id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.882 Rolnummer: A. 180453/IX-5555 Zaak: Arrest 170882 - Notarissen - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.882 van 7 mei 2007 Justitie - Notarissen Beslissing : Bevolen bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.882 van 7 mei 2007 in de zaak A. 180.453/IX-5555 In zake : Christian RYCKAERT, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. PEETERS en A. VANDAELE, kantoor houdende te BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 177/
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Christian RYCKAERT op 22 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van “het Koninklijk Besluit van 16 maart 2006, bekend gemaakt in het staatsblad van 23 november 2006, in de mate dit besluit op zijn verzoek om met ingang van zijn ontslag als notaris, dit is bij de eedaflegging van zijn opvolger, de eretitel van zijn ambt te mogen dragen, niet ingaat”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 12 maart 2007 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 16 april 2007; IX-5555-1/14 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LUST, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat A. VANDAELE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak
- De verzoeker was notaris met standplaats te Torhout. Bij schrijven van 3 augustus 2005 bood hij zijn ontslag aan. Tevens verzocht hij om de toekenning van de eretitel van notaris. Op 9 augustus 2005 vroeg de Minister van Justitie aan de Procureur des Konings te Brugge “of er enig bezwaar tegen bestaat dat het ontslag van betrokkene wordt aanvaard”. Bij schrijven van 18 augustus 2005 deelde de Kamer der Notarissen van de provincie West Vlaanderen aan de Procureur des Konings te Brugge mede dat zij een gunstig advies gaf voor de toekenning van de eretitel. Bij schrijven van 5 september 2005 antwoordde de procureur des Konings aan de Minister van Justitie dat de verzoeker in verdenking was gesteld in een dossier van kasgeldvennootschappen, en dat het in die omstandigheden “dan ook aangewezen (leek) om de afhandeling van dit dossier, dat thans werd medegedeeld voor eindvordering, af te wachten”. Op 29 september 2005 vroeg de minister meer informatie over de ernst van de feiten en over de eventuele timing inzake het gerechtelijk onderzoek. Daarop antwoordde de procureur des Konings met een schrijven van 30 november 2005, geredigeerd als volgt: “In antwoord op uw brief van 29 september heb ik de eer u ter kennis te brengen dat mijn ambt zijn standpunt, dat verwoord werd in mijn brief van 5 september, thans herziet. Na ruggespraak met de behandelende magistraat is in eerste instantie komen vast te staan dat het dossier, dat op vandaag nog steeds het voorwerp uitmaakt IX-5555-2/14 van een gerechtelijk onderzoek de eindvordering is nog niet eens af in elk geval nog jaren zal aanslepen vooraleer het ten gronde definitief zijn beslag zal krijgen. Anderzijds wordt naar de inhoud toe notaris Ryckaert verweten dat hij in het kader van een aantal kasgeldvennootschapsconstructies zijn ambt heeft verleend bij het verlijden van een aantal akten terwijl hij had moeten weten dat stromannen werden gebruikt. Dit verwijt is uiteraard één zaak. Vandaar besluiten tot een strafrechtelijke verantwoordelijkheid lijkt mij evenwel niet evident, zeker niet nu de penale bewijslevering inzake kasgeldvennootschappen op zich al een hele opgave is en zal zijn. Rekening houdende met de aanvullende gegevens is mijn ambt dan ook van oordeel dat het niet langer houdbaar is om mijn bezwaar tegen het ontslag van notaris Ryckaert hic et nunc nog langer te handhaven.” Bij koninklijk besluit van 16 maart 2006 werd aan de verzoeker op zijn verzoek ontslag verleend uit zijn ambt, met ingang van de datum van de eedaflegging van zijn opvolger. In de aanhef werd onder meer verwezen naar het gunstig advies van de procureur des Konings “betreffende het verlenen van het ontslag”. Noch in het dispositief van het besluit, noch in de aanhef ervan, werd met een woord gerept over het verzoek van de verzoeker om gemachtigd te worden tot het dragen van de eretitel van zijn ambt. Dit besluit vormt het voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. Het koninklijk besluit van 16 maart 2006 is op 24 mei 2006 ter kennis gebracht van de verzoeker en van de voorzitter van de Nationale Kamer van de Notarissen van België. In het begeleidend schrijven werd medegedeeld dat dit besluit bekendgemaakt zou worden samen met het koninklijk besluit waarbij de opvolger van de verzoeker benoemd zou worden. Beide besluiten zijn bekendge- maakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november
- De opvolger van de verzoeker heeft op 30 november 2006 de eed afgelegd.
