id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.863 Rolnummer: A. 81258/X-8559 Zaak: Arrest 170863 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-24 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.863 van 7 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.863 van 7 mei 2007 in de zaak A. 81.258/X-
- In zake :
- Gabriël VANNIEUWENHUYSE,
- Jacques VANNIEUWENHUYSE,
- André VANNIEUWENHUYSE, die woonplaats kiezen bij advocaat R. MITTENAERE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Peter Benoitstraat 7 bus 8, tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten b.v.b.a. BUTENAERTS & VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II-laan 180, tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaat B. ASSCHERICKX, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël VANNIEUWENHUYSE, Jacques VANNIEUWENHUYSE en André VANNIEUWENHUYSE op 24 november 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de n.v. AQUAFIN de bouwvergunning wordt verleend voor het aanleggen van de collector Dworp 1ste fase tot collector Huizingen, tussen de autosnelweg Brussel-Parijs en de Guido Gezellestraat, langs de Molen- beek te Beersel, kadastraal bekend sectie A, nr. 1786f (sic); Gelet op het arrest nr. 81.440 van 29 juni 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-8559-1/8 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 22 juli 1999 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 14 oktober 1999 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 27 oktober 1999 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 10 april 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. MITTENAERE, die verschijnt voor de verzoekers, en van advocaat B. ASSCHERICKX, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekers eigenaar, vruchtgebruiker en onverdeelde eigenaar zijn van de percelen grond met gebouwen, gelegen te Beersel (Huizingen), Torleylaan 36-40, kadastraal gekend onder sectie A4, nrs. 240, 242, X-8559-2/8 243, 244, 245, 247, 248c, 248v, 248x, 250a3, 250b3, 250c3, deel van 250v2 (volgens het verzoekschrift: 250m3), 251d, 254c, 254d, 255y2 en 272, waarop zij de kartonfabriek Henri Goossens exploiteren; Overwegende dat de oprichting door de tussenkomende partij van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur op het grondgebied Huizingen (in het kader van het project nr. 94.242, dat de eerste fase vormt van de aanleg en de exploitatie van de collector van Sint-Genesius-Rode, via Dworp, naar Huizingen), onder, op of boven bepaalde private gronden, daarin evenwel niet begrepen de aan de verzoekers toebehorende percelen, bij ministerieel besluit van 4 september 1995 van openbaar nut is verklaard; dat de huidige verzoekers tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld, en dat de Raad van State dat beroep bij arrest nr. 170.862 van heden heeft verworpen; dat vervolgens de oprichting van de bedoelde rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven o.m. sommige van de percelen van de verzoekers bij ministerieel besluit van 22 april 1996 van openbaar nut is verklaard (project nr. 94.242-2); dat de huidige verzoekers ook tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld, en dat de Raad van State het bestreden besluit bij arrest nr. 170.864 van heden heeft vernietigd; Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 10 oktober 1996, strekkende tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het aanleggen van de collector “Dworp, 1ste fase, tot collector Huizingen”, d.i. de bedoelde collector op het grondgebied Huizingen (project nr. 94.242); dat de ontworpen collector een tracé volgt over een aantal private eigendommen, o.m. de hiervóór genoemde percelen nrs. 255y2, 242 en 243 van de verzoekers; dat de gemachtigde ambtenaar over deze aanvraag een negatief advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel dienvolgens bij besluit van 4 november 1997 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat, op het beroep van de tussenkomende partij, de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant binnen de termijn geen beslissing heeft genomen; dat de tussenkomende partij tegen dat uitblijven van een beslissing beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 26 mei 1998 het beroep inwilligt, en aan de tussenkomende partij de bouwvergunning verleent, mits inachtneming van een aantal voorwaarden; dat dit ministerieel besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; X-8559-3/8
- Overwegende dat de verzoekers een vijfde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de formele motiveringsplicht, vervat in de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekers aanvoeren, na in het algemeen uiteengezet te hebben waaraan de motivering van een individueel besluit moet beantwoorden, dat het bestreden besluit op de hierna vermelde punten niet voldoet aan het vereiste van de uitdrukkelijke motivering:
- in de preambule van het bestreden besluit is sprake van het aanleggen van een collector “tussen de autosnelweg Brussel-Parijs en de Guido Gezellestraat, langs de Molenbeek te Beersel, kadastraal bekend sectie A, nr. 1786f”, terwijl een dergelijk kadastraal perceel niet eens bestaat;
- uit het bestreden besluit blijkt niet waarom het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel de bouwvergunning geweigerd heeft;
