← België

Arrest 170917 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 mei 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.917 Rolnummer: A. 76251/XII-643 Zaak: Arrest 170917 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 08/05/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-05-18 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:40 Fiche Arrest nr 170.917 van 8 mei 2007 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 170.917 van 8 mei 2007 in de zaak A. 76.251/XII-

  1. In zake :
  2. Marc VAN GINDERACHTER,
  3. Nicole VAN GINDERACHTER,
  4. de NV ADVY,
  5. de BVBA ALBO,
  6. Hans DHOOGE,
  7. Sandra DE RYCKE, die woonplaats kiezen bij advocaat G. Van Hecke, kantoor houdende te Evergem-Sleidinge, Hooiwege 22A tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. verzoeker in tussenkomst : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE WAARSCHOOT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Van Ginderachter, Nicole Van Ginderachter, de NV Advy, de BVBA Albo, Hans Dhooge en Sandra De Rycke op 4 november 1997 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 4 september 1997 van de deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen waarbij de wegen A, B, C en D, zonder nummer, genaamd Stuiver te Waarschoot, als buurtweg worden erkend; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 3 november 1998; Gelet op de beschikking van 10 november 1998 die de tussenkomst van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; XII-643-1/13 Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op de beschikking van 4 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 14 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. Van Hecke, die verschijnt voor verzoekers, van burgerlijk ingenieur D. De Backer, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat S. Voet, die loco advocaat K. Creyf verschijnt voor verzoeker in tussenkomst; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, WIJST NA BERAAD HET VOLGENDE ARREST : De feiten
  8. Op 25 november 1993 besluit de gemeenteraad van Waarschoot een eerste keer om de procedure in te zetten tot erkenning als buurtweg van de wegen A, B, C en D, genaamd Stuiver, die uitkomen op de buurtweg (eveneens) genaamd Stuiver. Hij stelt op 2 juni 1994 aan de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen voor om de buurtweg definitief te erkennen. Het provinciebestuur vraagt met een brief van 30 september 1994 evenwel een aangepast plan in te dienen, omdat de vraag tot erkenning van de weg B niet geschiedt op de breedte die algemeen door het publiek wordt gebruikt. XII-643-2/13 Op 6 april 1995 beslist de gemeenteraad opnieuw de procedure tot erkenning als buurtweg van de betrokken wegen in te stellen. In het kader van het openbaar onderzoek worden tegen de plannen die de gemeente opstelde, bezwaren ingediend door onder anderen de NV Advy en de BVBA Albo. Op 7 september 1995 beslist de gemeenteraad bij de deputatie de definitieve erkenning als buurtweg aan te vragen. Tegen die beslissing worden drie beroepschriften bij de deputatie ingediend. Het beroep van de NV Advy en de BVBA Albo wordt op 30 mei 1996 gegrond verklaard omdat “geen uitspraak werd gedaan over hun bezwaar” en “hier derhalve sprake is van een procedurefout”; het derde beroep wordt verworpen. Bij besluit van 4 juli 1996 doet de gemeenteraad alsnog uitspraak over de bezwaren van de NV Advy en de BVBA Albo; zij worden verworpen. Beide vennootschappen stellen opnieuw beroep in bij de deputatie. Het beroep wordt afgewezen met een beslissing van 24 juli
  9. Op 4 september 1997, ten slotte, erkent de deputatie de wegen A, B, C en D, zonder nummer, genaamd Stuiver te Waarschoot, als buurtweg. De procedure
  10. Bij beschikking nr. 563-n heeft de Raad van State de gemeente Waarschoot, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, voorlopig toegelaten in de debatten tussen te komen. In het auditoraatsverslag wordt evenwel vastgesteld dat het college van burgemeester en schepenen de vordering tot tussenkomst niet namens de gemeente heeft aangespannen, maar namens zichzelf, en dat een beslissing van het college van burgemeester en schepenen om in de procedure tussen te komen bovendien ontbreekt. Ter terechtzitting spreekt de raadsman van het schepencollege het een noch het ander tegen; hij verklaart zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen. De vaststellingen in het auditoraatsverslag blijken juist. De namens het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot ingestelde vordering tot tussenkomst wordt bijgevolg verworpen. XII-643-3/13 De ontvankelijkheid 3.
