id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.896 Rolnummer: A. 183051/X-13281 Zaak: Arrest 170896 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 06:41 Fiche Arrest nr 170.896 van 8 mei 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.896 van 8 mei 2007 in de zaak A.183.051/IX-5.637 In zake :
- Agnès MALOU,
- Cécile MALOU,
- Brigitte MALOU,
- Paul MALOU,
- Lucie MALOU, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoorhoudende te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 tegen : de gemeente SINT-GILLIS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Agnès MALOU, Cécile MALOU, Brigitte MALOU, Paul MALOU en Lucie MALOU op 7 mei 2007 per fax hebben ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis van 5 april 2001 waarbij aan de heer M. RONGVAUX een stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd, onder verbeurte van een eenmalige dwangsom van 1.500.000 euro; Gelet op de beschikking van 7 mei 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op dezelfde dag, te 22.00 uur; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaten M. DENYS en B. VANDENBERGHE, die verschijnen voor de verzoekende partijen, en van Advocaten F. VLASSEMBROUCK en B. GORS, die loco Advocaat F. MAUSSI- ON verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur L. VERMEIRE; IX-5.637-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekers eigenaars zijn van een woning gelegen te Sint-Gillis, de Merodestraat 53; dat dit pand verhuurd is; Overwegende dat de woning het voorwerp heeft uitgemaakt van een plaatsbeschrijving op 7 mei 2007, uitgevoerd door een persoon die op verzoek van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest door de Vrederechter te Sint-Gillis bij beschikking van 10 april 2007 als deskundige is aangesteld; dat die aanstelling en die plaatsbeschrijving kaderen in het voornemen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest om de aanpalende woning, gelegen aan de de Merodestraat 55, waarvan het gewest eigenaar is, af te breken; Overwegende dat aan de verzoekers, die bij de plaatsbeschrijving aanwezig waren, een aantal stukken zijn afgegeven, waaronder een stedenbouwkun- dige vergunning en een prijsofferte voor de afbraak van de gebouwen gelegen aan de de Merodestraat 55 en 57; dat de genoemde stedenbouwkundige vergunning op 4 april 2001 verleend is door het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Gillis aan de heer Rongvaux, gedelegeerd bestuurder van “Brussel- Zuid”, en dat zij betrekking heeft op de afbraak van een huizenblok omschreven als blok C (Fonsny/Holland/Engeland/de Merode); dat niet betwist wordt dat de woning van de verzoekers en de aanpalende woning binnen die perimeter gelegen zijn; dat de genoemde prijsofferte gegeven is door een aannemer waarvan een vertegenwoor- diger eveneens op de plaatsbeschrijving aanwezig was; dat die vertegenwoordiger ter plaatse heeft meegedeeld dat de afbraakwerken zouden aanvatten op 8 mei 2007; Overwegende dat de voorliggende vordering strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de voornoemde stedenbouwkundige vergunning van 4 april 2001;
- Overwegende dat de verweerster ter zitting een aantal excepties van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt; dat zij met name opwerpt, ten eerste, dat niet blijkt dat de verzoekers de zegelrechten betaald hebben, ten tweede, dat de vordering buiten de termijn is ingesteld, en ten derde, dat de verzoekers geen blijk geven van het rechtens vereiste belang; IX-5.637-2/6 Overwegende dat het niet noodzakelijk is om over de opgeworpen excepties uitspraak te doen; dat immers uit de hiernavolgende bespreking zal blijken dat aan een van de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering niet is voldaan, zodat de vordering om die reden in elk geval moet worden afgewezen;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat de verzoekers in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende aanvoeren: “Door de afbraak zal ontegensprekelijk schade toegebracht worden aan de eigendom van de familie MALOU en zal bovendien een onbeschrijfelijke hinder ontstaan voor de bewoners van het huis van de familie MALOU. Het gaat hier om de huurders die op volkomen rechtmatige wijze het huis van de familie MALOU huren. Bovendien lopen de bewoners en eigenaars risico’s en gevaren doordat het gebouw van de familie MALOU afgezonderd zal blijven bestaan, terwijl er nog steeds geen vergunning werd verleend om een nieuw gebouw op te trekken op de eigendommen nrs. 53, 55 en