- In een schrijven van 29 december 2006 deelde de raadsman van de verzoeker aan de Minister van Justitie mede dat zijn cliënt het stilzwijgen van het koninklijk besluit van 16 maart 2006 over zijn verzoek om toegelaten te worden tot het honorariaat niet anders kon begrijpen dan als een onthouding of een weigering om aan zijn verzoek te voldoen. Voorts wees de raadsman erop dat de procureur des Konings niet gevraagd was om een advies te geven over het verzoek tot het verlenen van de eretitel, en dat uit een gesprek met de bevoegde eerste substituut van de procureur des Konings was gebleken dat het advies in voorkomend geval gunstig IX-5555-3/14 geweest zou zijn. Ten slotte ging de raadsman in op de inhoudelijke aspecten van de weigering van de eretitel. Met name wees hij erop dat de loutere omstandigheid dat de verzoeker in verdenking was gesteld, niet betekende dat hij ook een verdachte was, zodat hij ten volle het vermoeden van onschuld genoot. Om die reden verzocht de raadsman met aandrang “de vraag tot het bekomen van de eretitel alsnog aan Zijne Majesteit de Koning te willen voorleggen”. Bij schrijven van 9 januari 2007 gaf de Minister van Justitie het volgende antwoord: “Het is gebruikelijk, als er een gerechtelijk onderzoek ingesteld is, dat er geen eretitel kan worden toegekend. Als het onderzoek afgerond is en de heer Ryckaert Christian buiten vervolging wordt gesteld, kan hij opnieuw een aanvraag voor het toekennen van de eretitel doen. Het advies betreffende de eretitel zal dan terug aangevraagd worden aan de heer procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Indien zijn advies gunstig zou zijn, kan alsnog de eretitel aan de heer Ryckaert toegekend worden.” Over de ontvankelijkheid van de vordering 3.
- De verwerende partij werpt een eerste exceptie van onontvan- kelijkheid van de vordering op, afgeleid uit het ontbreken van een voorwerp ervan. Zij voert aan dat in het bestreden besluit nog geen beslissing genomen werd betreffende het voeren van de eretitel van notaris. Hoogstens kan uit dat besluit een impliciete beslissing worden afgeleid, met name dat de verwerende partij het verzoek tot het verkrijgen van de titel van erenotaris voorlopig aanhoudt, hangende het strafonderzoek, maar een dergelijke voorlopige beslissing, genomen in afwachting van een eindbeslissing, is niet vatbaar voor vernietiging. Alleszins kan uit het bestreden besluit niet zonder meer worden afgeleid dat de titel van erenotaris aan de verzoeker wordt geweigerd. De verwerende partij besluit dat, nu in het bestreden besluit geen beslissing wordt genomen met betrekking tot de titel van erenotaris, de vordering tot schorsing van dat besluit, in zoverre het niet ingaat op de vraag van de verzoeker om de eretitel van zijn ambt te mogen dragen, zonder voorwerp is. IX-5555-4/14 3.
