← België

Arrest 170916 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.916 Rolnummer: A. 103557/XII-3068 Zaak: Arrest 170916 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-16 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.916 van 8 mei 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.916 van 8 mei 2007 in de zaak A. 103.557/XII-

  1. In zake : Daniël VANDELACLUZE, die woonplaats kiest bij advocaat M.-R. Desmet, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 12/8 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat V. Tollenaere, kantoor houdende te Gent, Koning Albertlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Vandelacluze op 19 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 5 februari 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende om een einde te stellen aan zijn aanstelling als stadsadvocaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3068-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat M.-R. Desmet, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat T. De Sutter, die loco advocaat V. Tollenaere verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
  3. Bij besluit van 19 april 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende wordt verzoeker, overigens niet voor het eerst, “aangesteld” als stadsadvocaat. Op 5 februari 2001 beslist het college een einde te stellen aan verzoekers aanstelling als stadsadvocaat. Met een besluit van 19 maart 2001 voorziet het college in een “motivering om een einde te maken aan de aanstelling van Mr. Vandelacluze als stadsadvocaat”. De rechtsmacht van de Raad van State Stelling van de partijen
  4. In de memorie van antwoord werpt verwerende partij de onbevoegdheid van de Raad van State op, met een verwijzing naar diens arrest inzake Wolf, nr. 67.990 van 5 september 1997, waaruit zou volgen dat de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt van contractuele aard is.
  5. Verzoeker repliceert in de memorie van wederantwoord dat het arrest een heel andere situatie “weerspiegelt”, “want hier was er eigenlijk sprake van een onbepaald mandaat en niet van een louter contractuele verbintenis”, dat er te dezen geen sprake is van een contract, maar van “een, via de weg van de administratieve rechtshandeling totstandgekomen, eenzijdige aanstelling door het stadsbestuur en een eenzijdige bepaling van de daarvoor voorziene vergoeding”. XII-3068-2/4 Voorts wordt beklemtoond dat “de stadsoverheid” wel degelijk een overheid is die administratieve beslissingen in de zin van artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State neemt. In de laatste memorie wijst verzoeker erop dat de bevoegdheid van de verwerende partij om tot de intrekking van de aanstelling als stadsadvocaat te besluiten, geen gebonden bevoegdheid is “waarbij er slechts een interpretatie van de toepasselijke regelgeving gebeurt”, en dat het bestreden besluit een administratieve rechtshandeling is “waarbij het bestuur gebruik maakt van zijn discretionaire beoordelingsbevoegdheid en aldus beperkingen aan de uitoefening van een burgerlijk recht stelt”. Beoordeling
  6. Zoals reeds eerder in de arresten inzake Wolf, nrs. 67.990 en 94.693 van 5 september 1997, respectievelijk 11 april 2001, is geoordeeld, wordt ook te dezen aangenomen dat de verhoudingen tussen een advocaat en zijn cliënt -al is die een administratieve overheid- wezenlijk contractueel van aard zijn. Overeenkomstig artikel 444, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek oefenen de advocaten hun ambt vrij uit ter verdediging van het recht en van de waarheid. Het is een beroep dat de wetgever rechtstreeks heeft betrokken bij de openbare dienst van de rechtsbedeling en dat als zodanig met de rechterlijke orde verbonden is. De balie is onttrokken aan elk toezicht vanwege de uitvoerende macht. Met die bijzondere aard van het beroep is een louter eenzijdige aanstelling van een advocaat niet te verenigen. Bijgevolg kan de wilsuiting van de overheid pas gevolgen hebben als de advocaat ermee instemt. Op dat moment ontstaat een contract.
  7. Daargelaten de aanvechtbaarheid van een aanstellingsbesluit als advocaat, moet worden vastgesteld dat te dezen geen dergelijk besluit wordt aangevallen. Van zodra evenwel verzoeker toezegde om (voort) de raadsman te zijn van de verwerende partij, is er tussen hen een contract tot stand gekomen. De bestreden collegebeslissing van 5 februari 2001 om dat contract te beëindigen en de onwettigheid die daarbij beweerdelijk is begaan, houden verband met de uitvoering van het contract. Krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet behoort een geschil dat betrekking heeft op de uitvoering van een contract en de miskenning van contractuele rechten, tot de rechtsmacht van de rechtbanken van de rechterlijke orde. XII-3068-3/4 De exceptie is gegrond. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3068-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.916 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.