← België

Arrest 170864 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 07/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.864 Rolnummer: A. 69583/X-10951 Zaak: Arrest 170864 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.864 van 7 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.864 van 7 mei 2007 in de zaak A. 69.583/X-10.

  1. In zake :
  2. Gabriël VANNIEUWENHUYSE,
  3. Jacques VANNIEUWENHUYSE,
  4. André VANNIEUWENHUYSE, die woonplaats kiezen bij advocaat R. MITTENAERE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Peter Benoitstraat 7, bus 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat F. DE BISSCHOP, kantoor houdende te 9255 BUGGENHOUT, Provincialebaan
  5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gabriël VANNIEUWENHUYSE, Jacques VANNIEUWENHUYSE en André VANNIEUWENHUYSE op 28 juni 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 22 april 1996 waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven de private gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Beersel, kadastraal bekend 4de afdeling, sectie A, nrs. 255y2, 242, 243 en 241c, van openbaar nut wordt verklaard; Gelet op het arrest nr 62.874 van 30 oktober 1996 waarbij de vordering tot schorsing wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op de beschikking van 31 mei 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.951-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. MITTENAERE, die verschijnt voor de verzoekende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  6. Overwegende dat de n.v. AQUAFIN op 26 oktober 1994 een aanvraag heeft ingediend tot het van openbaar nut verklaren van het aanleggen en exploiteren van een collector op het grondgebied Huizingen ( project nr. 94.242, dat de eerste fase vormt van de aanleg en de exploitatie van de collector van Sint-Genesius-Rode, via Dworp, naar Huizingen); dat die aanvraag voorzag in een tracé over een aantal private eigendommen, waaronder percelen waarvan de verzoekers eigenaar, vruchtgebruiker en onverdeelde eigenaar zijn, gelegen te Beersel (Huizingen), Torleylaan 36-40, kadastraal gekend onder 4de afdeling, sectie A, nrs. 242, 243, 244 en 255y2, welke gelegen zijn in de onmiddellijke omgeving van de site waarop de verzoekers de kartonfabriek Henri Goossens exploiteren; dat op het bij de aanvraag gevoegde grondinnemingsplan de hiervóór genoemde percelen van de verzoekers zijn aangeduid als de innemingen 12, 13, 14 en 15; dat tijdens het openbaar onderzoek vier bezwaren zijn ingediend, waaronder één door de derde verzoeker, namens de kartonfabriek Henri Goossens; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel op 20 december 1994 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 2 februari 1995 een ongunstig advies heeft gegeven; dat de n.v. AQUAFIN als gevolg van dat ongunstig advies een aantal aanpassingen heeft aangebracht, en daarbij o.m. de innemingen 12 tot 15 weggelaten heeft uit het tracé waarvoor de verklaring van openbaar nut werd gevraagd; dat de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid (AMINAL) op 27 juli 1995 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling X-10.951-2/7 bij besluit van 4 september 1995 de oprichting van de rioolwaterzuiveringsinfrastruc-tuur onder, op of boven bepaalde private gronden, daarin evenwel niet begrepen enig aan de verzoekers toebehorend perceel, van openbaar nut heeft verklaard; dat de huidige verzoekers tegen dat besluit een beroep tot nietigverklaring hebben ingesteld, en dat de Raad van State dat beroep bij arrest nr. 170.862 van heden heeft verworpen; Overwegende dat de n.v. AQUAFIN vervolgens op 9 november 1995 een aanvraag heeft ingediend tot het van openbaar nut verklaren van het aanleggen en exploiteren van het ontbrekende deel van de genoemde collector op het grondgebied Huizingen (project nr. 94.242-2); dat die aanvraag voorziet in een tracé over een aantal private eigendommen, met name de genoemde percelen nrs. 255y2, 242 en 243 van de verzoekers, en een aan een derde toebehorend perceel nr. 241c; dat op het bij de aanvraag gevoegde kadastraal plan de hiervóór genoemde percelen van de verzoekers zijn aangeduid als de innemingen 12, 13 en 14; dat tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar is ingediend door de derde verzoeker, namens de kartonfabriek Henri Goossens; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel op 18 januari 1996 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant binnen de termijn geen advies heeft gegeven; dat de afdeling Algemeen Milieu- en Natuurbeleid (AMINAL) op 27 maart 1996 een gunstig advies heeft gegeven; dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling bij besluit van 22 april 1996 de oprichting van de bedoelde rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven de genoemde percelen van openbaar nut verklaart; dat dit ministerieel besluit van 22 april 1996 het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; Overwegende dat de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking het Vlaamse Gewest, optredend voor rekening van de n.v. AQUAFIN, bij besluit van 5 mei 2004 gemachtigd heeft om, ter verwezenlijking van het genoemde project nr. 94.242-2, een deel van de aan de verzoekers toebehorende percelen nrs. 255y2, 242 en 243 te onteigenen; dat de Vrederechter te Halle bij bevelschriften van 22 november 2004 de onteigening heeft toegestaan; dat een vordering tot herziening aanhangig is bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel;