- Uit het dossier blijkt dat de verzoeker uitdrukkelijk gevraagd heeft om hem, naar aanleiding van het inwilligen van zijn verzoek om hem ontslag uit zijn ambt te verlenen, ook de eretitel van dat ambt toe te kennen. Het bestreden besluit verleent de verzoeker ontslag uit zijn ambt, maar rept met geen woord over het verzoek tot toekenning van de eretitel van het ambt. Het ontbreken van een uitdrukkelijke beslissing over het verzoek tot toekenning van de eretitel van het ambt kan in de gegeven omstandigheden niet anders uitgelegd worden dan als een impliciete beslissing om de vergunning tot het dragen van de eretitel niet te verlenen. Dat de verwerende partij later op die beslissing kan terugkomen, en de verzoeker alsnog de gevraagde vergunning kan verlenen, doet aan het voorgaande geen afbreuk. Deze interpretatie van de draagwijdte van het bestreden besluit vindt bevestiging in het schrijven van de Minister van Justitie van 9 januari
- Daarin wordt immers gesteld dat geen eretitel is toegekend, dat de verzoeker later een nieuwe aanvraag kan indienen tot het verkrijgen van de eretitel, en dat hem dan alsnog de eretitel toegekend kan worden. Nu de vordering strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 16 maart 2006, “in de mate dat dit besluit op (het verzoek van de verzoeker) om met ingang van zijn ontslag als notaris ... de eretitel van zijn ambt te mogen dragen, niet ingaat”, lijkt het wel degelijk een bepaald voorwerp te hebben. In de huidige stand van het geding kan de exceptie dan ook niet aangenomen worden. 4.
- De verwerende partij werpt een tweede exceptie van onontvan- kelijkheid van de vordering op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij voert aan dat het bestreden besluit bij brief van 24 mei 2006 aan de verzoeker is betekend, en dat de verzoeker pas op 22 januari 2007 de vordering tot schorsing heeft ingesteld, dit wil zeggen meer dan acht maanden na de betekening van het bestreden besluit. Het feit dat de mogelijkheid van beroep en de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen niet vermeld werden bij de betekening van het bestreden besluit, betekent te dezen niet dat de verzoeker niet aan enige termijn was gebonden. Van de verzoeker mocht integendeel verwacht worden dat hij op informatie uitging teneinde IX-5555-5/14 te weten te komen over welke rechtsmiddelen hij beschikte om zich tegen het bestreden besluit te verweren, en de redelijkheid duldt niet dat hij daarvoor alle tijd voor zich kon nemen. Volgens de verwerende partij maakt de verzoeker niet aannemelijk waarom hij heeft gewacht tot 22 januari 2007 om een vordering tot schorsing in te stellen. Het enkele feit dat het bestreden besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2006, is niet van aard om de exceptie van laattijdigheid te ontkrachten. De verwerende partij voert voorts aan dat, als zou blijken dat het beroep tot vernietiging de vordering tot schorsing zou voorafgaan, of dat het beroep tot vernietiging niet of buiten de termijn zou zijn ingediend, de vordering tot schorsing ook om die reden niet ontvankelijk zou zijn. 4.
- Artikel 56, § 1, vierde lid, van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, bepaalt dat de tweetalige koninklijke en ministeriële besluiten die geen belang hebben voor de meerderheid van de burgers, bij uittreksel mogen worden bekendgemaakt of het voorwerp mogen zijn van een eenvoudige vermelding in het Belgisch Staatsblad en dat, wanneer hun bekendmaking geen openbaar nut heeft, daarvan mag worden afgezien. Hieruit vloeit voort dat de besluiten die geen belang hebben voor de meerderheid der burgers maar waarvan de bekendmaking een openbaar nut heeft, bij uittreksel moeten worden bekendgemaakt of het voorwerp moeten uitmaken van een vermelding in het Belgisch Staatsblad. De wet zelf bepaalt niet wat onder “karakter van openbaar nut” moet worden verstaan. De verwerende partij ontkent niet dat het een vast gebruik is dat de besluiten waarbij aan een notaris ontslag uit zijn ambt wordt verleend, bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt. Dit gebruik wijst erop dat de bekendmaking van zulke besluiten naar het oordeel van het bestuur een karakter van openbaar nut vertoont. Het bestuur miskent hierdoor het begrip “van openbaar nut zijn” niet. De in artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Raad van State bepaalde termijn om het annulatieberoep tegen de besluiten in verband met het ontslag van een notaris in te stellen, gaat derhalve in door de bekendmaking van de aanvaarding van het ontslag in het Belgisch Staatsblad, ongeacht of de verzoeker van de aanvaarding van het ontslag reeds eerder kennis gekregen heeft. Aangezien het bestreden besluit bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2006 is bekendgemaakt, lijkt de op 22 januari 2007 ingediende vordering tot schorsing binnen de termijn te zijn ingesteld. IX-5555-6/14 Op 22 januari 2007 is ook een beroep tot vernietiging ingesteld. In de huidige stand van het geding kan de exceptie dan ook niet worden aangenomen. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing
- Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernieti- ging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 6.