  11. Verwerende partij betwist het belang van verzoekers omdat zij beweerdelijk ten onrechte stellen dat hun eigendommen door de bestreden beslissing alle gevolgen van een onteigening ondergaan, zonder de daaraan verbonden voordelen. Tevens werpt zij op dat de erkenning als buurtweg slechts een officiële bevestiging inhoudt van een sinds jaren bestaande toestand, dat zij als een louter declaratieve handeling te beschouwen is en als zodanig niet vatbaar is voor een annulatieberoep. 3.
  12. De erkenning van een weg als buurtweg beoogt effecten in het rechtsverkeer die er voorheen niet waren. De beslissing van de deputatie zal, gelet op artikel 10, tweede lid, van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen, bijvoorbeeld een rechtstitel zijn voor de verjaring. Het is dan ook terecht dat verwerende partij bij de kennisgeving van de bestreden beslissing aan verzoekers meedeelde dat zij een verzoekschrift tot nietigverklaring ertegen bij de Raad van State konden indienen. Verzoekers, van wie niet wordt betwist dat zij eigenaar zijn van de betrokken grond, hebben er in beginsel belang bij de erkenning als buurtweg te bestrijden en daarbij in het bijzonder te doen gelden dat de procedure bepaald in hoofdstuk I -“Van de erkenning en van de afpaling der buurtwegen”- van de wet van 10 april 1841, niet is geëerbiedigd. De excepties worden verworpen. De grond van de zaak 4.
  13. In een eerste middel voeren verzoekers de schending aan “van het algemeen opzet zoals bedoeld in de wet van 10.4.1841”. Toegelicht wordt dat een buurtweg moet dienen om door het publiek in het algemeen te worden gebruikt, dat de erkende buurtweg tot geen enkele verbinding dient, noch in het verkeer binnen de gemeente voorziet, dat de weg gewoon doodloopt in de velden en akkers. Ook in de memorie van wederantwoord en de laatste memorie betogen verzoekers dat de erkende weg enkel dienstig is voor de aangelanden, niet voor het publiek, dat de erkenning een “publiek gebruik voor doorgaand verkeer” vereist en dat het gebruik door slechts de aangelanden onvoldoende is. XII-643-4/13 4.
  14. Alleen wat reeds als een buurtweg bestaat, kan als een buurtweg worden erkend. De erkenning van een weg als buurtweg veronderstelt bijgevolg dat de weg tot het openbaar gebruik diende. De omstandigheid dat de weg alleen één wijk of één straat, of zelfs maar één of een paar huizen bedient, of doodlopend is, sluit dit openbaar gebruik niet uit. Te dezen blijkt uit de vele technische verslagen van de provincie, die de bestreden beslissing voorafgaan, dat het wegdeel A als ontsluitingsweg dient voor een viertal woningen en een landbouwbedrijf, dat ook in elk van de straatjes B, C en D een viertal woningen staan, dat in de straatjes B, C en D in opdracht van de gemeente een riolering is aangelegd, dat in alle vier de straatjes door gemeentepersoneel een steenslagverharding is aangebracht, evenals plaatsnaamborden en signalisatieborden zijn geplaatst, dat het huisvuil er opgehaald wordt, dat de verzoekers zich nooit tegen het gebruik van de wegen door de bewoners hebben verzet, noch tegen de daden van beheer en van politietoezicht die de gemeente met betrekking tot de wegen al verschillende jaren heeft gesteld. Verwerende partij kon uit een en ander op goede grond concluderen dat de erkende wegdelen A, B, C en D reeds openbaar gebruikt werden. Daar doet het argument van verzoekers in de laatste memorie “dat er zelfs een verkeersbord door de gemeentediensten werd geplaatst met de vermelding ‘private weg’”, niets van af. Het gaat om een volstrekt nieuw gegeven, dat tot dan nog op geen enkele manier ter sprake kwam. Dit wettigt het vermoeden van verwerende partij -die overigens betwist dat het gemeentebestuur het verkeersbord zou hebben geplaatst- dat het bord pas na de erkenningsprocedure is aangebracht, “[m]isschien na kennisname van het auditoraatsverslag waarin staat dat: ‘[...] verzoekers [...] er, na inzage van het administratief dossier niet toe zijn gekomen om, in hun memorie van wederantwoord, andere feitelijke of juridische argumenten aan te voeren ten einde het publiek karakter van di[e] bestaande weg in vraag te stellen’”. Het blijkt niet dat verwerende partij, door in de bestreden beslissing “het openbaar gebruik dat de weg Stuiver reeds jaren kent, door erkenning als buurtweg te officialiseren”, het in het middel aangevoerde opzet van de wet op de buurtwegen heeft miskend. XII-643-5/13 Het middel is ongegrond. 5.