- Er bestaat geen onteigeningsbesluit omtrent het huis van de familie MALOU. Er is evenmin een ruimtelijk ordeningsplan. Daar het vorige werd gewijzigd, en nog niet is goedgekeurd, bij weten van beroepers. De schade van beroepers is niet alleen een risicoschade op het stuk van de lijfelijke integriteit maar ook een morele schade doordat zij gestalkt worden door het Brussels Gewest opdat zij hun eigendomsrecht zouden prijsgeven”; Overwegende, wat betreft de schade die de afbraak zal toebrengen aan de eigendom van de verzoekers en de hinder die de afbraak zal meebrengen voor de bewoners van die eigendom, dat dit nadeel voorshands hypothetisch is; dat de verzoekers niet aannemelijk maken dat de afbraak van de aanpalende woning een ernstige schade aan hun eigendom zal teweegbrengen; dat het trouwens tot de opdrachten van de door de vrederechter aangestelde deskundige behoort om de maatregelen te beschrijven die nodig zijn om de stabiliteit en het behoud van de eigendom van de verzoekers te waarborgen; dat zij evenmin aantonen dat de afbraakwerken voor de bewoners een hinder zullen veroorzaken die de perken van IX-5.637-3/6 een redelijk aanvaardbare hinder bij werken aan aanpalende eigendommen te buiten zou gaan; Overwegende, wat betreft de risico’s en de gevaren ten gevolge van het feit dat het gebouw van de verzoekers als alleenstaande woning zal overblijven, na afbraak van het aanpalende gebouw, dat ook dit nadeel voorshands hypothetisch is; dat de verzoekers geen concrete gegevens aanhalen waaruit zou blijken dat een ernstig risico op verzakking te vrezen is; dat trouwens, zoals hiervóór reeds is opgemerkt, het tot de opdrachten van de genoemde deskundige behoort om de maatregelen te beschrijven die de stabiliteit en het behoud van de eigendom van de verzoekers moeten waarborgen; Overwegende, wat betreft de afwezigheid, enerzijds, van een besluit dat machtiging verleent tot onteigening van de woning van de verzoekers, en anderzijds, van een ruimtelijk ordeningsplan, dat de verzoekers niet aantonen waarin dit nadeel precies bestaat; dat het overigens niet lijkt te gaan om een nadeel dat veroorzaakt wordt door de bestreden beslissing, nochtans het enige soort nadeel dat in het kader van een schorsing van de tenuitvoerlegging van die beslissing in aanmerking kan worden genomen; Overwegende ten slotte, wat betreft de morele schade door de zogenaamde “stalking” door het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, erop gericht om de verzoekers ertoe aan te zetten hun eigendomsrecht prijs te geven, dat het niet onaannemelijk is dat het gewest, door één na één de gebouwen van het huizenblok C te onteigenen en dan af te breken, de verzoekers in een positie zal brengen waardoor het hun moeilijk zou kunnen vallen om te weerstaan aan aanbiedingen om hun goed in der minne te verwerven; dat echter, ook al zou er hier sprake zijn van een nadeel, dit nadeel niet voortvloeit uit de thans bestreden handeling, zijnde een vergunning verleend door de verweerster; Overwegende dat het risico op het nadeel, zoals het in het verzoekschrift beschreven wordt, niet bewezen is; dat de verzoekers in elk geval niet aannemelijk maken dat het gaat om een ernstig en een moeilijk te herstellen nadeel;
- Overwegende dat niet is voldaan aan één van de bij artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst IX-5.637-4/6 dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; Overwegende dat de verwerping van de vordering tot schorsing de verwerping van de vordering tot het opleggen van een dwangsom met zich brengt;
- Overwegende dat de verweerster ter terechtzitting vraagt om aan de verzoekers een boete op te leggen wegens tergend en roekeloos geding; Overwegende, daargelaten de vraag of een geldboete opgelegd kan worden in het kader van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, dat de Raad van State geen reden ziet om de voorliggende vordering te beschouwen als een kennelijk onrechtmatig beroep; dat er dan ook geen reden is om in te gaan op de vraag van de verweerster, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot het opleggen van een dwangsom wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 875 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen. IX-5.637-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei tweeduizend en zeven, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, de H. D. DECOCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. P. LEMMENS. IX-5.637-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.896 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.195.679 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div