- De verzoeker roept onder meer een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 april 1908 betreffende het honorariaat van de notarissen, artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en artikel 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, de artikelen 97, C, en 110, § 1, van de notariswet van 16 maart 1803, het zorgvuldigheidsbeginsel, het algemeen beginsel van de hoorplicht en het materieel motiveringsbeginsel. In een eerste onderdeel voert de verzoeker in essentie aan dat uit de gegevens die de verwerende partij hem heeft meegedeeld, moet worden afgeleid dat niet is ingegaan op zijn vraag om hem de eretitel van zijn ambt te verlenen om de enkele reden dat verzoekende partij in een gerechtelijk onderzoek is betrokken, in het kader waarvan hij door de onderzoeksrechter in verdenking is gesteld. De enkele inverdenkingstelling doet (echter) niets af aan het verdragsrechtelijk gewaarborgd vermoeden van onschuld. Voorts blijkt niet dat de verwerende partij zich omtrent een en ander diepgaander heeft geïnformeerd en objectieve gegevens heeft ingezameld waaruit in redelijkheid zou kunnen worden afgeleid dat ook in dit voorbereidend stadium van de rechtspleging reeds moet worden aangenomen dat er geen verdienstelijke ambtsuitoefening is geweest. Integendeel had het schrijven van de Procureur des Konings te Brugge van 30 november 2005 haar tot uiterste voorzichtigheid moeten aanmanen, gelet op het uiterst gereserveerde karakter ervan. Door niettemin de eretitel te weigeren, heeft de verwerende partij het vermoeden van onschuld miskend en artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 april 1908 IX-5555-7/14 (begrip “zich verdienstelijk maken”) miskend, evenzeer als het zorgvuldigheidsbe- ginsel (geen behoorlijk en grondig dossieronderzoek) en het materieel motiverings- beginsel. In een tweede onderdeel voert de verzoeker in essentie aan dat uit de artikelen 97, C, en 110, § 1, van de notariswet volgt dat het verlies van de eretitel een hoge tuchtsanctie is, die alleen door de territoriaal bevoegde rechtbank van eerste aanleg kan worden uitgesproken, in het kader van een procedure die op tegenspraak verloopt en die in de aanwending van rechtsmiddelen voorziet. Het niet verlenen van de eretitel komt bij de ontslagnemende notaris over als een feitelijke tuchtsanctie, en dit wordt ook zo ervaren door de confraters, de familie, het cliënteel, het personeel en de kennissenkring. Door af te stappen van de algemeen gevolgde gedragslijn, namelijk het toekennen van het honorariaat bij ontslagneming na een ambtsuitoefening van minstens tien jaar, omwille van de enkele omstandigheid dat de notaris in een gerechtelijk onderzoek is betrokken, is de verwerende partij in werkelijkheid vooruitgelopen op de tuchtrechtelijke bevoegdheid van de bevoegde rechtbank. De eretitel weigeren op grond van een aan de verzoekende notaris beweerd persoonlijk verwijtbaar gedrag vereist vanuit het oogpunt van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat de betrokkene minstens vooraf wordt gehoord en dat hem de mogelijkheid wordt geboden zich nader te verklaren. Door aan de hoorplicht voorbij te gaan heeft de verwerende partij meteen ook het zorgvuldig- heidsbeginsel geschonden, want ze heeft beslist op basis van een volstrekt onvolledig dossier. 6.