- het bestreden besluit zwijgt in alle talen over het bijzonder plan van aanleg nr. 1, “Centrum-Uitbreiding (Huizingen)”, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 mei 1993; meer zelfs, volkomen in strijd met de werkelijkheid wordt in het bestreden besluit het volgende overwogen: ‘Overwegende dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan’; de overweging in het bestreden besluit gesteund op de omzendbrief van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen is niet ter zake dienend en totaal naast de kwestie; door geen rekening te houden met het vigerende bijzonder plan van aanleg heeft de verweerder op een onwettige wijze een besluit getroffen in strijd met het bestaande gedetailleerde ordeningsplan, en dit op grond van motieven die van elke grond ontbloot zijn;
- uit het bestreden besluit blijkt evenmin om welke motieven het college van burgemeester en schepenen de verschillende bezwaren van de verzoekers, geformuleerd in hun schrijven van 4 november 1996, heeft weerlegd;
- de verschillende afwijkingen van het bouwdossier t.o.v. het milieueffectenrapport, zoals uiteengezet in het bezwaarschrift van 4 november 1996, worden nergens gemotiveerd;
- het bestreden besluit bevat een verkeerde voorstelling van bepaalde feiten, o.m.: X-8559-4/8 - de verschillende overwegingen in het bestreden besluit gesteund op de beweerde afwezigheid van een bijzonder plan van aanleg, terwijl er wel een bijzonder plan van aanleg is, namelijk het bijzonder plan van aanleg nr. 1, “Centrum Uitbreiding (Huizingen)”, zoals gewijzigd bij het ministerieel besluit van 25 mei 1993; - de vaststelling in de laatste overweging van het bestreden besluit dat “de collector bijna volledig in de bestaande wegenis wordt voorzien”, terwijl uit het bouwdossier precies het tegendeel blijkt, namelijk dat de collector juist weggaat van de wegenis; 2.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze “slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen”; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; X-8559-5/8 2.
- Overwegende dat het derde onderdeel van het middel erop neerkomt dat het bestreden besluit is genomen zonder dat rekening is gehouden met de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg nr. 1, “Centrum-Uitbreiding”, van de toenmalige gemeente Huizingen, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 19 november 1965 en gewijzigd bij een plan dat is goedgekeurd bij ministerieel besluit van 25 mei 1993; dat de bedoelde wijziging overigens het voorwerp heeft uitgemaakt van een beroep tot nietigverklaring, ingesteld door de huidige verzoekers, dat door de Raad van State bij arrest nr. 170.860 van heden is verworpen; 2.2.
- Overwegende dat de verweerder opwerpt dat het derde onderdeel de verzoekers geen voordeel kan opleveren, aangezien de aan de verzoekers toebehorende percelen die volgens henzelf getroffen worden door de bestreden bouwvergunning, niet gelegen zijn in het gebied dat door het genoemde bijzonder plan van aanleg wordt bestreken, dat de verzoekers derhalve geen belang hebben bij het onderdeel, en dat het onderdeel onontvankelijk is; Overwegende dat, aangezien de verzoekers belang hebben bij de vernietiging van de bestreden vergunning, zij belang hebben bij een middel dat tot de gevraagde vernietiging kan leiden; dat de exceptie faalt naar recht; 2.2.
- Overwegende dat het bestreden besluit onder meer overweegt dat “de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een reservegebied voor industriële uitbreiding, een woonzone, een reservegebied voor woonwijken en een natuur- gebied; ... dat het terrein in kwestie niet gesitueerd is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede aanleg der plaats, gebaseerd op de eerder geciteerde voor- schriften van het vigerend gewestplan”; Overwegende dat de bestreden vergunning wordt verleend met toepassing van artikel 20 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen; dat dit artikel voorziet in de mogelijkheid om bouwwerken voor X-8559-6/8 openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen op te richten buiten de daarvoor volgens het gewestplan speciaal bestemde gebieden, voor zover aan bepaalde voorwaarden is voldaan; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat het bijzonder plan van aanleg nr. 1, “Centrum-Uitbreiding”, van de toenmalige gemeente Huizingen, zoals gewijzigd bij ministerieel besluit van 25 mei 1993, toepasselijk is op een gedeelte van de gronden die worden doorkruist door de aan te leggen collector, ook al gaat het niet om percelen die aan de verzoekers toebehoren; dat derhalve het bestreden besluit ten onrechte ervan uitgaat dat er geen bijzonder plan van aanleg bestaat voor het betrokken gebied; dat dit verkeerde uitgangspunt tot gevolg heeft dat de vergunningverlenende overheid de aanvraag enkel toetst aan de voorschriften van het gewestplan en aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 december 1972, in het bijzonder artikel 20 van dat besluit, doch niet aan de eveneens toepasselijke voorschriften van het bijzonder plan van aanleg; dat het besluit aldus door een gebrek in de motivering is aangetast; Overwegende dat het onderdeel gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 26 mei 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij aan de n.v. AQUAFIN de bouwvergunning wordt verleend voor het aanleggen van de collector Dworp 1ste fase tot collector Huizingen, tussen de autosnelweg Brussel- Parijs en de Guido Gezellestraat, langs de Molenbeek te Beersel. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. X-8559-7/8 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 1.041,18 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-8559-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.863 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.81.410 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div