id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.883 Rolnummer: A. 180081/IX-5543 Zaak: Arrest 170883 - Advocaten - 07/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-06-06 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.883 van 7 mei 2007 Justitie - Advocaten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.883 van 7 mei 2007 in de zaak A. 180.081/IX-
- In zake : XXXX tegen : de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel, die woonplaats kiest bij advocaat K. RONSE, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 149, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXXX op 5 januari 2007 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van :
- de beslissing van 6 november 2006 op tegenspraak uitgesproken door de Raad van Beroep van de Balies van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel in het kader van het hoger beroep tegen de beslissing van 28 februari 2005 van de Raad van de Orde van Advocaten van de Balie te Brussel waarbij de Raad van de Orde besliste de naam van verzoekende partij voorbehoudsloos weg te laten van het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de Balie te Brussel met ingang van 28 februari 2005;
- de beslissing van 31 augustus 2006 van de heer Stafhouder Edgar BOYDENS houdende schending van het suspensief karakter van het hoger beroep tegen de beslissing van 28 februari 2005; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5543-1/6 Gelet op de beschikking van 12 maart 2007 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 16 april 2007; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat K. RONSE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Over de gegevens van de zaak.
- De verzoeker was als advocaat ingeschreven op het tableau van de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel. Bij schrijven van 16 februari 2005 vroeg hij om zijn weglating van het tableau, “wegens gezondheids- redenen”. Op 28 februari 2005 besliste de raad van de orde zijn naam met ingang van die dag weg te laten van het tableau.
- Korte tijd later werd tegen de verzoeker een tuchtvordering ingesteld. Bij beslissing van 27 juni 2005, op verzet gewezen, sprak de raad van de orde de tuchtstraf van de schrapping uit. Tegen die beslissing stelde de verzoeker beroep in. Bij beslissing van 19 juni 2006 verklaarde de Tuchtraad van beroep van het rechtsgebied van het Hof van Beroep te Brussel, eveneens op verzet, het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, en bevestigde hij de bestreden beslissing. De verzoeker heeft tegen de beslissing van 19 juni 2006 een voorziening in cassatie ingesteld. Die zaak was op het ogenblik van de sluiting van de debatten nog aanhangig bij het Hof van Cassatie. IX-5543-2/6
- Ondertussen, op 3 februari 2006, had de verzoeker aan de raad van de orde laten weten dat hij genoodzaakt was zijn wederinschrijving op het tableau te vragen. Met het oog op het onderzoek van die aanvraag werd de verzoeker op 24 april 2006 door de raad van de orde gehoord. Op verzoek van de raad deelde hij bij schrijven van 25 april 2006 een aantal stukken mee met betrekking tot een tegen hem gevoerd strafonderzoek. Op 12 juni 2006 besliste de raad van de orde, gelet op de voortdurend tegenstrijdige verklaringen die de verzoeker had afgelegd met betrekking tot de reden waarom hij in 2005 gevraagd had om van het tableau weggelaten te worden, dat diens gedrag niet strookte met de waardigheid, de rechtschapenheid en de kiesheid die van een advocaat verlangd werden, en dat hij zich dienvolgens onwaardig gedroeg om het beroep van advocaat uit te oefenen. De vraag tot wederinschrijving werd mitsdien geweigerd. Op 28 juni 2006 stelde de verzoeker beroep in tegen de beslissing van de raad van de orde van 12 juni
- Bij beslissing van 6 november 2006 (zaak 1) verklaarde de tuchtraad van beroep het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond, en bevestigde hij de bestreden beslissing.
- Ondertussen had de verzoeker, bij verzoekschrift van 29 juni 2006, ook beroep ingesteld tegen de hiervóór genoemde beslissing van de raad van de orde van 28 februari 2005 waarbij hij werd weggelaten van het tableau van de orde. Met een schrijven van 22 augustus 2006 vroeg de verzoeker aan de stafhouder van de Nederlandse Orde van advocaten zijn standpunt in verband met het suspensief karakter van het bedoelde beroep. Volgens de verzoeker verzette niets zich ertegen dat hij, in het belang van zijn vroegere cliënten, zijn beroepsactiviteit als advocaat hervatte. Op 31 augustus 2006 antwoordde de stafhouder dat de verzoeker zijn beroepsactiviteiten op dat ogenblik niet kon hervatten, aangezien hij niet op het tableau was ingeschreven. De weglating was immers geacteerd, en tot op dat ogenblik was een heropname niet toegestaan of geacteerd. De stafhouder besloot dat de verzoeker geen advocaat meer was; indien de verzoeker in dat kader toch enige activiteit zou uitoefenen, zou de stafhouder verplicht zijn om een klacht in te dienen bij de procureur-generaal. Deze “beslissing” vormt het tweede voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. IX-5543-3/6 Bij beslissing van 6 november 2006 (zaak 2) verklaarde de tuchtraad van beroep het hoger beroep onontvankelijk, op grond dat de verzoeker “geen enkel belang heeft om hoger beroep in te stellen tegen een beslissing van de Raad van de Orde die zijn eigen verzoek tot weglating van het tableau van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel ingewilligd heeft”. Deze beslissing vormt het eerste voorwerp van de voorliggende vordering tot schorsing. Over de rechtspleging
- Op 11 april 2007 heeft de verzoeker een “antwoordnota” neergelegd. Ter zitting vraagt de verwerende partij die nota uit de debatten te weren. In die nota preciseert de verzoeker het voorwerp van de vordering tot schorsing, vraagt hij de verwijdering van een aantal stukken uit het administratief dossier, en antwoordt hij op de exceptie van onbevoegdheid die is opgeworpen door de verwerende partij en die volgens de auditeur gegrond is. In een dergelijke nota wordt niet voorzien door het procedure- reglement. Ze wordt dan ook uit de debatten geweerd. Dit belet niet dat de verzoeker ter terechtzitting zijn vraag tot verwijdering van een aantal stukken uit het administratief dossier heeft kunnen herhalen, en dat hij ook mondeling heeft kunnen antwoorden op de exceptie van onbevoegdheid.