- De verwerende partij antwoordt op de twee onderdelen samen. Zij herhaalt dat de verzoeker er ten onrechte van uitgaat dat zij in het bestreden besluit een beslissing heeft genomen over de toekenning van de titel van erenotaris. Daarenboven volgt uit het koninklijk besluit van 27 april 1908 dat de titel van erenotaris “kan” worden toegekend indien de notaris zich “verdienstelijk” heeft gemaakt. De tegenpartij handelt dan ook niet kennelijk onredelijk indien zij, zoals te dezen, voor de beoordeling van het verdienstelijk karakter van de ambtsuitoefe- ning van de verzoeker de uitkomst afwacht van de hangende strafprocedure met betrekking tot oplichting. De machtiging tot het voeren van de titel van erenotaris is noch een recht, noch een gunst, doch enkel een erkenning van de verdienstelijk- heid. Door de beslissing over de toekenning van de eretitel uit te stellen, heeft de tegenpartij net zorgvuldig gehandeld, nu zij een definitieve beslissing enkel wenst te nemen nadat duidelijkheid is gecreëerd over de betrokkenheid van de verzoeker IX-5555-8/14 in het dossier van de kasgeldvennootschappen. Ten slotte kan de verzoeker moeilijk voorhouden dat er in het voorliggende geval sprake is van een tuchtstraf als bedoeld in artikel 97, C, van de notariswet (schorsing of verlies van de titel van erenotaris): er kan immers niet ontnomen worden wat men nog niet heeft. 6.
- Voor het onderzoek van het eerste onderdeel moet uitgegaan worden van hetgeen is bepaald in artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 april 1908 tot instelling van het honorariaat van de notarissen: “Alle notaris ontslagnemer die, in zijn ambtsvervulling, zich verdienstelijk heeft gemaakt, kan door Ons gemachtigd worden tot het voeren van de titel van erenotaris.” Bij het onderzoek van de eerste exceptie van onontvankelijkheid is reeds vastgesteld dat het bestreden besluit impliciet weigert de vergunning tot het dragen van de eretitel te verlenen. Het eerste onderdeel doet onder meer de vraag rijzen of de verwerende partij op een zorgvuldige wijze tot die beslissing is gekomen. Op grond van de artikelen 6, lid 2, van het Europees Verdrag over de rechten van de mens en 14, lid 2, van het Internationaal Verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten, geniet eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het vermoeden van onschuld totdat zijn schuld volgens de wet bewezen is. Dit geldt ook voor degenen die, zoals de verzoeker, in verdenking gesteld zijn, zolang er geen uitspraak is van de strafrechter. Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit van de inverdenking- stelling van de verzoeker geen voldoende reden kan vormen om aan te nemen dat hij zich in zijn ambtsvervulling niet verdienstelijk heeft gemaakt, en dat hij daardoor niet aan de voorwaarde voldoet om gemachtigd te worden tot het voeren van de titel van erenotaris. Zo de inverdenkingstelling van een ontslagnemende notaris de verwerende partij vanzelfsprekend tot de nodige voorzichtigheid moet aanzetten wanneer zij overweegt de machtiging tot het dragen van de eretitel te verlenen, zo ook moet de weigering van zulke machtiging steunen op nadere gegevens die in een dergelijk geval blijk kunnen geven van het niet vervuld zijn van de voorwaarde bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 april