  15. Volgens een tweede middel schendt de bestreden beslissing het provinciaal reglement van 21 juli 1843 op de buurtwegen, doordat zij geen uitsluitsel geeft over de klasse-indeling van de erkende buurtweg. 5.
  16. Het enkele feit dat de bestreden erkenning nog zou moeten worden gevolgd door de indeling in een klasse, brengt niet haar onwettigheid mee. Het middel leidt niet tot vernietiging. 6.
  17. In een derde middel wordt artikel 28bis van de wet van 10 april 1841 geschonden genoemd, doordat er geen goedgekeurd algemeen rooiingsplan bestaat. 6.
  18. Het aangevoerde artikel 28bis betreft de aanleg of rechttrekking van een buurtweg. De bestreden erkenning is geen dergelijke beslissing. In zoverre verzoekers in de memorie van wederantwoord laten uitschijnen dat ten onrechte gebruik is gemaakt van de procedure tot erkenning van een buurtweg, dient naar de bespreking van het eerste middel te worden verwezen. Het middel is ongegrond. 7.
  19. In een vierde middel wordt betoogd dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen miskend is, omdat de deputatie naliet in haar beslissing van 30 mei 1996 een bezwaar van eerste en tweede verzoeker tegen het gemeenteraadsbesluit van 6 april 1995 te beantwoorden. 7.
  20. Overeenkomstig artikel 8, derde lid, van de wet van 10 april 1841 en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, moet de uitspraak van de deputatie over het hoger beroep tegen de beslissing van de gemeenteraad met redenen omkleed zijn. De formele motivering moet afdoende zijn, wat niet noodzakelijk inhoudt dat zij alle bezwaren punt voor punt beantwoordt. XII-643-6/13 Eerste en tweede verzoeker stelden met een verzoekschrift van 2 november 1995 beroep in tegen de beslissing van 7 november 1995 van de gemeenteraad om de definitieve erkenning als buurtweg van de wegdelen A, B, C en D aan te vragen. In hun beroepschrift voerden zij aan, tezamen met andere bezwaren waarin zij het openbaar karakter van de weg betwistten, dat het gemeenteraadsbesluit van 6 april 1995 waarbij de procedure tot erkenning van een buurtweg is ingesteld, geen motivering tot staving bevat. Naar uit het besluit van 30 mei 1996 van de deputatie, evenals uit de bestreden beslissing blijkt, wordt het beroep verworpen om de redenen die de gemeenteraad ertoe gebracht hebben het openbaar karakter van de te erkennen buurtweg aan te nemen. Deze redengeving kan ook volstaan ten aanzien van het bezwaar met betrekking tot het gebrek aan formele motivering van het gemeenteraadsbesluit van 6 april 1995, in die zin dat zij laat begrijpen dat het er niet -meer- toe doet of de beslissing om een onderzoek in te stellen naar het bestaan van het openbaar karakter van de te erkennen weg vanuit formeel oogpunt al dan niet behoorlijk gemotiveerd is, eens dat onderzoek heeft uitgewezen dat de weg dit openbaar karakter effectief heeft. Verzoekers mogen het daarmee niet eens zijn, maar het kan niet beletten dat, formeel gezien, het bezwaar van eerste en tweede verzoeker moet worden beschouwd als voldoende “ontmoet” door de deputatie. Het middel wordt verworpen. 8.
  21. Verzoekers voeren in een vijfde middel de schending van artikel 6 van de wet van 10 april 1841 ten aanzien van derde en vierde verzoeker aan, doordat de gemeenteraad hun bezwaren niet op 7 september 1995 heeft behandeld, maar slechts op 4 juli
  22. 8.