- Zoals gezegd, vraagt de verzoeker de verwijdering van een aantal stukken uit het administratief dossier, met name al de stukken die geen betrekking hebben op het zogenaamde “administratief beroep” dat hij heeft ingesteld tegen de beslissing van de raad van de orde van 28 februari
- Het staat de verwerende partij vrij om aan de Raad van State een administratief dossier voor te leggen, bevattende niet enkel de stukken die rechtstreeks verband houden met de procedure waarop het beroep tot vernietiging en de vordering tot schorsing betrekking hebben, maar daarnaast ook stukken die kunnen bijdragen tot een volledig inzicht in het geschil tussen de partijen. Er bestaat te dezen dan ook geen aanleiding om de verwijdering uit het administratief dossier te bevelen van de stukken die betrekking hebben op de tegen de verzoeker ingestelde tuchtvordering en op het door hem ingediende verzoek tot wederinschrij- ving op het tableau. IX-5543-4/6 Over de bevoegdheid van de Raad van State 7.
- De verwerende partij werpt een exceptie van onbevoegdheid van de Raad van State op. Zij voert aan dat zowel uit de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek als uit de strekking van de artikelen 432 en volgende van dat wetboek blijkt dat de wetgever de handelingen van de organen van de orde van advocaten heeft willen onttrekken aan de controle van de administratieve rechter om ze toe te vertrouwen aan de controle van de rechterlijke macht. 7.
- In zoverre de vordering tot schorsing gericht is tegen de beslissing van de tuchtraad van beroep van 6 november 2006, moet vastgesteld worden dat artikel 477, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de vervanging van dat artikel bij de wet van 21 juni 2006 tot wijziging van een aantal bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de balie en de tuchtprocedure voor haar leden, bepaalde: “De advocaat of de procureur-generaal kunnen binnen de termijn van een maand de beslissing van de tuchtraad van beroep aan het Hof van Cassatie voorleggen in de vormen van de voorzieningen in burgerlijke zaken.” Die bepaling, die mede betrekking heeft op beslissingen van de tuchtraad van beroep over beroepen tegen beslissingen van de raad van de orde i.v.m. verzoeken tot inschrijving op het tableau of tot weglating van het tableau (artikel 469bis van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de opheffing ervan bij de wet van 21 juni 2006, gelezen in samenhang met de artikelen 432 en 433 van dat wetboek), is van toepassing op de thans bestreden beslissing van de tuchtraad van beroep, ingevolge de overgangsbepaling vervat in artikel 42, § 2, van de wet van 21 juni
- De bevoegdheid van het Hof van Cassatie sluit die van de Raad van State uit. Nog daargelaten of de bestreden beslissing van de tuchtraad van beroep niet beschouwd moet worden als een jurisdictionele beslissing, waartegen om die reden geen vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan openstaan, moet in deze stand van het geding dan ook geconcludeerd worden dat de exceptie van onbevoegdheid gegrond is, in zoverre de vordering tot schorsing gericht is tegen de eerste bestreden beslissing. 7.
- In zoverre de vordering tot schorsing gericht is tegen de zogenaamde “beslissing” van de stafhouder van 31 augustus 2006, moet eraan herinnerd worden dat blijkens de parlementaire voorbereiding van het Gerechtelijk Wetboek (Ch. VAN REEPINGHEN, Verslag over de gerechtelijke hervorming, IX-5543-5/6 Parl. St., Senaat, 1963-64, nr. 60, p. 125; verslag DE BAECK, Parl. St., Senaat, 1964-65, nr. 170, p. 82), de wetgever kennelijk de bedoeling heeft gehad de handelingen van de organen van de ordes van advocaten, gelet op hun verbondenheid met de rechterlijke orde en op het streven naar vrijwaring van de onafhankelijkheid der advocaten, te onttrekken aan de annulatiebevoegdheid van de Raad van State. Ook in zoverre de vordering tot schorsing gericht is tegen de tweede bestreden beslissing, moet in deze stand van het geding worden aangenomen dat de exceptie van onbevoegdheid gegrond is. BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 7 mei 2007, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5543-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.883 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.175.785 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.