- IX-5555-9/14 Te dezen blijkt uit de gegevens van het dossier dat de verwerende partij het advies heeft ingewonnen van de Procureur des Konings te Brugge. In zijn schrijven van 5 september 2005 deelde deze mee dat de verzoeker in verdenking was gesteld in een dossier van kasgeldvennootschappen. Dat feit was voor de procureur des Konings aanleiding om aan de Minister van Justitie het advies te geven de afhandeling van het strafdossier af te wachten. Terecht vroeg de verwerende partij daarop, bij schrijven van 29 september 2005, om nadere preciseringen. In zijn antwoord van 30 november 2005 verklaarde de procureur des Konings, die inmiddels contact genomen had met de behandelende magistraat, zijn eerder ingenomen standpunt te herzien. Rekening houdend met het feit dat een definitieve uitspraak nog lang op zich zou laten wachten en met het feit dat het bestaan van enige strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de verzoeker “niet evident zeker” was, oordeelde hij dat het niet langer houdbaar was om zijn bezwaar tegen het ontslag van de verzoeker uit zijn ambt te handhaven. Weliswaar werd de procureur des Konings niet uitdrukkelijk om een advies gevraagd over de vraag van de verzoeker om de eretitel van zijn ambt te mogen dragen. Het schrijven van de procureur des Konings van 30 november 2005 is echter van die aard dat het, ook voor wat de bedoelde vraag betreft, beschouwd kon worden als een relativering van het belang dat aan de inverdenkingstelling gehecht moest worden. Minstens moest dat advies de verwerende partij ertoe aanzetten om zich nader te informeren over de opportuniteit van het weigeren, zelfs voorlopig, van de machtiging tot het dragen van de eretitel. Uit het dossier blijkt evenwel niet dat de verwerende partij zich op grond van andere gegevens ervan heeft vergewist dat de inverdenkingstelling van de verzoeker, ondanks het relativerend advies van de procureur des Konings, een reden was om aan te nemen dat de verzoeker zich in zijn ambtsvervulling niet verdienstelijk heeft gemaakt. In deze stand van het geding lijkt de conclusie dan ook te zijn dat de bestreden beslissing genomen is met miskenning van het zorgvuldig- heidsbeginsel. In zoverre is het eerste onderdeel dan ook ernstig. 7.
- In verband met het vereiste inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voert de verzoeker in essentie aan dat het de normale gang van zaken is dat een notaris naar aanleiding van zijn ontslag wordt gemachtigd om de titel van IX-5555-10/14 erenotaris te dragen. De omstandigheid dat hem de eretitel niet wordt verleend, maakt de gewezen notaris per definitie verdacht en maakt hem tot voorwerp van minachting. Het niet verkrijgen van de eretitel is voor de uittredende notaris dan ook een schandvlek, een blaam, een publieke oneer. De omstandigheid dat de verzoeker na een buitenvervolgingstelling of na een vrijspraak alsnog in ere kan worden hersteld, kan te dezen niet worden aangevoerd, vermits uit het schrijven van de procureur des Konings van 30 november 2005 blijkt dat de afloop van de rechtszaak “in elk geval nog jaren zal aanslepen”. De ernstige morele schade dreigt aldus onherstelbaar te worden. De verzoeker voert voorts aan dat hij in zijn professionele omgeving als een pestlijder met de vinger wordt gewezen. Voorts wordt hij uit het notarieel gemeenschapsleven verbannen, omdat hij verstoken is van een aantal prerogatieven die het genoemde koninklijk besluit van 27 april 1908, de notariswet en het koninklijk besluit van 10 januari 2002 (betreffende het beheer van de door een notaris ontvangen sommen, effecten en geldswaardige papieren aan toonder en betreffende het toezicht op de boekhouding van de notarissen) aan erenotarissen verlenen. 7.