  23. Derde en vierde verzoeker hebben elk een bezwaarschrift ingediend tegen de gemeentelijke plannen. Niettegenstaande het voorschrift van artikel 6 van de wet van 10 april 1841, heeft de gemeenteraad daarover geen uitspraak gedaan “binnen de twee maand na het verstrijken van de bij voorgaand artikel 4 bepaalde termijn”. Meer bepaald werd in de gemeenteraadsbeslissing van 7 september 1995 om de definitieve erkenning van de buurtweg aan te vragen, geen aandacht aan de bezwaren geschonken. Om die reden tekenden derde en vierde verzoeker overeenkomstig artikel 7 tegen de gemeenteraadsbeslissing hoger beroep aan bij de deputatie, met een verzoek waarin zij hun initiële bezwaren hernamen. XII-643-7/13 In haar beslissing van 30 mei 1996 over de beroepen stelde de deputatie vast dat over de bezwaren van derde en vierde verzoeker geen uitspraak was gedaan door de gemeenteraad. In de plaats van dat euvel in graad van administratief beroep zelf goed te maken, zoals in principe vereist, beperkte de deputatie er zich toe de betrokken beroepen gegrond te verklaren “wat betreft het feit dat geen uitspraak werd gedaan over [het] bezwaarschrift”. Zodoende zette zij de gemeenteraad ertoe aan om alsnog, op 4 juli 1996, hetzij buiten de termijn van het artikel 6 van de wet op de buurtwegen, over de bezwaarschriften uitspraak te doen. Zoals in het auditoraatsverslag wordt opgemerkt en verzoekers in hun laatste memorie niet overtuigend weerleggen, is de termijn bedoeld in het meer vermelde artikel 6 alleen een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet automatisch tot de nietigverklaring moet leiden van de beslissing tot erkenning van de buurtweg. Overigens wordt te dezen de termijnoverschrijding door de gemeenteraadsbeslissing van 4 juli 1996 hierdoor vergoelijkt dat de beslissing er alleen toe strekt de tekortkoming, die de gemeenteraad op 7 september 1995 jegens derde en vierde verzoeker beging -door namelijk geen uitspraak over hun bezwaren te doen- en waartegen betrokkenen in hun beroep bij de deputatie uitdrukkelijk bezwaar hadden aangetekend, ab initio te herstellen. Het middel wordt niet aangenomen. 9.
  24. In een zesde middel wordt betoogd dat artikel 8 van de wet van 10 april 1841 is geschonden, doordat zowel de beslissing van 30 mei 1996 van de deputatie als dezer beslissing van 24 juli 1997 is genomen buiten de termijn bedoeld in artikel 8, derde lid, van de wet van 10 april
  25. 9.
  26. Naar eis van het artikel 8, derde lid, van de wet van 10 april 1841 doet de deputatie uitspraak over het hoger beroep tegen de gemeenteraads- beslissingen “binnen de drie maand, te rekenen van de ontvangst van het verzoek”. Noch de beslissing van 30 mei 1996, noch die van 24 juli 1997 voldoet aan dat voorschrift. Ook wat die termijn aangaat, geldt evenwel dat het slechts een termijn van orde betreft. Te dezen is de overschrijding ervan met vier, respectievelijk drie maanden, niet van aard de vernietiging van de bestreden beslissing te wettigen. Het middel wordt afgewezen. XII-643-8/13 10.
  27. Een zevende middel luidt: “schending van de artikelen 5, 6 en 8 van de wet van 10.04.1841 ivm. de publicatie”. Volgens de memorie van wederantwoord “gaat [het] evident over art 28 vd wet van 10.4.1841 welke de termijn oplegt, binnen dewelke de beslissing van de Best. Dep. dient te worden bekendgemaakt door het College van Burgemeester en Schepenen”. 10.
  28. Artikel 28 ressorteert onder hoofdstuk III van de wet van 10 april 1841, met betrekking tot de verbreding, rechttrekking, aanleg en afschaffing der buurtwegen, terwijl de bestreden beslissing de erkenning van een buurtweg betreft, overeenkomstig hoofdstuk I van de wet. Het middel wordt verworpen. 11.
  29. In een achtste middel houden verzoekers het gelijkheidsprincipe voor geschonden, in de eerste plaats doordat de gemeenteraad niet over alle bezwaren terzelfder tijd uitspraak heeft gedaan, maar in twee beslissingen. In de tweede plaats stellen verzoekers in het middel wat volgt : “Bovendien, in haar beslissing 24.7.1997, verklaart de Bestendige Deputatie dat het beroep van 3de en 4de verzoeker tegen de afwijzing van haar bezwaren niet ontvankelijk is, onder de motivering dat bezwaren tegen een vroegere gemeenteraadsbeslissing niet ontvankelijk zijn, wegens het verstrijken van de voorziene termijnen en dus niet in overweging kunnen genomen worden. Hierdoor wordt duidelijk het gelijkheidsbeginsel miskend, te meer hierdoor de behandeling van deze bezwaren gewoon onmogelijk wordt verklaard, en wat bijzonder tegenstrijdig voorkomt in de houding van de bestendige deputatie, waar zij deels het beroep wegens het niet behandelen van de bezwaren, gegrond bevindt, maar nadien de behandeling van het beroep -dat tijdig werd ingesteld- tegen de afwijzing van deze bezwaren, niet ontvan[...]kelijk verklaart”. 11.