  7. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van X-10.951-3/7 leidingen en van artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de n.v. Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, doordat de collector volgens de ter inzage liggende plannen op het terrein van de verzoekers, meer bepaald op het perceel nr. 243, doorgaat onder een gebouw, dat reeds bestond in de vijftiger jaren en dat dus dateert van vóór de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; dat de collector bovendien zal worden ingeplant op de percelen nrs. 242 en 243, die van oudsher omheind zijn, terwijl artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen bepaalt dat de verklaring van openbaar nut slechts verleend kan worden voor leidingen onder, op of boven private gronden “die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen”; artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de n.v. Aquafin in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging dezelfde beperking bevat, zodat de genoemde beperkingen te dezen niet in acht genomen zijn; Overwegende dat, krachtens artikel 32octies, § 3, van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, de rechten en verplichtingen zoals bepaald in de artikelen 9 tot 16 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen, van toepassing zijn op de n.v. AQUAFIN bij de vervulling van de haar in toepassing van de wet van 26 maart 1971 toevertrouwde taken; Overwegende dat artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 bepaalt wat volgt: “Na onderzoek kan de Koning (thans de gewestregering) van openbaar nut verklaren het oprichten van een gasvervoerinstallatie onder, op of boven private gronden die niet bebouwd zijn en die niet omsloten zijn met een muur of met een omheining die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen”; X-10.951-4/7 Overwegende dat het in dat wetsartikel bedoelde vereiste i.v.m. de aard van de gronden waaronder, waarop of waarboven een leiding kan worden aangelegd, bevestigd wordt in artikel 3, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 20 maart 1991 houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de uitvoering van werken door de n.v. AQUAFIN in toepassing van de artikelen 32septies en 32octies van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, waarvan de tekst luidt als volgt: “De aanvraag van de N.V. Aquafin hetzij om toepassing van de bepalingen van artikel 32octies, § 3, van bovenvermelde wet van 26 maart 1971, hetzij om verklaring van openbaar nut met het oog op de oprichting van rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven private onbebouwde gronden die niet omsloten zijn met een muur of een omheining conform met de bouw- of stedenbouwverordeningen, wordt gericht aan de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu”; Overwegende dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat de ontworpen leiding een tracé volgt doorheen een bestaand gebouw, gelegen op het perceel nr. 243; dat de verweerder in zijn memorie van antwoord weliswaar aanvoert dat het gaat om zogenaamde droogrekken, die niet meer dan betonnen palen zijn met een afdak erboven, om de kartonvellen te laten drogen; dat de verzoekers hierop echter repliceren dat zij met het gebouw op perceel nr. 243 geenszins de droogrekken bedoelen, maar een bedrijfsgebouw uit de jaren ‘50, “dat bestaat uit een fundering, een betonnen vloer, muren in betonelementen, voorzien van vensters en een deur, en bedekt door een stevige dakconstructie”; dat de verzoekers verwijzen naar de foto’s vervat in het administratief dossier van de verweerder, waaruit blijkt dat het niet gaat om “een simpel afdak dat rust op betonnen palen”; dat de verzoekers een plan voorleggen waarop het bedrijfsgebouw en de verschillende droogrekken afzonderlijk zijn aangeduid; dat uit een vergelijking van dat plan en het kadastraal plan gevoegd bij de door de n.v. AQUAFIN ingediende aanvraag blijkt dat het tracé ter hoogte van inneming 14 (perceel nr. 243) wel degelijk door het bedoelde gebouw gaat; dat de verzoekers bij hun laatste memorie een aantal processen-verbaal van vaststelling met foto’s voegen, waaruit blijkt dat het gebouw, ondertussen omwille van de werken afgebroken, een loods is, die diende als bergplaats voor materiaal nodig bij onderhoud van het groenpark; dat aangenomen moet worden dat het perceel “bebouwd” was, in de zin van artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965; X-10.951-5/7 Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de ontworpen leiding een tracé volgt doorheen de omheinde percelen nrs. 242 en 243; dat de verweerder in zijn memorie van antwoord aanvoert dat de bedoelde omheining bestaat uit betonnen palen met metaaldraad, en dat dit type omheining niet vergunningsplichtig is; dat artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 verbiedt dat een verklaring van openbaar nut wordt verleend voor een leiding onder, op of boven gronden die “omsloten zijn met een muur of met een omheining”; dat een omheind perceel aan die beschrijving beantwoordt als het perceel volledig omsloten is en als de omheining van die aard is dat de toegang tot het perceel daardoor op doeltreffende en afdoende wijze belet wordt; dat uit de genoemde processen-verbaal van vaststelling blijkt dat zich, vóór het begin van de werken, op de genoemde percelen twee omheinde gedeelten bevonden; dat de omheining bestond uit betonpalen verbonden respectievelijk met metalen vlechtwerk en met prikkeldraden; dat de gerechtsdeurwaarder uitdrukkelijk vaststelt dat beide terreinen volledig omheind zijn, en dat de omheiningen langs alle kanten in goede staat zijn; dat de percelen aldus “omsloten” waren door een “omheining”; dat artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965 weliswaar bepaalt dat het moet gaan om een muur of een omheining “die overeenkomt met de bouw- of stedenbouwverordeningen”; dat uit die bepaling echter niet voortvloeit dat enkel rekening gehouden kan worden met omheiningen die op grond van de stedenbouwwet vergunningsplichtig zijn; dat met andere woorden de enkele omstandigheid dat een omheining wegens haar geringe omvang van een dergelijke vergunning is vrijgesteld, niet wegneemt dat het kan gaan om een omheining als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de wet van 12 april 1965; dat aangenomen moet worden dat de genoemde percelen omsloten waren met een “omheining”, in de zin van de genoemde wetsbepaling; Overwegende dat het middel gegrond is; BESLUIT: Artikel
  8. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling van 22 april 1996 waarbij de oprichting van een rioolwaterzuiveringsinfrastructuur onder, op of boven de private gronden gelegen op het grondgebied van de gemeente Beersel, kadastraal bekend 4de afdeling, sectie A, nrs. 255y2, 242, 243 en 241c, van openbaar nut wordt verklaard. X-10.951-6/7 Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven mei 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, D. MOONS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-10.951-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.864 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1996:ARR.62.874 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.