- De verwerende partij is vooreerst van oordeel dat de verzoeker geen nadeel lijdt, nu het bestreden besluit geen beslissing bevat met betrekking tot de toekenning van de titel van erenotaris. Zelfs indien aangenomen zou worden dat het bestreden besluit toch een definitieve beslissing zou bevatten over het al dan niet toekennen van die titel, toont de verzoeker niet aan dat het door hem ingeroepen moreel nadeel onherstelbaar is: dat nadeel kan immers hersteld worden door de morele genoegdoening die een vernietiging van de bestreden handeling hem verleent. In zoverre de verzoeker verwijst naar de wettelijke functies die hij momenteel niet kan invullen, merkt de verwerende partij op dat dit nadeel niet van die aard is dat het enkel via de voorliggende procedure tot schorsing kan worden verholpen. Ten slotte wordt het gebrek aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel volgens de verwerende partij bevestigd door het feit dat de verzoeker, die reeds bij brief van 24 mei 2006 in kennis gesteld werd van het bestreden besluit, bijna acht maanden gewacht heeft om de vordering tot schorsing in te stellen. Dat lange talmen spreekt op zichzelf het bestaan tegen van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 7.
- Zoals hiervóór reeds is opgemerkt, houdt het bestreden besluit de impliciete beslissing in dat niet ingegaan wordt op de vraag van de verzoeker om de eretitel van zijn ambt te mogen dragen. IX-5555-11/14 IX-5555-12/14 De verwerende partij betwist niet dat de verzoeker, ten gevolge van een dergelijke beslissing, een moreel nadeel lijdt. De Raad van State acht het ook aannemelijk, gelet op de context waarin aan notarissen de eretitel van het ambt wordt verleend, dat het weigeren van de vergunning tot het dragen van de eretitel een moreel nadeel oplevert, en dat dit voor de betrokkene een ernstig nadeel is. Nu dit nadeel voorts voortvloeit uit een beslissing die steunt op de betrokkenheid van de verzoeker bij een strafprocedure, en nu het aannemelijk is dat dit verband ook door de omgeving van de verzoeker gelegd zal worden, komt het nadeel tevens als moeilijk te herstellen voor. Uit de door de verzoeker aangehaalde wettelijke en reglementaire bepalingen (artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 april 1908, artikelen 37, § 2, en 100 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt, en artikel 10 van het koninklijk besluit van 10 januari 2002) volgt voorts dat de verzoeker, doordat hij niet gemachtigd is de eretitel van zijn ambt te dragen, met ingang van de datum waarop hem ontslag is verleend, niet betrokken kan worden bij een aantal aspecten van het notarisambt, terwijl dit voor erenotarissen wel het geval is. Voor een ontslagnemende notaris is dit een bijkomend, ernstig nadeel. Een eventuele vernietiging van de bestreden beslissing kan dit nadeel niet herstellen. De verzoeker maakt aldus aannemelijk dat hij door de onmiddel- lijke tenuitvoerlegging van de bestreden impliciete beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt. Aan die conclusie wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de verzoeker na de kennisneming van het bestreden besluit acht maanden gewacht heeft alvorens de voorliggende vordering in te stellen. Tot aan de eedaflegging van zijn opvolger, op 30 november 2006, bleef hij immers notaris. Tot dat ogenblik, minstens tot op het ogenblik van de bekendmaking van het bestreden besluit in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2006, ondervond hij nog niet de nadelige gevolgen van de bestreden beslissing. Bovendien bleef, bij gebreke van een uitdrukkelijk afwijzende beslissing over de vraag van de verzoeker om gemachtigd te worden tot het dragen van de titel van erenotaris, tot aan de eedaflegging van zijn opvolger de mogelijkheid bestaan dat die machtiging alsnog verleend zou worden, met als gevolg dat het aangevoerde nadeel niet zou ontstaan. In die omstandigheden kan het niet eerder instellen van de vordering tot schorsing niet uitgelegd worden als een bewijs dat het aangevoerde nadeel niet voldoende ernstig is. IX-5555-13/14
- Er is voldaan aan de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen. BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 16 maart 2006 waarbij aan de heer RYCKAERT Christian op zijn verzoek ontslag verleend wordt uit zijn ambt van notaris ter standplaats Torhout, in zoverre daarbij impliciet beslist wordt hem niet de machtiging te verlenen tot het dragen van de eretitel van zijn ambt. Artikel
- Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 mei 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5555-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.882 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.310 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div