstandigheid dat de juiste impact op het leefmilieu nog niet gekend is en dat de decretaal bepaalde termijnen voor de vaststelling en de goedkeuring van het plan niet toelaten de resultaten van het project-M.E.R. af te wachten, geen wettige reden lijkt te kunnen zijn om aan de hiervóór gestelde beginselen afbreuk te kunnen doen; Overwegende dat het eerste onderdeel van het vijfde middel in de aangegeven mate ernstig is; Overwegende dat de verzoekende partijen, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de aangevochten besluiten hen kan berokken, uiteenzetten wat volgt: “Verzoekers beschikken over een persoonlijk, rechtstreeks, griefhoudend en geoorloofd belang voor het indienen van onderhavig beroep tot schorsing. Bovendien lijden zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ten gevolge van de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing in de zin van art. 17 Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. De bestreden beslissing heeft immers een onmiddellijke, rechtstreekse en nadelige weerslag op de rechtstoestand van verzoekers. Verzoekers wonen allemaal in het gehucht Waterloos te Neeroeteren, nabij het motorcrosscircuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing. Tot aan de bestreden beslissing was dit circuit gelegen in natuurgebied. Door de inwerkingtreding van de bestreden beslissing ligt het circuit in recreatie- gebied, en wordt regularisatie van het circuit mogelijk gemaakt, door het afleveren van de nodige stedenbouwkundige en milieuvergunningen. De uitbating van het circuit veroorzaakt echter zeer ernstige hinder voor elk van de verzoekers, meer bepaald geluidshinder, geurhinder en stofhinder. Zoals blijkt uit de bestreden beslissing zelf, ligt het woonlint Waterloos binnen een straal van 500 meter ten opzichte van het circuit (...). De verste woningen (Waterlozeweg - verzoekers 3, 4, 5, 6, 10, 14, 15, 22) liggen nog op minder dan 1500 meter van het betrokken circuit. Uit een Nederlandse studie blijkt dat voor een motorcrosscircuit in principe een afstand van minstens 1500 m nodig is om tot een immissiewaarde van 50 dB(A) te komen opzichtens de op deze afstand gelegen woningen (...). De woningen van alle concluanten liggen zonder uitzondering op een afstand die geringer is dan deze minimumafstand van 1500 meter. Verzoekers schakelden tevens een eigen geluidsdeskundige in, m.n. de heer Patrick Pans van Ecolas, erkend deskundige 'Geluid en Trillingen'. Deze voerde metingen uit van vrijdag 19 tot maandag 22 mei 2006, inclusief tijdens de door MC Maasland Neeroeteren geplande wedstrijd van 21 en 22 mei 2006. De resultaten van deze metingen luiden als volgt (...) : ‘ * het geluid afkomstig van de motorcrossactiviteiten gehouden op zaterdag 20 en zondag 21 mei heeft een significante impact op het omgevingsgeluid. Het gemiddelde omgevingsgeluid (als L Aeq-waarneming) neemt met meer dan 10 dB(A) toe t.g.v. de geluidsbelasting van deze motorcrossactiviteiten. Dergelijke geluidsverhoging is zonder meer hinderlijk voor de leefomgeving. X-13.003-13/18 * in vergelijking met de VLAREM-geluidsvoorwaarden voor bestaande inrichtingen van klasse 1 of 2 worden de richtwaarden voor het specifieke geluid in open lucht met meer dan 26 dB(A) overschreden.’ Deze resultaten worden - onverminderd de bemerkingen die verzoekers nog zullen formuleren ten aanzien van de cel MER- eveneens bevestigd door het voorlopig project-MER, opgesteld in opdracht van MC Maasland Neeroeteren : ook hieruit blijkt dat de omwonenden -waaronder verzoekers- door de uitbating van het circuit geconfronteerd worden met ernstige geluids- en geurhinder. Er werd op verschillende plaatsen gemeten (...): - de geluidskwaliteit bij inactiviteit van de motorcross is als goed tot zeer goed te beoordelen (...). - tijdens activiteit worden overschrijdingen van de geluidsnormen vastgesteld van 15 dB(A) tot 30 dB(A), afhankelijk van de intensiteit van het gebruik van het circuit (oefenwedstrijd of officiële wedstrijd) en van het uitgangspunt (normen voor bestaande dan wel voor nieuwe inrichting) (...). - voor de geurhinder komt het voorlopig MER-rapport tot de vaststelling dat negatieve tot zeer negatieve effecten worden waargenomen bij de omwonenden (Ledenweg, Waterlozeweg, Ketelstraat, Meyldersweg), die bij de overheersende windrichting -zuidwestenwind- permanent aanwezig zijn (...). Bovendien besluit het project-MER (...) : ‘De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden, zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grens- waarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.’ Beslissingen die betrekking hebben op de regularisatie van de exploitatie van dit hinderverwekkend circuit -zoals in casu de bestreden beslissing- hebben dan ook een directe weerslag op de woonomgeving van verzoekers. In casu heeft de bestreden beslissing tot gevolg dat de hinderverwekkende exploitatie onmiddellijk kan worden geregulariseerd en bestendigd. Voormelde hinder maakt bovendien een moeilijk te herstellen ernstig nadeel (uit) in de zin van art. 17 Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, dat volgt uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing. Hierboven is reeds aangetoond dat - verzoekers bovenmatige hinder ondervinden door de exploitatie van het circuit dat het plangebied uitmaakt van de bestreden beslissing, - dat deze hinder onmogelijk kan worden beperkt tot een aanvaardbaar niveau, zelfs niet na het nemen van milderende maatregelen (...): ‘De milieukwaliteitsnorm voor woongebieden, zijnde 45 dB(A) zelf, is nooit haalbaar gezien de ligging van de meest nabijgelegen woningen. De grens- waarde van 40 dB(A) realiseren is helemaal uitgesloten.’ - bovendien is het de bedoeling de activiteiten op het circuit nog uit te breiden op grond van de bestreden beslissing, waarin uitdrukkelijk wordt voorzien in het beoefenen van andere lawaaisporten op het circuit, - de hinder waaraan verzoekers worden blootgesteld door de exploitatie van het circuit is bovendien onomkeerbaar en kan onmogelijk post factum worden vergoed in geld. Verzoekers boeten immers zodanig in op hun levenskwaliteit dat hun gemoedsrust en hun gezondheid eronder zou lijden, en er inderdaad sprake is van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. Dit nadeel zou bovendien berokkend worden door de onmiddellijke tenuit- voerlegging van de bestreden beslissing. Bij beschikking van 3 april 2006 werd aan de VZW MC Maasland Neeroeteren het verbod opgelegd om het circuit verder te exploiteren in afwachting van het bekomen van de nodige stedenbouwkundige vergunningen en het nemen van de nodige hinderbeperkende maatregelen (...). De bestreden beslissing maakt het thans mogelijk voor MC Maasland Neeroeteren om de nodige stedenbouwkundige vergunningen alsook een milieuvergunning voor lange duur (20 jaar) aan te vragen, en voor tweede X-13.003-14/18 verweerster om dergelijke vergunning af te leveren, teneinde de exploitatie van het circuit te bestendigen, met alle gevolgen van dien voor verzoekers. Het PRUP is immers de basis voor het afleveren van de verdere vergunningen en vormt als het ware de rechtsgrond voor het gebruik van het circuit overeenkomstig de vastgestelde bestemming ‘recreatiegebied’ (...). Uit de stukken van het dossier blijkt dat dit ook de bedoeling is van verweerders: - tekst milieuvergunning 19/1/2005 (...): ‘gelet op het gunstig advies d.d. 11 oktober 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Maaseik, mits bijzondere voorwaarden, omwille van volgende overwegingen: ... Zodra het PRUP klaar is, moeten sowieso de nodige stedenbouwkundige vergunningen worden aangevraagd...’ - interne nota voorstelling vaststelling PRUP (...): ‘na het van kracht worden van het PRUP kan een bouwaanvraag (nieuwbouw en/of regularisatie) ingediend worden bij het gemeentebestuur.’ - kennisgeving MER (...) en voorlopig project-MER (...): ‘Aanvullend op het PRUP (momenteel in ontwerpfase) zullen ifv de regularisatie van het crossterrein en gebouwen evenals verderzetting van motorcrossactiviteiten zowel een stedenbouwkundige als milieuvergunning worden aangevraagd.’ - e-mail Roex (...): ‘Voor alle werken en constructies is uiteraard een bouwvergunning vereist. Zolang het circuit nog in natuurgebied ligt, is geen enkele vergunning mogelijk en kan en mag er officieel niets worden ondernomen. Voorlopig kan deze toelage dus niet worden aangewend. Eerst moet immers het P-RUP rond zijn...’ - uitnodiging Stad Maaseik d.d. 12 juni 2006 (...) : de vergunningsprocedures werden reeds voorbereid in het licht van het komende PRUP. Tevens werd de crosskalender voor het volgende seizoen voorgesteld: uitgangspunt is duidelijk dat door het PRUP groen licht gegeven wordt om verder en zo mogelijk nog intensiever te gaan exploiteren: ‘Dagorde. 1. stand van zaken van het provinciaal R. U. P. en het Project-MER 2. de procedures van de stedenbouwkundige vergunning en de hernieuwing van de milieuvergunning 3. de ontwerpkalender voor het sportseizoen 2007 ...’ De metingen van het MER hebben nochtans uitgewezen dat de geluids- normen voor woongebied in geen geval zullen kunnen worden gerespecteerd (...), en dat de hinder voor de omwonenden, waaronder verzoekers, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht. Bovendien worden verzoekers sub 3 en 4 getroffen door het onteigeningsplan bij de bestreden beslissing (...) en de machtiging tot onteigening die wordt verleend aan de stad Maaseik, Zij zijn eigenaar van het perceel kadastraal gekend Maaseik, tweede afdeling sectie D nr. 980D, dat voor de volledige oppervlakte zou kunnen worden onteigend ten gevolge van de bestreden beslissing. Ook dit maakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit dat een voldoende belang uitmaakt voor het instellen van onderhavig beroep tot schorsing (...)”; Overwegende dat de verzoekende partijen samengevat laten gelden