  30. Zoals gezien, liet de gemeenteraad van Waarschoot in zijn beslissing van 7 september 1995 over de ingediende bezwaren na om uitspraak te doen over de bezwaarschriften van derde en vierde verzoeker. Die bezwaarschriften zijn uiteindelijk pas op 4 juli 1996 door de gemeenteraad beoordeeld. Dit is volgens het eerste onderdeel in strijd met een gelijke behandeling van alle partijen, die immers -aldus de memorie van wederantwoord- “een identieke omschrijving van het punt van de dagorde, een identieke samenstelling van de gemeenteraad en een identieke besluitvorming” vereist. Terecht brengt verwerende partij tegen die stelling in, - in de beslissing van 24 juli 1997 van de deputatie : XII-643-9/13 “[...] dat de agenda’s van de gemeenteraden d.d. 7 september 1995 respectievelijk 4 juli 1996 volgende omschrijvingen bevatten: ‘Voorstel aan de Bestendige Deputatie tot het erkennen van delen van de Stuiver als buurtweg’ en ‘erkenning van de buurtwegen zonder nummer genaamd Stuiver - bezwaarschriften’; dat beide agendapunten met voldoende duidelijkheid de te bespreken materie weergeven, zodat van schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake kan zijn; [...] dat de nieuwe gemeentewet enkel voorschriften bevat m.b.t. het vereiste quorum, niet m.b.t. de hoofdelijke aanwezigheid van individuele raadsleden”; - en in de memorie van antwoord : “Gelijke behandeling zou inhouden dat identiek dezelfde personen aan beide stemmingen hadden deelgenomen. Dit steunt op geen enkele rechtsgrond. De nieuwe gemeentewet bevat enkel voorschriften m.b.t. het quorum, niet m.b.t. de aanwezigheid van individuele raadsleden. Verder is niet het exacte aantal ja- en neen-stemmen en onthoudingen, maar wel het al dan niet bereiken van de volstrekte meerderheid van belang. Alle formele garanties die de wet op dit vlak biedt ter vrijwaring van de gelijkheid van de burgers zijn ons inziens gerespecteerd. [...] het tijdsverloop tussen beide beslissingen heeft geen invloed gehad op de besluitvorming. Beide lopen volledig parallel, in die zin dat zij resulteren in een verwerping van de bezwaren en een voorstel tot erkenning van de ‘Stuiver’ als buurtweg”. Het eerste onderdeel van het middel is ongegrond. 11.
  31. Omdat de gemeenteraad verzuimde in zijn beslissing van 7 september 1995 over de bezwaren van derde en vierde verzoeker uitspraak te doen, willigde de deputatie bij besluit van 30 mei 1996 het beroep van betrokkenen tegen die gemeenteraadsbeslissing in. Als gevolg daarvan werden hun bezwaren toch nog door de gemeenteraad behandeld, op 4 juli
  32. Het nieuwe beroep van derde en vierde verzoeker bij de deputatie wordt deels als onontvankelijk, deels als ongegrond verworpen - onontvankelijk in zoverre het beroep vroegere gemeenteraads-beslissingen dan die van 4 juli 1996 betreft, ongegrond wat de gemeenteraads-beslissing van 4 juli 1996 aangaat. In de memorie van antwoord reageert verwerende partij op het middel onder meer : “Ons inziens is er geen tegenspraak tussen de beslissing van de Bestendige Deputatie van 30 mei 1996 en het gedeeltelijk onontvankelijk verklaren van laatstgenoemd beroepschrift, met name voorzover het betrekking heeft op het besluit van de gemeenteraad van Waarschoot van 7 september
  33. De op straffe van verval voorgeschreven termijn van twee maanden na kennisname was immers reeds lang verstreken. XII-643-10/13 Terzijde weze nog opgemerkt dat het ging om een tweede beroep, namens dezelfde verzoekers, over eenzelfde beslissing”. In de memorie van wederantwoord komen verzoekers niet meer op het onderdeel terug. Zij doen dat evenmin nog in de laatste memorie, niettegenstaande de bevoegde auditeur zich in zijn verslag zonder meer bij het verweer van verwerende partij aansluit. Er is in die omstandigheden grond om het standpunt van de verwerende partij bij te vallen en het onderdeel als ongegrond te verwerpen. 12.