dat de exploitatie van het circuit hun geluids-, geur- en stofhinder zal berokkenen, dat hun woningen alle zijn gelegen op een afstand van minder dan X-13.003-15/18 1500 m van het betrokken circuit, dat uit metingen in hun opdracht uitgevoerd alsook uit het voorlopige project-M.E.R. blijkt dat de geluidsnormen voor woongebieden in elk geval onhaalbaar zijn, dat de bestreden beslissingen de exploitatie van het circuit kunnen regulariseren en bestendigen, dat het bovendien de bedoeling is om de activiteiten op het circuit nog uit te breiden en tot slot dat de derde en de vierde verzoekende partijen worden getroffen door het onteigeningsplan dat bij het bestreden besluit is gevoegd en door de machtiging tot onteigening verleend aan de stad Maaseik; Overwegende dat het betrokken gebied volgens het bij koninklijk besluit van 1 september 1980 vastgestelde gewestplan Limburgs Maasland is bestemd tot natuurgebied; dat het thans bestreden PRUP deze bestemming wijzigt in hoofdzakelijk een “kernzone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten” (artikel 8) en een “verwevingszone voor grondgebonden gemotoriseerde sporten” (artikel 9); dat het bestreden PRUP de noodzakelijke rechtsgrond vormt voor de later af te leveren vergunningen ter realisatie van de bedoelde bestemmingen; dat het aangevoerde nadeel dan ook zijn rechtstreekse oorzaak vindt in dit besluit; dat het feit dat er reeds meerdere exploitatie- en milieuvergunningen werden afgeleverd voor het bestaande motorcrosscircuit, aan voormelde vaststellingen geen afbreuk doet; dat dit evenmin het geval is met het feit dat de stedenbouwkundige voor- schriften het mogelijk maken om milderende maatregelen te nemen, nu de impact op het leefmilieu hic et nunc niet afdoende is gekend; Overwegende dat uit o.m. de overwegingen van het tweede bestreden besluit blijkt “dat de provincie met dit ontwerp invulling geeft aan de beslissing van de Vlaamse regering van 2 februari 2005 en 23 december 2005 waarin voor Vlaanderen en per provincie het aantal na te streven permanente terreinen voor lawaaisporten werd aangegeven; dat het gaat om de bevestiging van een bestaand motorcrossterrein met bijhorende infrastructuur; dat bovendien invulling gegeven wordt aan de doelstelling om dergelijke terreinen een multifunctionele invulling te geven; dat naast het voornaamste gebruik als motorcrossterrein nog diverse gemotoriseerde sporten op het terrein plaats zullen kunnen vinden”; Overwegende dat uit de metingen die het studiebureau Ecolas in opdracht van de verzoekende partijen heeft uitgevoerd en die bevestiging lijken te vinden in het voorlopig project-M.E.R. blijkt dat het geluid afkomstig van de X-13.003-16/18 motorcrossactiviteiten nu reeds een ernstige negatieve impact heeft op het omgevingsgeluid; dat aannemelijk is dat de bijkomende toelating van andere lawaaisporten op het circuit tot nog meer geluidshinder aanleiding zal geven; dat dit gegeven door de bevoegde overheden overigens wordt erkend, zoals blijkt uit de bestreden besluiten en de daaraan voorafgaande adviezen; dat niet vaststaat dat de verruiming van de algemene stedenbouwkundige voorschriften hiervoor een afdoende oplossing kan bieden; dat immers, zoals ook uit het advies van de Afdeling Ruimtelijke Planning blijkt, bij gebreke aan een M.E.R. niet kan worden ingeschat of de uiteindelijke maatregelen die nodig zullen blijken om de impact op het leefmilieu binnen aanvaardbare grenzen te houden, ook wel gerealiseerd zullen kunnen worden binnen de in het plangebied voorziene ruimtes; Overwegende dat de verzoekende partijen in de aangegeven mate aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het aangevochten ruimtelijk uitvoeringsplan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat de omstandigheid dat de Vlarem II-normen als beoordelingselement zullen moeten dienen bij het verlenen van de milieuvergunning, aan voormelde vast- stellingen geen afbreuk doet; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen; BESLUIT: Artikel 1. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van: 1. het besluit van 19 april 2006 van de provincieraad van Limburg houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan voor een permanente omloop met trainingsfaciliteiten voor gemotoriseerde sporten “Waterloos” te Maaseik, met het bijhorende onteigeningsplan, 2. het besluit van 19 juni 2006 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening tot goedkeuring van bovenvermeld provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, met uitsluiting van de met blauwe rand omlijnde delen van de stedenbouwkundige voorschriften. X-13.003-17/18 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het tweede geschorste besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-13.003-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.824 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.705 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.