  34. Een negende middel luidt: “schending van art 11 van de wet van 10.4.1841”. Verzoekers lichten het middel in het verzoekschrift toe als volgt : “In het bezwaarschrift van derde en vierde verzoeker werd aangetoond dat na inzage van het adm.dossier ten gemeentehuize, het voorgelegde rooiplan exact hetzelfde was als voor de aanvraag tot erkenning die reeds in 1994 geschiedde. Het Provinciebestuur maakte opmerkingen in haar brief 30.09.1994, doch hieraan werd niet voldaan, minstens niet in de periode dat het openbaar onderzoek liep. In het bijzonder m.b.t. de weg A dient gesteld dat deze weg een grintweg is met een breedte van 2,5 à 3 m. en verder wordt er op gewezen dat de erkenning als buurtweg zich dient te beperken tot de werkelijke breedte van de weg zoals die nu algemeen door het publiek wordt gebruikt Het plan zoals het voorligt op heden mbt weg A voorziet in een breedte van 4,5 m. ipv. de werkelijke breedte nl.2,5 à 3 m. Zoals vermeld in de brief vh Provinciebestuur dient ook, de vraag tot erkenning mbt de weg A te geschieden op de werkelijke breedte vd weg en niet over 4,5 meter. Bijaldien blijkt dat de thans voorgelegde plannen, niet diegene zijn, die destijds tijdens het openbaar onderzoek van 26 mei tot 26 juli 1995 werden voorgelegd. De plannen zijn dus in strijd met het tweede lid van art 11 van de wet van 10.04.1841”. 12.
  35. Artikel 11, tweede lid, van de wet van 10 april 1841 schrijft voor : “Wanneer ter uitvoering van het plan onteigening noodzakelijk is, zal het plan bij koninklijk besluit worden goedgekeurd, en men zal zich gedragen naar de voorschriften van de wet van 17 april 1835 op de onteigening te algemenen nutte”. In zijn brief van 30 september 1994 formuleert de provincie geenszins een opmerking met betrekking tot weg A. Alleen met betrekking tot weg XII-643-11/13 B wordt vastgesteld dat de vraag tot erkenning niet op de breedte gebeurt die algemeen door het publiek gebruikt wordt, maar dat zij tevens een gedeelte betreft dat buiten de weg achter de bestaande afsluiting is gelegen. Sindsdien heeft de gemeente met betrekking tot weg B een aangepast plan opgesteld en in het dossier gevoegd, zoals mag blijken uit onder meer het verslag van 26 januari 1996 van de provinciale Technische Dienst. Bovendien heeft de bestreden beslissing weg B ook effectief slechts erkend op de aangepaste breedte. Anders dan verzoekers beweren, wordt in de voormelde brief van 30 september 1994 dus hoegenaamd niét vermeld dat “ook, de vraag tot erkenning mbt de weg A [dient] te geschieden op de werkelijke breedte vd weg en niet over 4,5 meter”. Integendeel wordt in een technisch verslag van 27 mei 1997 door het hoofd van de betrokken provinciale dienst bevestigd: “De opmerkingen die voor de weg B werden geformuleerd gelden dus geenszins voor weg A-C en D, waar de erkenning geschiedt op de breedte die algemeen door het publiek wordt gebruikt”. Het blijkt derhalve niet dat de plannen wat weg A betreft moesten worden gewijzigd. Nu dat niet hoefde, is de kritiek van verzoekers, in de memorie van wederantwoord, dat de plannen van weg A “in niets gewijzigd waren”, zonder belang. Daargelaten of de concrete grieven van verzoekers überhaupt een tekortkoming aan het aangevoerde artikel 11, tweede lid, van de wet van 10 april 1841 aannemelijk kunnen maken, moeten ze hoe dan ook worden verworpen. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. De namens het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Waarschoot ingestelde vordering tot tussenkomst wordt verworpen. Artikel
  37. Het beroep wordt verworpen. XII-643-12/13 Artikel
  38. De kosten van het beroep, bepaald op 1041,18 euro, komen ten laste van verzoeker, elk voor een zesde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van verzoekster in tussenkomst. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht mei 2007, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-643-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.170.917 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.